vrijdag 15 maart 2013

Lezing voor C.S.F.R. in Groningen

Gisterenavond hield ik voor het C.S.F.R. in Groningen een lezing over rationele argumenten voor theïsme. Het was een mooie avond waar ik met plezier op terugkijk. Langs deze weg wil ik nogmaals het bestuur van C.S.F.R. Groningen en iedereen die gisteren aanwezig was hartelijk danken voor het enthousiasme en de inspirerende discussies. Ook de borrel na afloop was erg geslaagd! De lezing is inmiddels beschikbaar bovenaan mijn website emanuelrutten.nl

zondag 3 maart 2013

Niet-wetenschappelijk kennen

"Analyseren is dus, het spreekt bijna vanzelf, een menselijke activiteit, in Vollenhovens termen: het is een functie van de mens. In deze laatste uitdrukking zit overigens een forse kritiek verpakt op al die filosofieën waarin het logische denken als het centrum of de kern van het mens-zijn wordt opgevat [...]. Vollenhoven verdedigt de stelling dat het logische denken een functie is náást andere functies, zoals ondermeer spreken, omgaan met mensen, iets kopen, esthetische beleving en geloven. Eigenlijk is Vollenhoven nog genuanceerder als hij zegt dat kennen veel rijker is dan het logische kennen hoewel het logische in ieder kennen een moment is [...]. Nu maakt Vollenhoven, net als Dooyeweerd, een onderscheid tussen niet-wetenschappelijk en wetenschappelijk kennen en dus ook tussen tweeërlei wijze van onderscheiden. Vollenhovens voorbeeld van het eerste is het waarnemen van een brievenweger. Bij zulk een waarnemen onderscheid ik deze van zijn omgeving, van de tafel waarop hij staat en van de achtergrond tegen welke ik hem zie. Maar dit waarnemen is niet wetenschappelijk, ik onderscheid de analytische activiteit zelf niet van bijvoorbeeld mijn emotioneel reageren op dat ding (dat ik wellicht van een dierbare vriendin heb gekregen). Het wetenschappelijk kennen daarentegen maakt hier stricte onderscheidingen en daarom spreken we ook van biologie, psychologie, sociologie, etc. Vollenhoven zegt dus dat niet alle kennen theoretisch van aard is. 'Kennen' mag niet vereenzelvigd worden met het voltrekken van theoretische denkacten. Daarom zegt Mekkes dat men onderscheid moet maken tussen 'kennen' en 'denken'. Vele dingen 'kennen' we zonder dat daar 'denken' aan te pas komt. Niet alle 'kennis' is product van 'denken'. In Mekkes' eigen woorden: '...op een elementaire vraag betreffende het kennen van de liefde, van het recht, van de schoonheid, (kan) niet anders worden geantwoord dan: door deze alle te beleven; en voorts zeer concreet: door de geliefde lief te hebben, een rechtsverhouding hetzij onder schade of winst tot klaarheid te brengen, door schoonheid op niet verder definieerbare wijze beroerd te zijn'.(*)

(*) J.P.A. Mekkes, Radix, tijd en kennen. Proeve ener critiek van de belevingssubjectiviteit, Amsterdam: Buijten & Schipperheijn, 1971, p. 142. Ook schrijft hij: 'Denken is een facet, kennen het innerlijk der structuren.' 'Kennen' is niet, zoals 'denken', een tendentie (of vermogen) naast 'willen' en 'verbeelden' (p. 143)."

van Woudenberg, R., Gelovend denken, Buijten & Schipperheijn Motief, Amsterdam 2004, pp. 88-89

vrijdag 1 maart 2013

Het fine-tuning argument: een dialoog

Deze bijdrage is een bewerking van een dialoog over het fine-tuning argument dat enige tijd geleden op dit blog tussen mij en een bezoeker, Arno, plaatsvond. Een beknopte weergave van het fine-tuning argument is bijvoorbeeld hier op blz 7-9 te vinden.

Sinds het begin van de mensheid heeft een onmetelijke hoeveelheid gebeurtenissen er toe geleid dat ik uiteindelijk werd geboren. De statistische kans hierop is onvoorstelbaar klein. Maar kunnen we dan niet, analoog aan de redenering die in het fine-tuning argument gevolgd wordt, bruut toeval uitsluiten?

Een verwijzing naar bruut toeval lijkt mij een prima verklaring voor jouw geboorte (en natuurlijk ook voor die van mij). Maar zul je zeggen, het is toch extreem onwaarschijnlijk dat evolutie tot jou zou leiden? Natuurlijk is dit extreem onwaarschijnlijk, maar dat is nog geen reden om bruut toeval niet als een verklaring voor jouw geboorte te accepteren. We kunnen immers pas bruut toeval als verklaring afwijzen als er sprake is van gespecificeerde complexiteit, dat wil zeggen, als er sprake is van een extreem lage waarschijnlijkheid in combinatie met een onafhankelijk gegeven patroon. Laat me dit hieronder met een voorbeeld nader toelichten.

Stel je eens voor dat we alle straatstenen in de omgeving van de Domtoren in Utrecht van een nummer voorzien. Stel dat we vervolgens Jan zes muntstukken geven en hem de Domtoren insturen met de opdracht om bovenin de Domtoren geblinddoekt deze munten lukraak naar beneden te gooien. Stel dat vervolgens de eerste munt op steen 1332 terecht komt, de tweede munt op steen 232, de derde munt op steen 5333, de vierde munt op steen 42, de vijfde munt op steen 4545 en de zesde munt op steen 23. Wat is nu de beste verklaring voor het optreden van de combinatie 1332, 232, 5333, 42, 4545 en 23? Welnu, het mag duidelijk zijn dat bruut toeval in dit geval de beste verklaring is voor het optreden van deze combinatie. Het feit dat de combinatie in kwestie extreem onwaarschijnlijk is doet hier niets aan af. Er moest immers hoe dan ook een bepaalde combinatie optreden.

Maar stel je nu eens voor dat we in de omgeving van de Domtoren eerst zes willekeurige stenen groen kleuren. En stel bovendien dat Jan hier helemaal niets vanaf weet. Stel vervolgens dat we Jan met exact dezelfde opdracht de Domtoren insturen en dat vervolgens blijkt dat alle zes door Jan lukraak naar beneden gegooide muntstukken precies op de zes groenen stenen terecht komen! Stel bovendien dat we Jan deze opdracht twintig keer laten uitvoeren en dat iedere keer alle zes door Jan lukraak naar beneden gegooide munten op de zes groene stenen terechtkomen! In dit geval is een beroep op bruut toeval geen redelijke verklaring meer. Er is namelijk sprake van gespecificeerde complexiteit. We worden hier geconfronteerd met extreem lage waarschijnlijkheid in combinatie met een onafhankelijk gegeven patroon. De beste, de meest redelijke, verklaring is hier dan ook het vermoeden dat er sprake is van opzet, van intentionaliteit.

Welnu, het fine-tuning argument is analoog aan het tweede scenario en niet aan het eerste scenario. Jouw en mijn geboorte is daarentegen analoog aan het eerste scenario. Kortom, in het geval van de fine-tuning van de kosmos is een beroep op bruut toeval als verklaring inadequaat, terwijl in het geval van jouw en mijn geboorte een beroep op bruut toeval de beste verklaring betreft.

Ik ben dat met je eens. Dat de evolutie uiteindelijk een wezen heeft geproduceerd met precies mijn DNA code is bruut toeval. En de evolutie had ook net zo goed zodanig kunnen verlopen dat er helemaal geen intelligent leven ontstaan zou zijn. Maar dan was er ook geen intelligent leven geweest om dit te constateren. Dit betekent dus dat intelligent leven automatisch zal constateren dat de evolutie op een zodanige manier is verlopen dat intelligent leven is ontstaan.

Natuurlijk kunnen wij alleen een universum waarnemen dat geschikt is voor intelligent leven. Wij kunnen immers per definitie niet bestaan in een universum dat niet geschikt is voor intelligent leven! Maar dat is nog geen antwoord op de vraag waarom er überhaupt een universum is ontstaan dat geschikt is voor intelligent leven. En het is precies deze waarom-vraag die het uitgangspunt vormt van het fine-tuning argument.

Laat me dit met een voorbeeld toelichten. Stel dat jij op reis bent in een ver en vreemd land. Op een dag wordt je door de politie aldaar opgepakt en geheel onterecht veroordeeld voor drugshandel. Stel dat ze je vervolgens zelfs ter dood veroordelen en voor een vuurpeloton van honderd scherpschutters plaatsen die allemaal hun geweer op jou gericht hebben. Alle honderd schutters schieten vervolgens tegelijkertijd hun geweer op jou leeg. Het lawaai is werkelijk oorverdovend. En als de rook is opgetrokken blijkt... ...dat alle schutters gemist hebben! Je bent volledig ongeschonden! Zou je dan willen beweren dat er in dit geval helemaal niets te verklaren is omdat uit het feit dat jij er nog bent automatisch volgt dat de schutters allemaal gemist moeten hebben? Welnu, natuurlijk moeten alle schutters gemist hebben. Jij bent er immers nog! Maar dat betekent niet dat je geen verklaring voor deze zeer opmerkelijke gebeurtenis zou willen hebben. Je zult immers willen weten waarom alle honderd schutters gemist hebben! En dan is de verklaring dat er sprake is van puur toeval natuurlijk niet redelijk. De meest redelijke verklaring in dit geval is dat er sprake is van opzet, van intentionaliteit.

Welnu, hetzelfde geldt voor het fine-tuning argument. Natuurlijk, als het universum niet geschikt zou zijn voor het ontstaan van intelligent leven, dan zouden wij er niet zijn. Uit het feit dat wij er zijn volgt dus inderdaad automatisch dat het universum geschikt is voor het ontstaan van intelligent leven. Maar ook hier is de vraag vervolgens waarom het universum eigenlijk geschikt is voor het ontstaan van intelligent leven. En dan valt bruut toeval af vanwege de (zoals fysici in de afgelopen decennia ontdekt hebben) extreem kleine waarschijnlijkheid dat de natuurconstanten geheel toevallig precies die waarden hebben die het universum geschikt maakt voor het ontstaan van intelligent leven. Er was namelijk helemaal geen universum ontstaan dat geschikt is voor het ontstaan van intelligent leven indien één van de natuurconstanten een iets andere waarde gehad zou hebben. Daarom is ook hier intentionaliteit de beste verklaring voor het feit dat het universum geschikt is voor het ontstaan van intelligent leven.

Ik zou inderdaad in eerste instantie opzet vermoeden. Bijvoorbeeld een practical joke van de generaal die het hele vuurpeloton losse flodders had gegeven. Aan het begin van de evolutie heeft niemand voorspeld dat er ooit een wezen zou evolueren met het DNA profiel van mij. Derhalve ga ik met je mee dat bruut toeval een goede verklaring is voor mijn geboorte. Bij het begin van onze evolutie heeft ook niemand voorspeld dat er ooit een wezen zou evolueren met het DNA profiel van een fruitvlieg, of van een zeeleeuw, of van een aap, of van een mens. Derhalve vind ik bruut toeval ook een goede verklaring voor het ontstaan van deze wezens. Bij het ontstaan van het universum heeft ook niemand voorspeld dat de constanten zodanig zouden uitvallen dat leven mogelijk zou zijn. Waarom is in dit geval intentie dan wel voor de hand liggend volgens jou?

Uit jouw reactie maak ik op dat het goed is nog eens te wijzen op het verschil tussen enerzijds extreme onwaarschijnlijkheid en anderzijds extreme onwaarschijnlijkheid in combinatie met een onafhankelijk gegeven patroon. Ik geef wederom een voorbeeld. Stel je loopt in de woestijn en vlak voor je ontstaat een enorme zandstorm. Na enige tijd gaat de storm liggen en kun je eindelijk weer iets zien. Tot je grote verbazing blijkt het zand vlak voor je een reusachtig kasteel te hebben gevormd, compleet met ophaalbrug, binnenplaats, waterput, stallen voor de paarden en wachttorens. Wat zul je dan denken? Iedere mogelijke combinatie van de zandkorrels is uiteraard even onwaarschijnlijk als iedere andere combinatie. Maar het zou natuurlijk irrationeel zijn om te beweren dat het redelijk is te geloven dat er in dit geval sprake is van bruut toeval omdat de zandkorrels zich nu eenmaal op een bepaalde manier moeten combineren, en iedere specifieke combinatie even onwaarschijnlijk is als de combinatie die zojuist is ontstaan! En de reden hiervoor is dat er in dit geval sprake is van gespecificeerde complexiteit, oftewel van extreme onwaarschijnlijkheid in combinatie met een onafhankelijk gegeven patroon. In zo'n geval is een beroep op bruut toeval als verklaring eenvoudigweg niet rationeel meer. En dat niemand vooraf heeft voorspeld dat er een zandkasteel uit het zand zou ontstaan doet hier natuurlijk helemaal niets aan af.

Welnu, precies hetzelfde is aan de orde in het geval van de fine-tuning van het universum. Stel je immers een kilometers uitgestrekt plat vlak voor waarvan ieder punt precies één mogelijk universum representeert. Voor iedere combinatie van natuurconstanten is er dus sprake van exact één enkel punt op het enorme uitgestrekte platte vlak in kwestie. Stel je nu eens voor dat we de punten op het vlak die corresponderen met universa waarin geen leven kan ontstaan zwart kleuren, en dat we de punten op het vlak die corresponderen met universa waarin juist wel leven kan ontstaan wit kleuren. In dat geval zal (uitgaande van de moderne kosmologie) het vlak in alle richtingen kilometers lang pikzwart zijn met slechts ergens één enkel zeer klein wit stipje! Stel je nu eens voor dat iemand vanaf kilometers afstand geblinddoekt volstrekt lukraak een pijltje op dit kilometers uitgestrekt zwarte vlak schiet, en dat vervolgens blijkt dat dit pijltje precies in de witte stip terechtkomt! Natuurlijk is het dan niet redelijk meer om te spreken van bruut toeval. En de reden is, net zoals in het geval van het voorbeeld van de zandstorm, dat er sprake is van gespecificeerde complexiteit, oftewel van een extreem kleine kans in combinatie met een onafhankelijk patroon. Als het pijltje namelijk op één van de vele zwarte stippen terechtgekomen was, en er dus geen sprake was geweest van genoemde combinatie, dan had echt niemand aan bruut toeval als verklaring getwijfeld. Ook al is de kans dat het pijltje precies op die zwarte stip terechtkomt net zo klein als de kans dat het pijltje op de witte stip valt. Kortom, het is inderdaad cruciaal voor het fine-tuning argument dat er sprake is van een onafhankelijk patroon.

Ik zou zeer verbaast zijn over het zandkasteel. Des te meer omdat ik kennis heb van hoe zand zich gedraagt onder wind. Dit schikt zich namelijk helemaal niet geheel willekeurig, het schikt zich automatisch in de vorm van golven. Het zandkasteel lijkt dus zelfs natuurwetten te tarten. Aangaande de constanten van het universum weten wij niet of die zich willekeurig schikken, of dat zij zich schikken volgens bepaalde regels of voorkeuren. Maar laten we voor deze discussie aannemen dat de constanten zich willekeurig en onafhankelijk van elkaar zouden kunnen schikken.

Als het zand zich geschikt zou hebben in een vorm die wij niet bijzonder vinden, dan zouden ik en jij dit toeval vinden. Maar een bewoner van de planeet Yaxet zou in zo'n patroon misschien een exacte replica van een beroemd kunstwerk van die planeet herkennen. De aanwezigheid van een patroon is dus "in the eye of the beholder". Elke reeks van 10 worpen met een dobbelsteen is willekeurig en komt in de praktijk even vaak voor. Toch klopt ons hart sneller als we 1234561234 gooien. Omdat wij dan een patroon zien. Maar de statistische kans op dat patroon is net zo groot als op 4235536232. En als je dat gooit dan begint je hart niet sneller te kloppen. Tenzij je werkt voor de Electric Power Board of Chattanooga landline from Chattanooga, want dan heb je precies het telefoonnummer van aldaar gegooid. Maar je laat mijn vraag over de evolutie van de fruitvlieg onbeantwoord. Ik zal hem hieronder iets anders formuleren. Stel je datzelfde kilometers uitgestrekte vlak voor. Elk punt representeert een mogelijk verloop van de evolutie van onze aarde, vanaf het moment dat DNA ontstond tot op heden. We kleuren de punten waarbij er een fruitvlieg bestaat of kan bestaan wit en de rest zwart, en we groeperen de witte punten. Het ontstane vlak is vergelijkbaar met het door jou voorgestelde vlak: een enorm zwart vlak met ergens een wit stipje. Toch vind jij het bruut toeval dat een blinde werper de dartpijl van kilometers afstand precies op dit witte stipje heeft gegooid. Wat is het verschil in die twee situaties?


Het opwellen van een zandkasteel uit een zandstorm is een voorbeeld van gespecificeerde complexiteit. Het is dan voor jou en mij, of welk mens dan ook, niet rationeel om te beweren dat hier slechts sprake is van toeval. Dit willen ontkennen zou onredelijk zijn. Ik weet zeker dat ook jij niet zal willen beweren dat het redelijk is om zo'n gebeurtenis, mocht deze zich voordoen, aan bruut toeval toe te schrijven. En als na afloop van een zandstorm een exacte replica van een kunstwerk op de planeet Yaxet is ontstaan, dan is dat eveneens een voorbeeld van gespecificeerde complexiteit indien we aannemen dat de ratio van het aantal zandkunstwerken in het universum en het aantal mogelijke zandconfiguraties verwaarloosbaar klein is. En de werknemer van de Electric Power Board van Chattanooga dan? Welnu, als hij zelf de dobbelsteen gegooid heeft en vervolgens zijn eigen telefoonnummer gooit, dan is dat natuurlijk opmerkelijk (*) maar nog niet onwaarschijnlijk genoeg voor het vermoeden van intentionaliteit. Het wordt een ander verhaal als hij bijvoorbeeld een miljoen keer die dobbelsteen zou gooien en iedere keer zijn eigen telefoonnummer gooit! Ook in dit geval kun je echt niet beweren dat het rationeel is voor de medewerker in kwestie om zo'n gebeurtenis toe te schrijven aan toeval. Welnu, onze epistemische positie voor wat betreft de fine-tuning van het universum is analoog aan dit soort situaties. Daarom is het voor ons evenmin redelijk om te denken dat de combinatie van natuurconstanten louter een kwestie van toeval is.

(*) Merk op dat het niet opmerkelijk zou zijn als iemand anders in het universum deze reeks zou hebben geworpen. We kunnen bij iedere reeks immers altijd wel ergens iemand vinden die juist die reeks als telefoonnummer heeft.

Het is mij toch nog niet voldoende duidelijk waarom jij bruut toeval wel heel redelijk vindt als verklaring voor bijvoorbeeld het ontstaan van de fruitvlieg, de mens, of jouzelf. Hierop heb jij naar mening nog geen duidelijk antwoord gegeven. Een fruitvlieg is als een zandkasteel. Het is gespecificeerde complexiteit. Het heeft een bepaald DNA patroon. Als je een willekeurig DNA patroon gooit met een dobbelsteen, dan is de kans dat daar het patroon voor een levensvatbaar wezen uit ontstaat nihil. Als ik zo'n patroon zou gooien met een dobbelsteen, dan zou jij volgens jouw argumentatie toeval uitsluiten. En zelfs met zo'n geweldig selecterend systeem als evolutie is de kans dat de evolutie van het DNA uiteindelijk een wezen op zal leveren met het patroon van een fruitvlieg nihil. Dus terug naar die twee enorme grote zwarte vlaktes met dat witte vlekje. In het ene geval staat het witte vlekje voor de kans dat er leven kan bestaan. In het andere geval staat het witte vlakje voor de kans dat er een fruitvlieg kan bestaan. In beide gevallen wordt er blind met een dart pijl gegooid, en in beide gevallen valt de pijl precies op het witte vlakje. Waarom is het bij de fruitvlieg toeval? En als het bij de fruitvlieg toeval is, is het dan ook bij de mens toeval?

Het feit dat het universum het ontstaan van leven mogelijk maakt kan niet worden toegeschreven aan bruut toeval, aldus het fine-tuning argument waarop ik hierboven uitvoerig inging. Maar het feit dat in een universum dat geschikt is voor het evolutionair ontstaan van leven vervolgens een fruitvlieg ontstaat kan wel degelijk aan toeval worden toegeschreven. Het evolutionaire proces zou immers uiteindelijk hoe dan ook op complexe levensvormen uitkomen, welke vorm dan ook. En dan is het ontstaan van een fruitvlieg, of welke andere specifieke levensvorm dan ook, geen voorbeeld van gespecificeerde complexiteit. Kortom, het is, gegeven een universum dat geschikt is voor het evolutionair ontstaan van leven, dus bruut toeval dat de menselijke soort ontstond, dat wezen met een hoofd, twee armen en twee benen. En het is, gegeven een universum dat geschikt is voor het evolutionair ontstaan van leven, ook bruut toeval dat specifieke andere soorten, zoals vlinders en rupsen, ontstonden. Maar het is geen bruut toeval dat er een universum is dat überhaupt het evolutionair ontstaan van leven mogelijk maakt. Het relevante onafhankelijke patroon is dus een universum dat het evolutionair ontstaan van leven mogelijk maakt (ten opzichte van alle overige mogelijke universa waarin dit immers niet het geval is) en niet het ontstaan van een of andere specifieke levensvorm (zoals fruitvliegen, of welke specifieke levensvorm dan ook) in een universum waarvan we reeds weten dat het geschikt is voor het evolutionair ontstaan van leven.

Laat me hetzelfde punt ook nog op een andere manier maken. Er is sprake van een goed argument voor intentionaliteit indien er sprake is van twee verzamelingen A en B van mogelijkheden, zodanig dat

I. De gerealiseerde mogelijkheid een element is van A,
II. Ieder element van A saillant is in vergelijking met alle elementen van B,
III. De ratio #A/#B (waarbij #X het aantal elementen van de verzameling X betreft) verwaarloosbaar klein is.

In dit geval kunnen we namelijk inderdaad redelijkerwijs concluderen dat intentionaliteit de meest redelijke verklaring is voor het feit dat een element van de verzameling A gerealiseerd is. Welnu, het 'fruitvliegjes'-scenario levert geen goed voorbeeld van een geslaagd argument voor intentionaliteit op ('het ontstaan van fruitvliegen als gewilde uitkomst'). In dit geval is A immers de verzameling universa waarin fruitvliegen ontstaan, en geen enkel element van A is saillant ten opzichte van alle elementen van B. Neem als element uit B maar eens een universum waarin geen fruitvliegen maar wel vlinders ontstaan. Het fine-tuning argument kent dit probleem niet ('het bestaan van een universum dat leven mogelijk maakt als gewilde uitkomst'). De verzameling A is in dit geval immers de verzameling van alle universa waarin leven kan ontstaan, zodat ieder element van A saillant is ten opzichte van alle universa waarin geen leven kan ontstaan (i.e., B).

Dat is helder uiteengezet. Begrijp ik goed dat in jouw optiek de mensheid niet intentioneel is, maar wel de evolutie van intelligent leven (middels correcte fine-tuning van het universum), niet noodzakelijkerwijs met twee armen en twee benen, en levend op één of meerdere planeten, maar niet noodzakelijkerwijs de aarde?

Dat heb je goed begrepen. Zie eventueel ook http://goo.gl/Kva8K

zondag 24 februari 2013

On Philipse’s Attempt to Write Off All Deductive Cosmological Arguments (preprint)

A preprint of my academic paper 'On Philipse’s Attempt to Write Off All Deductive Cosmological Arguments' is now available here. Comments are welcome.

Nanotechnologie en de 'Big Questions'

Hoogleraar moleculaire biofysica Cees Dekker gaf afgelopen vrijdag een lezing over nanobiologie tijdens het VU symposium "Science and the Big Questions". Dit symposium werd gehouden ter gelegenheid van de opening van het Abraham Kuyper Centre for Science and Religion. Dekker bood de aanwezigen een fascinerende kijk in de wereld van de nanotechnologie. Aan het eind van zijn presentatie noemde hij eveneens een paar met nano samenhangende 'Big Questions', zoals de vraag wat leven nu eigenlijk is en of wij als mensheid ooit in staat zullen zijn leven te produceren. Na zijn lezing trad ik kort op als respondent. Onderstaande bijdrage is een bewerkte versie van mijn response.

Dekkers verhaal maakt duidelijk dat nanobiologie een zeer grote impact op ons leven zal hebben. Het is dan ook inderdaad van belang om na te denken over de meer fundamentele vragen die deze ontwikkelingen oproepen, zowel op het gebied van de ethiek als op het terrein van de metafysica. Laten we eens een paar relevante fundamentele kwesties bekijken.

Uit Dekkers lezing valt op te maken dat de nanobiologie ons leven definitief en radicaal zal veranderen. Nano zal op termijn zelfs dieper ingrijpen op onszelf en onze leefwereld dan de stoommachine, de elektriciteit en de computer hebben gedaan. De keuzes die nu gemaakt worden zullen dan ook een enorme invloed hebben op de toekomst van onze wereld. Bovendien zijn deze keuzes zeer lastig omdat, zoals Dekker aangaf, de impact van nano op de wereld voor ons vooralsnog heel moeilijk voorspelbaar is. Wij overzien op dit moment niet of nauwelijks hoe nanotechnologie onszelf en onze wereld zal transformeren.

Dit roept de vraag op hoe op zorgvuldige wijze besloten kan worden welke nano onderzoeksvragen wel en niet opgepakt zouden moeten worden. Is de beslissing welke nano projecten opgestart worden een strikt natuurwetenschappelijke aangelegenheid? Kunnen natuurwetenschappers louter op grond van natuurwetenschappelijke criteria deze beslissingen zelf nemen? Of is voor het verantwoord nemen van dit soort beslissingen ook expertise van buiten de natuurwetenschappen vereist? En zo ja, om wat voor een soort expertise gaat het dan? Gaat het alleen om andersoortige wetenschappelijke kennis, zoals de kennis van medici, psychologen, sociologen en economen? Of moeten we gelet op de aard van de problematiek ook denken aan expertise die niet van wetenschappelijke aard is? Maar om wat voor een soort niet-wetenschappelijke expertise zou het dan kunnen gaan? Moeten we vooral denken aan wijsgerige inzichten, zoals inzichten op het gebied van de moraalfilosofie? Of bestaan er ook andere vormen van niet-wetenschappelijke kennis die in dit verband relevant of zelfs cruciaal kunnen zijn? Met deze vraag zijn we aanbeland bij het soort vragen waarop het 'Science beyond Scientism' project binnen het Abraham Kuyper Centre zich zal gaan richten. Dekkers verhaal maakt duidelijk dat dit niet onbelangrijk is.

Daarnaast lijkt het erop dat door nano het al millenia lang voor de mensheid vanzelfsprekende onderscheid tussen natuur en techniek, of wellicht beter, tussen natuur en cultuur, verder zal vervagen en ten slotte zelfs geheel zal verdwijnen. Zodra in bijna alles wat bestaat nanotechnologie aanwezig is, en dus bijna alles deels menselijk artefact is, zal het voor ons steeds moeilijker worden om de dingen in onze leefwereld te herkennen als natuur of als menselijk maaksel. Dit is echter nog niets vergeleken bij wat er gebeurd zodra nanomaaksels en natuurobjecten spontaan en ongecontroleerd onderling allerlei nieuwe verbindingen aangaan die vervolgens ook onderhevig worden aan evolutionaire processen. Vanaf dat moment zal er een totale vervlechting tussen natuurobjecten en menselijke maaksels optreden. We komen dan pas echt, om met de filosoof Bruno Latour te spreken, terecht in een wereld van hybrids, een wereld van quasi-natuurobjecten en quasi-maaksels die onmogelijk nog begrepen kunnen worden als natuur of als menselijk voortbrengsel.

De vraag is wat dit toekomstperspectief ons nu reeds zegt over ons beeld van de werkelijkheid en over ons beeld van onszelf. Wat betekent het anders gezegd voor ons wereldbeeld als er straks geen betekenisvol verschil meer bestaat tussen natuur en maaksel, als straks alles natuur en maaksel tegelijk is, of misschien beter, als straks niets nog natuur of maaksel is? Dit lijken mij intrigerende fundamentele vragen waarop het antwoord volgens mij zeker niet alleen van de wetenschap zelf kan komen.

Ook op meer praktisch niveau zijn hier belangrijke fundamentele vragen te stellen. Er lijkt een groot risico te bestaan dat allerlei in het wild uitgezette nanotechnologie op enig moment om wat voor reden dan ook niet langer wenselijk is. Maar wat dan? Moeten we dan speciale nanotechnologie gaan inzetten om allerlei 'nano vervuilingen' weer ongedaan te maken? Maar belanden we zo niet in een hopeloze regressie? Bovendien lijkt het waarschijnlijk dat tegen die tijd nano schoonmaakoperaties technisch niet langer mogelijk zijn omdat de op te ruimen nanomaaksels zich dan al te diep in de natuur genesteld hebben. Of, wellicht nog veel problematischer, omdat tegen die tijd überhaupt het verschil tussen natuur en menselijk maaksel is verdwenen, zodat de notie van het verwijderen van nanotechnologie uit de natuur eenvoudigweg betekenisloos is geworden.

Verder ging Dekker kort in op de zogenaamde convergentiethese. Er is sprake van een steeds verder toenemende overlap tussen nano, bio (biologie), info (informatie) en cogno (cognitie, bewustzijn). Dekker gaf een aantal mooie voorbeelden van nano/bio en nano/info convergentie. Maar het plaatje dat hij liet zien toonde ook een overlap tussen nano en cogno. Dat vond ik als filosoof verrassend. Hoe zou de sfeer van het denken een overlap kunnen vertonen met de wereld van de nanobiologie? Wordt hier gesuggereerd dat het bewustzijn, het mentale, zich al op nanoniveau kan manifesteren? In dat geval zou nano/cogno convergentie wellicht kunnen wijzen op een bepaalde vorm van panpsychisme. Er zijn hedendaagse filosofen die deze metafysische positie als een serieuze optie beschouwen, zoals bijvoorbeeld Thomas Nagel in zijn nieuwe boek 'Mind and Cosmos'. Maar goed, Dekker zal met genoemde overlap waarschijnlijk iets anders bedoelen. Toch laat dit onverlet dat een wetenschappelijke uitwerking van een mogelijke nano/cogno overlap ons misschien iets kan leren over een van de grootste vragen uit de geschiedenis van de mensheid, namelijk de vraag naar de herkomst van het bewustzijn en haar relatie tot de materie.

Kortom, alle reden om als 'Science beyond Scientism' project op de hoogte te willen blijven van de verdere ontwikkelingen op het gebied van de nanotechnologie. Dekkers interessante voordracht is hiervoor wat mij betreft een uitstekende eerste aanzet geweest.

zaterdag 16 februari 2013

Over Gods (on)verborgenheid

Een bekend argument voor de stelling dat God niet bestaat is het zogenaamde argument vanuit Gods verborgenheid. Het argument gaat globaal als volgt. Als God bestaat, dan houdt God zich erg goed voor ons verborgen. Maar God zou zich nooit zo goed verborgen houden voor de mensheid. Hieruit volgt dat God niet bestaat. Is dit argument overtuigend? Dit lijkt niet het geval.

Allereerst is het niet onredelijk om te denken dat God, als God bestaat, tot een radicaal andere ontologische categorie behoort dan de mens en haar natuurlijke leefwereld. God is als de absolute grond en oorsprong van de werkelijkheid een oneindig en transcendent wezen, terwijl de mens een eindig en immanent wezen is. Het is dan ook niet vreemd dat juist God, in tegenstelling tot de ons omringende natuur, een zekere mate van verborgenheid voor ons heeft.

Stel bovendien dat God zich al te nadrukkelijk aan ons bekend zou maken. In dat geval zouden wij niet langer oprecht in volkomen vrijheid voor het goede kunnen kiezen. Wie zou immers nog naar het kwade neigen wanneer God alle mogelijke twijfel over Zijn bestaan voorgoed zou wegnemen door de gehele mensheid een onfeilbare en onuitwisbare indruk van Zijn aanwezigheid te geven? Nu is het echter redelijkerwijs een groot goed om in totale vrijheid voor het goede te kunnen kiezen en zo daadwerkelijk significante morele keuzes te kunnen maken. Het lijkt dan ook alleszins redelijk dat God dit goed niet verloren wil laten gaan door deze cruciale vrijheid van ons af te nemen. Maar dan kan God niet al te nadrukkelijk blijk geven van Zijn existentie.

Daarnaast is het nog maar de vraag of God zich zo goed verborgen houdt voor wie werkelijk naar God op zoek gaat. Er zijn immers voldoende fenomenen die een ieder van ons op z'n minst op de gedachte kunnen brengen dat het alles behalve irrationeel is om te denken dat God bestaat. Hierbij kan onder andere gedacht worden aan (1) het feit dat er überhaupt iets is en niet veeleer niets, (2) het bestaan van contingente objecten, (3) de persistentie van objecten, (4) het feit dat de wiskunde ons inmiddels leert dat waarheden over het oneindige nodig zijn om alle waarheden over het eindige te kunnen afleiden, (5) de objectiviteit van het verleden, (6) het bestaan van uniforme, universele en stabiele natuurwetten, (7) het feit dat ons universum een absoluut begin heeft gehad oftewel een eindige tijdsduur geleden is ontstaan, (8) de opmerkelijke elegantie en effectiviteit van de wiskunde als beschrijvingstaal van de natuur, (9) de saillante fine-tuning van de kosmos, (10) het bestaan van bewustzijn, (11) het bestaan van vrije wil, (12) het gerechtvaardigde vertrouwen in de betrouwbaarheid en het enorme wetenschappelijke verklaringssucces van ons redevermogen en onze zintuigen, (13) de ervaring van de objectiviteit van morele waarden, (14) ervaringen van schoonheid en het sublieme, (15) het gegeven dat theïsme de meest gewortelde, oude, brede en wereldwijd verspreide praktijk van consistente, coherente en inclusieve wereldduiding is, (16) het bestaan van vele vormen van mystieke en religieuze ervaring, en (17) de bijzondere existentiële contrastervaring van esthetische sublimiteit, ethische waarachtigheid, wijsgerige diepte en religieuze genialiteit die juist het lezen van Bijbelverhalen kan oproepen.

Kortom, zo verborgen houdt God zich niet voor wie daadwerkelijk oog en gevoel heeft voor de ons omringende wereld. "Wie Mij zoekt, zal Mij vinden" lezen we dan ook in de onder (17) genoemde verhalen.

zondag 10 februari 2013

Hegel on artistic inspiration

"If we ask further wherein artistic inspiration consists, it is nothing but being completely filled with the theme, being entirely present in the theme, and not resting until the theme has been stamped and polished into artistic shape.
But if the artist has made the subject-matter into something entirely his own, he must on the other hand be able to forget his own personality and its accidental particular characteristics and immerse himself, for his part, entirely in his material, so that, as subject, he is only as it were the form for the formation of the theme which has taken hold of him. An inspiration in which the subject gives himself airs and emphasizes himself as subject, instead of being the instrument and the living activation of the theme itself, is a poor inspiration."

G.W.F. Hegel, Lectures on Fine Art, Translated by T.M. Knox, Volume 1, Clarendon press, Oxford, p. 288