donderdag 5 december 2019

Contra Kant. Herwonnen ruimte voor transcendentie

Begin volgend jaar verschijnt bij KokBoekencentrum uitgevers mijn vijfde boek, getiteld Contra Kant. Herwonnen ruimte voor transcendentie. Hieronder de bijbehorende aankondigingstekst.

Ruim tweehonderd jaar geleden ontwikkelde de filosoof Kant een kennisleer op grond waarvan kennis over het transcendente onmogelijk is. Wij zouden alleen iets kunnen weten over wat in de zintuiglijke aanschouwing gegeven is. Sindsdien leven we welhaast in een post-Kantiaanse wereld. Kants kennisleer legde mede de basis voor het algemeen geaccepteerd raken van een positivistisch wereldbeeld. Filosoof Emanuel Rutten laat in dit boek zien dat Kant ernaast zat. Het betreft een van de vroegere teksten van de Amsterdamse filosoof. Volgens Rutten blijft Kant onterecht vasthouden aan het empiristische idee dat de mens niets kan weten over datgene wat niet in de zintuiglijke ervaring gegeven is. Rutten ontwikkkelt een allesomvattende alternatieve kennisleer op grond waarvan kennis over het transcendente voor ons weer mogelijk wordt. Zo wordt in onze tijd opnieuw ruimte gemaakt voor kennisclaims over God. Het is precies deze oorspronkelijke inclusieve ‘wereld voor ons’ kennisleer die aan de basis staat van veel van zijn latere wijsgerige werk.

zondag 1 december 2019

Filosofisch Cafe Zwolle 20 januari 2020: Bijeenkomst over mijn semantisch argument

In zijn traktaat Over de kosmos verklaart Aristoteles dat de natuur een voorliefde heeft voor tegendelen of opposities. En Cicero stelt in zijn De Oratore dat volgens Epicurus de natuur zo in elkaar zit dat alles zijn tegendeel heeft. Dit noemde Epicurus volgens hem isonomia. Nu komen we inderdaad overal in de natuur tegendelen tegen. Er is geen licht zonder donker, geen warmte zonder koude, geen liefde zonder haat, geen zwart zonder wit, enzovoort. De lijst van opposities in de wereld lijkt welhaast eindeloos.

Maar waarom is dit zo? Waarom houdt de natuur van tegendelen? Tijdens deze bijeenkomst presenteert filosoof Emanuel Rutten een verrassend strikt filosofisch argument voor de stelling dat er geen universele eigenschappen bestaan. Voor iedere eigenschap is er altijd wel een object te vinden die die eigenschap niet bezit. Kortom, geen enkele uitspraak van de vorm "Alles is X" is waar. De werkelijkheid is radicaal pluriform oftewel rijkgeschakeerd en daarom zien wij overal contrasten. Zo beantwoordt Rutten de vraag waar die voorliefde vandaan komt.

Voor zijn argument combineert hij op geheel vernieuwende wijze twee filosofische disciplines die normaal gesproken elkaar (relatief) ongemoeid laten, namelijk de metafysica en de taalfilosofie. Op het eerste gezicht lijkt Ruttens conclusie dat er geen universele eigenschappen bestaan niet heel erg opzienbarend. So what? zult u misschien denken. Rutten zal echter laten zien dat niets minder waar is. Zijn argument heeft, indien succesvol, buitengewoon verstrekkende consequenties. Om alvast een klein tipje van de sluier op te lichten: Als er inderdaad geen universele eigenschappen bestaan, dan is bijvoorbeeld de eigenschap "materieel zijn" niet universeel. Maar dan moeten er immateriele oftewel onstoffelijke objecten in de wereld zijn. Materialisme als wereldbeeld faalt dan. En zo zijn er nog veel meer "ismen" die omvallen.

Tijdens deze bijeenkomst zal filosoof Emanuel Rutten zijn argument - door hem het semantisch argument genoemd - en de belangrijkste gevolgen ervan uiteenzetten. Specifieke voorkennis van metafysica en taalfilosofie is niet vereist, zo werd ons beloofd. Van harte welkom!

vrijdag 22 november 2019

Uit niets ontstaat niets: een argument

Kan het universum uit het niets ontstaan zijn? Kan de werkelijkheid helemaal niets als oorsprong hebben? Natuurlijk is het onredelijk om te denken dat iets uit absoluut helemaal niets kan voortkomen. Zoveel geloof hebben we in de regel niet. En terecht. Wie daadwerkelijk gelooft dat zoiets absurds mogelijk is, kan alles wel gaan geloven. Het eind is dan zoek. Desalniettemin zal ik in wat volgt een redelijk filosofisch argument geven voor de bewering dat iets inderdaad niet uit niets kan ontstaan. Het argument dat ik uitwerk berust net zoals mijn semantisch argument op een wellicht verrassende combinatie van metafysica en taalfilosofie. Een combinatie die, zoals ik eveneens zal betogen, zeker gerechtvaardigd is wanneer wij uitgaan van mijn wereld-voor-ons kennisleer.

Het argument gaat als volgt. Liegen qua liegen parasiteert op het bestaan van waarheid. Zonder waarheid is liegen onmogelijk. Chaos qua chaos parasiteert op het bestaan van orde. Er kan geen chaos zijn zonder orde. Liegen en chaos gaan dus ontologisch niet aan respectievelijk waarheid en orde vooraf. Waarheid en orde zijn ontologisch primair ten opzichte van liegen en chaos. Evenzo parasiteert het niets qua niets op het zijn. Zonder zijn geen notie van niets. Het niets gaat dus niet aan het zijn vooraf. Zijn is ontologisch primair ten opzichte van niets. Maar dan volgt dat iets niet uit niets kan ontstaan. Uit het niets komt niets voort oftewel ex nihilo nihil fit. De wereld kan dus niet voortgekomen zijn uit het niets.

Zoals uit bovenstaande weergave van het argument blijkt hanteer ik het volgende principe. Als concept x parasiteert op concept y (dus wanneer concept y voor een volledige conceptualisatie van concept x vereist is) dan kan hetgeen door x wordt aangeduid ontologisch niet voorafgaan aan hetgeen door y wordt aangeduid.

Neem ter illustratie het volgende voorbeeld. Het concept bot parasiteert op het concept scherp. Bot qua bot kan dus ontologisch niet voorafgaan aan scherp. Pas nadat het eerste scherpe mes is gemaakt, kunnen andere messen in het licht daarvan bot genoemd worden en als bot verschijnen. Er kunnen wel materiële configuraties zijn die wij op enig moment bot gaan noemen, maar dat kan pas zodra het eerste scherpe mes het levenslicht heeft gezien.

Een manifestatie van een concept gaat dus niet vooraf aan de manifestatie van het concept waarop het parasiteert. Wat eraan voorafgaat geldt nog niet ten volle als een realisatie van het parasiterende concept. Wat aan het eerste scherpe mes voorafgaat kan nog niet bot genoemd worden. Dit alles is ontologisch vrij subtiel. Wat we “daar” zien is iets materieels dat we pas later kunnen aanduiden als bot mes. Maar op dat moment kan dat nog niet. Het mes is op dat moment nog géén bot mes. Ontologisch niet. Het mes verschijnt nog niet als bot zolang er geen scherp mes is.

In mijn analogie argument lopen de conceptuele denkorde en de concrete zijnsorde dus in elkaar over. Ze zijn onontvreemdbaar op elkaar betrokken. Conceptuele prioriteit en ontologische prioriteit liggen in elkaars verlengde. Als het ene concept conceptueel aan het andere concept voorafgaat, dan gaat dat wat door het ene concept wordt aangeduid ook ontologisch vooraf aan dat wat door het andere concept wordt aangeduid. Mijn argument is in die zin een klassiek argument dat uitgaat van een hechte parallellie tussen denken en zijn.

De conceptuele orde en de ontologische orde veronderstellen elkaar. Volgens Heidegger is de hamer er in ontologische zin niet meer qua hamer zodra wij al hamerend de hamer laten vallen en deze vervolgens als een star object voor ons houden en conceptueel aanschouwen. De hamer is er volgens hem alleen als hamer in de hamerende omgang ermee. Misschien is dit zo, maar gelet op bovengenoemde parallellie tussen de denkorde en de zijnsorde is er überhaupt geen hamer qua hamer wanneer we het concept van hamer missen.

De gelijkvormigheid van denken en zijn volgt rechtstreeks uit mijn wereld-voor-ons kennisleer. Volgens deze leer hebben wij alleen toegang tot de wereld zoals wij deze ervaren en denken. Nu is ons ervaren en denken conceptueel geladen. Maar dan veronderstellen de conceptuele orde en ontologische orde elkaar inderdaad. Iets bestaat alleen mét het concept ervan. Het begrip hamer is een vereiste voor het bestaan van “dat daar“ als hamer. Zonder het begrip hamer bestaat de hamer niet qua hamer.

Mijn analogie argument steunt daarnaast zoals we hierboven zagen op twee cruciale aan het zijn en niets analoge voorbeelden, namelijk die van waarheid spreken en liegen en die van orde en chaos. De gedachte is dat liegen en chaos naar hun aard dichtbij het niets staan en dat waarheid en orde naar hun wezen vlak in de buurt komen van het zijn. Naast deze twee voorbeelden zijn er waarschijnlijk andere analoge voorbeelden. Zo zouden we wellicht het voorbeeld van het botte en scherpe mes in de analogieredenering kunnen betrekken om deze nog sterker te maken. Noodzakelijk voor het argument is dit echter niet.

Kunnen beide analoge voorbeelden ook omgedraaid worden? Kunnen we ook zeggen dat waarheid parasiteert op liegen en orde op chaos? Vereist anders gezegd het concept waarheid het concept liegen en het concept orde dat van chaos? In dat geval zouden we net zo goed kunnen concluderen dat zijn qua zijn op het niets parasiteert oftewel dat het niets zowel conceptueel als ontologisch voorafgaat aan zijn. Zonder niets geen zijn. Mijn argument komt dan niet van de grond. Sterker nog, er zou dan volgen dat het zijn voortkomt uit het niets.

Beide voorbeelden kunnen echter niet omgekeerd worden. Neem dat liegen. Als er niet zoiets als waarheid bestaat dan kan er niet eens gelogen worden. Liegen is immers afwijken van de waarheid. Waarheid is dus fundamenteler dan liegen. En net zo is zijn fundamenteler dan de afwezigheid ervan oftewel niets. Nu zou tegengeworpen kunnen worden dat als er geen liegen bestaat, er ook geen waarheid bestaat. Parasiteert waarheid dan niet ook op liegen? Dat volgt echter niet. Want zelfs als liegen onmogelijk is, kan het nog steeds zo zijn dat er sprake is van waarheid. Bijvoorbeeld de waarheid dat liegen onmogelijk is!

Beschouw vervolgens chaos. Chaos kan alleen begrepen worden tegen de achtergrond van vaste structurele patronen, namelijk als het ontbreken van vaste patronen. Het begrip chaos vereist dus het begrip orde. Maar omgekeerd vereist een begrip van structurele patronen geen conceptie van chaos. Elk patroon is immers al een patroon in zijn verschil met andere patronen. Kortom, uitgaande van de parallellie tussen denken en zijn kunnen we inzien dat conceptueel (en dus ook in de zijnsorde) het begrip chaos het begrip orde vereist (als zijnde het ontbreken ervan) terwijl het begrip orde conceptueel gezien alleen een pluraliteit aan specifieke structuren vereist. Orde gaat dus zowel conceptueel als ontologisch aan chaos vooraf.

Chaos wordt dus qua chaos pas manifest wanneer er een concept van orde is. De conceptualisatie van chaos hangt daarvan af. De qua-operator wijst erop dat de focus hier conceptueel is. We beschouwen chaos anders gezegd de dicto oftewel "naar het begrip". En precies vanwege genoemde parallellie tussen denken en zijn volgt dat wat conceptueel voor chaos geldt eveneens concreet oftewel de re ("naar het ding") voor chaos het geval is. Chaos kan dus in de orde van het zijn alleen manifest worden tegen een concreet eraan voorafgaande orde. Orde hangt omgekeerd niet van chaos af. Want orde is qua orde (dus conceptueel oftewel de dicto en dus wederom eveneens concreet oftewel de re) reeds manifest als specifiek patroon dat van andere specifieke patronen verschilt. Een beroep op het concept chaos is hier niet nodig. Orde is dan ook inderdaad fundamenteler dan chaos.

Al met al parasiteert liegen dus onomkeerbaar op de waarheid en chaos onomkeerbaar op orde. Maar dan parasiteert het niets dus eveneens onomkeerbaar op het zijn. De conclusie van mijn argument kan dan ook niet omgekeerd worden. Het enige wat volgt is dat het niets niet aan het zijn voorafgaat. Het zijn is en blijft ontologisch primair. Uit niets kan niets ontstaan.

Naast het argument dat ik hier uitwerk zijn er nog meer metafysische argumenten die een hechte parallellie tussen denken en zijn veronderstellen, zoals bijvoorbeeld het ontologisch argument van Anselmus. Zoals ik hierboven heb aangegeven is een dergelijke veronderstelling zeker niet ongegrond wanneer we uitgaan van mijn wereld-voor-ons kennisleer. Uitgaande van de wereld-voor-ons kenleer is de wereld zoals wij deze denken en ervaren het subject van al onze predicaties. Zodra wij ons realiseren dat de-wereld-voor-ons het allesomvattende onoverschreidbare is waarin wij als mens altijd al geworpen zijn, en daarbij beseffen dat al ons denken en ervaren conceptueel geladen is, kunnen we niet anders dan concluderen dat er in de-wereld-voor-ons sprake moet zijn van een innige intimiteit tussen zijn en denken. Binnen de-wereld-voor-ons is de ordo essendi gelijk aan de ordo cognoscendi. Precies dit samenvallen grondt uiteindelijk het ex nihilo nihil fit. De kosmos kan niet uit het niets ontstaan zijn.

zaterdag 9 november 2019

Mijmering, droom II

Eindelijk zag hij haar weer. Het was jaren geleden dat ze elkaar voor het laatst gesproken hadden. Hij liep de lange oprijlaan op en voor hem verscheen langzaam een reusachtige imposante villa. Hij belde aan en wachtte. Er werd open gedaan. Daar stond ze ineens. De anderen waren er ook. Hij betrad de villa, keek rustig om zich heen en zei oprecht verwonderd: “Whow, wat een reusachtig prachtig huis zeg. Het lijkt wel een kasteel.” Iedereen zweeg. Zij ook. Toen keek ze hem onverwachts indringend aan. “Ik heb jouw boeken gelezen. De afgelopen jaren.” Opnieuw maar nu nog vele malen meer verwonderd zocht hij haar blik. “Daardoor kan ik dingen zeggen zoals dit. Met geen enkele hoeveelheid bakstenen, hoe veel ook, is een huis te bouwen dat groot genoeg is om ruimte te bieden aan de inhoud van jouw geest.”

maandag 4 november 2019

Debat, discussie en voordracht

Strikt genomen valt het debat niet onder de retorica. Een debat houdt het midden tussen dialectiek en retorica. Het staat tussen de dialectische dialoog en de retorische monoloog in. Een debat is retorisch gezien minder dan een redevoering en tegelijkertijd meer dan een louter argumentatieve discussie.

Maar is een debat niet eenvoudigweg een aan regels gebonden argumentatieve discussie? Nee, het is meer dan dat. Zo is er bijvoorbeeld altijd sprake van een publiek bij een debat. Ook de inzet van de deelnemers verschilt.

Het paradigmatisch voorbeeld van een argumentatieve discussie is de Socratische elenchus. Gaat primair om gezamelijk kritisch denken en kennisvermeerdering. Genoemd gezamelijk kritisch denken valt geheel binnen de logos. Men deelt, weegt en vergelijkt louter inhoudelijke argumenten.

In het geval van een debat is het typische voorbeeld het elkaar en vooral het publiek willen overtuigen in de volksvergadering. Ethos en pathos spelen naast logos een grote rol.

maandag 28 oktober 2019

Retorica in deze tijd

Er wordt vaak gesteld dat we in een post truth tijdperk leven. We zouden voorbij de waarheid zijn. De waarheid doet er echter nog steeds toe. Er is geen waarheidscrisis. Er is eerder sprake van een autoriteitscrisis. Door het toegenomen aantal autoriteiten en de retoriek is de vraag vooral welke autoriteiten wij nog kunnen vertrouwen. Naar welke stemmen moeten wij luisteren?1

Door globalisering en digitalisering leven we bovendien in een onoverzichtelijke wereld van onzekerheden waarin alles met elkaar samenhangt. Kleine veranderingen elders kunnen grote gevolgen hebben hier. Het bekende vlindereffect speelt in onze tijd een grotere rol dan ooit. Er komt bovendien dagelijks een enorm grote hoeveelheid feitenmateriaal op ons af. We zien door de bomen het bos niet meer. Er is sprake van een informatie overflow. De feiten spreken voor ons daarnaast ook niet meer voor zich. Ze zijn vaak meerduidig en voor meerdere interpretaties vatbaar.2

Hoe wapenen we ons in deze onzekere tijden tegen valse autoriteiten? Hoe geven wij beleid betekenisvol vorm? En hoe kunnen wij op geloofwaardige wijze invulling gegeven aan zinvol leiderschap?

Het is de retorica die ons hierbij kan helpen. Retorica geeft ons inzicht in de kracht van het woord en leert ons dat wij feiten in een bezielde context moeten plaatsen. Alleen zo kunnen wij in deze tijd van autoriteitsinflatie en informatie overflow de ziel van anderen raken. Alleen zo kunnen wij tot bezield beleid komen.

Dit doen we allereerst door ons beleid te verbinden met waarden. En dan het liefst met warme oftewel menselijke waarden. Zo brengen we het gevoel en de ziel van betrokkenen in beweging.

We moeten ook het persoonlijke in het spel brengen. We dienen de stap te maken van het koude ‘wat’ van ons beleid naar het menselijke ‘wie’. Om wie gaat het eigenlijk? Wie zijn de betrokkenen en belanghebbenden? Wiens belangen en behoeften zijn in het geding?

En dan gaat het niet om het ‘wie’ van het “wij tegen zij”, niet om het uitsluitende ‘wie’ van de voorvechters van tunnelvisies, maar om het inclusieve ‘wie’ van hen die oog hebben voor alle betrokkenen en belanghebbenden en daarbij niemand willen uitsluiten.3

Ook moeten we steeds op zoek gaan naar de dieperliggende geestelijke oorzaken van de problemen waarmee we geconfronteerd worden. We dienen geen genoegen te nemen met wat de koude feiten van het systeem ons op het eerste gezicht vertellen. Door op zoek te gaan naar grote geestrijke gedachten komen we uit bij de werkelijke onderliggende oorzaken van het falen van systemen.

Door te verbinden met waarden, door het persoonlijke in het spel te brengen, door op zoek te gaan naar grote geestrijke gedachten, raakt ons beleid bezield. Op deze manier kunnen we werkelijk een verbinding tot stand brengen.

Maar ook omgekeerd geldt dat wie bijvoorbeeld bevangen is door woede en gevangen zit in een taal van woede en ressentiment een taal spreekt die geen tegenspraak duldt, die op geen enkele manier gevoelig is voor argumenten en weerlegging.4 Alleen oprechte bezieling kan hen nog raken.

Het is de retorica die ons bij dit alles kan helpen. Zo leert retorica ons zoals gezegd ook over de geestkracht van de taal. Woorden scheppen daadwerkelijk werkelijkheden. We zien daarvan dagelijks voorbeelden in de media. Spreken we over ‘autonomie’ of ‘radicale isolatie’? Over ‘migranten’ of ‘vluchtelingen’? Over ‘zzp-er’ of ‘dagloner’? Over ‘onzeker werk’ of ‘flex werk’? Over ‘werkenden in de zorgsector’ of ‘verpleegsters’?5

De woorden die we kiezen bepalen en vormen de geestelijke wereld waarin we leven. Woorden doen ertoe en moeten zorgvuldig gekozen worden. De taal gaat ons aan. Het is dan ook van groot belang om ons juist in deze turbulente tijden met retorica bezig te houden.

1. Aldus Coen Simon in De handen van Cicero, Historische Uitgeverij Groningen, 2019.
2. Aldus Hans de Bruijn in De handen van Cicero.
3. Hier en in de vorige twee alineas volg ik de drieslag policy, principle, person zoals uiteengezet door Hans de Bruijn in De handen van Cicero.
4. Aldus Bas Heijne in De handen van Cicero.
5. Een aantal van deze voorbeelden ontleen ik aan Jan Kuitenbrouwer in De handen van Cicero.

dinsdag 22 oktober 2019

On pantheism

If pantheists claim that world and God are identical, then pantheism fails. For dust and spirit just aren’t identical. Yet, if the claim is that God as spirit permeates every part of the world, then pantheism doesn’t conflict with theism. For in this case pantheism is just a way of understanding God’s omnipresence.

A third way to cash out pantheism would be to say that everything has the property of being divine. But then again, there are many things that aren’t plausibly divine. Just pick your favorite examples. Moreover, my semantic argument entails that there are no universal properties. So also in this case pantheism doesn’t pose a problem for theism.

What about “The Force”?

Wie wel eens een star wars film heeft gezien, zal zich misschien afvragen of “The Force” de plaats kan innemen van God. Is wellicht “The Force” de laatste grond en oorsprong van de wereld?

Het sleutelbegrip hier is intentionaliteit. Heeft de force intenties oftewel bewuste bedoelingen? Heeft de force anders gezegd een bepaalde wil oftewel een bepaald doelgericht streven? Is het anders gezegd alert en actief gericht op het realiseren van bepaalde doelen? In dat geval is het een vorm van bewustzijn. Want het is precies bewustzijn, “mind” oftewel geest dat actieve doelgerichte intenties kan bezitten. Energie bezit namelijk geen intentionaliteit, geen doelbewust streven. En materie evenmin. We komen zo uit bij wat bijvoorbeeld in het christendom bekend staat als de heilige geest. De heilige geest is overal onder ons en door je ervoor open te stellen kun je erdoor geïnspireerd raken (en zo in bepaalde gevallen ook tot bijzondere en grootse daden in staat zijn). De heilige geest is bewust actief in de wereld. Deze heilige geest gaat terug op een ultieme eveneens geestelijke oorsprong van alles, waaronder de heilige geest zelf: God. Of zo je wilt: de heilige geest is de oorsprong van alles en is dus God. Dat is in feite ook precies de positie van het christendom. Men spreekt in het christendom immers niet voor niets over een onlosmakelijke hechte eenheid tussen God en de heilige geest.

In het andere geval heeft de force dus geen doelbewuste intenties. De force is dan eerder een vorm van fysische energie en als zodanig een fysische categorie net zoals de elementaire deeltjes en de bij deze deeltjes behorende elementaire krachtvelden. De force behoort dan eveneens tot het fysische universum. Zo komen we dan weer uit bij de vraag naar de oorsprong van het fysische universum als zodanig. Dit fysische universum is uiteindelijk voortgebracht door een doelgerichte oorzaak die zelf niet fysisch is. Deze transcendente niet-fysische doelbewuste oorzaak is dan een bewuste geest oftewel God.

zaterdag 24 augustus 2019

Nog een pijnlijk probleem voor het postmodernisme

Er zijn zoals bekend al langer allerlei problemen met het postmodernisme. In deze korte bijdrage voeg ik daar een pijnlijk probleem aan toe. Dit probleem betreft het volgende beknopte dilemma voor de postmodernist. Postmodernisten menen dat wij onze wereld construeren. We bewerken dus gegeven materiaal dat ons als mensen op de een of andere wijze ter beschikking staat. Dit materiaal is als zijnde het uitgangspunt van onze constructies niet door ons geconstrueerd. Het is dus ofwel door niet-menselijke actoren geconstrueerd ofwel het is voor ons toegankelijke objectieve realiteit. Beide opties zijn fataal voor het postmodernisme. En dus moet het verworpen worden.

Nu zou men kunnen tegenwerpen dat postmodernisten het bestaan van een objectieve realiteit erkennen. Deze is zoals het Kantiaanse an sich of het Lacaniaanse reële voor ons ontoegankelijk en daarom irrelevant. Voor mijn argument veronderstel ik echter niet dat het accepteren van het bestaan van een ontoegankelijke objectieve realiteit voor postmodernisten onacceptabel is. Natuurlijk niet. Postmodernisten kunnen hier probleemloos vanuit gaan.

Het dilemma ontstaat pas zodra wij ons bezinnen op het voor ons toegankelijke materiaal waarmee wij volgens de postmodernisten onze wereld construeren. Dat materiaal is ofwel voor de mens toegankelijke objectieve realiteit ofwel gemaakt door actoren die zelf geen mensen zijn. Precies dit is een fataal dilemma voor het postmodernisme. Want men zal geen van beide horns van het dilemma willen en kunnen accepteren. Kortom, het probleem is niet dat postmodernisten een ontoegankelijk objectief Kantiaans an sich of Lacaniaans real accepteren. We krijgen het dilemma pas in het vizier wanneer wij ons richten op het toegankelijke materiaal waarmee wij volgens de postmodernisten onze wereld construeren.

Een tweede bezwaar is dat postmodernisten menen dat de waarheid en niet de werkelijkheid een menselijke constructie is. Mijn argument stelt echter niet dat postmodernisten menen dat de objectieve werkelijke werkelijkheid een constructie is. De claim van het postmodernisme is dat onze wereld oftewel de wereld zoals deze voor ons is een menselijke constructie is. We hebben het hier dus over de wereld zoals wij deze ervaren en denken. We hebben het uitgaande van de terminologie van mijn kennisleer anders gezegd over de-wereld-voor-ons. En de claim dat de-wereld-voor-ons een menselijke constructie is kan probleemloos worden uitgelegd in termen van het door ons construeren van de waarheid. Er ontstaat dan ook geen probleem voor de eerste premisse van mijn argument.

Maar is het niet onmiskenbaar zo dat wij voortdurend de wereld zoals deze voor ons is construeren? Er is toch geen rechtstreekse onbemiddelde ervaring? Deze aanvullende tegenwerping brengt ons nog dichter bij mijn wereld-voor-ons kennisleer. In mijn argument spreek ik over het construeren van de-wereld-voor-ons. Zo stelt de postmodernist Lacan dat wij leven in een geheel door ons gevormde allesomvattende fundamentele symbolische orde. Het is precies deze postmoderne positie die faalt, zoals mijn dilemma argument laat zien. Dit alles laat echter onverlet dat er binnen de-wereld-voor-ons uiteraard geen rechtstreekse onbemiddelde ervaring plaatsvindt. De claim dat er geen rechtstreekse onbemiddelde ervaring plaatsvindt is preciezer gezegd epistemisch volkomen gerechtvaardigd als claim over hoe de-wereld-voor-ons is.

Wij construeren dus inderdaad ervaringen op de wijze zoals de natuurkunde, biologie en neurowetenschap uiteenzet. Licht valt op ons netvlies, beroert daar allerlei zenuwen en leidt zo tot ingewikkelde neurale processen die aan de basis staan van het uiteindelijk ontstaan van onze ervaringen van tafels en stoelen, planten en dieren, en ga zo maar door. De claim dat het zo gaat is echter op grond van mijn kennisleer alléén gerechtvaardigd als claim over de-wereld-voor-ons. Wij bevinden ons hier dus al binnen de wereld zoals deze voor ons is. Dit staat los van de claim van het postmodernisme dat de-wereld-voor-ons zelf door ons geconstrueerd is.

Deze claim wordt nog altijd vaak ingebracht. De wereld zoals zij voor ons is zou als zodanig een constructie zijn van de mens. Dit gaat echter veel te snel. Een dergelijke uitspraak kunnen wij los van mijn dilemma argument überhaupt niet doen omdat wij nooit een absoluut archimedisch standpunt kunnen innemen buiten of los van ons menselijk denken. Men zou hier nog kunnen tegenwerpen dat wij goede redenen hebben om te menen dat dieren een wereld bewonen die radicaal afwijkt van de wereld zoals deze door ons wordt ervaren en gedacht. Onze wereld is dan toch ook niets meer dan een contingente constructie van de mens? Een realist zal echter opmerken dat dieren dezelfde wereld als wij waarnemen. Doordat ze geheel andere zintuigen hebben nemen ze echter vergeleken met ons slechts een heel beperkt deel ervan waar en daarvan dan ook nog eens heel andere eigenschappen. Zo ontstaat dus geen constructivisme. En uitgaande van mijn kennisleer moeten we zeggen dat wat de realist beweert alléén gerechtvaardigd is als bewering over hoe de wereld voor ons is oftewel als bewering over wat zich afspeelt binnen de-wereld-voor-ons. Over hoe de wereld in en voor zichzelf is kunnen we namelijk niets zeggen omdat we altijd al vertrekken vanuit de-wereld-voor-ons. De-wereld-voor-ons is het voor ons onoverschrijdbare waarbuiten wij nimmer kunnen treden. Nooit zullen we dus iets kunnen uitzeggen over de eigen aard ervan. Vanuit de wereld-voor-ons kennisleer hoeft daarom evenmin geaccepteerd te worden dat de-wereld-voor-ons zelf als zodanig een constructie is.

Maar construeren we niet allemaal uiteindelijk een wereld vanuit gegeven materiaal? Zijn we daarom niet alsnog gehouden aan de claim van het postmodernisme? Nee, zeker niet. Realisten menen bijvoorbeeld dat wij onze wereld niet construeren. Wij nemen volgens hen eenvoudigweg de wereld waar zoals deze onafhankelijk van de mens in en op zichzelf daadwerkelijk is. Volgens hen ontsluiten wij in ons denken en ervaren de objectieve realiteit zelf. We krijgen de werkelijke werkelijkheid daadwerkelijk al denkend en ervarend in het vizier. Uitgaande van mijn wereld-voor-ons kennisleer moeten we daarentegen zoals gezegd zeggen dat we helemaal niets kunnen zeggen over het op zichzelf van de-wereld-voor-ons. Wij weten niet en kunnen niet weten of zij overeenkomt met de objectieve realiteit. We zullen nimmer kunnen vaststellen of zij samenvalt met de wereld in zichzelf. De uitspraak dat de-wereld-voor-ons een menselijke constructie betreft, is dus uitgaande van mijn kennisleer evenmin gerechtvaardigd.

We hoeven dus niet onvermijdelijk postmodern te zijn. Gelukkig maar. Postmodernisme is namelijk niet slechts een intellectueel onhoudbare positie. Het heeft daarnaast ook allerlei vervelende culturele en maatschappelijke gevolgen. Waarheidsconstructivisme leidt uiteindelijk tot waarheidsrelativisme en tenslotte waarheidsnihilisme. Dit laatste zien we terugkomen in fenomenen als post truth en alternative facts. In een dergelijk klimaat kan fake news steeds verder om zich heen grijpen en wordt steeds minder waarde gehecht aan wetenschap en andere domeinen van expertise. Dit is uiteindelijk funest voor een samenleving.

Iemand zou nog kunnen tegenwerpen dat een postmodernist zich ook door mijn dilemma argument hierboven niet voor het blok laat zetten. Men negeert gewoon het onwelvallig dilemma. Dit helpt de postmodernist echter niet. Want zoiets ongefundeerd doen maakt van het postmodernisme alleen nog maar meer een ongegronde these. De onhoudbaarheid ervan wordt dan alleen nog maar duidelijker.

Is dat echter niet juist kenmerkend voor de postmodernist? Voor een postmodernist hoeft het toch niet te kloppen? De argumentatie hoeft toch niet redelijk te zijn? Daarmee wordt het postmodernisme echter tekort gedaan. Men meent wel degelijk op redelijke gronden een punt te hebben en argumenteert er ook uitgebreid voor. De teksten van Foucault, Lacan en anderen maken dit ontegenzeggelijk duidelijk. Postmodernisten willen niet tot de irrationalisten gerekend worden. Dit alles laat echter onverlet dat hun positie zoals gezegd onhoudbaar is. De lange lijst van problemen ermee is met deze bijdrage zelfs nog weer iets langer geworden.

dinsdag 25 juni 2019

Retoricaonderwijs en de grote vragen

Grote vragen houden ons bezig. Dat is van alle tijden. Maar wat is redelijk redegebruik als het gaat om het beantwoorden ervan? Redelijk redegebruik voor de onderhavige context is wat ik aanduid als inclusief redegebruik oftewel redegebruik waarbij ethos, pathos en logos samenkomen. En het is precies de retorica waarbinnen deze drie dimensies van de menselijke existentie in hun onderlinge samenhang en wisselwerking doordacht worden.

Redelijk oordelen is analoog aan redelijk redegebruik inclusief oordelen oftewel oordelen vanuit een perspectief dat eveneens bepaald wordt door het drietal ethos, pathos en logos. Dit zijn exact de drie aspecten waardoor een wereldbeeld gekenmerkt wordt. Elk wereldbeeld gaat immers zoals bekend terug op een cognitief-theoretische ("logos"), praktisch-normatieve ("ethos") en affectief-esthetische ("pathos") dimensie.

De tripartiete structuur van het retorische redegebruik is dus eveneens constitutief voor de structuur van wereldbeelden. Maar dan is redelijk oordelen voor genoemde context uiteindelijk oordelen vanuit een wereldbeeld oftewel wereldbeschouwing. Net zoals in de retorica staat ook hier de gehele mens met al zijn of haar vermogens centraal.

Nu ben ik na het geven van veel retoricaonderwijs tot de conclusie gekomen dat het doceren en met studenten gezamelijk beoefenen van retorica een buitengewoon vruchtbare manier is om hen te bewegen tot het stellen van de grote vragen en het existentieel reflecteren op wereldbeelden. Uitgaande van bovengenoemde beknopt beschreven hechte verwantschap tussen retorica en wereldbeelden is dit niet onbegrijpelijk.

Het is precies dit onderwijs dat gericht is op het succesvol verbinden van retorica, persoonlijke ontwikkeling en het stellen van de grote vragen. Van belang hier is ook dat dit gebeurt binnen een veilige effectieve leeromgeving.

Met name zie je bij studenten een bewustzijnsverruiming van een "smalle" naar een "brede" rede. Ze beginnen zich langzaam te realiseren dat ze leven vanuit een bepaald inclusief wereldbeeld en dat je dit wereldbeeld redelijk kunt bevragen en vergelijken met alternatieven. Hierbij komen dan naast immanente veelal ook meer transcendente wereldbeelden gemakkelijk ter sprake.

Het "existentieel geladen" retoricaonderwijs zoals ik dat nu al een aantal jaren binnen FCB geef, werkt dan ook transformerend en draagt aantoonbaar bij tot een enorme persoonlijke ontwikkeling van betrokkenen. De evaluaties van de FCB studenten maken dit onmiskenbaar duidelijk.

Indien we daadwerkelijk studenten grote vragen willen laten stellen en ze willen aanzetten tot het nadenken over levensvragen en het reflecteren op wereldbeelden, dan moeten wij veel meer werk maken van het geven van existentieel geladen retoricaonderwijs.

maandag 10 juni 2019

Waarom het Godsargument van Anselmus Aristoteles niet overtuigd zou hebben

Zowel Aristoteles als Plato gaan uit van een parallellie tussen denken en zijn. Wat helder, duidelijk en welonderscheiden gedacht kan worden, en dus in de taal aangeduid kan worden met een heldere en consistente definitie, moet een zijnscorrelaat in de werkelijkheid buiten het denken hebben. Het moet anders gezegd daadwerkelijk buiten ons denken bestaan.

Volgens Plato is een dergelijk correlaat alleen te vinden in een transcendent rijk van eeuwige onveranderlijke abstracte vormen. Deze vormen betreffen het waarlijk zijnde. De concrete dingen in de ons omringende veranderlijke wereld zijn volgens hem slechts schijn en kunnen dus nooit optreden als zijnscorrelaat om de parallellie tussen denken en zijn veilig te stellen.

Dat wij op heldere en coherente wijze aan bijvoorbeeld een eenhoorn kunnen denken, impliceert dus geenszins dat er buiten ons in de natuur concrete eenhoorns rondlopen. De gedachte aan een eenhoorn kan bij Plato alleen een tijdloze onveranderlijke transcendente vorm als zijnscorrelaat hebben. Er bevindt zich in genoemd transcendent vormenrijk een eeuwige op zichzelfstaande vorm ‘eenhoorn’ en het is precies dit zijnde waarmee onze gedachte aan een eenhoorn correspondeert. Zo wordt bij Plato de parallellie tussen denken en zijn gewaarborgd.

Aristoteles verwerpt echter zoals bekend Plato's transcendente rijk van abstracte vormen. De vormen bestaan alleen in de concrete zijnden buiten ons denken. Hieruit volgt onmiddellijk dat wij niet op een heldere en consistente wijze aan een eenhoorn kunnen denken. Want als wij dat wel zouden kunnen, dan zou onze heldere en consistente gedachte aan een eenhoorn op grond van de veronderstelde parallellie tussen denken en zijn en in afwezigheid van genoemd rijk moeten corresponderen met een vorm gerealiseerd in een concreet rondwandelende eenhoorn in de natuur buiten ons. Dergelijke eenhoorns bestaan echter helemaal niet.

Neoplatonisten zitten op het spoor van Plato. Deze positie schept ruimte. Het transcendente vormenrijk garandeert namelijk dat er altijd wel een vorm is die met onze gedachten correspondeert, zodat de parallelie tussen denken en zijn zelden in gevaar komt. Iets wat na enige reflectie helder en consistent denkbaar lijkt, is dat dan meestal ook wel. Zo hoeven we ons bijvoorbeeld geen zorgen te maken of we helder en consistent aan een eenhoorn kunnen denken. Het transcendente abstracte rijk van de vormen zorgt ervoor dat we over eenhoorns en veel andere zaken helder en consistent kunnen spreken zonder dat de desbetreffende vormen in concrete dingen gerealiseerd zijn. In beginsel kunnen we zo zelfs metafysica en fysica beoefenen wanneer er nauwelijks vormen in de concrete dingen buiten ons denken gerealiseerd zouden zijn.

Genoemde ruimte voor het denken is gegeven het dictum van een hechte parallellie tussen denken en zijn niet onbelangrijk. Bij Aristoteles betekent het namelijk nogal wat om te stellen dat iets helder en consistent denkbaar is. Zonder genoemd abstract vormenrijk rijkt vanwege de parallellie tussen denken en zijn ons denken nooit voorbij dat wat concreet bestaat. Gegeven deze parallellie zijn we zonder genoemd rijk wanneer we ergens helder en consistent aan menen te denken dus direct gecommiteerd aan het concreet bestaan ervan in de wereld buiten ons. Dit dwingt ons tot voorzichtigheid omdat het in veel gevallen nog maar de vraag is of van een dergelijk concreet bestaan sprake is.

Deze onzekerheid doet zich bij de neoplatonisten niet voor. Wij kunnen volgens hen over allerlei helder en consistent definieerbare zaken spreken zonder ons voortdurend zorgen te maken over de vraag of deze zaken daadwerkelijk concreet bestaan in de wereld buiten onze geest. Het eeuwige tijdloze transcendente vormenrijk garandeert immers dat er altijd wel een abstracte vorm als zijnscorrelaat voor de gedachte in kwestie kan optreden.

De neoplatonisten gaan echter nog een stap verder. Wanneer wij helder en coherent aan iets denken, zoals aan een eenhoorn of aan de Eiffeltoren, dan wordt in onze immanente geest de transcendente vorm ‘Eenhoorn’ of ‘Eiffeltoren’ daadwerkelijk gerealiseerd. Bij Aristoteles is hiervan geen sprake. Wanneer wij helder en consistent aan iets denken, dan denken wij aan de vorm. Maar ons denken aan een bepaalde vorm impliceert bij Aristoteles nog niet dat deze vorm ook daadwerkelijk in ons denken gerealiseerd wordt. Neoplatonisten menen dat dit wel het geval is en zelfs het geval moet zijn omdat alleen zo volgens hen kan worden verklaard hoe wij überhaupt helder en consistent aan een vorm kunnen denken. Wij kunnen dit omdat ons denken gelijkvormig wordt aan die vorm en zo de desbetreffende vorm actualiseert in onze geest. De vorm zelf bestaat dan daadwerkelijk in ons denken.

Voor wat betreft de taal heeft dit bij de neoplatonisten de volgende consequenties. Hoewel er geen concrete rondwandelende eenhoorns bestaan in de wereld buiten onze geest, verwijst het woord ‘eenhoorn’ toch naar een eenhoorn, namelijk naar de eenhoorn in onze geest. In het geval van iets dat wel in de concrete wereld buiten onze geest bestaat, zoals de Eiffeltoren in Parijs, verwijst het woord ‘Eiffeltoren’ netjes naar de Eiffeltoren oftewel naar die grote ijzeren toren midden in de hoofdstad van Frankrijk en dus niet naar iets in onze geest. Dat wij de vorm ‘Eiffeltoren’ ook in onze geest realiseren door aan de Eiffeltoren te denken doet hier niets aan af. Het woord ‘Eiffeltoren’ in onze taal blijft namelijk hoe dan ook verwijzen naar die grote ijzeren constructie midden in Parijs. De vorm ‘Eiffeltoren’ is daar in de materie gerealiseerd om de concrete ijzeren toren te vormen die wij de Eiffeltoren noemen.

Dat vormen naast transcendent ook in de geest en in de materie gerealiseerd worden is overigens een typisch neoplatoonse stelling. Bij Plato zijn de vormen immers louter transcendent en bij Aristoteles worden zoals gezegd vormen nooit in onze geest gerealiseerd. Dit laat onverlet dat onze geest of ziel volgens Aristoteles een vorm is welke is gerealiseerd in ons stoffelijke lichaam. En God is bij Aristoteles als het zichzelf denkende denken ook een vorm die in tegenstelling tot alle andere vormen niet met materie verbonden is.

Ieder woord dat gepaard gaat met een heldere consistente definitie verwijst bij de neoplatonisten op grond van voorgaande dus ofwel naar iets in het verstand ofwel naar iets in de concrete werkelijkheid buiten ons denken. En omdat het in beide gevallen om dezelfde vorm gaat die dus ofwel in de geest ofwel in de materie gerealiseerd is, kunnen we ons in het geval van een woord dat met een heldere consistente definitie gepaard gaat betekenisvol afvragen of die ene zaak waar het woord naar verwijst in het verstand of in de concrete werkelijkheid bestaat. Want een en dezelfde zaak, aangeduid met een bepaald woord en gegrond in een transcendente vorm, bestaat ofwel in het verstand ofwel in werkelijkheid.

Bij Aristoteles is van dit alles geen sprake. Iets bestaat eenvoudigweg in de concrete wereld buiten onze geest, en is dan gegrond in een vorm en bovendien consistent en helder denkbaar, of we hebben het eenvoudigweg niet over iets wat helder en consistent denkbaar is (laat staan bestaat).

Wat betekent dit alles nu voor de wijze waarop Aristoteles het Godsargument van Anselmus zou beoordelen wanneer hij deze onder ogen gehad zou hebben? De eerste premisse van het argument van Anselmus voor het bestaan van God stelt dat alles wat wij helder en consistent kunnen denken ofwel in het verstand ofwel in werkelijkheid bestaat. Het mag inmiddels duidelijk zijn dat dit een typisch neoplatoonse premisse betreft die gelet op bovenstaande voor Aristoteles onaanvaardbaar is. Ofwel God bestaat in de concrete wereld buiten ons ofwel we kunnen überhaupt niet eens consistent en helder aan God denken. Er is voor Aristoteles geen derde weg. Zeggen dat we helder en consistent aan God kunnen denken is dus reeds het concreet bestaan van God veronderstellen. Het betreft daarom een bewering die we niet lichtvaardig kunnen doen en zeker niet zo maar kunnen opvoeren als premisse voor een Godsargument.

Sterker nog, voordat we mogen beweren dat we helder en consistent aan God kunnen denken zullen we volgens Aristoteles eerst moeten aantonen dat God bestaat. En een geschikt argument hiertoe mag om niet circulair te zijn dus niet vertrekken vanuit de veronderstelling dat consistent en helder aan God gedacht kan worden. Wat nodig is, is een synthetisch oftewel constructief Godsargument zoals bijvoorbeeld dat van de eerste onbewogen beweger. In het argument van de eerste onbewogen beweger wordt uitgaande van reflecties over meer elementaire zaken (zoals oorzaken, gevolgen en bewegingen) al redenerend uitgekomen op het concreet bestaan van een eerste onbewogen beweger. Deze eerste onbewogen beweger is consistent en helder vanuit reeds eerder geaccepteerde heldere en consistente begrippen afgeleid en daarom helder en consistent denkbaar. Zo wordt ook bij Aristoteles in het geval van God de parallellie tussen denken en zijn gewaarborgd.

vrijdag 31 mei 2019

Geslacht, afkomst en leeftijd

Is het vermelden van de afkomst van geweldplegers bij nieuwsberichten over zinloos geweld discriminerend? Zo ja, geldt dat dan niet ook voor het vermelden van het geslacht of de leeftijd van de daders? Uiteindelijk zou een nieuwsbericht dan alleen nog over ‘mensen’ mogen spreken.

Ik meen dat het vermelden van afkomst niet discriminerend is. De vervolgvraag is dan of het relevant is. Daarop zou ik in het algemeen ‘ja’ willen antwoorden. En dat vanwege een soortgelijke overweging: leeftijd en geslacht zijn relevant, dus waarom afkomst niet?

In de media worden leeftijd en geslacht van daders genoemd. Men vindt deze kenmerken blijkbaar relevant en ik ben het daar mee eens. Maar als in deze algemene zin leeftijd en geslacht relevant zijn, waarom zou dit dan niet voor afkomst gelden? Wat is de eventuele symmetriebreker?

Het lijkt mij een mijnenveld om bijvoorbeeld wel geslacht altijd te vermelden en dan voor wat betreft afkomst selectief te zijn. En welke maatstaf voor vermelden afkomst moeten we dan hanteren? Criteria zijn moeilijk te bepalen. Het kan zo uitmonden in selectieve willekeur.

donderdag 25 april 2019

Kan retorica reductio worden gevoerd?

Wie succesvol de macht van het woord gebruikt om de macht van het woord te breken, wie geslaagd de retorica aanwendt om de retorica te onttronen, doet iets heel bijzonders. Maar wat? De hamvraag hier is de volgende. Stel dat op een dag iemand in staat is om een werkelijk perfect betoog te geven dat iedereen die het hoort geheel overtuigt en dat volledig is opgebouwd volgens de regels van de retorica, en waarvan de conclusie luidt dat de retorica onzinnig is. Wat betekent dit dan voor de status van de retorica? In een nieuwe bijdrage ga ik op deze vraag in.

zaterdag 6 april 2019

Denken, spreken, leven: Op zoek naar pre-Socratische wijsheid

In een nieuw essay betoog ik dat het begin van het redelijke denken in het Westen ten onrechte wordt gelegd bij het ontstaan van de filosofie. Er is namelijk een pre-filosofische retorische wijsheidstraditie die aan de eigenlijke geboorte van de wijsbegeerte bij Socrates voorafgaat. Sporen daarvan vinden we bijvoorbeeld in het werk van Cicero en Quintilianus zoals ik laat zien. Deze oorspronkelijke pre-Socratische retorische wijsheid wordt gekenmerkt door een hechte eenheid van denken, verwoorden en leven. Wil het menselijk redegebruik ook in onze tijd weer vruchtbaar, zinvol en geworteld zijn, dan zullen we weer oog moeten krijgen voor deze oorspronkelijke wijsheid. Want voor de mens is alleen inclusief redegebruik redelijk redegebruik.

zondag 3 maart 2019

Crassus over dialectiek in De Oratore

“Het zou me niets verbazen, als je er in je hart heel anders over denkt en hier alleen een staaltje weggeeft van je bijzondere bedrevenheid in tegenargumentatie, waarin je inderdaad onovertroffen bent. Dit is nu precies een vaardigheid die behoort tot het specifieke oefenterrein van de redenaar, al is ze intussen ook onder filosofen in zwang gekomen, vooral onder diegenen die over elke zaak die hun wordt voorgelegd zeer uitvoerig twee tegengestelde standpunten plegen te verdedigen.” (Cicero, De Oratore, p. 146)

Dit is een buitengewoon interessante vindplaats, waarin feitelijk wordt gesteld dat wijsgerige dialectiek (zoals bedreven door Socrates, beschreven door Plato in de Phaedrus en uitgewerkt door Aristoteles in de Topica) is voortgekomen uit de retorische praktijk van het publiekelijk weerleggen van een opponent tijdens openbare volksvergaderingen en rechtzittingen. Hieraan verwant is dan de gedachte dat 'het vraagstuk' in de dialectiek teruggaat op het feitenrelaas of de voorstelling van zaken aan het begin van een redevoering, en 'de oplossing' in de dialectiek teruggaat op het betoog in het midden ervan.

maandag 18 februari 2019

Masterclass 'Eigentijds leiderschap: Bezield denken en spreken'

Wat vereist modern leiderschap? Hoe ontwikkelt u effectieve invloedstijlen? Hoe verruimt u tegelijkertijd uw mentale denk- en overtuigingskracht? In deze uitdagende cursus gaat het niet slechts om het verkrijgen van nieuwe inzichten en vaardigheden. In deze cursus staat de gehele mens centraal (ethos, pathos en logos) en vindt een persoonlijke transformatie plaats. Interesse? Lees hier verder. Meedoen? Stuur een email naar gjerutten@kpnmail.nl voor nadere informatie over locatie, tijden en kosten.

zondag 10 februari 2019

Meaning of Life and Worldview Deliberation

My essay Meaning of Life and Worldview Deliberation is now also here available on my website.

zondag 20 januari 2019

Taal en wiskunde

De vraag naar de relatie tussen woorden en getallen is interessant. Hoe zijn taal en wiskunde op elkaar betrokken? Mijns inziens kan etymologisch betoogd worden dat ze hechter op elkaar betrokken zijn dan we wellicht op voorhand vermoeden. Neem bijvoorbeeld het woord “tellen” dat oorspronkelijk zowel talig vertellen als getalsmatig rekenen betekent. Of neem een woord als rekenen. Dat verwijst naar berekenen en naar rekenschap geven. Dat laatste komt dicht bij talig beredeneren. Getallen zijn woorden. Wiskunde is taal. Het is precies deze intuïtie die doorklinkt in het antieke Griekse woord ‘logos’. Maar zouden we uitgaande van dit oorspronkelijke woord niet evengoed kunnen beweren dat woorden getallen zijn en taal wiskunde?