Posts tonen met het label Reformatorisch Dagblad. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Reformatorisch Dagblad. Alle posts tonen

zaterdag 7 mei 2016

Bijdrage RD zaterdag 7 mei: Wat veroorzaakt de Europese onthechting? (uitgebreide versie)

Dat onze Europese maatschappij op drift is, valt bijna niet meer te ontkennen. De vraag is echter wat de oorsprong is van het steeds verder om zich heengrijpende verlies van binding. Kan er überhaupt wel een hoofdoorzaak worden aangewezen?

NEE
Men zou kunnen opmerken dat dat helemaal niet kan. De maatschappelijke dynamiek is zo complex dat ieder mogelijk antwoord op de vraag naar de oorsprong van de Europese verwarring bij voorbaat gedoemd is om aan kritiek ten onder te gaan. We zullen moeten accepteren dat het ondoenlijk is één cruciale oorzaak te destilleren uit het omvangrijke web van factoren die mogelijk een rol spelen in het verklaren van de maatschappelijke ontwikkelingen.

JA
Zelf meen ik echter dat we wel degelijk de belangrijkste oorzaak van de toenemende Europese onthechting kunnen aanwijzen. Volgens sommige cultuurfilosofen is de hedendaagse Europese ontbinding vooral het gevolg van een doorgeschoten moderne consumptiecultuur. Ik deel deze analyse niet. Het probleem moet volgens mij gezocht worden in wat cultuurfilosoof Charles Taylor het verdwijnen van onze gemeenschappelijke betekenishorizon noemt. We beschikken niet langer over een gedeelde zinsamenhang die onze eigen concrete individualiteit overstijgt. Wat mist is een overstijgend samenhangend zinverband dat ons bezielt en waarin wij onszelf opgenomen weten.

Door het wegvallen van onze gemeenschappelijke inspiratiebronnen is het maatschappelijk leven in Europa vervlakt. Dit is funest voor onszelf en onze samenleving. Een uitweg lijkt gevonden te kunnen worden in het opnieuw contact maken met onze existentiële bronnen. Het religieuze is in Europa echter grotendeels aan het teloorgaan. Het zich terugtrekken van met name het christendom uit onze Europese cultuur leidt tot een uitwissing van bindende betekenisvolle zinverbanden. Hierdoor worden we teruggeworpen op onze eigen individuele particulariteit.

Het is mijns inziens vooral deze ontwikkeling die het vertrouwen van Europa in zichzelf ondermijnt. De bezieling, het vitalistische elan, is uit onze samenleving aan het verdwijnen. Als gevolg daarvan grijpt een eroderend en mat soort van apathie steeds verder om zich heen. Dát is volgens mij de werkelijke crisis van onze tijd. Europa is haar vaste levensvormen en vormentaal in een snel tempo aan het verliezen door een gebrek aan liefde voor de eigen cultuur en traditie. Hierdoor verliest zij het geloof in zichzelf, met alle gevolgen van dien.

Het door meer en meer mensen gevoelde verlies van binding is dan ook vooral het gevolg van het inmiddels al decennialang verwaarlozen van de bezielende religieuze dimensie van het menselijk bestaan. En dit terwijl juist religie cruciaal is om tot een hechte leefgemeenschap te komen. Religie gaat niet voor niets terug op het Latijnse 'religare' wat 'verbinden' betekent. Religie ligt ten grondslag aan de eenheid van elke samenleving. Het is, zoals socioloog Émile Durkheim al heeft laten zien, het samenbindende element van iedere cultuur. Iedere duurzame samenleving is religieus en moet dat ook zijn om als maatschappij überhaupt op termijn te kunnen blijven voortbestaan. Culturen vereisen een ziel.

De poging van sommigen om religie aan geweld te koppelen en zo bovendien alle religies over één kam te scheren is dan ook vruchteloos. Het is hoe dan ook onzinnig in het licht van het ongekende twintigste eeuwse seculiere geweld van totalitaire ideologieën als het fascisme, communisme en maoïsme.

Door het alsmaar verder wegglijden van de oorspronkelijke religieuze bezieling in veel Europese samenlevingen gaat de sociale cohesie en bevlogenheid in deze maatschappijen langzaam verloren. En daarmee eveneens in Europa als zodanig. Een te ver doorgeschoten consumptiecultuur is dan ook eerder een symptoom van een dieperliggende oorzaak, dan zelf de oorzaak. Europa zou zich weer moeten willen laven aan haar christelijke erfenis.

Mijn pleidooi richt zich uiteraard op hen voor wie genoemde terugkeer in beginsel nog mogelijk is. En dat is nog altijd het overgrote deel van de Europese bevolking. Verder kan een dergelijke terugkeer natuurlijk samengaan met de aanwezigheid van bevolkingsgroepen met andere tradities binnen de Europese grenzen. Dat is het punt niet. De aanwezigheid van een culturele hoofdstroom kan prima vruchtbaar coëxisteren met culturele minderheden. Hiervan zijn genoeg voorbeelden te geven.

En natuurlijk is persoonlijke vrijheid een belangrijke waarde. Daar wil ik dan ook helemaal niets aan afdoen. Mijn punt is vooral dat iedere maatschappij voor haar voortbestaan een hecht inspirerend bindmiddel nodig heeft dat verder gaat dan een louter abstract individueel ideaal als persoonlijke vrijheid. Het verlies van het Europese zelfvertrouwen is volgens mij dan ook vooral te wijten aan het feit dat onze cultuur afstand genomen heeft van een bovenindividuele existentiële bezieling, die uiteindelijk alléén religieus en voor Europa meer specifiek christelijk kan zijn. Voor velen wellicht een ongemakkelijke waarheid, maar daarom niet minder werkelijk.

De hoogste deugd in het christendom is de liefde. Een liefde die gestalte krijgt in brede gedeelde leefvormen. Zo kan de weg teruggevonden worden naar binding, ja heling van onze cultuur. Zo kan tegenwicht geboden worden aan de verwardheid waarin Europa steeds verder wegzakt.

DUS
Zelf denk ik niet dat de moderne consumptiecultuur leidt tot een erodering van onze maatschappij. Waarom zou dat het geval zijn? Het is het wegvallen van een gemeenschappelijke horizon van zin en betekenis die daarvoor verantwoordelijk is. Het sociaal atomisme is in Europa te ver doorgeschoten. Dat heeft geleid tot een vergaande maatschappelijke onthechting en verlies van bestemming. Door het in Europa weer teruggrijpen op onze oorspronkelijke existentiële religieuze bronnen, kan binding en gemeenschapszin hersteld worden. Alléén zo kan Europa de verwarring achter zich laten.

Dr. ir. Emanuel Rutten is als onderzoeker verbonden aan het Abraham Kuyper Centrum voor Wetenschap en Religie van de Vrije Universiteit in Amsterdam.

vrijdag 13 september 2013

Dualisme van lichaam en geest zo gek nog niet

‘Hoe denk jij eigenlijk over de verhouding tussen onze geest en ons brein?’, vragen mensen mij vaak. Ik antwoord dan dat volgens mij de geest niet samenvalt met het brein. Zij bestaat er los van en staat ermee in een onderlinge wisselwerking. Vervolgens kijkt men mij meestal raar aan. ‘Geloof jij dat echt? Een dergelijk dualisme is tegenwoordig toch een achterhaalde, onverdedigbare, opvatting?’

Het denkbeeld van een immateriële (lichaamloze) geest die op zichzelf bestaat en interacties aangaat met een materieel brein, wordt ook wel aangeduid als interactie dualisme. Deze opvatting is helemaal niet zo onredelijk als vaak gesuggereerd wordt. Gelukkig maar! Als het bestaan van een werkzame lichaamloze geest intellectueel gezien onacceptabel zou zijn, dan zou het Godsbegrip zelf in moeilijkheden kunnen komen. God wordt immers begrepen als een lichaamloos bewustzijn. Ik betoog hieronder waarom genoemd denkbeeld niet onhoudbaar is.

In de eerste plaats zijn de bezwaren tegen het interactie dualisme niet sterk. Een veelgenoemd bezwaar is dat het volkomen onduidelijk zou zijn hoe een geest een wisselwerking zou kunnen aangaan met de hersenen. ‘Hoe kan een immateriële geest een materieel lichaam in beweging zetten?’, aldus dit bezwaar. Mijn eerste reactie hierop is dat de geest natuurlijk niet het lichaam beweegt op dezelfde manier als waarop bijvoorbeeld materiële dingen, zoals botsende biljartballen, elkaars beweging veroorzaken. Er moet sprake zijn van een ander soort oorzakelijkheid, namelijk mentale veroorzaking.

Vaak werpt men tegen dat het dualisme niet verheldert op welke manier deze mentale veroorzaking precies in zijn werk gaat. Dualisten leggen niet uit hoe iets immaterieels überhaupt kan inwerken op iets materieels. Dit is echter geen overtuigende tegenwerping. We kunnen namelijk niet uitsluiten dat geest behoort tot de fundamentele onherleidbare bouwstenen van de werkelijkheid. In dat geval zou hetzelfde kunnen gelden voor geestelijke vermogens, zoals mentale veroorzaking. En dan kunnen we inderdaad geen nadere uiteenzetting geven van de manier waarop mentale veroorzaking werkt.

Maar ook als dit niet zo is, is het interactieprobleem veel minder nijpend dan gedacht. Zo bedacht Newton ooit zijn beroemde zwaartekrachtstheorie van de werking op afstand, zonder ook maar bij benadering duidelijk te maken hoe deze werking op afstand precies in zijn werk gaat. Dit vormde geen onoverkomelijk bezwaar tegen de acceptatie ervan. En in de moderne fysica worden talloze onvoorstelbare conclusies getrokken, zoals elementaire deeltjes die op enorme afstand met elkaar verstrengeld zijn, deeltjes die ontstaan uit een absoluut vacuüm, deeltjes die terug in de tijd reizen, deeltjes die ook golf zijn, enzovoort. De ondoorgrondelijkheid van dit alles vormt echter geen reden om deze conclusies als onzinnig te verwerpen. En dat is maar goed ook, want de theorieën die fysici ontwikkelen worden de laatste decennia alleen nog maar onbevattelijker.

Waarom zou het ontbreken van een beschrijving van de wijze waarop de wisselwerking tussen geest en lichaam plaatsvindt dan ineens wel een reden zijn om dualisme te verwerpen? Dat is onredelijk. En wie zich enigszins in de analytische filosofie verdiept weet dat er hoe dan ook nog geen adequate theorie is voor het fenomeen van oorzakelijkheid als zodanig.

Een ander bezwaar is dat dualisme geen concrete voorspellingskracht heeft. Maar dat is evenmin een krachtig bezwaar. Want waarom zouden we alleen claims die voorspellende waarde hebben kunnen accepteren? Bovendien is dualisme een metafysische opvatting over de relatie tussen lichaam en geest. Het alternatief ervoor is dus ook een metafysische opvatting, namelijk de gedachte dat geest en brein hetzelfde zijn. Voorspelt dit materialistische alternatief meer dan dualisme? Kan er bijvoorbeeld in de hersenwetenschappen of psychologie meer mee voorspeld worden? Natuurlijk niet.

In de tweede plaats kunnen we ons afvragen of het alternatief voor dualisme onontkoombaar is. Wat zijn de argumenten voor de opvatting dat onze geest identiek is aan ons brein? Vaak wordt gewezen op het principe van de ‘oorzakelijke geslotenheid’ van de fysische natuur. Alle materiële gevolgen zouden slechts materiële oorzaken hebben. Wil onze geest iets materieels kunnen veroorzaken, dan moet ze dus zelf materieel zijn. De geest is daarom niets anders dan ons brein. Genoemd principe volgt echter niet uit modern natuurkundig onderzoek en wordt er evenmin door verondersteld. Het is vooral een metafysische overtuiging van materialisten. Een dualist hoeft het niet te accepteren.

Een ander argument komt voort uit modern hersenonderzoek. Hersenscans laten zien dat mentale ervaringen nauw samenhangen met activiteit op specifieke plaatsen in de hersenen. Ze lijken zelfs één op één met elkaar te corresponderen. Bij elke mentale gewaarwording hoort een neuraal patroon van hersenactiviteit en omgekeerd. Door deze ontdekkingen zijn hersenwetenschappers steeds beter in staat om door het prikkelen van bepaalde hersengebieden specifieke mentale ervaringen op te wekken. Uit deze hechte structurele verwantschap tussen geest- en hersentoestanden concludeert men dan dat mentale ervaringen in feite hersentoestanden zijn, en dus dat onze geest ons brein is.

Een dergelijke conclusie is echter voorbarig. Neem de volgende analogie. Een hoeveelheid water neemt een bepaalde ruimtelijke vorm aan indien deze in een plastic zakje wordt gegoten. Het water in het zakje zal uiteraard van vorm veranderen indien het zakje wordt vervormd. Omgekeerd zal iedere vormverandering van het water gepaard moeten gaan met een identieke vormverandering van het plastic. De vorm van het water hangt dus nauw samen met de vorm van het zakje. Er is zelfs sprake van een één op één correspondentie tussen beiden. Toch volgt hieruit niet dat het water en het plastic zakje identiek zijn. Evenmin volgt dat het water voor zijn bestaan afhankelijk is van het zakje. Ook los van het plastic zakje bestaat het water immers. En precies hetzelfde geldt voor de relatie tussen ons brein en onze geest. Hoewel mentale toestanden en breintoestanden inderdaad hecht samenhangen, zoals de moderne hersenwetenschappen laten zien, volgt hieruit niet dat ze identiek aan elkaar zijn. Correspondentie is inderdaad nog geen identiteit.

Bovendien is er een goede reden om te denken dat mentale ervaringen inderdaad niet identiek zijn aan neurale processen in de hersenen. Wij kennen onze mentale gewaarwordingen alleen van binnenuit, vanuit het eerstepersoonsperspectief. Het zijn innerlijke subjectieve ervaringen en dus van een heel andere orde dan groepjes vurende neuronen. Zo hebben mentale ervaringen geen massa of volume, en hebben neuronen geen gevoel. Daarom zijn mentale gewaarwordingen niet hetzelfde als de neurale processen die zich in ons brein afspelen. De geest is ongelijk aan het brein omdat zij metafysisch van een andere aard is. En dit is precies wat de dualist beweert.

Kortom, de bezwaren tegen dualisme zijn geenszins overtuigend en argumenten voor materialisme zijn minder sterk dan vaak wordt gedacht. Dualisme is dan ook zo gek nog niet.

Deze bijdrage betreft een uitgebreidere versie van mijn stuk voor de rubriek 'weerwoord' in het Reformatorisch Dagblad van 14 september 2013