zaterdag 27 mei 2017

De vraag naar het lijden

Onlangs gaf ik bij het Veritas Forum aan de Erasmus Universiteit Rotterdam een lezing over de vraag naar het lijden. De volledige versie daarvan is nu hier beschikbaar:

Mijn interview voor het Katholiek Nieuwsblad

Gisteren verscheen er een interview met mij in het Katholiek Nieuwsblad naar aanleiding van het verschijnen van mijn nieuwe boek Overdenkingen. Dit interview is imiddels ook hier online beschikbaar.

Van absolute facticiteit naar radicale contingentie

In hoofdstuk 3 van zijn boek After Finitude maakt Meillassoux de stap van het verabsoluteren van de facticiteit van de correlatie naar de radicale contingentie van de-wereld-in-zichzelf. Deze stap werkt hij echter niet helemaal in detail uit. In wat volgt zal ik de cruciale stap zoals ik deze begrijp uiteenzetten. Met het verabsoluteren van de facticiteit van de correlatie bedoelt Meillassoux dat wij het feit dat wij geen enkele reden kunnen vinden voor de vorm van de-wereld-voor-ons verabsoluteren naar het feit dat er geen enkele reden is voor de vorm van de-wereld-in-zichzelf. Precies dat laatste verklaart dan ook waarom wij zulke redenen niet kunnen vinden. Er zijn dan immers helemaal geen redenen voor. Absolute facticiteit geldt dus voor de-wereld-in-zichzelf en niet langer voor onze verhouding tot de invarianten van de-wereld-voor-ons. Maar dan is er in de-wereld-in-zichzelf geen enkele reden meer voor wat dan ook. Facticiteit zou immers niet het absolute kunnen zijn zodra er ergens in de-wereld-in-zichzelf nog een reden zou zijn voor iets. Want als er ergens nog zo'n reden zou zijn, dan zouden er ook redenen zijn voor bepaalde structuurkenmerken van de-wereld-in-zichzelf en die zijn er nu juist niet indien er sprake is van facticiteit van de-wereld-in-zichzelf. Kortom, pas zodra hij heeft laten zien dat we niet anders kunnen dan facticiteit verabsoluteren, dus pas zodra hij facticiteit heeft uitgeroepen tot het absolute, kan hij overstappen naar een algemeen "principle of unreason" voor de-wereld-in-zichzelf. En als uitgaande van dit principe voor niets meer een reden is, is alles contingent. Alles kan dan zomaar - zonder enige reden - op ieder moment veranderen. En dat is wat hij radicale contingentie noemt.

zondag 21 mei 2017

Verzuipen in limonade en honing

"Machinale interactie is stroperig. De kern en vermogens van een machine kunnen nooit gereduceerd worden tot andere entiteiten, maar ze kunnen er wel hopeloos in verstrikt raken. Sartre, die in zijn filosofie altijd de mens als ultiem subject en creatieve actor opvoert, walgde van deze viscositeit. Voor hem was le visqueux slechts een onaangenaam 'symbool van een hele klasse menselijke sentimenten en houdingen'. Hij associeert het met hoe insecten verzuipen in limonade en honing. Hij brengt het in verband met hoe mannen kunnen verzuipen in vrouwen. Hij noemt het de wraak die de dingen in zichzelf nemen (vermoedelijk op zijn gekoesterde autonome en radicaal vrije subject). Ryan Bingham uit zijn Up in the air zou het roerend met hem eens zijn. Stroperigheid en zwaartekracht zijn voor ons echter geen psychologische, maar ontologische basisgegevens. Geen enkele machine kan bestaan zonder verstrikt te zijn met andere machines die functioneren als haar generatoren. Geen enkele machine bestaat zonder uit haar voegen getrokken te worden en een generator van andere machines te zijn.
Een andere manier om hiernaar te kijken is bedenken dat iedere machine tegelijk sterk en zwak is. Zwak, omdat ze nooit de volledige meester wordt over haar onderdelen. Sterk, omdat ze nooit volledig overmeesterd kan worden door datgene waar ze onderdeel van is. Zwak omdat al haar vermogens via andere machines gegenereerd moeten worden. Sterk, omdat haar vermogens nooit te reduceren zijn tot haar relaties. Zwak, omdat ze vanuit haar kern of perspectief altijd openstaat voor een aantal andere machines en daardoor in hun invloedssfeer getrokken kan worden. Sterk, omdat ze ook zelf de kans heeft om andere machines in banen om haar heen te brengen. Zwak, omdat niets ooit vanzelf gebeurt en er altijd werk en energie nodig zijn om het minste of geringste gedaan te krijgen van andere machines, die van nature extern zijn aan hun relaties en dus verzet plegen. Sterk, omdat iedere machine zelf een actieve, werkzame, energetische kracht in de realiteit is. Deze simultane robuustheid en fragiliteit van de machines en hun constante spel van aantrekken en afstoten eisen dat we aandacht besteden aan de wijze waarop zij zich verstrengelen in wat we het best 'ecologieën' kunnen noemen." (Arjen Kleinherenbrink, Alles is een Machine, Boom, 2017, pp. 174-175)

zaterdag 6 mei 2017

Is er leven na de dood?

In een nieuwe bijdrage voor de zaterdageditie van het RD van vandaag ga ik in op de vraag of er metafysische argumenten bestaan voor de bewering dat er leven is na de dood. Ik behandel twee mogelijke metafysische argumenten.