Mijn nieuwe bijdrage voor geloofenwetenschap.nl van ForumC is inmiddels hier online beschikbaar. De bijdrage volgt ook hieronder.
Als er een bewust wezen bestaat dat de oorsprong is van de wereld, dan kan dat met recht ‘God’ genoemd worden. Ook als dit wezen niet algoed, almachtig of alwetend zou zijn. En ook als dit wezen niets te maken heeft met één van de monotheïstische tradities op aarde, zoals het christendom of het brahmanisme. Nu is een atheïst ervan overtuigd dat er geen God is. Hij (het is meestal een ‘hij’) meent dus eveneens dat er geen bewust wezen bestaat dat de oorsprong is van de wereld.
In een gesprek met een atheïst is daarom het eerste wat ik meestal vraag of hij mij een klein plezier wil doen en mij één argument wil geven voor zijn overtuiging dat er geen bewust wezen bestaat dat de oorsprong is van de wereld. Door slechts één argument te vragen leg ik de lat bewust laag. Ook merk ik meteen op dat je prima atheïst kunt zijn zonder er ook maar één argument voor te hebben: “Sla mijn verzoek dus gerust af als je geen enkel argument voor je atheïsme hebt. Géén probleem!”
Vervolgens valt het meestal stil. Het komt blijkbaar niet vaak voor dat een atheïst nadrukkelijk wordt gevraagd om zijn (het is zoals gezegd meestal ‘zijn’) opvatting dat er geen bewust wezen bestaat dat de oorsprong is van de wereld te beargumenteren. Soms probeert men de bewijslast bij de theïst te leggen: “Laat de theïst maar beargumenteren dat een dergelijk wezen wel bestaat!” Maar nadat ik heb toegelicht dat we ook van een atheïst een argument mogen vragen voor zijn atheïsme (en dat ik straks ook voor theïsme wil argumenteren), zijn de meeste atheïsten wel bereid de handschoen op te pakken en een argument te geven voor hun claim dat een dergelijk wezen niet bestaat.
Toch zie je soms ook dat men terugkrabbelt en atheïsme definieert als alléén maar ‘de afwezigheid van geloof in één of meerdere bovennatuurlijke wezens’. Maar als ik in reactie daarop dan opmerk dat dat ook voor agnosten geldt en bovendien op grond van die definitie ook baby’s, huisdieren en Italiaanse voetbalstadions atheïst zijn, is men meestal wel geneigd om met een argumentatie te komen voor de claim dat er geen bewust wezen is dat de oorsprong is van de wereld.
Dat wil echter niet zeggen dat men direct een argument paraat heeft. Je ziet ze soms denken: “Wat is eigenlijk een goed argument voor de bewering dat een dergelijk wezen niet bestaat?” En dan komt er meestal inderdaad een argumentatie. Het probleem is alleen dat de meeste argumenten die dan gegeven worden nogal eenvoudig te weerleggen zijn. Ik verbaas mij daar altijd weer over.
Zo zegt men bijvoorbeeld: “In de wetenschap komen we genoemd wezen nergens tegen. We hebben een dergelijk wezen voor geen enkele wetenschappelijke verklaring nodig.” Prima, zeg ik dan, maar daaruit volgt niet dat zo’n wezen niet bestaat. Om die conclusie te bereiken, is een extra premisse nodig, namelijk dat een bewust wezen dat de oorsprong is van de wereld alleen kan bestaan als het een verklarende rol speelt in onze wetenschappelijke theorieën. Die aanvullende premisse is echter volstrekt ongegrond. Er is namelijk geen enkele reden om te denken dat een bewust wezen dat de oorsprong is van de wereld in onze wetenschappelijke theorieën een verklarende rol moet spelen. Wetenschappers geven verklaringen voor fenomenen in de wereld. Dit doen ze door het in kaart brengen van wetmatigheden. En er is geen reden om te denken dat die wetmatigheden een beroep moeten doen op de oorsprong van de wereld. Integendeel. De formele regels van het schaakspel doen immers ook geen beroep op de bedenker ervan. Dat we genoemd bewust wezen in, zeg, de fysica nergens tegenkomen, levert dan ook geen enkel argument tegen het bestaan ervan op.
Een ander argument dat in dit verband ook regelmatig wordt genoemd, is dat er géén goede reden is om te geloven dat genoemd wezen bestaat. Dus mag geconcludeerd worden dat het niet bestaat. Dit argument faalt echter eveneens. In de eerste plaats wordt voorbijgegaan aan de vele theïstische argumenten voor het bestaan van een bewuste oorsprong van de wereld. Het argument moet dus eerst al deze theïstische argumenten weerleggen. En zelfs als dit zou lukken, ontstaat geen valide argument voor atheïsme. Agnosten menen immers eveneens dat er géén goede reden is om te geloven in een bewust wezen dat de oorsprong is van de wereld. Afwezigheid van een goede reden voor het bestaan van dit wezen is dan ook nog geen goede reden voor de afwezigheid ervan. Voor atheïsme is dus méér nodig, namelijk een goede reden voor het niet bestaan van genoemd wezen.
Een ander argument dat dan soms wordt ingebracht is dat genoemd wezen niet bestaat omdat het een bewustzijn zonder lichaam moet zijn en een bewustzijn zonder lichaam niet kan voorkomen. De verborgen aanname hierbij is meestal dat uit het feit dat wij nog nooit objectief het bestaan van een bewustzijn zonder lichaam hebben vastgesteld, volgt dat zoiets onmogelijk is. Maar dat is natuurlijk een ongeoorloofde generalisatie. Inderdaad, wat een overmoed om te denken dat alles wat wij niet objectief hebben vastgesteld om die reden volstrekt onmogelijk zou zijn! Bovendien, zelfs als het bij mensen zo is dat bewustzijn niet zonder lichaam bestaat, dan volgt daaruit natuurlijk nog niet dat dat voor elk mogelijk bestaand wezen ook geldt. Een dergelijke radicale generalisatie mist iedere grond.
Soms noemt men direct het probleem van het kwaad. Maar dat levert natuurlijk geen argument voor atheïsme op. Het levert alleen eventueel een argument op tegen het bestaan van een moreel goed wezen dat de oorsprong is van de wereld. Maar daarmee is nog geen argument gegeven tegen een bewuste oorsprong van de wereld. Kortom, de atheïst heeft nog geen argument voor zijn atheïsme.
Er zijn er ook die graag over allerlei vermeende misstanden in de Bijbel beginnen, zonder dat ze zich realiseren dat je op die manier nooit een argument voor atheïsme verkrijgt. Want zelfs als de Bijbel vol zou staan met allerlei misstanden, dan nog volgt daaruit niet dat er geen bewust wezen is dat de oorsprong is van de wereld. Sterker nog, er volgt niet eens uit dat de christelijke God niet bestaat. Dit is dan ook echt een kansloze weg voor wie een levensvatbaar argument voor atheïsme wil geven.
Wat ook voorkomt, is dat men wijst op het argument vanuit de vermeende verborgenheid van het wezen in kwestie. Als er een bewust wezen is dat de oorsprong is van de wereld, aldus dit argument, dan zou het zich nooit zó verborgen houden. Dit argument overtuigt echter evenmin. Waarom zou het op voorhand onmogelijk zijn dat een dergelijk wezen zich verborgen wil houden? Uit het bestaan van het wezen volgt immers nog niets over de intenties ervan. Dit argument levert dus ook al niets interessants op. Bovendien is het nog maar de vraag of er werkelijk sprake is van verborgenheid. Er zijn namelijk verschillende fenomenen in de wereld die ons op de gedachte kunnen brengen dat een bewust wezen de oorsprong van de wereld is, zoals ik in verschillende bijdragen heb betoogd.
Ook wil men wel eens inbrengen dat het begrip ‘bewust wezen dat de oorsprong is van de wereld’ betekenisloos is, zodat er überhaupt geen gesprek over het bestaan van een dergelijk wezen mogelijk is. De gedachte is dan meestal dat we alleen betekenis zouden mogen toekennen aan begrippen die verwijzen naar empirische standen van zaken. Dit argument wordt echter sinds de ineenstorting van het logisch-empirisme vanaf de tweede helft van de vorige eeuw door bijna geen enkele filosoof nog serieus genomen. Het is namelijk zelf-weerleggend. Wie het logisch-empirisme accepteert, moet het direct weer verwerpen omdat genoemd betekeniscriterium niet verwijst naar een empirische stand van zaken. Maar ook los hiervan is de vraag of de oorsprong van de wereld een bewust wezen is wel degelijk betekenisvol. Deze vraag wordt al tienduizenden jaren gesteld in zo goed als alle culturen op aarde. En er is helemaal niets wat erop wijst dat ze in onze tijd aan belang inboet. Integendeel. Wie zegt dat deze vraag betekenisloze onzin is, zegt dan ook vooral iets over zichzelf. Het is een uitvlucht.
Een ander argument tegen het bestaan van een bewust wezen dat de oorsprong is van de wereld gaat als volgt. Geloof in het bestaan van een dergelijk wezen zou voortkomen uit een psychologische projectie of uit de manier waarop ons menselijk brein zich gedurende miljoenen jaren evolutie heeft ontwikkeld. “Prima”, zeg ik dan, “laten we dat voor jouw argumentatie even aannemen. Volgt daaruit dat dat wezen niet bestaat?” Alleen al deze eenvoudige vraag stellen, is meestal wel genoeg om de atheïst te laten inzien dat dit er natuurlijk niet uit volgt. Want ook als geloof in een dergelijk wezen een psychologische projectie is, of het gevolg is van natuurlijke evolutie, kan daaruit niet de conclusie getrokken worden dat er geen bewust wezen is dat de oorsprong is van de wereld. Als een opvatting een psychologische projectie is, of het product van evolutie, dan zegt dat immers nog niets over de waarheidswaarde ervan. Stel dat iedereen louter op grond van “wishful thinking” in economische betere tijden gelooft, dan kan daaruit niet opgemaakt worden dat die tijden niet zullen aanbreken. En dat onze diepe overtuiging dat op ons afstormende dieren gevaar opleveren door miljoenen jaren evolutie is ontstaan, geeft ons al evenmin een reden om te denken dat deze overtuiging onwaar is.
Op dit punt aangekomen, draait mijn gesprekspartner de rollen meestal om: “Geef jij dan eens een argument vóór het bestaan van genoemd wezen. Één is genoeg.” “Prima”, zeg ik dan. “Graag zelfs!”
Posts tonen met het label geloof en wetenschap. Alle posts tonen
Posts tonen met het label geloof en wetenschap. Alle posts tonen
maandag 23 maart 2015
woensdag 29 oktober 2014
Op de Ten Katemarkt
Het EO televisieprogramma Geloof & 'n Hoop Liefde waarin ik op het eind in mijn buurt in Amsterdam Oud-West wordt geïnterviewd door Herman Wegter over de relatie tussen geloof en wetenschap werd vandaag op NPO2 uitgezonden. Het is hier te bekijken.
dinsdag 7 oktober 2014
Interview op NPO2
Onlangs heeft Herman Wegter mij geïnterviewd voor het televisieprogramma 'Geloof op 2' over de relatie tussen geloof en wetenschap. Dit interview vond plaats in een cafe in Oud-West in Amsterdam, vlak bij mijn huis. Ons gesprek wordt op woensdag 29 oktober om 17:05 uitgezonden bij de EO op NPO2.
zaterdag 5 april 2014
Mijn nieuwe column voor geloofenwetenschap.nl
ForumC plaatste op haar website geloofenwetenschap.nl een nieuwe column van mij. De volledige tekst van deze column is hieronder ook weergegeven.
De laatste jaren wordt er weer regelmatig gedebatteerd over de vraag of religieus geloof redelijk is. Deze discussies gaan nauwkeuriger gezegd over de vraag welke van de mogelijke religieuze en seculiere wereldbeschouwingen (zoals theïsme, pantheïsme en atheïsme) rationeel gerechtvaardigd zijn. De debatten vertonen echter bijna altijd een blinde vlek.
Deze blinde vlek is van tweeërlei aard. In de eerste plaats gaat het over de redelijkheid van wereldbeschouwingen of wereldbeelden, zonder eerst stil te staan bij de vraag welke notie van rationaliteit in het geding is. Want uiteraard moeten theïsten, atheïsten en pantheïsten goede redenen hebben voor hun wereldbeeld om deze rationeel te kunnen aanvaarden. De vraag is echter wat hier als goede redenen mogen gelden. Wanneer mag hier iets als reden ingebracht worden? Die fundamentele vraag moet eerst gesteld en beantwoord worden.
Voor wereldbeelden moet dan ook hetzelfde gebeuren als wetenschapsfilosofen gedaan hebben voor wetenschappelijke theorieën. Er zijn criteria nodig voor het adequaat beoordelen van de redelijkheid van wereldbeelden, net zoals er in de wetenschapsfilosofie criteria ontwikkeld zijn voor het beoordelen van de redelijkheid van wetenschappelijke theorieën.
Ik stelde dat de blinde vlek tweeledig is. Het tweede aspect is dat in genoemde debatten meestal stilzwijgend wordt aangenomen dat alléén kennistheoretische of epistemische aspecten een rol mogen spelen bij het beoordelen van de redelijkheid van wereldbeelden. Rationaliteit wordt zo dus ongemerkt gereduceerd tot louter epistemische rationaliteit.
Dit is echter onterecht. Om een wereldbeschouwing rationeel te beoordelen dienen we naast epistemische normen, doelen en redenen ook allerlei niet-epistemische of praktische normen, doelen en redenen in het spel te brengen, zoals de mate waarin het wereldbeeld überhaupt leefbaar is en ons helpt om ons te oriënteren in dit leven, de mate waarin het beantwoordt aan onze intrinsieke noden en bijdraagt aan onze identiteitsvorming en zelfverwerkelijking, en de mate waarin het ons helpt met het omgaan met levenskwesties.
De keuze voor een wereldbeeld is namelijk niet alleen maar een theoretische keuze. Het gaat om een onontkoombaar existentieel antwoord op een voor elk mens onvermijdelijke existentiële vraag, namelijk de onontwijkbare existentiële kwestie hoe wij in deze wereld ons leven moeten leven. We worden namelijk vroeg of laat hoe dan ook met existentiële vragen geconfronteerd. En we kunnen niet anders dan er in ons leven op de één of andere manier invulling aan geven. Het leven moet namelijk, wil het überhaupt geleefd worden, op een bepaalde manier geleefd worden. Kortom, we moeten kiezen. Dit is onvermijdelijk.
Het beoordelen van de redelijkheid van wereldbeelden hangt dan ook samen met de vraag waarom en waartoe mensen wereldbeelden hebben, dus met het concrete doel dat mensen daarmee nastreven. En dat doel is dus zeker niet louter epistemisch. Maar dan kan de vraag of een bepaald wereldbeeld rationeel is ook niet alleen maar epistemisch benaderd worden. Een adequaat model van rationaliteit voor het beoordelen van wereldbeelden brengt dus onvermijdelijk zowel epistemische als niet-epistemische of praktische normen in het spel.
Dat men zelden inziet dat goede redenen voor het rationeel omarmen van een wereldbeeld zowel epistemisch als praktisch van aard kunnen zijn, is eigenlijk opmerkelijk. Zelfs positief wetenschappelijk onderzoek, waar epistemische redenen doorslaggevend zijn, is immers niet ongevoelig voor praktische redenen. Zo is het feit dat een wetenschappelijke theorie 'werkt', dat wil zeggen ons in staat stelt om bruikbare voorspellingen te doen, terecht een goede reden om haar wetenschappelijk serieus te nemen. En ook het 'eenvoudig' of 'simpel' zijn van een wetenschappelijke theorie kan voor wetenschappers een uitstekende rationele grond vormen om haar te aanvaarden. Zelfs in de wetenschap speelt de praktische dimensie dus een belangrijke rol. Het negeren van de inherent praktische aspecten van onze rationele deliberaties draagt dan ook zelden bij aan een adequate evaluatie van onze oordelen, niet in de wetenschap, en zeker niet in het geval van het beoordelen van levensbeschouwingen.
Zodra wordt ingezien dat epistemische én praktische normen relevant zijn voor de vraag of een wereldbeschouwing rationeel aanvaardbaar is, wordt duidelijk waarom veel formele religiekritiek, zoals de formele Bayesiaanse benadering van Herman Philipse, vruchteloos is voor het beoordelen van de redelijkheid van religieus geloof. Bayesiaanse benaderingen hebben immers slechts oog voor epistemische redenen, en negeren de praktische redenen die mensen kunnen hebben voor het omarmen van een bepaalde wereldbeschouwing.(*) Formele epistemische religiekritiek werkt voor wat betreft de evaluatie van de rationaliteit van wereldbeelden dus met een gemankeerd rationaliteitsbegrip. De concrete menselijke conditie waarin mensen hoe dan ook tot existentiële overtuigingen moeten komen, waarin ze hoe dan ook een bepaalde manier van leven moeten omarmen, wordt veronachtzaamd.
Welnu, als naast epistemische ook praktische doelen een onmisbaar onderdeel vormen van het beoordelen van de redelijkheid van religieus geloof, dan kan dit het huidige religiedebat ingrijpend veranderen. Een nieuwe opening in het debat ontstaat dan ook wanneer eerst de vraag wordt gesteld wat het betekent om een wereldbeschouwing rationeel te omarmen en vervolgens beseft wordt dat naast epistemische ook praktische normen en redenen een cruciale rol spelen bij de evaluatie van de redelijkheid van religieus en seculier geloof.
We moeten dan ook ongenuanceerde tegenstellingen tussen de theoretische en praktische rede vermijden. Beide aspecten van het menselijke redevermogen, het theoretische en het praktische, zijn niet alleen in de wetenschap en in onze wereldbeelden, maar eigenlijk bijna altijd onlosmakelijk met elkaar verbonden.
(*) Bovendien zijn de meeste wetenschapsfilosofen het er allang over eens dat wetenschappers zich niet gedragen als formele Bayesiaanse actoren. Zo hechten zij vaak meer waarde aan hun nieuwe theorieën dan op grond van het beschikbare epistemisch materiaal strikt genomen gerechtvaardigd zou zijn. En juist deze houding heeft wetenschap zo enorm succesvol gemaakt. Formele Bayesiaanse religiekritiek zoals die van Philipse heeft dus als onwenselijk gevolg dat de door haar veronderstelde opvatting van rationaliteit, indien toegepast op wetenschap, tot de volstrekt absurde conclusie leidt dat wetenschappers irrationeel zijn!
De laatste jaren wordt er weer regelmatig gedebatteerd over de vraag of religieus geloof redelijk is. Deze discussies gaan nauwkeuriger gezegd over de vraag welke van de mogelijke religieuze en seculiere wereldbeschouwingen (zoals theïsme, pantheïsme en atheïsme) rationeel gerechtvaardigd zijn. De debatten vertonen echter bijna altijd een blinde vlek.
Deze blinde vlek is van tweeërlei aard. In de eerste plaats gaat het over de redelijkheid van wereldbeschouwingen of wereldbeelden, zonder eerst stil te staan bij de vraag welke notie van rationaliteit in het geding is. Want uiteraard moeten theïsten, atheïsten en pantheïsten goede redenen hebben voor hun wereldbeeld om deze rationeel te kunnen aanvaarden. De vraag is echter wat hier als goede redenen mogen gelden. Wanneer mag hier iets als reden ingebracht worden? Die fundamentele vraag moet eerst gesteld en beantwoord worden.
Voor wereldbeelden moet dan ook hetzelfde gebeuren als wetenschapsfilosofen gedaan hebben voor wetenschappelijke theorieën. Er zijn criteria nodig voor het adequaat beoordelen van de redelijkheid van wereldbeelden, net zoals er in de wetenschapsfilosofie criteria ontwikkeld zijn voor het beoordelen van de redelijkheid van wetenschappelijke theorieën.
Ik stelde dat de blinde vlek tweeledig is. Het tweede aspect is dat in genoemde debatten meestal stilzwijgend wordt aangenomen dat alléén kennistheoretische of epistemische aspecten een rol mogen spelen bij het beoordelen van de redelijkheid van wereldbeelden. Rationaliteit wordt zo dus ongemerkt gereduceerd tot louter epistemische rationaliteit.
Dit is echter onterecht. Om een wereldbeschouwing rationeel te beoordelen dienen we naast epistemische normen, doelen en redenen ook allerlei niet-epistemische of praktische normen, doelen en redenen in het spel te brengen, zoals de mate waarin het wereldbeeld überhaupt leefbaar is en ons helpt om ons te oriënteren in dit leven, de mate waarin het beantwoordt aan onze intrinsieke noden en bijdraagt aan onze identiteitsvorming en zelfverwerkelijking, en de mate waarin het ons helpt met het omgaan met levenskwesties.
De keuze voor een wereldbeeld is namelijk niet alleen maar een theoretische keuze. Het gaat om een onontkoombaar existentieel antwoord op een voor elk mens onvermijdelijke existentiële vraag, namelijk de onontwijkbare existentiële kwestie hoe wij in deze wereld ons leven moeten leven. We worden namelijk vroeg of laat hoe dan ook met existentiële vragen geconfronteerd. En we kunnen niet anders dan er in ons leven op de één of andere manier invulling aan geven. Het leven moet namelijk, wil het überhaupt geleefd worden, op een bepaalde manier geleefd worden. Kortom, we moeten kiezen. Dit is onvermijdelijk.
Het beoordelen van de redelijkheid van wereldbeelden hangt dan ook samen met de vraag waarom en waartoe mensen wereldbeelden hebben, dus met het concrete doel dat mensen daarmee nastreven. En dat doel is dus zeker niet louter epistemisch. Maar dan kan de vraag of een bepaald wereldbeeld rationeel is ook niet alleen maar epistemisch benaderd worden. Een adequaat model van rationaliteit voor het beoordelen van wereldbeelden brengt dus onvermijdelijk zowel epistemische als niet-epistemische of praktische normen in het spel.
Dat men zelden inziet dat goede redenen voor het rationeel omarmen van een wereldbeeld zowel epistemisch als praktisch van aard kunnen zijn, is eigenlijk opmerkelijk. Zelfs positief wetenschappelijk onderzoek, waar epistemische redenen doorslaggevend zijn, is immers niet ongevoelig voor praktische redenen. Zo is het feit dat een wetenschappelijke theorie 'werkt', dat wil zeggen ons in staat stelt om bruikbare voorspellingen te doen, terecht een goede reden om haar wetenschappelijk serieus te nemen. En ook het 'eenvoudig' of 'simpel' zijn van een wetenschappelijke theorie kan voor wetenschappers een uitstekende rationele grond vormen om haar te aanvaarden. Zelfs in de wetenschap speelt de praktische dimensie dus een belangrijke rol. Het negeren van de inherent praktische aspecten van onze rationele deliberaties draagt dan ook zelden bij aan een adequate evaluatie van onze oordelen, niet in de wetenschap, en zeker niet in het geval van het beoordelen van levensbeschouwingen.
Zodra wordt ingezien dat epistemische én praktische normen relevant zijn voor de vraag of een wereldbeschouwing rationeel aanvaardbaar is, wordt duidelijk waarom veel formele religiekritiek, zoals de formele Bayesiaanse benadering van Herman Philipse, vruchteloos is voor het beoordelen van de redelijkheid van religieus geloof. Bayesiaanse benaderingen hebben immers slechts oog voor epistemische redenen, en negeren de praktische redenen die mensen kunnen hebben voor het omarmen van een bepaalde wereldbeschouwing.(*) Formele epistemische religiekritiek werkt voor wat betreft de evaluatie van de rationaliteit van wereldbeelden dus met een gemankeerd rationaliteitsbegrip. De concrete menselijke conditie waarin mensen hoe dan ook tot existentiële overtuigingen moeten komen, waarin ze hoe dan ook een bepaalde manier van leven moeten omarmen, wordt veronachtzaamd.
Welnu, als naast epistemische ook praktische doelen een onmisbaar onderdeel vormen van het beoordelen van de redelijkheid van religieus geloof, dan kan dit het huidige religiedebat ingrijpend veranderen. Een nieuwe opening in het debat ontstaat dan ook wanneer eerst de vraag wordt gesteld wat het betekent om een wereldbeschouwing rationeel te omarmen en vervolgens beseft wordt dat naast epistemische ook praktische normen en redenen een cruciale rol spelen bij de evaluatie van de redelijkheid van religieus en seculier geloof.
We moeten dan ook ongenuanceerde tegenstellingen tussen de theoretische en praktische rede vermijden. Beide aspecten van het menselijke redevermogen, het theoretische en het praktische, zijn niet alleen in de wetenschap en in onze wereldbeelden, maar eigenlijk bijna altijd onlosmakelijk met elkaar verbonden.
(*) Bovendien zijn de meeste wetenschapsfilosofen het er allang over eens dat wetenschappers zich niet gedragen als formele Bayesiaanse actoren. Zo hechten zij vaak meer waarde aan hun nieuwe theorieën dan op grond van het beschikbare epistemisch materiaal strikt genomen gerechtvaardigd zou zijn. En juist deze houding heeft wetenschap zo enorm succesvol gemaakt. Formele Bayesiaanse religiekritiek zoals die van Philipse heeft dus als onwenselijk gevolg dat de door haar veronderstelde opvatting van rationaliteit, indien toegepast op wetenschap, tot de volstrekt absurde conclusie leidt dat wetenschappers irrationeel zijn!
maandag 24 maart 2014
"With mind and heart". Gastbijdrage van Cees Dekker
Tonight we are debating the question whether or not God exists. With the added twist: Can science prove that? Twisted indeed! Of course the answer to that last question is simply no: science cannot prove God. And science cannot disprove God. There is simply no way that I can go into my lab and do the definitive ‘God experiment’!
Yet, we can search and find God. I was reminded by what Jesus Christ called the greatest commandment: ‘To love God with all your heart, with all your soul, with all your strength, and with all your mind.’ Interestingly, Jesus emphasizes loving God with both your heart and your mind. Likewise, I think we should search for God with both our heart and with our mind.
‘Mind’ takes center stage tonight. Indeed, we can use our minds to weigh evidence for the existence of God.(*) While ‘absolute proof’ is impossible, we can certainly examine many scientific facts that are pointers to the existence of God. In such pointers, one focuses not so much on the specific scientific results themselves, but one reflects on their wider implications.
Think, for example, of the laws of nature, where do they come from? A Lawgiver is a natural suggestion for the intrinsic order discovered in the natural world. Or take cognitive psychology where research has shown that children have a natural tendency to believe in God. Or take the big bang, the absolute beginning of energy, matter, space and time. What caused that big bang? Clearly this first cause must have been something hugely powerful beyond matter and outside space and time – a description that comes very close to what most people would call ‘God’.
Or take the ‘finetuning’ of the universe(**): I have been impressed by the fact that our cosmos has been found to have exactly those properties that allow for life. It could have been otherwise but the physical constants of nature (like the strength of gravity) and the beginning state of the universe (like its density) need to have extremely precise values to enable life. These values deduce, for example, the expansion speed of the universe. If the expansion would proceed a tiny bit too rapidly, galaxies and stars could not form; if a tiny bit too slow, the universe would collapse before life could evolve. And that ‘tiny bit’ comes ridiculously precise – an estimate for cosmological constant indicates a precision of 1 in 1053! That’s like throwing darts where the dartboard is the size of the universe and you hit the bullseye that is the size of your fingertip! So, what does this all mean? ‘Random chance’ simply is not a rational explanation anymore. In my opinion, this extreme finetuning points towards a provident God who wanted to create a universe with humans.
One could go on and on and discuss many such pointers to the existence of God. But, these ‘questions for the mind’ are not the full story. The God question ultimately is a deep existential question, a question of the heart. Pascal famously said ‘The heart has its reasons which the mind knows nothing of.’ Indeed! All of us know the existential questions of the heart: Who am I? What is the meaning of my life? Is there a God?
Let me tell you my personal story. Since my teenage years, I have experienced a sense of meaning in life. Looking at the staggeringly complex world around me, I simply cannot convince myself that all this chain of being is at bottom utterly senseless. I have pondered the option of becoming an atheist, but I cannot persuade myself. I would have to declare so many things as illusionary: my inner sense of purpose, my experiences of God, dignity of man, altruistic goodwill towards others, even my own free will,... According to atheism, these are all illusions that my brain tricks me with, ultimately all merely spontaneous eruptions of a random chain of atomic collisions. I find this bleak picture of atheism entirely unconvincing.
By contrast, I find faith in God so much more credible. The Christian worldview provides a coherent and robust understanding of reality where all those so-called illusions naturally fall into place: purpose, man’s dignity, free will, and so on – it suddenly all makes sense.
The existential questions of the heart thus point me to God – in a way that far surpasses the pointers of the mind. So, lets search for God. With all of our mind, but surely also with all of our heart.
(*) An excellent book (in Dutch) on this theme is ‘God bewijzen’ by Stefan Paas & Rik Peels.
(**) See e.g. http://biologos.org/questions/fine-tuning
Cees Dekker, ‘column’ spoken at the Veritas Forum, Delft, March 19, 2014
Yet, we can search and find God. I was reminded by what Jesus Christ called the greatest commandment: ‘To love God with all your heart, with all your soul, with all your strength, and with all your mind.’ Interestingly, Jesus emphasizes loving God with both your heart and your mind. Likewise, I think we should search for God with both our heart and with our mind.
‘Mind’ takes center stage tonight. Indeed, we can use our minds to weigh evidence for the existence of God.(*) While ‘absolute proof’ is impossible, we can certainly examine many scientific facts that are pointers to the existence of God. In such pointers, one focuses not so much on the specific scientific results themselves, but one reflects on their wider implications.
Think, for example, of the laws of nature, where do they come from? A Lawgiver is a natural suggestion for the intrinsic order discovered in the natural world. Or take cognitive psychology where research has shown that children have a natural tendency to believe in God. Or take the big bang, the absolute beginning of energy, matter, space and time. What caused that big bang? Clearly this first cause must have been something hugely powerful beyond matter and outside space and time – a description that comes very close to what most people would call ‘God’.
Or take the ‘finetuning’ of the universe(**): I have been impressed by the fact that our cosmos has been found to have exactly those properties that allow for life. It could have been otherwise but the physical constants of nature (like the strength of gravity) and the beginning state of the universe (like its density) need to have extremely precise values to enable life. These values deduce, for example, the expansion speed of the universe. If the expansion would proceed a tiny bit too rapidly, galaxies and stars could not form; if a tiny bit too slow, the universe would collapse before life could evolve. And that ‘tiny bit’ comes ridiculously precise – an estimate for cosmological constant indicates a precision of 1 in 1053! That’s like throwing darts where the dartboard is the size of the universe and you hit the bullseye that is the size of your fingertip! So, what does this all mean? ‘Random chance’ simply is not a rational explanation anymore. In my opinion, this extreme finetuning points towards a provident God who wanted to create a universe with humans.
One could go on and on and discuss many such pointers to the existence of God. But, these ‘questions for the mind’ are not the full story. The God question ultimately is a deep existential question, a question of the heart. Pascal famously said ‘The heart has its reasons which the mind knows nothing of.’ Indeed! All of us know the existential questions of the heart: Who am I? What is the meaning of my life? Is there a God?
Let me tell you my personal story. Since my teenage years, I have experienced a sense of meaning in life. Looking at the staggeringly complex world around me, I simply cannot convince myself that all this chain of being is at bottom utterly senseless. I have pondered the option of becoming an atheist, but I cannot persuade myself. I would have to declare so many things as illusionary: my inner sense of purpose, my experiences of God, dignity of man, altruistic goodwill towards others, even my own free will,... According to atheism, these are all illusions that my brain tricks me with, ultimately all merely spontaneous eruptions of a random chain of atomic collisions. I find this bleak picture of atheism entirely unconvincing.
By contrast, I find faith in God so much more credible. The Christian worldview provides a coherent and robust understanding of reality where all those so-called illusions naturally fall into place: purpose, man’s dignity, free will, and so on – it suddenly all makes sense.
The existential questions of the heart thus point me to God – in a way that far surpasses the pointers of the mind. So, lets search for God. With all of our mind, but surely also with all of our heart.
(*) An excellent book (in Dutch) on this theme is ‘God bewijzen’ by Stefan Paas & Rik Peels.
(**) See e.g. http://biologos.org/questions/fine-tuning
Cees Dekker, ‘column’ spoken at the Veritas Forum, Delft, March 19, 2014
Labels:
Cees Dekker,
geloof en wetenschap,
Godsargumenen,
Veritas
maandag 29 april 2013
Theïsme als manier van leven
Mijn nieuwe opiniestuk voor ForumC, getiteld 'Theïsme als manier van leven', is inmiddels op de ForumC website geplaatst. Zie hier.
Labels:
ForumC,
geloof en wetenschap,
opiniestuk
Abonneren op:
Posts (Atom)
