zaterdag 24 oktober 2020

Het semantisch argument: een inleiding

Enige jaren geleden ontwikkelde ik een wijsgerig argument voor de stelling dat er geen universele eigenschappen zijn. Dit argument noem ik het semantisch argument en het kan op verschillende manieren worden ingeleid. In wat volgt geef ik een inleiding vanuit een bezinning op de menselijke conditie. Laat ik daartoe beginnen met mijn laatste boek getiteld Contra Kant. In dit boek ontwikkel ik in dialoog maar vooral ook in oppositie met Kant een nieuwe kennisleer. De centrale gedachte hierbij is wezenlijk een Heideggeriaanse gedachte, namelijk de gedachte dat wij als mensen in de wereld geworpen zijn. De mens is geworpen en zoekt houvast. Dit doen wij door de wereld waarin wij geworpen zijn voortdurend te interpreteren. Wij zijn altijd al interpreterende wezens en nooit zal de mens buiten dit verstaan kunnen gaan staan. Al onze kennis betreft dan ook uitsluitend kennis over de wereld zoals zij voor ons is. Menselijke kennis is onvermijdelijk beperkt tot kennis over de wereld zoals wij als mensen deze ervaren en denken. Wanneer wij spreken over de wereld hebben wij het dus altijd al van meet af aan over wat ik de-wereld-voor-ons noem. Al onze projecten, dus ook onze metafysische projecten, spelen zich geheel af binnen de-wereld-voor-ons. En dit is onoverkomelijk. Het is onze menselijke conditie. Dit betekent echter niet - en o.a. hier ga ik tegen Kant in - dat metafysica onmogelijk is. Metafysica mag. Natuurlijk mag metafysica. Metafysica mag zolang we ons maar steeds realiseren dat het louter gaat om metafysica binnen en gericht op de-wereld-voor-ons. Ik spreek dan ook over metafysica-voor-ons of wereld-voor-ons-metafysica. Met een voor-ons-metafysica is niets mis.

Vanuit dit existentieel-hermeneutische uitgangspunt probeer ik na te denken over de meest fundamentele kenmerken, patronen of structuren van de-wereld-voor-ons oftewel de wereld waarin wij geworpen zijn en waarbuiten wij nimmer kunnen treden. Een van de belangrijkste kenmerken van de-wereld-voor-ons is dat zij talig is. De-wereld-voor-ons is inherent talig omdat wij als mensen taaldieren zijn. Zo noemt Aristoteles de mens een zoön logon echon. De mens is een dier dat beschikt over het woord. Wij zijn taalwezens. Wij ademen taal. Taal is dan ook een macht die al het aan ons gegevene doordringt. Wij leven binnen de-wereld-voor-ons voortdurend in en vanuit taal. Het is niet slechts zo dat woorden ertoe doen omdat de keuze van bepaalde woorden een specifiek perspectief op een zaak opent. Nee, de zaak zelf verschijnt altijd al als een door taal ontsloten zijn. En dit zijn van de zaak is voor ons precies gegrond in deze talige ontsluiting.

Taal is daarom een fundamentele dieptestructuur van de-wereld-voor-ons. Maar dan kunnen wij door ons met taalanalyse bezig te houden, dus met het in kaart brengen van de fundamentele structuur van de taal, inzicht verkrijgen in de structuur van de wereld zelf. Taalanalyse wordt zo een cruciaal instrument in handen van de wereld-voor-ons-metafysicus. Door het arsenaal van de metafysicus met dit instrument uit te breiden ontstaat een krachtige vruchtbare taalmetafysica. Het is dan ook de taal die ons hier de weg wijst. De taal wijst ons de weg. Door het ontsluiten en uiteenleggen van de structuur van de taal komen we de fundamentele structuur van de wereld op het spoor. En precies dit is mijn project. Het is ook het project van Wittgenstein in zijn Tractatus. Daarin probeert hij eveneens door nauwkeurig te kijken naar de structuur van de taal de structuur van de wereld te achterhalen.

Mijn wereld-voor-ons kennisleer vormt samen met genoemde nieuwe taalmetafysica de methodische achtergrond van mijn semantisch argument. Ik meen zelfs dat mijn semantisch argument een paradigmatisch voorbeeld betreft van een geslaagd taalmetafysisch argument. De conclusie ervan luidt zoals gezegd dat er geen universele eigenschappen zijn. De wereld is zodanig dat geen enkele eigenschap algemeen geldig is. Voor iedere eigenschap is er dus een object in de wereld dat die eigenschap niet bezit. De stelling dat er geen universele eigenschappen zijn is een fundamenteel principe dat we vanaf de klassieke oudheid tot in de moderne tijd bij onderling zeer sterk uiteenlopende denkers aantreffen. Dit is wellicht verrassend.

Zo spreekt Aristoteles in zijn Over de kosmos over de liefde van de natuur voor tegendelen. De natuur houdt van tegendelen. Er is geen licht zonder donker, geen warmte zonder koude, geen liefde zonder haat, geen zwart zonder wit, enzovoort. Er zijn dus geen universele eigenschappen. In zijn Retorica stelt Aristoteles bovendien dat als van twee tegendelen het ene kan bestaan, ook het andere mogelijk is. Kortom, als iets metafysisch mogelijk is dan is ook het tegendeel metafysisch mogelijk. En omdat volgens Aristoteles het mogelijke altijd in heden, verleden of toekomst werkelijk wordt, volgt hieruit dat het tegendeel van al het bestaande eveneens bestaat. Wederom sluit dit het bestaan van algemeen geldige eigenschappen uit.

Daarnaast stelt filosoof en redenaar Cicero in zijn Over de goden het volgende: "We moeten begrijpen dat de natuur zo in elkaar zit dat alles zijn tegendeel heeft. Dit noemt Epicurus isonomia: een gelijke verspreiding." (pp. 38-9) En even verderop schrijft Cicero: "Dan neem je je toevlucht tot die gelijkspreiding oftewel isonomia. Aangezien er sterfelijkheid bestaat, zo zeg je, moet er ook onsterfelijkheid bestaan." (p. 60) Zowel Cicero als Epicurus accepteren dus het beginsel dat er geen universele eigenschappen zijn.

Vele eeuwen later onderschrijft ook Spinoza dit principe. In een brief aan zijn vriend Jarig Jelles op 2 juni 1674 stelt Spinoza namelijk het volgende: determinatio negatio est. Determinatie is negatie. Bestaan, gedetermineerd zijn, existeren is negeren. Om te bestaan is het noodzakelijk dat ook zijn of haar tegendeel bestaat. Tegendelen zijn onvermijdelijk. En dus zijn er geen algemeen geldige eigenschappen. Spinoza's dictum is een voorafschaduwing van de latere Hegeliaanse dialectiek, waarbij de werkelijkheid zich noodzakelijk ontvouwt volgens tegendelen. Elk zijnde slaat in de ontwikkeling van de werkelijkheid steeds weer om in zijn of haar tegendeel. Er bestaan volgens Hegel dus evenmin universele eigenschappen.

De conclusie van mijn semantisch argument wordt dan ook door de eeuwen heen door meerdere sterk van elkaar verschillende filosofen aanvaard. Dit gegeven is niet onbelangrijk. Blijkbaar hebben we hier inderdaad een fundamenteel principe te pakken dat aansluit bij ons diepste denken over de werkelijkheid. Het doet ons in elk geval vermoeden met een adequaat principe te maken te hebben. Het fundamentele principe dat er geen universele eigenschappen zijn kunnen wij los van mijn semantisch argument inderdaad ook reeds rechtstreeks vanuit mijn wereld-voor-ons kennisleer in het vizier krijgen. In wat volgt zal ik dit nader toelichten.

Uitgaande van de wereld-voor-ons kennisleer moeten we zeggen dat er sprake is van een hechte parallellie tussen denken en zijn. Want het zijn is immers het zijn-voor-ons en dat is uiteraard gelijkvormig met ons denken. Het zijn zoals wij dat ervaren en denken is logischerwijs isomorf met precies ons denken. De gelijkvormigheid van denken en zijn volgt dus rechtstreeks uit mijn wereld-voor-ons kennisleer. De wereld zoals wij deze denken en ervaren is het subject van al onze predicaties. Zodra wij ons realiseren dat de-wereld-voor-ons het allesomvattende onoverschreidbare is waarin wij als mens altijd al geworpen zijn, en beseffen dat we het steeds hebben over de wereld zoals zij voor ons is, kunnen we niet anders dan concluderen dat er in de-wereld-voor-ons sprake moet zijn van een innige intimiteit tussen zijn en denken. Binnen de-wereld-voor-ons is de conceptuele orde oftewel de ordo cognoscendi gelijkvormig aan de zijnsorde oftewel de orde essendi. Beide orden weerspiegelen elkaar. Het veronderstellen van een hechte parallellie tussen denken en zijn is dan ook inderdaad gelegitimeerd op grond van mijn wereld-voor-ons kennisleer.

Gegeven deze parallellie impliceert elk contrast in het denken een contrast in het zijn. Contrasten in de conceptuele orde hebben een evenknie in de zijnsorde. Als een concept een instantie heeft in de zijnsorde, dan is er dus ook een instantie in de zijnsorde van de negatie van dat concept. Zo is er bijvoorbeeld iets onvergankelijks, omdat er vergankelijke dingen zijn. We komen uitgaande van mijn wereld-voor-ons-kenniskeer dus inderdaad uit bij het principe dat er geen universele eigenschappen zijn. We lijken met een waarachtig fundamenteel principe te maken te hebben.

Mijn semantisch argument is er een aanvullend krachtig en interessant wijsgerig argument voor. Het bestaat uit drie premissen die ik hier niet zal introduceren. Twee ervan ontleen ik aan de structuur van de taal. Het argument is dan ook inderdaad een taalmetafysisch argument. En hiermee is niets mis. Volgens mijn wereld-voor-ons kennisleer geeft taalanalyse ons immers inzicht in de aard van de wereld. De wereld zoals wij deze ervaren en denken is ten diepste betrokken op taal.

Maar het argument grondt niet in taalanalyse alleen. Het combineert inzichten uit twee wijsgerige domeinen die tot op de dag van vandaag veelal strikt van elkaar gescheiden zijn en zelden echt iets met elkaar te maken lijken te willen hebben, namelijk taalfilosofie en metafysica. Dat ik uitgerekend deze twee domeinen combineer om tot metafysische uitspraken over de structuur van de werkelijkheid te komen maakt het semantisch argument tot een exemplarisch voorbeeld van eigentijdse filosofie. Het is filosofie van de 21ste eeuw omdat het berust op een echt hedendaagse wereld-voor-ons-taalmetafysica. Daarmee kunnen we naast het inzicht dat er geen universele eigenschappen zijn nog meer interessante fundamentele kenmerken van onze wereld ontsluiten. Kenmerken bovendien die tot voor kort buiten ons argumentatieve bereik vielen. Zo opent zich een vruchtbaar nieuw taalmetafysisch onderzoeksterrein.

Dat de werkelijkheid zodanig is dat er geen universele eigenschappen zijn heeft overigens vergaande implicaties. Het zijn is blijkbaar zodanig dat het zich door geen enkel "Alles is dit"- of "Alles is dat"-keurslijf laat knechten. Het zijn is anders gezegd radicaal vrij. Nu is radicale vrijheid redelijkerwijs gegrond in subjectiviteit. Vrijheid is een categorie van de geest. De grond van het zijn lijkt dus een bewust en vrij wezen te zijn. En een bewust vrij wezen dat geldt als de grond van het zijn is door de eeuwen heen door de traditie aangeduid met de naam 'God'. De geest is vrij. Ze weerstaat elke beknellende poging om haar tot een rigide formalisme te reduceren. Als het zijn ten diepste geestelijk is, dan laat het zich dus evenmin in een keurslijf dwingen. Maar dan zijn er geen universele eigenschappen, wat inderdaad precies de conclusie is van mijn semantisch argument.

Interesse gewekt? In o.a. mijn boek Het Retorische Weten introduceer ik de premissen van het argument en laat ik zien hoe de afleiding van de conclusie ervan in zijn werk gaat.

zaterdag 15 augustus 2020

Fortitudo

"Over de fortitudo kan ik kort zijn. De traditionele vertaling van het begrip als 'moed' is onjuist. Ze ziet een deel van de betekenis aan voor het geheel. Fortitudo is de kracht van de geest of ziel, die de mens in staat stelt ten behoeve van het Goede dat de redelijke wil op het oog heeft, alle mogelijke smarten - zorgen, angsten, aversies - het hoofd te bieden en op de koop toe te nemen. De moed is daarvan één verschijningsvorm. De archetypische moed - ook voor Aquino - is de moed op het slagveld, die het trotseren van doodsangst vereist. Maar er zijn allerlei omstandigheden die moed vereisen. Er is al moed voor nodig om een afwijkende mening te uiten. Dat is in zekere zin al een vorm van martelaarschap, door Aquino omschreven als 'ferm staan voor waarheid en rechtvaardigheid tegen vervolging in' en door hem gezien als hoogste vorm van moed." (Andreas Kinneging, De onzichtbare maat, Prometheus Amsterdam, 2020, p. 529)

zaterdag 25 juli 2020

Nietzsche over geweld en uitbuiting

Dat we Nietzsche nu ook weer niet te veel moeten "romantiseren" laat onder andere deze passage uit Voorbij goed en kwaad goed zien: "Zich over en weer onthouden van verwonding, geweld, uitbuiting, zijn wil gelijkstellen aan die van een ander: dat kan in zekere zin tussen individuen tot een goede gewoonte worden. [...] Zo gauw men echter dit principe breder nemen zou en zo mogelijk zelfs als grondbeginsel van de samenleving, zou het zich meteen tonen als dat wat het is: als wil het leven te ontkennen, als ontbindings- en vervalsprincipe. [...] Het leven zelf is wezenlijk toe-eigening, verwonding, overweldiging van het vreemde en zwakkere, onderdrukking, hardheid, het opleggen van de eigen vormen, inlijving en minstens, minstens uitbuiting."

dinsdag 21 juli 2020

Prison break? In Defense of Correlationism

Recently I’ve enhanced my paper on Meillassoux’s arguments in After Finitude against correlationism. The new version of my paper can be found here on my website.

zaterdag 18 juli 2020

Niet Plato’s Gorgias

Waarom Gorgias misschien wel de meest onderschatte wijsgeer is uit de geschiedenis van de westerse wijsbegeerte? Op grond van wat ons is overgeleverd kunnen we met enig vertrouwen zeggen dat hij in zijn jonge jaren als natuurfilosoof onder zijn streekgenoot Empedocles een optica en een warmteleer ontwikkelde en andere natuurfilosofische bijdragen leverde, daarna als filosoof de vermorzelaar werd van de toonaangevende Eleatische zijnsleer van zijn tijd waarin bijna alle destijds bekende natuurfilosofie gegrond was, vervolgens een geheel nieuwe anti-Eleatische waarheidsleer en bijbehorende werkelijkheidsconceptie ontwikkelde waarmee hij de voorloper werd van het (academisch) scepticisme, Kants kennisleer, de latere “linguistic turn” en het sociaal-constructivisme, de waarschijnlijkheidsredenering grondveste, de eigenlijke stichter was van de retorica als technisch leervak, op afstand een van de beste oratoren aller tijden werd in alle genres van de welsprekendheid, een ongekend succesvolle docent in de woord- en redenaarskunst was, een briljante ambassadeur werd voor zijn geboortestad Leontinie en voor de eenheid van de gehele Griekse wereld als zodanig, een aanzet gaf tot zowel een nieuwe kunsttheorie als een nieuwe taalfilosofie, een oorspronkelijke literaire stijl ontwikkelde, een aanvullend literair genre schiep en de vader was van het Griekse proza. Zo was hij. Gorgias. Mogelijk de grootste van allemaal. Zo werd hij uitgewist en versmaad door de traditie.

maandag 13 juli 2020

Onvrede met het nieuws? Over wereldbeelden en nepnieuws

Nieuwsmedia worden in toenemende mate geconfronteerd met onbegrip. Er is vaak kritiek op de veronderstelde eenzijdigheid van het nieuws. Ook ligt tegenwoordig regelmatig de vermeende onverantwoordelijke werkwijze van journalisten onder vuur. Waar komt deze onvrede vandaan?

Een mogelijk antwoord is dat de alsmaar groeiende stroom nieuwsberichten door steeds meer nieuwsconsumenten als bedreigend voor hun wereldbeeld wordt ervaren.

Wereldbeelden spelen inderdaad een belangrijke rol in het voortbrengen en consumeren van nieuwsberichten. Zo zijn de wereldbeelden van nieuwsproducenten van invloed op de manier waarop zij bronnen selecteren en informatie verwerken. Daarnaast zijn wereldbeelden bepalend voor de wijze waarop mensen nieuws ontvangen en verwerken. Nieuwsberichten zijn dan ook in belangrijke mate wereldbeeldgeladen.

Wereldbeelden en wereldbeeldgeladenheid

Een wereldbeeld is een totaalkader voor het interpreteren van de werkelijkheid. Ieder van ons is om met Heidegger te spreken in de wereld geworpen. We proberen vanuit deze toestand houvast te vinden. Dit doen wij door ons te oriënteren. Daarvoor omarmen wij een zinperspectief van waaruit wij onszelf, de ander en de wereld om ons heen begrijpen. Dit zinperspectief is een wereldbeeld.

Een wereldbeeld bestaat uit (i) een opvatting over de globale structuur van de wereld, (ii) een normatieve visie op wat “het goede leven” is en welke waarden in dit leven belangrijk zijn, en (iii) een gemoedsstemming met betrekking tot hoe wij gevoelsmatig in wereld staan.

Deze drie dimensies komen niet toevallig overeen met de drie belangrijke aspecten van het mens-zijn waarover Aristoteles in zijn Retorica spreekt: logos, ethos en pathos. Een wereldbeeld is een existentieel geheel van deze drie tegelijk.

Een nieuwsbericht is wereldbeeldgeladen indien het wereldbeeld van de nieuwsproducent geheel of gedeeltelijk bepalend is voor de vorm of inhoud ervan. De vorm of inhoud van het nieuwsbericht zou dus significant anders geweest zijn indien de producent een ander wereldbeeld gehad zou hebben.

Van wetenschapsfilosofie naar nieuwsfilosofie

In de wetenschapsfilosofie wordt veel nagedacht over wereldbeeldgeladenheid. Daarbij gaat het vooral om de vraag in hoeverre wetenschappelijke resultaten – zoals uitkomsten van experimenten, interpretaties van deze uitkomsten en ontwikkelde theorieën – wereldbeeldgeladen zijn. Een groot aantal methoden en begrippen die wetenschapsfilosofen hanteren om deze vraag te beantwoorden kunnen ook heel goed worden ingezet om te bepalen in hoeverre het nieuws wereldbeeldgeladen is.

Zo is het in de wetenschapsfilosofie gebruikelijk om onderscheid te maken tussen enerzijds de vraag naar de mate waarin wetenschappelijke resultaten wereldbeeldgeladen zijn en anderzijds de vraag naar de mate waarin wetenschappelijke resultaten die niet wereldbeeldgeladen zijn een gegeven wereldbeeld waarschijnlijker waar oftewel plausibeler maken.

Het gaat hier om verschillende zaken omdat uiteraard alléén wetenschappelijke resultaten die niet wereldbeeldgeladen zijn een bepaald wereldbeeld plausibeler kunnen maken. Een wereldbeeldgeladen resultaat maakt het wereldbeeld in kwestie immers niet waarschijnlijker. Want in de totstandkoming van dat resultaat was dat wereldbeeld al voorondersteld.

Een soortgelijk onderscheid is ook van belang voor nieuwsproductie. Een nieuwsbericht kan namelijk op twee manieren een wereldbeeld 'communiceren.' Het bericht kan zelf wereldbeeldgeladen zijn of dat juist niet zijn maar wel een bepaald wereldbeeld waarschijnlijker maken.

Nieuwsberichten die wereldbeeldgeladen zijn roepen mogelijk een ander soort reactie op bij nieuwsconsumenten dan nieuwsberichten die dat niet zijn maar wel een specifiek wereldbeeld plausibeler maken. Interessant is te onderzoeken in hoeverre dit inderdaad het geval is, en zo ja, waaruit dit verschil precies bestaat en welke verschillende effecten het heeft op het oordeel en het gedrag van nieuwsconsumenten.

Wereldbeelden van wetenschappers kunnen daarnaast van grote invloed zijn op welke vraagstukken volgens hen interessant en belangrijk genoeg zijn om te onderzoeken. Dit vinden we ook terug in de sfeer van het nieuws. Wereldbeelden hebben namelijk niet alleen invloed op de inhoud en vorm van het nieuws maar ook op welke gebeurtenissen überhaupt als nieuws gebracht worden.

Welke gebeurtenissen worden genegeerd en welke juist niet? En wat wordt in het nieuwsbericht vervolgens onthuld en wat juist verhuld? Ook deze vragen spelen zowel in de wetenschap als in de nieuwswereld een rol.

Nepnieuws: slechte retorica, ontregeling en “traffic”

De genoemde onvrede met nieuwsmedia wordt ook zichtbaar in de hedendaagse tendens om nieuws steeds luidruchtiger te diskwalificeren als “nepnieuws.” Er is een “nieuw normaal” aan het ontstaan waarbij het belang van stemmingen, gevoelens en het hebben van een al dan niet aansprekende persoonlijkheid groter begint te worden dan dat van objectieve argumentatie en controleerbare feiten.

Dit betekent dat we langzamerhand helaas weer een terugkeer zien van “slechte” retorica. Slechte retorica is in tegenstelling tot “goede” retorica uitsluitend gericht op overreding. Daarbij doet het er niet toe of datgene waarvan het publiek overtuigd moet worden waar is of niet.

Een terugkeer van slechte retorica is al zorgwekkend genoeg. Maar in feite is de situatie nog een stuk zorgwekkender dan dat. Slechte retorica is weliswaar niet op waarheid gericht, maar het heeft nog altijd als doel om te overtuigen.

Het probleem van het hedendaagse nepnieuws is echter dat veel producenten ervan niet alleen niet in feiten geïnteresseerd zijn, maar zelfs niet eens meer willen overreden. Men wil vaak alleen nog maar ontregelen en destabiliseren. Of, nog banaler, men wil zoveel mogelijk “likes” en “traffic” genereren voor zo hoog mogelijke advertentie-inkomsten.

Dit betekent dat we steeds vaker geconfronteerd worden met ogenschijnlijke nieuwsberichten die in feite niet eens meer als bevooroordeeld nieuws bedoeld zijn, laat staan als onbevooroordeeld nieuws. Dit soort nepnieuws is dus zelfs niet meer bedoeld als propaganda.

Het doel is slechts nog de nieuwsvoorziening te ontregelen of op een gewetenloze manier erop te parasiteren om zo zoveel mogelijk geld te verdienen aan “ads”. Men wil dus niet eens meer overtuigen. Nepnieuws voor doelen als propaganda, ontregeling of “traffic” leidt tot wantrouwen en zo tot onvrede met het nieuws.

Hoe verhouden beide antwoorden zich tot andere verklaringen voor het hedendaagse onbehagen met het nieuws? Dit is een belangrijke vraag. In de onderzoeksgroep Het Publieke weten werk ik als filosoof samen met zowel bestuurskundigen als nieuwsproducenten aan de beantwoording ervan.

Deze bijdrage verscheen eerder op Bij Nader Inzien.

dinsdag 23 juni 2020

Het morele als teken van het heilige

Er is een harde natuurlijke orde die onze wereld doorkruist. Elk mens bezet in deze meedogenloze orde een bepaalde plaats die word bepaald door zijn geestelijke en lichamelijke eigenschappen. Ontkennen dat zo'n ordening bestaat is zinloos. We worden er dagelijks mee geconfronteerd.

Het is de natuur zelf die ieder van ons in deze hiërarchie plaatst. We worden allemaal genadeloos ten opzichte van elkaar gerangschikt. Ieder mens verschilt van ieder ander. Is hiermee het laatste woord gezegd? Nee. Door het openen van een transcendent perspectief kan ingezien worden dat mensen ondanks hun grote verschillen toch gelijkwaardig zijn. Deze gelijkwaardigheid heeft een bovennatuurlijke oorsprong omdat de natuurlijke orde haar niet impliceert. Op grond waarvan zouden we vanuit een louter natuurlijk perspectief immers kunnen vaststellen dat onderling sterk verschillende mensen desondanks gelijkwaardig zijn? Waar komt deze gelijkwaardigheid vandaan?

Wie slechts uitgaat van de onverbiddelijke natuurlijke orde heeft niets om deze gelijkwaardigheid in te funderen. Spreken over gelijkwaardigheid veronderstelt daarom een transcendente betekenis op grond waarvan wij gelijkwaardig zijn. Spreken over menselijke gelijkwaardigheid is daarom altijd al een spreken vanuit een overstijgend sacraal perspectief. Het is meer precies een spreken vanuit een spiritueel of goddelijk perspectief. Alleen vanuit een goddelijk perspectief kan gelijkwaardigheid als een extra ultieme maat over de natuurlijke orde gelegd worden. Onze diepste morele intuïties, zoals dat mensen gelijkwaardig zijn, wijzen dus op een bovennatuurlijke goddelijke grond van het morele.

We worden ook op dit spoor gezet zodra wij ons afvragen wat morele ervaringen kenmerkt. Morele ervaringen zijn ervaringen van zin. En een zinervaring verwijst altijd al naar een veel ruimer verband waarbinnen die ervaring pas zinvol kan zijn. Alleen vanuit een geheel dat ons als mens omvat kunnen wij komen tot de ervaring van zin. De mens produceert zelf dan ook geen zin. Eerder ontdekken wij zin. De zin die wij vinden is gelegen buiten onszelf. Zin wordt door ons steeds ontsloten. Wij stuiten op zin in onze betekenisvolle omgang met de wereld, en niet als de ultieme scheppers ervan.

Het morele wordt dus niet door de mens gesticht. Wij vinden zin en betekenis in wat ons verbindt met een ons overstijgend geheel. Maar dan moet er een transcendente orde zijn die de samenhang grondt waarbinnen onze zoektocht naar zin pas betekenis krijgt. Er is een bovennatuurlijke morele horizon buiten ons waarin de normen die wij in ons geweten aantreffen uiteindelijk gegrond zijn. Ons leven krijgt zin door het te verbinden met deze bovenindividuele morele orde die onszelf als mens overstijgt. Alleen zo kunnen wij tot zinvolle zelfrealisatie komen.

Dit transcendente perspectief komt ook in beeld zodra wij ons realiseren dat de wereld ondanks al het lijden vol blijkt te zijn van genadevolle structuren. Zo dicht Hölderlin: “Waar het gevaar groeit, groeit ook het reddende.” Of neem het gezegde “Ook dit is van voorbijgaande aard” dat ons eraan herinnert dat elk leed uiteindelijk voorbij gaat. En door onze aardse sterfelijkheid kan een absoluut lijden in deze wereld nooit manifest worden. Geen mens kan hier op aarde immers in een toestand van eeuwig lijden worden gebracht. Onze aardse sterfelijkheid behoedt ons en daarin ligt een grote troost en gemoedsrust besloten. Bovendien blijft in bijna alle ellendige situaties beperkt geluk nog altijd bereikbaar. Wie leeft vanuit het besef dat alles voorbij is, kan juist in kleine voorvallen geluk ervaren en zelfs kortstondig gelukkig zijn. Zo is het ook genadevol dat humor lijden kan verlichten.

Het gegeven dat ernstigere gevolgen meestal moeilijker realiseerbare oorzaken vereisen is ook een genadevolle structuur. Eveneens kan elk mens er altijd voor kiezen existentiële rust te vinden in het ondergaan van een gerechtvaardigde straf voor gedaan onrecht. Ook gaan er altijd wel weer deuren open waar deuren gesloten worden. Er is altijd weer een nieuw begin. Nieuwe onschuld. Genadevol is ook dat hoop als laatste sterft en doet leven en dat er meestal lotgenoten zijn waarmee leed kan worden gedeeld. Lijden kan bovendien leiden tot morele en spirituele groei van onze ziel en zo zelfs een weg zijn naar het goede. Tot slot zou ik de mogelijkheid om in deze wereld het hogere of heilige te kunnen ervaren – juist ook in onze morele ervaring – een genadevolle structuur willen noemen.