vrijdag 12 oktober 2018

Het Retorische Weten II

Vanmiddag op een zonnig terras in de binnenstad van Amsterdam een mooi gesprek gehad met mijn uitgever Leesmagazijn. In juni 2019 verschijnt Het Retorische Weten II. Hierin worden mijn overige belangrijkste essays opgenomen - inclusief enkele zeer recente. Dit tweede en tevens laatste deel van Het Retorische Weten maakt het tot een uniek tweeluik.

woensdag 10 oktober 2018

Masterclass over Agambens denken over avontuur

Hoe avontuurlijk is jouw leven? En moet het avontuurlijk zijn? Ieder van ons heeft wel een bepaald beeld bij avontuur. Een avontuur is iets dat ons overvalt en waarin we meegenomen worden. We gaan erin op en worden als het ware door het avontuur gedragen. Het avontuur is grillig en toevallig. Het bestaat uit omzwervingen en omwegen. Maar welke rol speelt avontuur eigenlijk in ons leven? Deze en andere vragen komen aan bod in een nieuwe masterclass voor loz.nu die ik binnenkort zal geven over Giorgio Agambens denken over avontuur.

We bekijken gezamelijk hoe er in vroege tijden tegen het avontuur van ridders en andere helden werd aangekeken en hoe wij tegenwoordig in onze moderne hedendaagse samenleving omgaan met Vrouwe Aventura. Wat is een avontuur eigenlijk? Welke rol speelt de verteller en welke de held? Is avontuur onvermijdelijk een deel van ons leven? Of is wellicht het hele leven zelf als een avontuur te beleven? Is ons leven maakbaar? Dienen we anders gezegd ons leven als een kunstwerk te scheppen of moeten we ook oog hebben voor zaken die ons van buiten overvallen en waarop we geen invloed hebben? Wat is anders gezegd de rol van toeval, noodzaak en voorzienigheid in ons leven? Hebben we uberhaupt wel genoeg aandacht aan wat men vroeger Fatum of noodlot noemde?

Meer weten? Zie hier voor meer informatie.

zondag 7 oktober 2018

Hebben of zijn concepten intensies?

Men spreekt voortdurend over de intensie (inhoud, betekenis) van een concept en suggereert daarmee dat een concept een intensie heeft. Zo zeggen we dat het concept ‘huis’ een bepaalde intensie heeft of dat het concept ‘vrijgezel’ een bepaalde intensie heeft. Maar waarom zeggen we niet gewoon dat concepten intensies zijn? Als verklaring hiervoor zou ingebracht kunnen worden dat concepten door de tijd heen kunnen veranderen door het verkrijgen van een andere intensie. Dit is echter onmogelijk indien concepten intensies zijn. Want in dat geval zou een andere intensie neerkomen op een ander concept. Er zou dan geen sprake zijn van een verandering van een en hetzelfde concept.

Deze verklaring lijkt op het eerste gezicht misschien plausibel. Toch gaat het hier om een problematische verklaring. Hoe kan een en hetzelfde concept een andere intensie verkrijgen terwijl het toch over hetzelfde concept blijft gaan? Dit kan alleen als er iets in het concept is dat door de verandering van het concept heen hetzelfde blijft. Zoiets constants in het concept moet er zijn omdat we anders niet zouden kunnen spreken over de verandering van een en hetzelfde concept. Dát wat in het concept constant blijft kan uiteraard niet de intensie van het concept zijn. Het concept verkrijgt immers een andere intensie. Maar wat is het dan in het concept dat tijdens de verandering van het concept constant blijft en er dus voor zorgt dat wij nog steeds over hetzelfde concept kunnen spreken nadat het een andere intensie verkregen heeft? Wat is met andere woorden datgene in het concept dat tijdens de verandering ervan gelijk blijft en dus zorgt voor de identiteit van het concept door de tijd heen? Hiervoor lijkt geen redelijke kandidaat te zijn.* Dit maakt genoemde verklaring diep mysterieus en dus problematisch. Het lijkt daarom beter eenvoudigweg te stellen dat concepten intensies zijn.

Door dit te doen worden concepten hardhandig gereduceerd tot intensies oftewel betekenissen. Concepten vallen restloos met betekenissen samen. Het zijn niets meer of minder dan betekenissen. Toch is met bovenstaande eveneens de deur opengezet voor de gedachte dat concepten op mysterieuze wijze wel eens "meer" zouden kunnen zijn dan betekenissen. Wellicht zit er toch iets "in" concepten dat boven de betekenissen uitstijgt. Maar wat kan dit mysterieuze "meer" dan zijn? Zijn betekenissen immers niet alles wat er over concepten qua concepten te vertellen valt?

Misschien niet. Misschien hebben concepten toch iets wat we heel voorzichtig zouden kunnen aanduiden als "een ziel". De ziel van een concept is dan datgene wat de verschillende betekenissen van een concept door de tijd heen vasthoudt en ze allemaal betekenissen van een en hetzelfde concept laat zijn. Kortom, misschien moeten we voor concepten hetzelfde doen als Aristoteles eerder deed voor tafels en stoelen en andere concreet zintuiglijk waarneembare substanties. Misschien moeten we een onderscheid gaan maken tussen de vorm en de materie van een concept. De materie van een concept is dan de betekenis van het concept. Deze materie is door de tijd heen niet constant. Een concept kan materie oftewel betekenissen winnen en verliezen zonder dat het ophoudt te bestaan. De vorm of ziel van een concept is dan datgene wat dit laatste mogelijk maakt. De ziel van een concept is wezensbepalend voor de identiteit ervan. Het is anders gezegd verantwoordelijk voor de identiteit van het concept door de tijd heen. Al met al lijkt zo een Aristotelisch hylemorfisme voor concepten alsnog een alternatief te zijn voor eerdergenoemde al te harde restloze reductie van concepten naar betekenissen.

*) In elk geval is de naam van het concept geen geschikte kandidaat. Een andere naam levert immers niet direct ook een ander concept op. Het concept 'house' is niet een ander concept dan het concept 'huis' of 'haus'. Evenmin is het concept 'vrijgezel' een ander concept dan 'alleengaande'. Dus waarom zou de naam van een concept wezenlijk zijn voor de identiteit ervan? De naam van een concept is niet wezensbepalend. Niet voor niets kan een en hetzelfde concept meerdere namen hebben (synoniemen) en kunnen twee heel verschillende concepten dezelfde naam hebben (homoniemen).

woensdag 3 oktober 2018

Reacties

Dankzij een email van een van mijn bloglezers kwam ik er zojuist achter dat sinds lange tijd reacties niet op mijn blog geplaatst zijn omdat de optie reacties modereren actief was. Inmiddels heb ik mijn instellingen zodanig gewijzigd dat reacties weer direct op mijn blog zichtbaar worden.

zaterdag 22 september 2018

Kairotische tijd

Henri Bergson maakt de stap van een ruimtelijk model van tijd oftewel de klokkentijd (temp) naar een tijdelijk model van tijd oftewel duur (duree). De langs een rechte lijn gedachte puntsgewijze ruimtelijke tijd van chronos staat anders gezegd tegenover de niet-ruimtelijke kwalitatief betekenisvolle tijd van kairos. Toch kan het verschil tussen beiden alléén met een ruimtelijk beeld geduid worden. De klokkentijd van chronos heeft betrekking op extern gerichte vervreemdende ahistorische beleving terwijl de kairotische tijd staat voor de innerlijke verstilde historische ervaring.

donderdag 20 september 2018

Arguing for and against God's existence: Course schedule and literature

Within a month I will start to lecture a new master course at VU University. The course is entitled Arguing for and against God's existence and it is part of the new master Philosophy and Religion. The schedule of the course and the corresponding course literature are as shown below. I'm definitely looking forward to it.

Tuesday 30 October
The cosmological argument: two traditional paradigmatic forms
- Rutten (2012). A Critical Assessment of Contemporary Cosmological Arguments. Towards a Renewed Case for Theism, chapter I & II.

Friday 2 November
Koons' cosmological argument (and objections)
- Idem., chapter III.

Tuesday 6 November
Gale and Pruss' cosmological argument (and objections)
- Idem., chapter IV.

Friday 9 November
On Philipse’s Attempt to Write Off All Deductive Cosmological Arguments
- Philipse (2012). God in the Age of Science? A Critique of Religious Reason (OUP), chapter 12.
- Rutten (2013). On Philipse’s Attempt to Write Off All Deductive Cosmological Arguments. Philo 16(1).

Tuesday 13 November
The argument from atomism and causalism (and objections)
- Rutten (2012). A Critical Assessment of Contemporary Cosmological Arguments. Towards a Renewed Case for Theism, chapter VI & VII.

Friday 16 November
Anselm's and Alvin Plantinga's ontological argument (and objections)
- Blackwell Companion to Natural Theology, edited by W. L. Craig and J. P. Moreland, 2009, chapter 10 (pages to be decided).

Tuesday 20 November
Alexander Pruss' ontological argument (and objections)
- Pruss (2009). A Godelian ontological argument improved. Religious Studies, 45, pp. 347–353.
- Pruss, A. (2012). A Godelian ontological argument improved even more. In Miroslaw Szatkowski (ed.), Ontological Proofs Today. Ontos Verlag.

Friday 23 November
The modal-epistemic argument (and objections)
- Rutten (2014). A modal-epistemic argument for the existence of God. Faith and Philosophy, 31(4), 386–400.

Tuesday 27 November
Stefan Wintein's critique of the modal-epistemic argument (and rebuttals)
- Wintein (2018). The modal-epistemic argument for the existence of God is flawed. International Journal for Philosophy of Religion.

Friday 30 November
The teleological or fine-tuning argument (and objections)
- Blackwell Companion to Natural Theology, edited by W. L. Craig and J. P. Moreland, 2009, chapter 4 (pages to be decided).

Tuesday 4 December
The moral argument (and objections)
- Idem., chapter 7 (pages to be decided).

Friday 11 December
The semantic argument (and objections)
- Rutten (2015). Positive Universally Held Properties Are Necessarily Universally Held.

Course literature
1. The Blackwell Companion to Natural Theology, edited by W. L. Craig and J. P. Moreland, 2009.
2. Pruss, A. (2009). A Godelian ontological argument improved. Religious Studies, 45, pp. 347–353.
3. Pruss, A. (2012). A Godelian ontological argument improved even more. In Miroslaw Szatkowski (ed.), Ontological Proofs Today. Ontos Verlag: http://www.alexanderpruss.com/papers/Goedelian2.pdf (Links to an external site.)Links to an external site..
4. Rutten, E. (2012). A Critical Assessment of Contemporary Cosmological Arguments. Towards a Renewed Case for Theism: gjerutten.nl.
5. Philipse, H. (2012). God in the Age of Science? A Critique of Religious Reason (Oxford: Oxford University Press).
6. Rutten, E (2013). On Philipse’s Attempt to Write Off All Deductive Cosmological Arguments. Philo 16(1): gjerutten.nl.
7. Rutten, E. (2014). A modal-epistemic argument for the existence of God. Faith and Philosophy, 31(4), 386–400.
8. Stefan, W. (2018). The modal-epistemic argument for the existence of God is flawed. International Journal for Philosophy of Religion: https://doi.org/10.1007/s11153-018-9664-3 (Links to an external site.)Links to an external site.

zondag 16 september 2018

De misvatting van Latour

In Science in Action uit 1987 redeneert Latour voor wat betreft zijn wetenschapsfilosofie ongeveer als volgt. Omdat wetenschappers niet van de samenleving gescheiden zijn, omdat wetenschappers artikelen schrijven en laboratoria inrichten om experimenten te doen, omdat ze gegevens verzamelen in centres of accumulation en ze vervolgens bewerken in centres of calculation, omdat wetenschappers elkaar proberen te overtuigen en medestanders zoeken, omdat ze collectief meningsverschillen beslechten om tot algemeen aanvaarde theorieën te komen over de natuur, en omdat ze met deze theorieën situaties weten te controleren en beheersen, volgt volgens Latour dat de natuur een wetenschappelijke constructie is oftewel dat de natuur de uitkomst is van collectieve wetenschappelijke actie. Ze is niet vooraf gegeven om ontdekt te worden.

Deze redenering is echter niet houdbaar. In een mogelijke wereld waarin wetenschappers wel degelijk de waarheid ontdekken in plaats van construeren kan immers ook heel goed sprake zijn van alle hierboven door Latour genoemde antropologische kenmerken. Latour kan dus niet de stap maken van het antropologisch constateren van genoemde kenmerken naar de stelling dat de wetenschap de natuur construeert.

Hoe kunnen wij begrijpen dat Latour toch die illegitieme stap maakt? Het sleutelwoord is hier retorica. Latour ziet scherp dat wetenschap een inherent retorische praktijk is. Maar wat hij daarentegen niet ziet is dat retorica en waarheidsvinding elkaar niet noodzakelijk uitsluiten. Retorische praktijken resulteren helemaal niet onvermijdelijk in waarheidsconstructie. Latour maakt dan ook dezelfde denkfout als Socrates in de Gorgias, namelijk denken dat retorica noodzakelijk waarheidsconstructivistisch is. Plato herstelde deze denkfout in de Phaedrus en Aristoteles liet daarna in zijn De Retorica zien dat een op waarheidsvinding in plaats van op waarheidsconstructie gerichte retorica inderdaad prima mogelijk is.* Naast een sofistische retorica gericht op het produceren van waarheid bestaat er anders gezegd ook nog een realistische retorica gericht op het ontdekken van waarheid.

Latours wetenschapsfilosofie is dus gebaseerd op een te beperkt denken over retorica. Naast een waarheidsconstructivistische retorica is ook een retorica gericht op waarheidsvinding mogelijk. Dit laatste doorziet Latour niet. En precies daarom is zijn wetenschapsfilosofie gebaseerd op een misverstand. De kern van de wetenschapsfilosofie van Latour laat zich dan ook door het volgende syllogisme uitdrukken:

1. Wetenschap is een retorische praktijk van het elkaar willen overtuigen en het beslechten van controversen (premisse),
2. In een retorische praktijk worden waarheden geconstrueerd in plaats van ontdekt (premisse),
3. In de wetenschap worden waarheden geconstrueerd in plaats van ontdekt (conclusie).

De eerste premisse is goed verdedigbaar. De tweede premisse is echter onhoudbaar. Retorica kan ook op waarheidsvinding gericht zijn, zoals reeds Aristoteles heeft laten zien. En daarom volgt Latours conclusie niet.

(*) Zie hiertoe Het Retorische Weten op gjerutten.nl of voor een uitgebreidere uiteenzetting het eerste hoofdstuk van mijn boek Het Retorische Weten (Leesmagazijn 2018).