maandag 20 oktober 2014

Towards the meta-epistemic

According to realism there are minds and mind-independent objects. Minds can know these objects. Kantianism also has it that there are minds and mind-independent objects. But these minds cannot know these objects. Idealism asserts that there are only minds. Objects are mind-dependent constructions and known to be such. According to what I call here the epistemic stance there are minds. But we cannot get "outside" our minds. So we do not know whether there are mind-independent objects. And if there are such objects, we do not know whether they are similar to the objects grasped by our minds.

The position I am myself committed to I call here the meta-epistemic stance. According to this view the distinction between "minds" and "mind-independent objects", between the "inside" and the "outside", is itself only justified as a human-relative distinction. The world-in-itself might not even consist of a formal distinction between "minds" and "mind-independent objects". For all we know, the distinction between "inside" and "outside" might not even apply to the-world-in-itself. We will never be able to access the world-in-itself. Absolutely everything we say can only be justified as a claim about the world-for-us. Moreover, even the very distinction between the-world-for-us and the-world-in-itself is merely justified from within the-world-for-us from which we can never escape. I have developed this meta-epistemic stance in detail in various earlier texts.

zaterdag 18 oktober 2014

A puzzle regarding rationality

Consider the following thought experiment. Adam has been in a state of severe anxiety for years now. Recently he obtained overwhelming evidence that he is going to die if he does not get rid of his anxiety. He also has overwhelming evidence that the only way for him to acquire peace of mind is to believe that God does not exist. Now, suppose that Adam has in fact overwhelming evidence for God's existence. In an ultimate attempt to save his life he nevertheless starts to try to force himself psychologically to believe - contrary to the evidence - that God does not exist. After two weeks he finds himself in a state of believing that God does not exist. As a result he obtains the desired peace of mind and thus loses his anxiety. In this way he manages to save his life. Now consider the following question. Is Adam's believe that God does not exist rational?

Note: For the puzzle it doesn't matter if we would have assumed that Adam has overwhelming evidence for God's non-existence and for the fact that the only way for him to acquire peace of mind is to believe God exists.

dinsdag 14 oktober 2014

Een gespletenheid in het zielenleven?

In zijn boek Staat van verwarring: het offer van liefde analyseert Ad Verbrugge de toestand van de mens in onze sterk geïndividualiseerde en gevirtualiseerde consumptiemaatschappij. Hij laat zien dat de hedendaagse Westerse mens verward is en dat deze verwarring teruggaat op een gespletenheid in het zielenleven. De mens is enerzijds een gemeenschapswezen (gericht op philia) en anderzijds een transgressief wezen (gericht op eros). Verbrugge wil de eenheid in het mensenleven herstellen door eros en philia met elkaar te verzoenen. Twee verschillende pogingen tot verzoening lopen in zijn boek echter voortdurend door elkaar heen. Volgens de eerste is transgressie, zelfverlies door grensoverschrijding, cruciaal om de maatschappelijke orde, de sfeer van de philia, te bekrachtigen en vitaliseren. Volgens de tweede vitaliseert eros de orde niet door grensoverschrijdend zelfverlies, maar zorgt zij voor hechte binding door toewijding en vormende discipline. Beide aspecten van eros (transgressie en intensivering) kunnen in één ongedeelde eros samengaan omdat momenten van extatisch zelfverlies door de tijd heen steeds afgewisseld worden door momenten van intensiverende concentratie. Het is deze gedynamiseerde eros die vervolgens door Verbrugge wordt ingebed in een bestendig leven van duurzame relationele liefde. Hoewel op deze manier inderdaad de verwarring in de menselijke ziel overwonnen lijkt te kunnen worden, kan Verbrugge’s helende benadering ook leiden tot een miskenning van juist het negatieve, het atopische, van de eros. Het lijkt er dan ook op dat hij met zijn vereniging van eros en philia uiteindelijk te weinig recht doet aan eros als werkelijk ontregelende negatieve kracht. Waar het negatieve primair wordt begrepen als een weg naar verzoening, waar de ongrijpbare en onvoorspelbare breuk met de harmonische orde uit beeld verdwijnt, lijkt niet werkelijk sprake te zijn van eros.

woensdag 8 oktober 2014

Paradigms of Rationality

As part of the upcoming VU master course Knowledge, Rationality, and Society I shall give four lectures on 'paradigms of rationality'. During these lectures we ask what it means to say that something is reasonable. The aim is to explicate what rationality is and under what conditions something may be considered rational. Different models for understanding the concept of rationality will be distinguished. Examples include formal evidentialism, social evidentialism, and presumptionism. We discuss what consequences these models have for central areas of human life: science, religion and everyday life. Our discussion includes an overview of the accounts of rationality developed by philosophers such as T. Kuhn, A. MacIntyre, D. Z. Phillips, and A. Plantinga, among others. Drop me an email if you are interested in joining (one or more of) these lectures.

Session 1 (25/11): The nature of rationality - Science and Formal Evidentialism
Session 2 (27/11): The Scientific and the Evidentialist Challenge to Religious Belief - The Practice Oriented View of Science
Session 3 (2/12): Social Evidentialism - Social Evidentialism and Religious Belief - Presumptionism
Session 4 (4/12): The Nature and Function of Religious Belief - Religious Rationality

Literature:
- Mikael Stenmark, 'Rationality in Science, Religion and Everyday life' (Indiana: University of Notre Dame Press, 1995)

dinsdag 7 oktober 2014

Interview op NPO2

Onlangs heeft Herman Wegter mij geïnterviewd voor het televisieprogramma 'Geloof op 2' over de relatie tussen geloof en wetenschap. Dit interview vond plaats in een cafe in Oud-West in Amsterdam, vlak bij mijn huis. Ons gesprek wordt op woensdag 29 oktober om 17:05 uitgezonden bij de EO op NPO2.

zondag 5 oktober 2014

Bijdrage RD zaterdag 4 oktober: De God van Abraham, Izak en Jakob of de God van de filosofen?

Na de dood van Blaise Pascal (1623-1662) werd er een opgevouwen perkament gevonden in de voering van zijn jas. Er stond een tekst op die Pascal schreef naar aanleiding van een persoonlijke ervaring: „VUUR. God van Abraham, God van Izaäk, God van Jakob, niet der filosofen en geleerden. Zekerheid. Zekerheid. Gevoel, Vreugde, Vrede. God van Jezus Christus.”
De God van de geleerden heeft niets te maken met de God van de Bijbel, aldus Pascal. Deze opvatting is nog steeds wijd verbreid. Is dat terecht? Is er echt een enorme spanning tussen wat de Bijbel zegt over God en wat de filosofie over Hem vertelt?
In filosofische argumenten voor het bestaan van God wordt God vaak opgevat als een lichaamsloze geest die de eerste oorzaak is van de werkelijkheid. Staat dit op gespannen voet met Bijbels spreken over God? Dit lijkt niet het geval. Juist in Bijbelse verhalen komt God naar voren als een immaterieel wezen dat de ultieme oorsprong is van de hele wereld. Zo zegt Johannes 1:3 dat alles is ontstaan door het Woord van God en dat zonder dit Woord niets buiten God bestaat. Of neem Romeinen 11:36: „Uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen.” En Kolossenzen 1:16 benadrukt nog eens dat met ”alles” ook daadwerkelijk alles wordt bedoeld: alle dingen „die in de hemelen en die op de aarde zijn, die zichtbaar en die onzichtbaar zijn.”

Eeuwig
Nu maken filosofen die reflecteren op het wezen van God vaak gebruik van de gedachte van God als ”perfect being”. Uitgangspunt is dat God datgene is waarboven niets groters gedacht kan worden. God is een maximaal perfect wezen en dus bijvoorbeeld alomtegenwoordig, alwetend en almachtig. Is er dan wellicht een spanning tussen het Bijbels Godsbegrip en dit filosofische denken?
Dit lijkt evenmin het geval. Bijbelverhalen spreken over Gods overtreffende majesteit, verhevenheid en heiligheid. Dat sluit juist goed aan bij het denken over God als maximaal perfect wezen. Bovendien komen we veel van de genoemde perfecties ook tegen in Bijbelteksten. Zo lezen we in Psalm 139 en Jeremia 23 dat God overal aanwezig is. En uit Psalm 139 en het boek Job valt op te maken dat helemaal niemand God iets kan leren. God weet alles wat er te weten valt. Ook wordt God in bijvoorbeeld Genesis, Job, Jeremia en Mattheüs, expliciet ”almachtig” genoemd of wordt gesteld dat niets voor God te moeilijk is – dan wel dat God alles kan doen.
Natuurlijk zijn er ook passages te vinden die hiermee in strijd lijken te zijn. Maar daarmee raken we aan een kernpunt. Bijbelverhalen maken niet altijd duidelijk hoe je bepaalde eigenschappen van God moet opvatten. Zo leert de Bijbel dat God eeuwig is. Maar wat betekent dat precies? Bestaat God in de tijd vanuit een eindeloos verleden naar een eindeloze toekomst? Of wordt bedoeld dat God buiten de tijd staat? En hoe moeten we Gods alomtegenwoordigheid begrijpen? Is God overal in de ruimte aanwezig, of staat God buiten de ruimte? Of neem Gods almacht. Betekent dit dat God bijvoorbeeld een steen kan maken die zo zwaar is dat Hij deze niet kan optillen? En zo ja, leidt dat dan niet tot onaanvaardbare paradoxen?
Dit soort vragen kunnen niet alleen vanuit Bijbelteksten beantwoord worden. Hier kan de filosofie een eigenstandige bijdrage leveren. Door wijsgerige reflectie op genoemde eigenschappen kan het Godsbegrip nader doordacht worden. Op die manier kun je systematiek en samenhang aanbrengen. Neem die steen. Godsdienstfilosofen hebben voorgesteld om almacht te begrijpen als het in staat zijn om al het logisch mogelijke te doen. Gods almacht betekent dan niet dat God ook het logisch onmogelijke kan doen.

Aanvulling
Een ander voorbeeld betreft Gods (on)veranderlijkheid. Het filosofische denken over God als volmaakt wezen leidt volgens sommigen tot de conclusie dat God onveranderlijk is. Hoewel er in de Bijbel passages zijn aan te wijzen waaruit opgemaakt kan worden dat God onveranderlijk is, zijn er ook passages waarin God wel degelijk lijkt te veranderen. Uit het perfect being denken volgt echter niet dat God onveranderlijk is. Zo weet God nu dat er 7,1 miljard mensen op aarde wonen, en over enige tijd 7,2 miljard. Dit soort bijkomstige veranderingen van God doen niets af aan Gods volmaaktheid. Wat wel uit het perfect being denken volgt is dat Gods essentie onveranderlijk is. En dat is niet in tegenspraak met een God die bijkomstige veranderingen kan ondergaan. Bijbel en perfect being denken sluiten dus ook in dit voorbeeld goed op elkaar aan.
Om te komen tot een verantwoord Godsbegrip is er naast het bestuderen van de Bijbel dan ook wel degelijk plaats voor filosofisch nadenken over de aard van God. Beiden vullen elkaar juist goed aan en fungeren onderling als elkaars toetssteen.
Kortom, meerdere wegen leiden naar een weloverwogen begrip van God: niet alleen Bijbelteksten, maar ook filosofische reflectie. Dit hoeft ons niet te verbazen. God schiep de mens immers als een wezen behept met vele verschillende vermogens, waaronder ons kritisch redeneervermogen.
Ook daarin is de mens beeld van God.

Dr. ir. Emanuel Rutten is als onderzoeker verbonden aan het Abraham Kuyper Centrum voor Wetenschap en Religie van de Vrije Universiteit in Amsterdam. Heeft u een vraag voor deze rubriek of wilt u reageren? weerwoord@refdag.nl

zaterdag 4 oktober 2014

Is creatio ex nihilo possible?

How could God have created the world out of nothing? Isn't that metaphysically impossible? Now, surely, ex nihilo nihil fit. From nothing nothing comes. This principle seems to me indisputable. Yet, creatio ex nihilo does not violate it. For God creating the world from nothing isn't the same as the world coming out of nothing. After all, God is the originating cause of the world and God clearly is something instead of nothing. More specifically, the potency to create the world can be understood to reside in Gods power. Nevertheless, one might respond that it is also metaphysically impossible for an agent (even as powerful as God) to create something out of nothing. But is that indeed the case? It might very well be metaphysically impossible for any agent, even God, to create concrete substances, such as planets, trees, animals and humans directly out of nothing. But that is not the way creatio ex nihilo needs to be understood. Here is an alternative picture of creatio ex nihilio that is not only in accord with modern science, but does in fact seem metaphysically possible (or at least less impossible than the first scenario). God created initially no concrete objects. In the beginning God formed abstract objects from his thoughts. Afterwards God reified or hypostatized these thoughts as separately existing abstract objects. These abstracta were subsequently transformed by God into non-substantive concrete particulars (e.g., one or more singularities, space-times having radius zero or virtual particles having mass and charge zero). From these non-substantive particulars, God brought substantive concrete objects into being. These substantive concreta evolved over a long period of time into the world of concrete substances as we know it. This multi-pass picture of creatio ex nihilo might in fact be the only metaphysically possible way to create a world of concrete substances out of nothing. If so, it explains why God created our world via a lenghtly process of evolution from some non-substantive singularity instead of bringing it directly into being out of nothing.