dinsdag 13 november 2018

Gemoedsoverweging

Nu pas, na al die maanden en feitelijk zelfs jaren begrijp ik het. De diepe heroïsche pijn en eenzaamheid die met het dominus zijn gepaard gaat. Hoeder zijn. Uit-staan. Gevend en daarin zelf altijd een onvervulde leegte blijven voelen. Wetend dat het zo moet zijn. Dat dit lotsbeschikking is. Voor altijd.

vrijdag 19 oktober 2018

Een reactie op Matthijs van Nieuwkerk

Gisteren plaatste de EO op hun site een brief aan Matthijs van Nieuwkerk, waarin ze mijn reactie op het gesprek dat hij onlangs in De Wereld Draait Door had met kosmoloog Vincent Icke over het bestaan van God opnamen. Hieronder de volledige versie van die reactie.

Staan de oerknaltheorie en geloof in God haaks op elkaar? Beide staan zeker haaks op elkaar voor iemand die gelooft dat God de aarde in zeven dagen schiep. Want volgens de oerknaltheorie is de aarde 4.6 miljard jaar oud en bovendien geheel langs natuurlijke weg ontstaan.

Het punt is echter dat veel mensen die in het bestaan van God geloven helemaal niet geloven dat de aarde door God is geschapen. Laat staan dat God dat in zeven dagen gedaan zou hebben. En hier is niets mis mee. Je kunt namelijk prima geloven in het bestaan van God en tegelijkertijd geloven dat de aarde 4.6 miljard jaar geleden op geheel natuurlijke wijze ontstond.

Sterker nog, de oerknaltheorie levert juist een belangrijke aanwijzing op voor het bestaan van God. Laat het me kort uitleggen. Als God bestaat dan heeft God in ieder geval het universum geschapen. Dáár gaat het om. En dit sluit goed aan bij de oerknaltheorie. Die theorie vertelt ons immers dat het universum een begin heeft gehad. Het is 13.8 miljard jaar geleden begonnen te bestaan. Het universum is ontstaan en er dus helemaal niet altijd al geweest zoals men voor de ontdekking van de oerknal theorie vaak dacht.

Nu ontstaat niets uit niets. Iets komt altijd voort uit iets. Alles wat begint te bestaan, alles wat ontstaat, moet dus redelijkerwijs een of andere ontstaansoorzaak hebben. Maar dan moet er ook een oorzaak zijn voor het ontstaan van het universum.

Het universum is het geheel van alle materie, alle ruimte en alle tijd. De ontstaansoorzaak van het universum is dus tevens de ontstaansoorzaak van alle materie, alle ruimte en alle tijd. Wat kunnen we zeggen over deze oorzaak? De oorzaak van het universum kan niet materieel zijn. Het is immers de oorzaak van alle materie en niets veroorzaakt zichzelf. Niets veroorzaakt zichzelf omdat je er immers al moet zijn om jezelf te kunnen veroorzaken! Ook kan de oorzaak van het universum niet ruimtelijk zijn. Het is namelijk de oorzaak van alle ruimte en zoals gezegd veroorzaakt niets zichzelf. Om dezelfde reden kan de oorzaak van het universum ook niet in de tijd zijn. De ontstaansoorzaak van het universum is dus immaterieel (niet materieel), buitenruimtelijk (niet in de ruimte) en buitentijdelijk (niet in de tijd).

Meer dan tweeduizend jaar denkgeschiedenis heeft redelijkerwijs twee opties opgeleverd voor iets wat immaterieel, buitenruimtelijk en buitentijdelijk bestaat. Het gaat ofwel om abstracte informatie (zoals bijvoorbeeld getallen) ofwel om een immaterieel bewustzijn. Abstracte informatie kan echter niets veroorzaken. Het getal 4 bijvoorbeeld veroorzaakt niets! Maar dan blijft er redelijkerwijs maar één optie over: De oorzaak van het universum is een immaterieel bewustzijn. Zo komen we redelijkerwijs uit op het bestaan van een immaterieel bewust wezen dat de oorzaak is van het universum.

De oorsprong van het universum is dus géén materie en het is ook géén abstracte informatie. Het is een bewust wezen. Maar dit is precies wat de mensheid door de eeuwen heen God heeft genoemd! De oerknal theorie geeft ons dus inderdaad een prima reden om te denken dat God (opgevat als bewust wezen dat de oorsprong is van het universum) bestaat.

Met de exacte leeftijd van de aarde heeft dit alles dan ook helemaal niets te maken. Het argument dat ik hierboven geef - en dat juist een beroep doet op de oerknaltheorie (!) - maakt het bestaan van God op z’n minst plausibel. Het is dan ook alleszins redelijk om te denken dat God bestaat. Maar het is uiteraard geen onfeilbaar bewijs. Dit is echter geen probleem. Onfeilbare bewijzen vinden we eigenlijk alleen in de wiskunde en niet daarbuiten.

Maar als God bestaat, wie is deze God dan? Zijn er nog meer sporen te vinden die naar deze God verwijzen? Betreft het wellicht de God waarvan het christendom of een van de andere wereldreligies als sinds eeuwen getuigt? Of niet? Dit zijn natuurlijk interessante vervolgvragen. Daarop kan ik op een ander moment wellicht nog eens nader ingaan.

Tot slot nog dit. Tijdens de uitzending werd de terechte vraag van Matthijs naar de oorzaak van het ontstaan van het universum spitsvondig ontweken door op te merken dat er niets vóór de oerknal is geweest omdat de tijd zelf met de oerknal ontstond. Er is toch ook niets ten zuiden van de zuidpool? Natuurlijk is er niets ten zuiden van de zuidpool. En ook was er uiteraard geen tijd vóór de oerknal. De oerknal is immers het begin van de tijd. De tijd ontstond met het universum. Maar dit betekent niet dat het universum geen oorzaak heeft! Voor het bestaan van een oorzaak is het namelijk helemaal niet altijd vereist dat de oorzaak in de tijd aan het gevolg voorafgaat, zoals tijdens de uitzending ten onrechte werd gesuggereerd. Er zijn genoeg voorbeelden van oorzaken en gevolgen waarbij de oorzaak niet in de tijd aan het gevolg voorafgaat, zoals ik hier laat zien. Opmerken dat er geen ten zuiden van de zuidpool bestaat mag dan correct zijn en gevat klinken, het doet niets af aan het argument voor het bestaan van God dat ik hierboven geef.

Meer weten? Zie emanuelrutten.nl

vrijdag 12 oktober 2018

Het Retorische Weten II

Vanmiddag op een zonnig terras in de binnenstad van Amsterdam een mooi gesprek gehad met mijn uitgever Leesmagazijn. In juni 2019 verschijnt Het Retorische Weten II. Hierin worden mijn overige belangrijkste essays opgenomen - inclusief enkele zeer recente. Dit tweede en tevens laatste deel van Het Retorische Weten maakt het tot een uniek tweeluik.

woensdag 10 oktober 2018

Masterclass over Agambens denken over avontuur

Hoe avontuurlijk is jouw leven? En moet het avontuurlijk zijn? Ieder van ons heeft wel een bepaald beeld bij avontuur. Een avontuur is iets dat ons overvalt en waarin we meegenomen worden. We gaan erin op en worden als het ware door het avontuur gedragen. Het avontuur is grillig en toevallig. Het bestaat uit omzwervingen en omwegen. Maar welke rol speelt avontuur eigenlijk in ons leven? Deze en andere vragen komen aan bod in een nieuwe masterclass voor loz.nu die ik binnenkort zal geven over Giorgio Agambens denken over avontuur.

We bekijken gezamelijk hoe er in vroege tijden tegen het avontuur van ridders en andere helden werd aangekeken en hoe wij tegenwoordig in onze moderne hedendaagse samenleving omgaan met Vrouwe Aventura. Wat is een avontuur eigenlijk? Welke rol speelt de verteller en welke de held? Is avontuur onvermijdelijk een deel van ons leven? Of is wellicht het hele leven zelf als een avontuur te beleven? Is ons leven maakbaar? Dienen we anders gezegd ons leven als een kunstwerk te scheppen of moeten we ook oog hebben voor zaken die ons van buiten overvallen en waarop we geen invloed hebben? Wat is anders gezegd de rol van toeval, noodzaak en voorzienigheid in ons leven? Hebben we uberhaupt wel genoeg aandacht aan wat men vroeger Fatum of noodlot noemde?

Meer weten? Zie hier voor meer informatie.

zondag 7 oktober 2018

Hebben of zijn concepten intensies?

Men spreekt voortdurend over de intensie (inhoud, betekenis) van een concept en suggereert daarmee dat een concept een intensie heeft. Zo zeggen we dat het concept ‘huis’ een bepaalde intensie heeft of dat het concept ‘vrijgezel’ een bepaalde intensie heeft. Maar waarom zeggen we niet gewoon dat concepten intensies zijn? Als verklaring hiervoor zou ingebracht kunnen worden dat concepten door de tijd heen kunnen veranderen door het verkrijgen van een andere intensie. Dit is echter onmogelijk indien concepten intensies zijn. Want in dat geval zou een andere intensie neerkomen op een ander concept. Er zou dan geen sprake zijn van een verandering van een en hetzelfde concept.

Deze verklaring lijkt op het eerste gezicht misschien plausibel. Toch gaat het hier om een problematische verklaring. Hoe kan een en hetzelfde concept een andere intensie verkrijgen terwijl het toch over hetzelfde concept blijft gaan? Dit kan alleen als er iets in het concept is dat door de verandering van het concept heen hetzelfde blijft. Zoiets constants in het concept moet er zijn omdat we anders niet zouden kunnen spreken over de verandering van een en hetzelfde concept. Dát wat in het concept constant blijft kan uiteraard niet de intensie van het concept zijn. Het concept verkrijgt immers een andere intensie. Maar wat is het dan in het concept dat tijdens de verandering van het concept constant blijft en er dus voor zorgt dat wij nog steeds over hetzelfde concept kunnen spreken nadat het een andere intensie verkregen heeft? Wat is met andere woorden datgene in het concept dat tijdens de verandering ervan gelijk blijft en dus zorgt voor de identiteit van het concept door de tijd heen? Hiervoor lijkt geen redelijke kandidaat te zijn.* Dit maakt genoemde verklaring diep mysterieus en dus problematisch. Het lijkt daarom beter eenvoudigweg te stellen dat concepten intensies zijn.

Door dit te doen worden concepten hardhandig gereduceerd tot intensies oftewel betekenissen. Concepten vallen restloos met betekenissen samen. Het zijn niets meer of minder dan betekenissen. Toch is met bovenstaande eveneens de deur opengezet voor de gedachte dat concepten op mysterieuze wijze wel eens "meer" zouden kunnen zijn dan betekenissen. Wellicht zit er toch iets "in" concepten dat boven de betekenissen uitstijgt. Maar wat kan dit mysterieuze "meer" dan zijn? Zijn betekenissen immers niet alles wat er over concepten qua concepten te vertellen valt?

Misschien niet. Misschien hebben concepten toch iets wat we heel voorzichtig zouden kunnen aanduiden als "een ziel". De ziel van een concept is dan datgene wat de verschillende betekenissen van een concept door de tijd heen vasthoudt en ze allemaal betekenissen van een en hetzelfde concept laat zijn. Kortom, misschien moeten we voor concepten hetzelfde doen als Aristoteles eerder deed voor tafels en stoelen en andere concreet zintuiglijk waarneembare substanties. Misschien moeten we een onderscheid gaan maken tussen de vorm en de materie van een concept. De materie van een concept is dan de betekenis van het concept. Deze materie is door de tijd heen niet constant. Een concept kan materie oftewel betekenissen winnen en verliezen zonder dat het ophoudt te bestaan. De vorm of ziel van een concept is dan datgene wat dit laatste mogelijk maakt. De ziel van een concept is wezensbepalend voor de identiteit ervan. Het is anders gezegd verantwoordelijk voor de identiteit van het concept door de tijd heen. Al met al lijkt zo een Aristotelisch hylemorfisme voor concepten alsnog een alternatief te zijn voor eerdergenoemde al te harde restloze reductie van concepten naar betekenissen.

*) In elk geval is de naam van het concept geen geschikte kandidaat. Een andere naam levert immers niet direct ook een ander concept op. Het concept 'house' is niet een ander concept dan het concept 'huis' of 'haus'. Evenmin is het concept 'vrijgezel' een ander concept dan 'alleengaande'. Dus waarom zou de naam van een concept wezenlijk zijn voor de identiteit ervan? De naam van een concept is niet wezensbepalend. Niet voor niets kan een en hetzelfde concept meerdere namen hebben (synoniemen) en kunnen twee heel verschillende concepten dezelfde naam hebben (homoniemen).

woensdag 3 oktober 2018

Reacties

Dankzij een email van een van mijn bloglezers kwam ik er zojuist achter dat sinds lange tijd reacties niet op mijn blog geplaatst zijn omdat de optie reacties modereren actief was. Inmiddels heb ik mijn instellingen zodanig gewijzigd dat reacties weer direct op mijn blog zichtbaar worden.

zaterdag 22 september 2018

Kairotische tijd

Henri Bergson maakt de stap van een ruimtelijk model van tijd oftewel de klokkentijd (temp) naar een tijdelijk model van tijd oftewel duur (duree). De langs een rechte lijn gedachte puntsgewijze ruimtelijke tijd van chronos staat anders gezegd tegenover de niet-ruimtelijke kwalitatief betekenisvolle tijd van kairos. Toch kan het verschil tussen beiden alléén met een ruimtelijk beeld geduid worden. De klokkentijd van chronos heeft betrekking op extern gerichte vervreemdende ahistorische beleving terwijl de kairotische tijd staat voor de innerlijke verstilde historische ervaring.