zondag 14 januari 2018

Alternatieve feiten en niet-feitelijke waarheid

Zijn er alternatieve feiten? Om deze vraag te beantwoorden dienen we ons eerst af te vragen wat feiten eigenlijk zijn. Tractariaans gezegd zijn feiten standen van zaken in de werkelijkheid. Standen van zaken zijn configuraties van voorwerpen. Deze voorwerpen en configuraties zijn er eenvoudigweg. Ze zijn wat ze zijn los van onze opvattingen erover. Onze opvattingen over wat de feiten zijn kunnen uiteraard onderling verschillen en doen dat vaak ook, maar dan hebben we het over alternatieve opvattingen over wat de feiten zijn en niet over alternatieve feiten.

Er is echter wel iets anders aan de hand waarop ik hier de aandacht wil vestigen. Wanneer wij een feit correct of adequaat representeren, zoals bijvoorbeeld met de beweerzin "Water is H2O" het feit dat ieder watermolecuul uit twee waterstofatomen en één zuurstofatoom bestaat, dan noemen we de desbetreffende representatie waar. Een beweerzin of uitspraak die adequaat correspondeert met een feit is anders gezegd een ware uitspraak. Het gaat hier om wat ik feitelijke waarheid wil noemen, namelijk waarheid in de zin van het correct weergeven van de feiten van de werkelijkheid.

In zijn Tractatus stelt Wittgenstein dat er ook fenomenen zijn die niet gereduceerd kunnen worden tot één of meerdere feiten. Deze fenomenen behoren eveneens tot de werkelijkheid. Ze tonen zich. Wittgenstein denkt hierbij aan existentieel geladen fenomenen zoals die van ethische, esthetische of religieuze aard. Precies omdat ook deze zich tonende fenomenen tot de werkelijkheid behoren, moeten ze in een bepaald opzicht eveneens betrokken zijn op waarheid. Dit lijkt mij een onvermijdelijke implicatie van wat Wittgenstein in zijn Tractatus uiteenzet.

De Tractatus impliceert dus dat de waarheid in sommige situaties deels niet feitelijk is. De waarheid omvat soms meer dan het slechts corresponderen met de feiten. De werkelijkheid van bepaalde situaties laat zich anders gezegd niet reduceren tot een collectie van tot die situatie behorende feiten. Net zoals de betekenis van een bepaald begrip altijd meer betreft dan de collectie van de eronder vallende objecten, zo betreft de waarheid in sommige situaties meer dan de collectie tot die situatie behorende feiten.

We krijgen zo een meer omvattend waarheidsbegrip. Er ontstaat een begrip van waarheid waarbij waarheid voor sommige situaties niet uitsluitend feitelijk is, maar naast een feitelijke component deels ook bestaat uit een niet-feitelijke component. Iets in dergelijke situaties toont zich, om in het woordveld van de Tractatus te blijven, en laat zich niet reduceren tot feiten. Kortom, de waarheid zelf bestaat in het algemeen uit een feitelijke en een niet-feitelijke component. Voor situaties waarin het vooral gaat om de tweede component zouden we dan zelfs kunnen spreken over niet-feitelijke waarheden.

Dit ruimere waarheidsbegrip lijkt naast de Tractatus ook goed te passen bij Kierkegaards bewering in zijn boek Of/Of dat de waarheid is gelegen in de subjectiviteit. Want Kierkegaard was geen relativist. Hij geloofde in het bestaan van feiten en het naar waarheid kunnen representeren ervan. Maar waarom zou hij dan de waarheid ineens subjectief willen duiden? Een mogelijke verklaring hiervoor is dat ook Kierkegaard een onderscheid maakt tussen feitelijke en niet-feitelijke waarheden. In sommige existentieel geladen situaties gaat het dan vooral over niet-feitelijke waarheden en die zijn bij Kierkegaard dan subjectief. Zijn stelling dat de waarheid is gelegen in de subjectiviteit zou dan betrekking hebben op dergelijke situaties.

Hetzelfde geldt voor Heideggers spreken over de waarheid als aletheia oftewel ontberging. Wanneer Heidegger spreekt over waarheid als onverborgenheid gaat het eveneens om situaties waarbij naast feitelijke waarheden ook niet-feitelijke waarheden in het geding zijn. De gehele waarheid in dergelijke situaties bestaat dus ook volgens hem uit een feitelijke en niet-feitelijke component. Wat als werkelijkheid onthult wordt in die situaties en dus de niet-feitelijke waarheid ervan bepaalt, is precies dat in de situatie wat zich niet laat reduceren tot feiten.

Met alternatieve feiten heeft niet-feitelijke waarheid echter niets te maken. Het gaat immers om niet-feitelijke waarheid. In de tweede plaats staan er ook niet noodzakelijk alternatieven tegenover elkaar. Bij Wittgenstein hoeft datgene wat zich in een bepaalde situatie toont namelijk zeker niet subjectief te zijn. En hetzelfde kan gezegd worden van Heideggers aletheia. Datgene wat in een bepaalde situatie onthult wordt en zo in de onverborgenheid aankomt is bij Heidegger evenmin subjectief. Sterker nog, het is volgens hem het zijn zelf.

Naschrift: Na het plaatsen van deze bijdrage werd ik geattendeerd op deze in de context van mijn bijdrage bijzonder treffende quote van Wittgenstein: "“To believe in a God means to see that the facts of the world are not the end of the matter."

vrijdag 29 december 2017

Plausibility, likelihood and truth

Consider the propositions P and "Plausibly, P". An argument for P is not necessarily an argument for "Plausibly, P". For there might be successful arguments for counterintuitive or implausible propositions. In such cases the argument supports P but it doesn't support P being plausibly true. An argument for the proposition "Plausibly, P" is not necessarily an argument for P either. For why should in general plausibility be truth-conducive? That is, why should in general what is plausibly true for human beings be sufficiently likely actually true?

The propositions P and "Plausibly, P" are quite different propositions indeed. The first asserts that the state of affairs denoted by P obtains. The second asserts that the world is such that it is plausible that P is true. This second proposition might be true while at the same time P is false. Also P might be true whereas it is not plausible that P is true.

If we switch - in light of my 'world-for-us' theory of knowledge - the context from how the world is in itself to how the world is for us, i.e. from the-world-in-itself to the-world-for-us, the above picture changes. Within the context of the-world-for-us an argument for the proposition "Plausibly, P" is also an argument for P because within the-world-for-us plausibility is truth-conducive. Yet, within the-world-for-us an argument for P is still not necessarily an argument for "Plausibly, P". For there might be good arguments for counterintuitive or implausible truths within the-world-for-us.

Now consider the propositions P and "Likely, P". Here 'likely' is not to be equated with 'plausibly'. Plausibility refers to being in accordance with our human intuitions. Being likely though refers to having statistically a high chance or high probability of being true. These notions are not the same.

An argument for "Likely, P" is an argument for P having a high chance of being true. But then such an argument is also an argument for P. Yet, an argument for P is not necessarly also an argument for "Likely, P". For even though a successful argument for P increases the likelihood of P, it does not follow that the increase is significant enough to render P likely true.

With respect to the concept of 'likelihood' the picture does not change if we switch again from the context of how the world is in itself to how the world is for us. In both cases the conclusions remain the same.

zondag 24 december 2017

Non-epistemic Truth

Epistemic theories of truth analyze the notion of truth in terms of epistemic notions such as justification. Non-epistemic theories of truth analyze the notion of truth in terms of non-epistemic notions such as correspondence with states of affairs. All these theories aim at truth in the sense that one is concerned with what are the facts, with what is actually the case. But what if truth is not always concerned with what is factual or actually the case? There might be cases where something is truthful without being factful. If so, we should distinguish between epistemic truth (concerned with facts) and non-epistemic truth. In that case the above mentioned epistemic and non-epistemic (e.g., correspondence) theories of truth both aim at epistemic truth. The question then becomes how the notion of non-epistemic truth could be further fleshed out. What are examples of non-epistemic truth (if any) and what are the tools to discover such truths? Paradigmatic examples of such truths may be found within existentially loaded domains as religion, ethics and rhetoric. But possibly counterfactual conditionals can be considered as such as well.

So, in short the idea is that there are possibly (existential or other) situations in which we want to be able to speak legitimately of truth without having to presuppose that there are actual ontological states of affairs in the world that make such speak legitimate. In these situations we thus talk about non-factual or non-epistemic truth. These truths are non-factual indeed, but truths nonetheless. To develop a full account of non-epistemic truth would open a whole new realm of philosophical enquiry.

vrijdag 22 december 2017

De idee vrouw

Een man die een vrouw ontmoet of met een vrouw omgaat voelt dat hij daarin nooit alleen met die vrouw in contact staat, maar tegelijkertijd altijd ook met de universale of de idee vrouw.

Een man voelt zich anders gezegd naast met haar tevens in contact staan met de vrouw qua vrouw - wie zij verder ook is. En dit "tevens" is een extra, een welhaast transcendent surplus, ten opzichte van haar concrete particulariteit.

dinsdag 21 november 2017

An argument against complete knowledge of things

Let R be the whole of reality and let x be an entity within R. Is it, in order to truly and totally know x, necessary to know R? If so, it would follow that complete knowledge of something is impossible, since no human knows R.

At least on theism the answer seems to be 'yes'. For one would have to know God fully - and thereby plausibly R fully - in order to know the complete nature of things.

In a perhaps trivial sense the answer might be always 'yes'. For if one doesn't know R, one doesn't know how x and R are related to each other, and thus one doesn't know x fully if we take it that knowledge of x's relations is part of knowing x.

maandag 6 november 2017

Spenglers duiding van wiskunde

Mijn lezing in Paradiso vorige maand over Oswald Spenglers denken over wiskunde als cultuurfenomeen is inmiddels hier beschikbaar. Deze lezing sprak ik uit in het kader van de introductie van de Nederlandse vertaling van zijn boek De ondergang van het avondland aldaar. Het was al met al een mooie avond en nacht.

vrijdag 3 november 2017

Retorica workshop: Aankondigingen

Inmiddels geef ik al weer enige tijd workshops retorica. Hieronder drie aankondigingen daarvan. De eerste is nogal beknopt, de tweede wat minder en de derde kan uitgebreid genoemd worden. Interesse? Neem contact op via gjerutten@kpnmail.nl

Beknopt
Hoe geef ik een aansprekend en overtuigend betoog? Hoe dachten de Oude Grieken over de kracht van het woord? Gaat retorica tegen de waarheid in of kan ze ook in dienst staan van de waarheid? Deze en andere vragen komen aan de orde in deze workshop over de leer der welsprekendheid. We bekijken haar ontstaansgeschiedenis en gaan in op de belangrijkste retorische overtuigingsmiddelen en stijlfiguren. De besproken methoden en technieken worden toegelicht aan de hand van videofragmenten van bekende toespraken.

Wat minder beknopt
In deze workshop van twee uur maken we nader kennis met de retorica. We gaan in op de vraag wat retorica is en bekijken beknopt haar ontstaansgeschiedenis. Hierbij zal met name het onderscheid tussen de vroegere "sofistische" en de latere "wijsgerig verantwoorde" retorica van Aristoteles aan de orde komen. Vervolgens bespreken we de belangrijkste praktisch toepasbare retorische methoden en technieken. We gaan hierbij in op de overtuigingsmiddelen ethos, pathos en logos. Eveneens kijken we naar de vorm van een toespraak oftewel naar de stijl en het taalgebruik. Er zullen enkele belangrijke stijlfiguren behandeld worden en ook zal getoond worden hoe we bijvoorbeeld tegenstellingen en metaforen concreet kunnen inzetten. Tot slot zal de structuur van een betoog aan de orde komen. We gaan in op de belangrijkste onderdelen van een voordracht en hoe deze effectief op elkaar afgestemd kunnen worden. Aan het eind van de workshop worden de besproken methoden toegelicht aan de hand van enkele videofragmenten van bekende toespraken.

Uitgebreid
Ik begin met de vraag naar het onderwerp en het doel van retorica. Wat is retorica nu precies? Ik bespreek twee mogelijke antwoorden en laat zien hoe deze zich tot elkaar verhouden. Daarna vertel ik beknopt iets over de ontstaansgeschiedenis van de retorica. Hierbij ga ik in op het onderscheid tussen de vroegere "sofistische" retorica van publieke sprekers als Protagoras en Gorgias en de latere "wijsgerig meer verantwoorde" retorica van de latere Plato en vooral Aristoteles. Vervolgens presenteer ik aan de hand van het boek De Retorica van Aristoteles een praktisch overzicht van de belangrijkste retorische methoden en technieken. Deze vallen uiteen in 'inhoud' en 'vorm'. Allereerst richt ik mij op de inhoud van een toespraak. Wat gaan we zeggen? Hiertoe introduceer ik de bekende retorische overtuigingsmiddelen ethos, pathos en logos. Ethos draait om het karakter van de spreker, pathos om de op te roepen emoties en stemmingen bij het publiek, en logos om de gehanteerde logische argumentatie. Elk van deze drie overtuigingsmiddelen behandel ik aan de hand van praktisch toepasbare voorbeelden. Daarna richt ik mij op de vorm van een toespraak. Hoe gaan we het zeggen? Als eerste bespreek ik stijl, taalgebruik en uitdrukkingswijze. Ik behandel een aantal belangrijke stijlfiguren en laat ondermeer zien hoe we tegenstellingen en metaforen concreet kunnen toepassen. Tot slot zal de ordening of structuur van een betoog aan de orde komen. Ik behandel de belangrijkste onderdelen van een betoog en laat zien hoe we deze effectief op elkaar kunnen afstemmen. Aan het eind van de workshop zal ik de besproken methoden en technieken illustreren aan de hand van enkele videofragmenten van bekende toespraken. Hierbij zal ik de deelnemers ook vragen actief mee te doen met het aanwijzen van de gebruikte middelen in de videofragmenten. Als er tijd over is zal ik aan de hand van de video's ook nog iets zeggen over het belang van gezichtsuitdrukking, lichaamstaal en stemgebruik (i.e., volume, melodie, en ritme). De workshop zal in totaal twee uur duren.