Posts tonen met het label ding. Alle posts tonen
Posts tonen met het label ding. Alle posts tonen

zondag 21 december 2025

Het ding als kunstwerk

De ontologie van een concreet samengesteld ding, zoals ik deze in mijn dissertatie Towards a Renewed Case for Theism (2012) uitwerk, blijkt analoog te zijn aan Hans-Georg Gadamers ontologie van het kunstwerk zoals hij deze ontwikkelt in zijn magnum opus Waarheid en Methode (1960). Hiertoe hoeven we in Gadamers uiteenzettingen alleen ‘kunstwerk’ door ‘concreet samengesteld ding’, ‘uitvoering’ door ‘configuratie’ en ‘bedoelde betekenis’ door ‘vorm’ te vervangen. Ik geef een korte schets. Een concreet samengesteld ding bestaat door de tijd heen alleen in zijn afzonderlijke configuraties. Het is er uitsluitend als deze reeks van configuraties. Het ding bestaat op elk moment alleen als configuratie. Maar toch handhaaft het ding zichzelf in deze reeks van configuraties als telkens hetzelfde ding. Iedere configuratie is een herhaling van hetzelfde ding op grond van de vorm die in elke configuratie gelijkblijft. De vorm wordt in de configuraties gehandhaafd en gaat niet vooraf aan de configuraties. Er bestaat geen drager of identiteit achter de configuraties. De vorm van elke configuratie is een immanente norm van herhaling en daarom herhaalt iedere configuratie het ding. Dit is de dubbele structuur van het zijn van het concrete samengestelde ding.

zaterdag 12 juli 2025

Heideggers duiding van het ding

Ook de laatste paragraaf van Gerard Vissers monumentale boek Nietzsche en Heidegger: een confrontatie is wijsgerig bijzonder rijk en diepgravend. Visser bespreekt tegen de achtergrond van Heideggers Daseinsanalyse uit Zijn en tijd zijn analyse van het ding als verzamelplaats van het viertal hemel, aarde, mensen en goden. Voor de aardigheid breng ik de centrale gedachtegang van deze paragraaf in een enkele zin samen. Het ding als ding opent de wereld in viervoudige nabijheid door zijn wezenlijke verzamelende aanwezigheid, terwijl deze wereldopenende nabijheid mede wordt bepaald door ‘de stemming’, die als een grondtoon de wereld doortrekt en kleurt en dus veel verder reikt dan wat een enkel ding vermag, en die bovendien ‘het zeggen’ als wezen van de taal mogelijk maakt, zodat vervolgens het menselijk ‘verstaan’ de wereld - en meer specifiek de door het ding ontsloten nabijheid - nader betekenisvol kan ontsluiten. Wat Heideggers duiding van het ding vooral laat zien is dat voor hem de bepaling van het ding als 'gevormde stof' of 'object met eigenschappen' existentiaal tekortschiet.

vrijdag 25 november 2011

Iemandisme

Kants categorisch imperatief leert dat wij zo dienen te handelen dat we een ander mens nooit louter als middel gebruiken, maar tegelijkertijd ook altijd als doel. Wat dit imperatief tot uitdrukking brengt is dat een mens, als persoon, een waardigheid heeft die in absolute zin verschilt van die van een ding. Een mens is een iemand, een bewust vrij en autonoom individu, en heeft daarom een waardigheid waaraan geen enkel onbewust levenloos iets kan tippen. Sommige typen van entiteiten (bijvoorbeeld mensen) bezitten dus een waarde die andere typen van entiteiten (zoals voorwerpen) ontberen. Maar dan lijkt het niet onredelijk om te veronderstellen dat meer in het algemeen uiteindelijk elk type van entiteiten een bepaalde waarde heeft die gelijk is aan, of juist verschilt van, de waarde van andere typen entiteiten. Zo komen we tot het postulaat van een waardeorde waarin elk type van entiteiten gepositioneerd kan worden. Deze waardeorde kan niet anders dan transitief zijn. Indien bijvoorbeeld een kunstwerk een hogere waarde bezit dan, zeg, een watermolecuul, en bovendien een kunstenaar een hogere waarde heeft dan een kunstwerk, dan is het redelijk om te concluderen dat een kunstenaar ook een hogere waarde bezit dan een watermolecuul.

Nu heb ik reeds vaker betoogd dat het op z'n minst plausibel is om te veronderstellen dat de werkelijkheid uiteindelijk teruggaat op een allerlaatste oorsprong, een ultieme grond, welke we de arche van de wereld kunnen noemen. De arche heeft ontologisch gezien het primaat boven al het andere bestaande. Zij is immers de directe dan wel indirecte oorzaak van al wat is. Al het zijnde is uiteindelijk uit de arche voortgekomen. Zonder de arche zou helemaal niets geworden zijn.

De vraag die zich nu opdringt is waar in de waardeorde deze arche, deze onvoorwaardelijke bron van al het zijnde, geplaatst zou moeten worden. Het lijkt verdedigbaar dat deze arche, dit eerste beginsel van alles, een waarde heeft die in elk geval niet lager is dan de waarde van ieder mens. Maar dan, precies omdat de mens een waardigheid heeft die boven die van alle levenloze objecten uitgaat, volgt uit de transitiviteit van genoemde orde dat de arche geen onpersoonlijk voorwerp of onpersoonlijk fluïdum kan zijn. De arche moet derhalve persoonskenmerken ofwel subjectkarakter bezitten. Zij is derhalve geen iets, maar een iemand.