Posts tonen met het label Gerard Visser. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Gerard Visser. Alle posts tonen

zondag 8 juni 2025

Twaalf uur college over Gerard Vissers Nietzsche en Heidegger: een confrontatie

In april en mei van dit jaar gaf ik voor het vak Symbolisch leven II binnen de tweejarige VU master Filosofie van cultuur en bestuur vier colleges over de eerste twee delen van het monumentale boek Nietzsche en Heidegger: een confrontatie van Gerard Visser. Het betreft in totaal twaalf uur college. De colleges zijn hieronder te beluisteren.

1. Eerste college (dinsdag 22 april van 19:00 tot 22:00) - Deel I - Het wezen van het affectieve - Hoofdstuk 1 en 2: Deel 1 en Deel 2

2. Tweede college (dinsdag 6 mei van 19:00 tot 22:00) - Deel I - Het wezen van het affectieve - Hoofdstuk 3: Deel 1 en Deel 2

3. Derde college (dinsdag 13 mei van 19:00 tot 22:00) - Deel II - Kunst en waarheid - Hoofdstuk 4: Deel 1 en Deel 2

4. Vierde college (dinsdag 20 mei van 19:00 tot 22:00) - Deel II - Kunst en waarheid - Hoofdstuk 5: Deel 1 en Deel 2

zondag 23 februari 2025

Het oneindig kleine ogenblik en de eeuwige wederkeer van het gelijke

In paragraaf 6.3 van Nietzsche en Heidegger. Een confrontatie (Boom, Amsterdam, 2023) gaat Gerard Visser uitgebreid in op de betekenis van het oneindig kleine ogenblik bij Nietzsche in relatie tot Nietzsches gedachte van de eeuwige wederkeer van het gelijke. In wat volgt geef ik de belangrijkste door Visser beschreven momenten van deze verhouding beknopt weer. In het oneindig kleine ogenblik botst de tijdsdimensie van het verleden op die van de toekomst. Het ogenblik is een tijdsruimte waarin niet alleen verleden en toekomst, maar ook de scheppende krachten spontaan op elkaar botsen. Deze spontanïteit maakt van het oneindig kleine ogenblik de tijdsruimte van het toeval. Toeval is dan ook niets anders dan het op elkaar botsen van de scheppende impulsen.

Nu flitst het beeld van de eeuwige wederkeer van het gelijke ook op vanuit botsingen, namelijk vanuit het op elkaar stuiten van diverse ervaringen. Een belangrijke ervaring is het beeld van het oneindig kleine ogenblik zelf dat opflitst uit de eeuwige stroom van het worden. Het ogenblik is een "bliksembeeld" dat opflitst vanuit het open "midden" van verleden en toekomst. Elk ogenblik is een midden en dat wijst op een rondgang van de tijd. Het oneindig kleine ogenblik is daarnaast van alles verlost. Het ogenblik is los van alles, en dus geheel vrij van dwalingen en afhankelijkheden. Het is volledig in, voor en op zichzelf. Zo herhaalt het zich als ogenblik eeuwig.

Naast het zijn van een bliksembeeld flitst er ook een beeld op uit het oneindig kleine ogenblik, namelijk het beeld van op elkaar botsende scheppende krachten. In het ogenblik toont zich zo het eeuwige terugkerende krachtenspel van de hele wereld. De "ring der ringen" concentreert zich dus in het ogenblik. In de tijdsruimte van de op elkaar stotende impulsen van het oneindig kleine ogenblik heeft het individu geen enkele betekenis meer. Het menselijk subject gaat op de oneindig kleine schaal van het ogenblik geheel ten onder. Er is in het onafhankelijke ogenblik geen 'Ik wil' meer, maar alleen nog het creatief scheppende van de spontane op elkaar inwerkende krachten.

Het oneindig kleine ogenblik vervult bovendien zo van lust dat het tot in eeuwigheid terugverlangd wordt. Een bezinning op het oneindig kleine ogenblik laat zien dat elk ogenblik heel het verleden van de wereld veronderstelt en dat verleden en toekomst op elkaar terugbuigen en samen een eeuwige rondgang aangaan. Zo rust het gewicht van de eeuwigheid op het ogenblik en openbaart zich in het ogenblik de ring van de eeuwige wederkeer van het gelijke. Het is precies de bliksem van het ogenblik, het flitsende ja van het ogenblik dat toont dat niet alleen dit ogenblik, maar ook alle andere ogenblikken terugkeren. Wie ja zegt tegen één ogenblik, zegt dan ook ja tegen alle ogenblikken.

Het oneindig kleine ogenblik is ontegenzeggelijk zinvol. En aan het ogenblik kan alleen zin of betekenis gegeven worden door het postuleren van een eeuwige wederkeer. De toegang tot de ring der ringen ligt dan ook in de affirmatie van het oneindig kleine ogenblik. In de affirmatie van het ogenblik wensen wij de eeuwige terugkeer van het ogenblik. Wat wij zo wensen is de eeuwige terugkeer van het toeval en het verschil.

dinsdag 7 januari 2025

Aankondiging VU collegereeks: Nietzsche en Heidegger over de nood van de presentie

Inhoud
Nietzsches machtsdenken en Heideggers zijnsdenken bieden twee fundamentele en verschillende antwoorden op de vraag naar de herkomst en de aard van het Europese nihilisme. Deze twee filosofen proberen elk op hun eigen wijze invulling te geven aan wat we met filosoof Gerard Visser de ademnood van het nihilisme of de nood van de presentie kunnen noemen. Het betreft een nood die Nietzsche en Heidegger in hun werk op een verschillende manier trachten te ledigen. In een nieuwe collegereeks die ik ga geven voor de module Symbolisch leven II van de tweejarige master Filosofie van cultuur en bestuur aan de Vrije Universiteit Amsterdam, verdiepen we ons in de eerste twee delen van Vissers monumentale boek Nietzsche en Heidegger: een confrontatie, waarin beide denkers in het spel en met elkaar in gesprek worden gebracht. We onderzoeken aan de hand van Vissers grondige studie hoe affectiviteit, kunst, waarheidskritiek en nihilismeproblematiek in het denken van Heidegger en Nietzsche een centrale rol spelen. De collegereeks biedt een doordenking van enkele cruciale denkbeelden van beide filosofen en hun onderlinge verhouding, en daagt uit tot een kritische reflectie op de betekenis voor onze eigen tijd van hun denken over het nihilisme.

Programma
Eerste college (dinsdag 22 april van 19:00 tot 22:00): Deel I - Het wezen van het affectieve - Hoofdstuk 1 en 2;
Tweede college (dinsdag 6 mei van 19:00 tot 22:00): Deel I - Het wezen van het affectieve - Hoofdstuk 3;
Derde college (dinsdag 13 mei van 19:00 tot 22:00): Deel II - Kunst en waarheid - Hoofdstuk 4;
Vierde college (dinsdag 20 mei van 19:00 tot 22:00): Deel II - Kunst en waarheid - Hoofdstuk 5.

Literatuur
Gerard Visser, Nietzsche en Heidegger: een confrontatie, Boom, Amsterdam, 2022.

maandag 9 juni 2014

Gerard Visser over Heideggers techniekfilosofie

"De reikwijdte van Heideggers bezinning blijkt ook als we zijn analyse met die van het historisch materialisme vergelijken. Een marxist schrijft de totale mobilisering toe aan de kapitalistische warenproductie. Die uitleg bezit ontegenzeggelijk een grote verklaringskracht. De vraag is alleen of hij diep genoeg reikt. Marx zoekt de oorzaak van de uitbuiting van mens en natuur in de hebzucht van de kapitalist. En ook al is de kapitalist maar een speelbal van de geschiedenis, van de ontwikkeling van de productiekrachten en productieverhoudingen, dan nog ziet Marx de geschiedenis als het product van de arbeid van de mens. Maar, zoals Heidegger ook zelf zo dadelijk bij vraag drie te kennen zal geven, hij zoekt de bron niet uitsluitend in de mens als hij de grond van de uitbuiting in een wijze van ontbergen situeert. Intussen is gebleken dat communistisch georganiseerde samenlevingen inderdaad geen alternatief hebben kunnen bieden. Daar werden zowel natuur als mens bijkans totaal tot materiaal gedegradeerd. Het opvorderende bestellen kan dus niet worden toegeschreven aan de macht van het kapitaal, het is misschien veeleer omgekeerd zo, dat het kapitaal stroomt in de banen van het opvorderende bestellen. De wet van de grootst mogelijke opbrengst (output) tegen zo min mogelijk kosten (input) vooronderstelt dat het betrokken zijnde tot object van bestelbaarheid is geworden. Een marxist zal zeggen: dat het tot 'waar' is geworden. Maar hoe heeft Marx het tot waar worden van de dingen begrepen? Als de transformatie van zowel hun gebruikswaarde als hun arbeidswaarde in ruilwaarde. Voor Heidegger echter heerst de bestelbaarheid al in het waardebegrip. Ook het begrip 'gebruikswaarde' wil zeggen dat al het zijnde voor ons primair is ontborgen in zijn bruikbaarheid voor de mens.
Maar is dat niet altijd zo geweest? Nee, voor de Grieken is het van nature of technisch voortgebrachte nog geen louter gebruiksmiddel. Het behoort tot het wezen van de akker vrucht te dragen. De akker komt in de volte van zijn wezen wanneer hij vrucht draagt. Zo komt het zilver tot voleinding wanneer er een offerschaal uit wordt vervaardigd. Maar akker noch zilver is dan louter gebruiksmiddel voor de mens. Al het zijnde komt hier een eigen wezen toe. Vandaar Heideggers verzet tegen de vertaling van telos met doel. Een vergelijkbare ervaring vinden we nog in de middeleeuwen terug. Daar is het zijnde in zijn wezen primair ens creatum. Men geniet van een bloem omdat men daar heel de orde en bestemming van de schepping in ervaart. Tegenwoordig is de bloeitijd van bloemen bestelbaar geworden. We dwingen ze zelfs verf te drinken.
Nog een laatste voorbeeld. Een handtekeningenactie van de kerken tegen de 24-uurseconomie. Strikt genomen kunnen enkel de kerken dat nog doen, omdat alleen voor gelovigen de dagen van de week nog niet volledig indifferent en onderling verwisselbaar zijn geworden. Men gaat nog uit van een Bijbels onderscheid tussen arbeidsdagen en een rustdag, de sabbat, een dag voor God. Maar vanuit Heideggers bezinning op de techniek beschouwd, is ook de dag een bestandstuk geworden. De enige grens die seculiere beleidsmakers rest, is de stressbestendigheid van de mens, die een van de belangrijkste objecten van berekening wordt."

Gerard Visser, Heideggers vraag naar de techniek. Een commentaar, Vantilt, Nijmegen 2014, pp. 105-107