Posts tonen met het label kalam. Alle posts tonen
Posts tonen met het label kalam. Alle posts tonen
zaterdag 18 januari 2014
Over het Kalam argument bij 'Zin in Wetenschap'
EO's rubriek Zin in Wetenschap plaatste het volgende fragment uit mijn interview met hen online. Dit keer over het Kalam argument. Het is hier te bekijken.
dinsdag 13 november 2012
First Year Outlook
Scientism is the view that only science is justified to make generic objective claims about reality. According to adherents of scientism the scientific method is the only method that merits epistemic credence when it comes down to describing and explaining the world. Whether scientism is a tenable position depends on the account of science adopted. If science is identified with the hard sciences, that is, physics, chemistry and biology, then scientism is not a tenable view. For, it is impossible for the hard sciences to show that there cannot be epistemic or explanatory success outside physics, chemistry or biology. If, on the other hand, science is more broadly understood as rational inquiry based upon experience and widely accepted intuitions, augmented with mathematical devices and empirical experiments, then scientism may very well be a defensible epistemic paradigm.
In my first postdoc year I aim to explicate the epistemic relationship(s) between the aforementioned two versions of scientism and the epistemic credibility of two well-known rational arguments for the existence of God, namely the Kalam argument and the fine-tuning argument. It is often said that scientism entails that these arguments do not have any epistemic credence. I shall argue that this may perhaps be so if one adopts the first quite problematic version of scientism, but that it does not follow at all if one embraces the second conception of scientism. In fact, as I shall argue, both the Kalam argument and the fine-tuning argument are fully compatible with scientism thus understood. They are both epistemically sufficiently robust to be included in scientific discourse defined as rational inquiry rooted in experience, universal intuitions, mathematics and empirical observations.
In addition, I will assess an interesting recent scientific objection against the fine-tuning argument. According to this objection the fine-tuning argument fails since empirical observations have shown that the fundamental constants of nature may actually not be constant. Large scale measurements seem to indicate that the values of at least some of these constants vary across different regions of space-time. My aim is to investigate the epistemic strength of this objection and its implications for the epistemic credence of the fine-tuning argument.
Further, I shall present and defend, following an excellent suggestion of Robert Koons, an alternative version of my First Cause argument from atomism and causalism as presented in my dissertation. This alternative version does not longer depend on the premise of atomism. I will also argue that the alternative argument fits nicely with the second notion of science and thus cannot be easily rejected as being "unscientific" by adherents of scientism who accept this second notion.
In his new book 'God in the Age of Science? A Critique of Religious Reason' Herman Philipse argues that in our age of science all (deductive) cosmological arguments fail. As part of my first year project I shall also write a paper in which I show that Philipses "scientific case" against these arguments is wholly inadequate. As I shall argue he has not shown at all that all (deductive) cosmological arguments are untenable.
Finally, De Ridder and myself intend to write together a popular Dutch book in 2013 on rational arguments for the existence of God. In this book a large number of rational arguments will be presented and defended. The relationship with scientism will be adressed as well.
In my first postdoc year I aim to explicate the epistemic relationship(s) between the aforementioned two versions of scientism and the epistemic credibility of two well-known rational arguments for the existence of God, namely the Kalam argument and the fine-tuning argument. It is often said that scientism entails that these arguments do not have any epistemic credence. I shall argue that this may perhaps be so if one adopts the first quite problematic version of scientism, but that it does not follow at all if one embraces the second conception of scientism. In fact, as I shall argue, both the Kalam argument and the fine-tuning argument are fully compatible with scientism thus understood. They are both epistemically sufficiently robust to be included in scientific discourse defined as rational inquiry rooted in experience, universal intuitions, mathematics and empirical observations.
In addition, I will assess an interesting recent scientific objection against the fine-tuning argument. According to this objection the fine-tuning argument fails since empirical observations have shown that the fundamental constants of nature may actually not be constant. Large scale measurements seem to indicate that the values of at least some of these constants vary across different regions of space-time. My aim is to investigate the epistemic strength of this objection and its implications for the epistemic credence of the fine-tuning argument.
Further, I shall present and defend, following an excellent suggestion of Robert Koons, an alternative version of my First Cause argument from atomism and causalism as presented in my dissertation. This alternative version does not longer depend on the premise of atomism. I will also argue that the alternative argument fits nicely with the second notion of science and thus cannot be easily rejected as being "unscientific" by adherents of scientism who accept this second notion.
In his new book 'God in the Age of Science? A Critique of Religious Reason' Herman Philipse argues that in our age of science all (deductive) cosmological arguments fail. As part of my first year project I shall also write a paper in which I show that Philipses "scientific case" against these arguments is wholly inadequate. As I shall argue he has not shown at all that all (deductive) cosmological arguments are untenable.
Finally, De Ridder and myself intend to write together a popular Dutch book in 2013 on rational arguments for the existence of God. In this book a large number of rational arguments will be presented and defended. The relationship with scientism will be adressed as well.
Labels:
De Ridder,
fine tuning,
god,
kalam,
Philipse,
rational arguments,
science,
Scientism,
theism
dinsdag 2 maart 2010
Een weerlegging van de drie kosmologische argumenten voor het bestaan van God?
Laten we een mogelijke weerlegging overwegen van de drie kosmologische argumenten voor het bestaan van God. Neem allereerst het fine-tuning argument. We zouden tegen dit argument kunnen inbrengen dat een multiverse in beginsel metafysisch mogelijk en niet eens zo heel onwaarschijnlijk is. Een multiverse is echter fataal voor het fine-tuning argument omdat het feit dat er vele universa bestaan een plausibele verklaring vormt voor de opmerkelijke fine-tuning van ons universum.
Nu kan natuurlijk op een multiverse het Kalam argument worden toegepast. In een multiverse geldt immers nog altijd zoiets als 'cosmic time' en een relatief ten opzichte van deze tijd absoluut begin van het multiverse.
Het probleem met het Kalam argument is echter dat de uit dit argument volgende oorzaak van het multiverse geen eerste oorzaak hoeft te zijn. Het is immers metafysisch mogelijk en niet eens zo heel onwaarschijnlijk dat de oorzaak van het multiverse zelf ook in atemporele zin veroorzaakt is. Het Kalam argument is dus machteloos om de mogelijkheid van een oneindige regressie van oorzaken te elimineren.
Nu kan op de mogelijkheid van een oneindige regressie van oorzaken het Leibniziaanse argument toegepast worden. Het geheel van alle veroorzaakte objecten (inclusief allerlei eventuele oneindige regressies van oorzaken) zou volgens dit argument immers een reden voor haar bestaan moeten hebben. Deze reden is ofwel een externe (en dus onveroorzaakte) oorzaak ofwel het feit dat genoemd geheel noodzakelijk bestaat. Welnu, het is plausibel dat genoemd geheel niet noodzakelijk bestaat. Hieruit zou dan volgen dat het geheel van alle veroorzaakte objecten is veroorzaakt door een onveroorzaakt object: God.
Het probleem hier is echter dat het geheel van alle veroorzaakte objecten niet zomaar als een object beschouwd kan worden waarop we het beginsel van voldoende reden van Leibniz kunnen toepassen. De vraag of dit geheel een object is hangt namelijk af van de gehanteerde mereologie. Uitgaande van mereologisch universalisme kunnen we inderdaad concluderen dat genoemd geheel een object is. Mereologisch universalisme staat echter de laatste tijd steeds meer onder druk als adequate mereologische theorie. Daarmee is de overtuigingskracht van het Leibniziaanse argument dus al met al ook niet erg groot. De tegenwerping dat het geheel van alle veroorzaakte objecten zelf geen object hoeft te zijn om te kunnen vragen naar de reden voor haar bestaan lijkt bovendien ook geen uitkomst te bieden. Zodra we het geheel van alle veroorzaakte objecten niet als object opvatten is er namelijk geen grond meer om de reden voor het bestaan van dit niet-noodzakelijk bestaande geheel buiten zichzelf te zoeken. We kunnen dan immers volstaan met Hume's opmerking dat het bestaan van dit geheel voldoende is verklaard indien ieder object binnen dit geheel als oorzaak een ander object heeft binnen dit geheel. Deze verklaring is echter niet voldoende om te kunnen concluderen dat er een eerste oorzaak bestaat van alles buiten zichzelf.
Op deze manier komen dus de drie kosmologische argumenten voor het bestaan van God in de lucht te hangen. Nader onderzoek is nodig om te bepalen of de hier geschetste kritiek op de drie kosmologische argumenten overtuigend is.
Nu kan natuurlijk op een multiverse het Kalam argument worden toegepast. In een multiverse geldt immers nog altijd zoiets als 'cosmic time' en een relatief ten opzichte van deze tijd absoluut begin van het multiverse.
Het probleem met het Kalam argument is echter dat de uit dit argument volgende oorzaak van het multiverse geen eerste oorzaak hoeft te zijn. Het is immers metafysisch mogelijk en niet eens zo heel onwaarschijnlijk dat de oorzaak van het multiverse zelf ook in atemporele zin veroorzaakt is. Het Kalam argument is dus machteloos om de mogelijkheid van een oneindige regressie van oorzaken te elimineren.
Nu kan op de mogelijkheid van een oneindige regressie van oorzaken het Leibniziaanse argument toegepast worden. Het geheel van alle veroorzaakte objecten (inclusief allerlei eventuele oneindige regressies van oorzaken) zou volgens dit argument immers een reden voor haar bestaan moeten hebben. Deze reden is ofwel een externe (en dus onveroorzaakte) oorzaak ofwel het feit dat genoemd geheel noodzakelijk bestaat. Welnu, het is plausibel dat genoemd geheel niet noodzakelijk bestaat. Hieruit zou dan volgen dat het geheel van alle veroorzaakte objecten is veroorzaakt door een onveroorzaakt object: God.
Het probleem hier is echter dat het geheel van alle veroorzaakte objecten niet zomaar als een object beschouwd kan worden waarop we het beginsel van voldoende reden van Leibniz kunnen toepassen. De vraag of dit geheel een object is hangt namelijk af van de gehanteerde mereologie. Uitgaande van mereologisch universalisme kunnen we inderdaad concluderen dat genoemd geheel een object is. Mereologisch universalisme staat echter de laatste tijd steeds meer onder druk als adequate mereologische theorie. Daarmee is de overtuigingskracht van het Leibniziaanse argument dus al met al ook niet erg groot. De tegenwerping dat het geheel van alle veroorzaakte objecten zelf geen object hoeft te zijn om te kunnen vragen naar de reden voor haar bestaan lijkt bovendien ook geen uitkomst te bieden. Zodra we het geheel van alle veroorzaakte objecten niet als object opvatten is er namelijk geen grond meer om de reden voor het bestaan van dit niet-noodzakelijk bestaande geheel buiten zichzelf te zoeken. We kunnen dan immers volstaan met Hume's opmerking dat het bestaan van dit geheel voldoende is verklaard indien ieder object binnen dit geheel als oorzaak een ander object heeft binnen dit geheel. Deze verklaring is echter niet voldoende om te kunnen concluderen dat er een eerste oorzaak bestaat van alles buiten zichzelf.
Op deze manier komen dus de drie kosmologische argumenten voor het bestaan van God in de lucht te hangen. Nader onderzoek is nodig om te bepalen of de hier geschetste kritiek op de drie kosmologische argumenten overtuigend is.
Labels:
fine-tuning,
kalam,
kosmologisch godsbewijs,
Leibniz
maandag 5 oktober 2009
Het Kalam kosmologisch godsbewijs
Het Kalam kosmologisch godsbewijs is samen met Plantinga's modaal-logische herformulering van het ontologisch godsbewijs één van de meestbesproken godsbewijzen in het hedendaagse filosofische discours. We kunnen het Kalam kosmologisch godsbewijs op de volgende wijze schematisch weergeven: (1) Het universum heeft een begin (2) Dit begin is veroorzaakt (3) Deze oorzaak is persoonlijk.
Dit bewijs is door veel filosofen uitvoerig bekritiseerd. De kritiek richt zich meestal op het verwerpen van één of meerdere van de afzonderlijke tussenstappen van het bewijs. Zo vechten sommige filosofen (1) aan. Zij zijn niet overtuigd van de stelling dat ons universum is begonnen te bestaan. Door de ontwikkelingen in de moderne kosmologie (met name de opkomst van de in de eerste helft van de vorige eeuw ontwikkelde big bang theorie) is deze kritiek echter steeds onhoudbaarder geworden. Tegenwoordig zijn er nog weinig denkers die niet aannemen dat ons universum is begonnen te bestaan. Andere filosofen richten hun pijlen op claim (2). Zij zijn niet overtuigd van de bewering dat alles wat begint te bestaan een bestaansoorzaak moet hebben. Ook deze kritiek zal tegenwoordig nog door weinigen gedeeld worden. De tegenwerping dat iets wellicht zonder oorzaak zou kunnen ontstaan komt immers overeen met de voor ons als mens volstrekt absurde gedachte dat iets wellicht uit het niets zou kunnen ontstaan. De kritiek op (3) kan tegenwoordig in de regel op de meeste bijval rekenen. Waarom zou de oorzaak van ons universum immers een bewust subject zijn? Deze derde claim is in tegenstelling tot de overige twee claims van Kalam's godsbewijs voor ons inderdaad niet direct intuïtief aannemelijk.
Wij zullen hier echter geen uitvoerige beschrijving van het bewijs en al haar kritiek geven. In plaats daarvan willen wij wijzen op een problematisch aspect van het bewijs dat in de literatuur onderbelicht lijkt. Het probleem betreft het gegeven dat het Kalam kosmologisch godsbewijs géén bewijs lijkt te zijn van het bestaan van god. Tenminste, niet wanneer we god begrijpen als de unieke onvoorwaardelijke absolute oorsprong van de gehele werkelijkheid. Wat bewezen wordt is het bestaan van een bewuste oorzaak van ons temporele universum. De oorzaak van ons universum hoeft echter geenszins samen te vallen met de ultieme allerlaatste grond van de gehele werkelijkheid. Er is niets in het Kalam argument dat garandeert dat de oorzaak van ons universum correspondeert met de uiteindelijke absolute onvoorwaardelijke oorsprong van het zijnsgeheel.
Zo zou ons universum één van de vele universa binnen een multiversum kunnen zijn. De werkelijkheid zou anders gezegd een multiversum kunnen omvatten. Deze mogelijkheid wordt door het Kalam godsbewijs niet uitgesloten. In deze voor ons als mens voorstelbare situatie heeft ieder van de vele universa zijn eigen oorzaak. Deze collectie oorzaken zou dan op haar beurt zelf ook weer veroorzaakt kunnen zijn. Al met al drijven we zo wel erg ver weg van de gedachte dat de oorzaak van ons universum gelijk is aan god zoals het bewijs van Kalam wil. Het goddelijke allereerste beginsel van het zijnsgeheel (dat alle universa omvat) is immers niet gelijk aan de oorzaak van slechts enkele of zelfs één van deze universa (namelijk het onze). Een overtuigend godsbewijs is met het kosmologisch godsbewijs van Kalam dan ook niet gegeven. Hoogstens kunnen we met Kalam concluderen dat ons universum een oorzaak moet hebben.
Dit bewijs is door veel filosofen uitvoerig bekritiseerd. De kritiek richt zich meestal op het verwerpen van één of meerdere van de afzonderlijke tussenstappen van het bewijs. Zo vechten sommige filosofen (1) aan. Zij zijn niet overtuigd van de stelling dat ons universum is begonnen te bestaan. Door de ontwikkelingen in de moderne kosmologie (met name de opkomst van de in de eerste helft van de vorige eeuw ontwikkelde big bang theorie) is deze kritiek echter steeds onhoudbaarder geworden. Tegenwoordig zijn er nog weinig denkers die niet aannemen dat ons universum is begonnen te bestaan. Andere filosofen richten hun pijlen op claim (2). Zij zijn niet overtuigd van de bewering dat alles wat begint te bestaan een bestaansoorzaak moet hebben. Ook deze kritiek zal tegenwoordig nog door weinigen gedeeld worden. De tegenwerping dat iets wellicht zonder oorzaak zou kunnen ontstaan komt immers overeen met de voor ons als mens volstrekt absurde gedachte dat iets wellicht uit het niets zou kunnen ontstaan. De kritiek op (3) kan tegenwoordig in de regel op de meeste bijval rekenen. Waarom zou de oorzaak van ons universum immers een bewust subject zijn? Deze derde claim is in tegenstelling tot de overige twee claims van Kalam's godsbewijs voor ons inderdaad niet direct intuïtief aannemelijk.
Wij zullen hier echter geen uitvoerige beschrijving van het bewijs en al haar kritiek geven. In plaats daarvan willen wij wijzen op een problematisch aspect van het bewijs dat in de literatuur onderbelicht lijkt. Het probleem betreft het gegeven dat het Kalam kosmologisch godsbewijs géén bewijs lijkt te zijn van het bestaan van god. Tenminste, niet wanneer we god begrijpen als de unieke onvoorwaardelijke absolute oorsprong van de gehele werkelijkheid. Wat bewezen wordt is het bestaan van een bewuste oorzaak van ons temporele universum. De oorzaak van ons universum hoeft echter geenszins samen te vallen met de ultieme allerlaatste grond van de gehele werkelijkheid. Er is niets in het Kalam argument dat garandeert dat de oorzaak van ons universum correspondeert met de uiteindelijke absolute onvoorwaardelijke oorsprong van het zijnsgeheel.
Zo zou ons universum één van de vele universa binnen een multiversum kunnen zijn. De werkelijkheid zou anders gezegd een multiversum kunnen omvatten. Deze mogelijkheid wordt door het Kalam godsbewijs niet uitgesloten. In deze voor ons als mens voorstelbare situatie heeft ieder van de vele universa zijn eigen oorzaak. Deze collectie oorzaken zou dan op haar beurt zelf ook weer veroorzaakt kunnen zijn. Al met al drijven we zo wel erg ver weg van de gedachte dat de oorzaak van ons universum gelijk is aan god zoals het bewijs van Kalam wil. Het goddelijke allereerste beginsel van het zijnsgeheel (dat alle universa omvat) is immers niet gelijk aan de oorzaak van slechts enkele of zelfs één van deze universa (namelijk het onze). Een overtuigend godsbewijs is met het kosmologisch godsbewijs van Kalam dan ook niet gegeven. Hoogstens kunnen we met Kalam concluderen dat ons universum een oorzaak moet hebben.
Labels:
arche,
godsbewijs,
kalam,
kosmologisch,
multiversum
Abonneren op:
Posts (Atom)
