“Wie heeft je dat allemaal verteld?” vraagt de Egyptische farao Ramses aan zijn stiefbroer, die de farao net heeft gewaarschuwd dat hij het volk Israël moet laten gaan. “God,” antwoordt Mozes vastbesloten. Mooi vermaak, die Exodus film. Mozes ziet eruit alsof hij Batman had kunnen zijn, plagen in 3D en een onvermijdelijke vleug romantiek. Bijbelse spektakelstukken als Exodus en eerder al Noah doen het goed op het grote scherm.
Maar het idee dat Mozes echt boodschappen van boven door zou hebben kunnen krijgen, is bizar naar onze moderne standaarden. Het idee dat er een God bestaat, is al lang achterhaald. Laat staan eentje die met mensen praat en ingrijpt in de wereld. Er is geen enkel bewijs voor God en de wetenschap heeft aangetoond dat hij niet bestaat. Mensen die Gods stem horen zijn enge terroristen of moeten naar de GGZ. Die farao begrijpt het beter: “Ik ben een god” — in het diepst van mijn gedachten, zouden wij erbij zeggen.
Is geloof in een God die buiten ons bestaat en dingen kan doen inderdaad volkomen irrationeel? Niets is minder waar. Dit hele verhaal over hoe achterhaald en onredelijk geloof in God is, is een moderne mythe. In de academische filosofie van pakweg de laatste 40 jaar heeft zich een kentering voltrokken, juist op dit gebied. Jammer genoeg dringt dit maar nauwelijks door buiten de ivoren toren.
Aan het begin van de vorige eeuw dachten de meeste filosofen dat godsargumenten definitief ten grave waren gedragen door denkers als Immanuel Kant en David Hume. Maar dat beeld is inmiddels volledig achterhaald. Amerikaanse en Britse filosofen als Alvin Plantinga, Richard Swinburne, Robert Koons en Alexander Pruss ontwikkelden nieuwe argumenten voor het bestaan van God, die niet vatbaar zijn voor de traditionele bezwaren ertegen.
Om misverstanden te voorkomen: de argumenten waar we het hier over hebben gaan uit van aannames die voor de meeste mensen acceptabel zijn en komen vervolgens via strikt logische redeneerstappen op de God-conclusie uit. Ze zijn ook niet vergezocht en staan niet op gespannen voet met wetenschap. Integendeel, sommige ervan berusten juist op modern wetenschappelijk onderzoek, zoals de ogenschijnlijke fine-tuning van het universum en de ontdekking dat de kosmos een absoluut begin heeft gehad. De discussie over dergelijke argumenten is in de professionele filosofie springlevend.
Het populaire idee dat geloof en wetenschap verwikkeld zijn in een lange strijd is dan ook een verzinsel. Er is niets irrationeel aan geloof in God. In de tijd van Mozes niet. En nu niet.
Emanuel Rutten en Jeroen de Ridder zijn beide onderzoeker en docent aan de Afdeling Wijsbegeerte van de Vrije Universiteit Amsterdam
De Volkskrant plaatste ons stuk vandaag in de opiniebijlage van hun krant. Inmiddels heeft men het ook hier online geplaatst.
Posts tonen met het label Film. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Film. Alle posts tonen
dinsdag 30 december 2014
vrijdag 26 november 2010
Over het begrip 'aura' in Walter Benjamins kunstwerkessay
In 1936 verscheen in het Zeitschrift für Sozialforschung het essay ‘Het kunstwerk in het tijdperk van zijn technische reproduceerbaarheid’ van Walter Benjamin. Een door Benjamin omgewerkte versie van dit essay werd in 1955, vijftien jaar na zijn dood, gepubliceerd. In zijn essay betoogt Benjamin uitvoerig dat de moderne mogelijkheden om kunstwerken technisch te reproduceren het karakter van de kunst diepgaand heeft veranderd. Voor wat betreft de moderne mogelijkheden van technische reproduceerbaarheid denkt Benjamin vooral aan de fotografie en de film, waarbij ‘voor het eerst de hand in het proces van de reproductie van beelden ontheven werd van de belangrijkste artistieke taken’ die ‘vanaf nu enkel aan het in de lens kijkende oog toevielen’. De opkomst van de fotografie en de film maakte het mogelijk om traditionele kunstwerken, zoals schilderijen en beeldhouwwerken, te onderwerpen aan ‘diep doordringende’ vormen van technische reproductie. Hierdoor gaat volgens Benjamin de ‘aura’ van dit soort kunstwerken verloren. Hij spreekt in dit verband van het ‘wegkwijnen’, het ‘ineenschrompelen’ en het ‘vergruizen’ van de aura van het kunstwerk. Het begrip aura speelt in Benjamins essay een doorslaggevende rol. Het is niet eenvoudig om te achterhalen wat hij nu precies met dit begrip bedoeld. De aura van een kunstwerk lijkt te verwijzen naar een aantal verschillende, maar hecht met elkaar samenhangende, elementen. In mijn artikel Over het begrip 'aura' in Walter Benjamins kunstwerkessay breng ik deze elementen in kaart. Ik kom in totaal tot tien verschillende aspecten van de aura van een kunstwerk. Genoemd artikel is inmiddels ook beschikbaar op filosofieblog.
Labels:
aura,
esthetiek,
fascisme,
Film,
fotografie,
kapitalisme,
kunst,
Walter Benjamin
Abonneren op:
Posts (Atom)
