Posts tonen met het label Kierkegaard. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Kierkegaard. Alle posts tonen

vrijdag 27 december 2013

Kierkegaards indirecte mededeling

"De vorm van de indirecte mededeling is volgens Kierkegaard nodig als iemand een ander ethisch of religieus wil aansporen. Kierkegaard gaat ervan uit dat de aangesprokene met betrekking tot die zaken eigenlijk al beschikt over de noodzakelijke kennis, maar er vooral nog toe geprikkeld moet worden onvoorwaardelijk te kiezen voor een bepaalde bestaanswijze. Informatieve berichten of logische demonstraties hebben daartoe geen nut. Zulke directe mededelingen zouden zelfs contraproductief kunnen werken, want als een leermeester onmiddellijk onder woorden brengt wat hij bedoelt, kunnen anderen hem klakkeloos napraten, zonder innerlijk te realiseren wat het bericht voor hen te betekenen heeft. Daarom moet de religieuze of ethische leraar zich bedienen van een maieutische methode: hij moet net als Socrates een 'vroedmeester' willen zijn die slechts assisteert, terwijl de leerling zelf geboorte geeft aan zijn inzichten. De laatste mag "juist geen enkele gunstige voorstelling van deze ander [de leraar] hebben, want anders wordt immers die gunstige voorstelling een hindernis voor hem om op zichzelf te staan". Om zijn leerling autonoom te maken moet de meester hem van zich afstoten, wat hij kan bewerkstelligen door zijn werkelijke gedachten te verbergen achter een ironisch masker. Dat is hoe zijn boodschap tot een indirecte mededeling wordt: hij laat merken dat hij niet meent wat hij zegt, terwijl hij de leerling in het ongewisse laat over zijn eigenlijke bedoeling. Uiterlijk lijkt de leraar zo met alles de draak te steken; zijn verborgen ernst is echter dat hij de ontwikkeling van zijn leerling uiterst serieus neemt. De pseudoniemen die het woord voeren in [Kierkegaards] Of/Of, kunnen zo gezien worden als ironische maskers waarmee Kierkegaard zijn ware bedoelingen voor de lezer wil achterhouden."

Wout van Tongeren, “Uitzinnige personages. Over Kierkegaards pseudonieme strategie als een onbedwingbaar toneelspel,” Tijdschrift voor Filosofie 2 (2013): pp. 252-3


zondag 2 januari 2011

Wanneer boekt de filosofie vooruitgang?

Wanneer boekt de filosofie vooruitgang? Het antwoord lijkt te moeten zijn dat dit alleen het geval is op het moment dat het denken zelf een nieuwe aanvang neemt. Filosofie groeit door het ontsluiten van nieuwe denkvormen, originele oorspronkelijke wijzen van denken, en niet door het ontwikkelen van specifieke denkinhouden. Het criterium voor wat nieuwe filosofie is, is daarom louter formeel, dat wil zeggen gericht op de vorm in plaats van op de inhoud van het denken. Nieuwe denkinhouden betreffen bestaande filosofie; een nieuwe manier van denken is daarentegen nieuwe filosofie, een nieuwe aanvang.

Het eerste echt bepalende moment in de geschiedenis van de filosofie is daarom de door Plato ingevoerde wijze van denken. Plato introduceerde een denkvorm die we zouden kunnen aanduiden als het rationeel-universalisme. Zijn project is het project van de universele rede. Plato's denken is een rigoreus waarheidsdenken. Het is een denken dat ervan uit gaat dat er waarheden bestaan die voor iedereen op dezelfde wijze gelden. Deze universele waarheden zijn volgens dit denken rationeel afleidbaar uit algemene begrippen en principes, kortweg 'ideeën' genoemd.

De door Plato geïntroduceerde denkwijze zou meer dan tweeduizend jaar, tot diep in de negentiende eeuw, maatgevend blijven. Of het nu gaat om Aristoteles, Plotinus, Augustinus, Thomas, Descartes, Leibniz, Spinoza, Kant, Schopenhauer of Hegel, zij allen denken vanuit Plato's project van de universele rede. Ieder van hen is dan ook een waarheidsdenker. Ieder van hen tracht algemeen geldige waarheden te achterhalen vanuit universele begrippen en principes.

Pas halverwege de negentiende eeuw, bij Kierkegaard, weet het denken voor het eerst sinds Plato een nieuwe aanvang te nemen. Kierkegaard breekt met de idee van de universele rede en omarmt in plaats daarvan de subjectiviteit en pluriformiteit. Het gaat hem niet om het denken van algemene begrippen en principes, maar om het denken van existentie. Dit is een denken dat zich richt op het concrete bestaan. In zijn werk opent Kierkegaard een nieuwe ruimte voor het denken door de Platoonse universele rede uiteen te laten vloeien in een onherleidbare menigvuldigheid van narratieve particulariteiten. Het denken manifesteert zich bij hem voor het eerst als een denken van het feitelijke individuele leven, en niet, zoals bij Plato, als een abstract weten ofwel theoretisch kennen van het algemene.

Na Kierkegaard weet het denken nog slechts eenmaal opnieuw aan te vangen. Het is Heidegger die in de eerste helft van de twintigste eeuw voor deze derde en vooralsnog laatste nieuwe aanvang in de filosofie verantwoordelijk is. Heidegger denkt als eerste de ontologische differentie tussen de zijnden en het zijn, alsmede de wisselwerking tussen beiden. Daarmee ontsluit hij een nieuwe denkvorm die kan worden beschouwd als een 'derde weg' tussen enerzijds het logische universalisme van Plato, hetgeen een abstracte objectuele wijze van denken betreft, i.e. een theoretisch denken vanuit zijnden, en anderzijds het existentialisme van Kierkegaard, dat daarentegen een concreet-subjectivistisch bestaansdenken betreft ofwel een denken dat spreekt over en tot het (menselijke) zijn zelf. Heidegger weet zo met zijn zijnsdenken voorbij het denken van Plato en Kierkegaard te reiken. Het denken van Heidegger overstijgt de denkvormen van Plato en Kierkegaard door beiden op elkaar te betrekken en zo tot een nieuwe mogelijkheid voor het denken te komen.

vrijdag 13 augustus 2010

Kan volgens Kierkegaard een esthetisch leven ethisch zijn?

Kierkegaard maakt in zijn Of/Of een onderscheid tussen een esthetische en ethische manier van leven. De esthetische ironische levenswijze wordt gekenmerkt door een algehele vrijblijvendheid en ongebondenheid waarin alles om het even is, terwijl de ethische verbindende levenshouding wordt bepaald door een duurzame keuze waarvoor in alle ernst verantwoordelijkheid wordt genomen.

De vraag is echter wat Kierkegaard zou zeggen tegen een estheet die stelt oprecht en resoluut in alle vrijheid en ernst te kiezen voor zijn of haar esthetische leven. Maakt zo'n keuze een dergelijk leven niet alsnog ethisch? Er kunnen echter, uitgaande van Kierkegaard's denken, drie argumenten worden gegeven voor de stelling dat een estheet niet voor zijn esthetische leven kan kiezen.

1) Het leven van de estheet wordt naar haar kern gekarakteriseerd door de weigering om te kiezen. Een estheet kiest dus per definitie nooit. Het is daarom eenvoudigweg conceptueel incoherent om te beweren dat een estheet voor zijn of haar esthetische leven zou kunnen kiezen. Een dergelijke uitspraak valt te vergelijken met contradictoire concepties als 'vierkante cirkel' of 'getrouwde vrijgezel'.

2) Een keuze gaat altijd gepaard met het nemen van verantwoordelijkheid voor de ingeslagen weg. Welnu, het nemen van verantwoordelijkheid is een estheet vreemd. Een estheet neemt helemaal nergens verantwoordelijkheid voor. Precies daarom is het onmogelijk voor een estheet om als estheet te kiezen. Zodra een estheet kiest houdt hij of zij dus op estheet te zijn.

3) Een keuze betreft altijd een positieve inhoud. De voorkeur om zich met niets te willen verbinden is echter louter negatief en daarom geen keuze.

(Met dank aan A.P. den Dulk wiens uitstekende artikel 'Voorbij de doelloze ironie' in de bundel 'Het postmodernisme voorbij?' ik onlangs las en die mij een eerste schets van een antwoord op genoemde vraag stuurde waaraan ik bovengenoemde drie argumenten grotendeels ontleen)