zaterdag 26 september 2026

Is natuurlijke selectie onbarmhartig?

Een bekend probleem van natuurlijke selectie voor het christendom is dat dit mechanisme onbarmhartig zou zijn en dus moeilijk te rijmen valt met een liefdevolle barmhartige God. Maar is hier werkelijk sprake van een probleem? Het beginsel dat organismen die het meest aan hun omgeving zijn aangepast de grootste kans hebben om te overleven en dus eerder nakomelingen zullen krijgen dan organismen die minder of niet aangepast zijn, lijkt bij nader inzien een tautologie. Het lijkt anders gezegd een analytische bewering te betreffen. Maar als het gaat om een conceptuele waarheid, dan is dit selectieprincipe a priori noodzakelijk waar. Het kan niet anders dan waar zijn. Want in elke mogelijke wereld zal uiteraard degene die het meest aan zijn omgeving is aangepast de grootste overlevings- en dus voortplantingskans hebben. Het beginsel van natuurlijke selectie is daarmee vergelijkbaar met andere conceptuele en dus a priori noodzakelijke waarheden, zoals dat een gegeven oppervlak niet tegelijkertijd geheel rood en geheel groen kan zijn of dat niets een ondoordringbaar oppervlak kan doordringen. Zelfs God is aan dergelijke analytische waarheden gehouden, daar is niets onbarmhartigs aan.

Hetzelfde is wellicht het geval voor het evolutionaire principe van overeenkomstige nakomelingen. Overeenkomst bij nakomelingen lijkt immers eveneens conceptueel onvermijdelijk. Nakomelingen moeten voldoende op hun ouders lijken om überhaupt over voortzetting van dezelfde levensvorm te kunnen spreken. Tenslotte is misschien iets soortgelijks het geval bij het derde en laatste principle van evolutie, namelijk variatie. Variatie in nakomelingen mag dan geen conceptuele waarheid zijn, maar het is mogelijk wel metafysisch onvermijdelijk indien bij iedere reproductie in de materiële werkelijkheid hoe dan ook onvermijdelijk zo nu en dan kopieerfouten optreden.

donderdag 24 september 2026

Goed handelen als ontologisch handelen

In zijn boek Horror metaphysicus (Kok Agora 1989) schetst Kolakowski een interessante gedachte die ik hier nader uitwerk. Volgens Thomas vallen het goede en het zijn samen, zodat het kwade, zoals Augustinus leert, de afwezigheid is van het goede. Maar dan levert een vrije creatieve menselijke handeling waarin een nieuw goed tot stand wordt gebracht een zijnsvermeerdering op. En als God de grond en volheid van het zijn is, dan vermeerdert zo'n goede handeling zelfs Gods zijnsuitdrukking. Hier volstaat elk voorbeeld van een goede handeling. Zijn en God worden geïmpliceerd in iedere goede handeling. De gedachte is dan ook dat ethisch handelen niet alleen ethische gevolgen heeft voor de betrokkenen, maar ook ontologische gevolgen heeft voor het zijn als zodanig en daarmee zelfs voor God zelf. De overweging die ik inbreng is logisch conditioneel. Als het goede en het zijn convertibel zijn, zoals de Thomistische transcendentalialeer veronderstelt, en als God de diepte is van het zijn, ongeveer op de wijze zoals Paul Tillich God en zijn verbindt, dan zal een goede handeling invloed hebben op het zijn en daarmee op God als uitdrukking daarvan. Dienen we beide premissen te accepteren? Dat is een andere vraag.