Posts tonen met het label kunst. Alle posts tonen
Posts tonen met het label kunst. Alle posts tonen
zondag 19 april 2026
Gadamer VU bijeenkomsten en colleges
Eind 2025 en begin 2026 heb ik op de Vrije Universiteit in Amsterdam drie bijeenkomsten verzorgd voor masterstudenten en promovendi filosofie en theologie over een groot deel van Deel I van Hans-Georg Gadamers monumentale werk ‘Waarheid en Methode. Hoofdlijnen van een filosofische hermeneutiek’. Deze bijeenkomsten zijn inmiddels op youtube beschikbaar. De eerste bijeenkomst hier en dan zo verder tot Bijeenkomst 3 Deel 2. In maart en april 2026 gaf ik vervolgens voor het vak Symbolisch leven I binnen de tweejarige VU master ‘Filosofie van cultuur en bestuur’ vier colleges over dezelfde literatuur. Het betreft in totaal twaalf uur college. Deze colleges zijn eveneens op youtube beschikbaar. Het eerste college hier en dan zo verder tot College 4 Deel 2. Voor deze collegereeks schreef ik aantekeningen die ik hier beschikbaar heb gemaakt.
zaterdag 10 januari 2026
Kants vrije en aanhangende schoonheid
Als bij Kant de esthetische oordeelskracht volledig bepaald zou worden door het standpunt van de smaak als belangeloos welbehagen, voortkomend uit het vrije spel van de kenvermogens, dan zou het zuivere begripsloze smaakoordeel het primaat hebben boven het intellectualistische, geïnteresseerde, aan een begrip hangende smaakoordeel. Het zuivere smaakoordeel is immers volledig vrij en onvoorwaardelijk, omdat het niet betrokken is op begrippen. Het als schoon ervaren object bevalt 'op zich' en veroorzaakt dus belangeloos welbehagen los van enige begrippelijkheid. Dit is wat telt als het vrije belangeloze gevoel van welbehagen allesbepalend is. De zuivere schoonheid vormt zo de kern of essentie van het smaakoordeel en daarmee van de esthetische oordeelskracht. De aanhangende schoonheid houdt daarentegen ook rekening met het begrip omdat het object onder een bepaald begrip wordt beschouwd. Doordat het uitziet naar een begrip is het niet volledig vrij, onvoorwaardelijk en zuiver. Wanneer het standpunt van de smaak als vrij, belangeloos welbehagen allesbepalend is, dient aanhangende schoonheid dus gewaardeerd te worden als door het begrip vertroebelde en beknotte schoonheid. Aanhangende schoonheid moet dan ten opzichte van zuivere schoonheid begrepen worden als beperking of inperking. De zuivere schoonheid, dat wat zonder begrip bevalt, zou dan als de eigenlijke schoonheid gelden. Maar zo is het voor Kant niet. De maatstaf van de smaak, van het belangeloze vrije welgevallen, is volgens Kant voor de esthetische oordeelskracht vooral voorwaardelijk en niet allesbepalend. Het is anders gezegd noodzakelijk, maar niet voldoende. Dit blijkt met name wanneer we ons meer specifiek richten op zijn denken over de kunst. Kunst betreft volgens Kant een schepping van het genie en het genie schept door het uitdrukken van esthetische ideeën die veel te denken geven. Dit laat zich lezen als een erkenning dat het voor wat betreft de kunst ook gaat om de vraag hoe betekenisvol, rijk en levendig het vrije belangeloze spel tussen verstand en verbeelding uiteindelijk is. Het spel moet in het geval van kunst anders gezegd productief zijn. Het moet resulteren in een intensivering van het levensgevoel door een verlevendiging van de kenvermogens. Maar dan zou zelfs betoogd kunnen worden dat specifiek voor door het genie voortgebrachte kunst aanhangende intellectuele schoonheid uiteindelijk het primaat heeft boven vrije zuivere begripsloze schoonheid. Want aanhangende schoonheid betreft schoonheid waarbij het verstand de verbeeldingskracht productief laat zijn en stimuleert door het aanreiken of suggereren van begrippen om vrij en belangeloos mee te spelen. Bovendien doet aanhangende schoonheid historisch-fenomenologisch hoe dan ook meer recht aan het smaakbegrip omdat, zoals Gadamer in Waarheid en Methode betoogt, smaak altijd een beoordeling vanuit een betekenisvolle context betreft, dus concreet gericht is op de gehele leefwereld in plaats van abstract op slechts één geïsoleerd object, terwijl het zuivere schoonheidsoordeel volkomen begripsloos en dus geheel contextloos is.
zaterdag 27 december 2025
Plato's anamnese en de kunst
Volgens Plato verkrijgen wij inzicht in het wezen van bijvoorbeeld het schone door ons dit te herinneren. En wij herinneren het ons door het aanschouwen van een schone gestalte. Kennis is bij Plato dus gegrond in herinnering en manifesteert zich als herkenning. Maar doet kunst niet precies dat? Ons helpen het uitgebeelde te herkennen en zo het wezen ervan te kennen? Toch ontzegt Plato de kunst deze cognitieve rol en bestempelt hij haar als louter schijn.Plato begrijpt kunst namelijk als nabootsing en wijst haar af omdat kunstwerken volgens hem beelden van beelden zijn en daardoor te ver van de waarheid afstaan. Hij verwerpt kunst dus omdat zij onvoldoende in staat zou zijn een epistemische functie te vervullen. Zijn probleem met kunst is daarmee niet dat zij niets met waarheid van doen zou hebben, maar juist dat zij tekortschiet in het dienen van de waarheid. Maar wat nu als Plato zich vergist in de wijze waarop kunst haar epistemische functie vervult? Wat als kunst in dienst staat van de waarheid door deze oorspronkelijk te openbaren in plaats van haar nabootsend te representeren?
Labels:
herinneren,
herkennen,
kennis,
kunst,
Plato
maandag 1 december 2025
Nieuwe collegereeks voor de tweejarige VU master Filosofie van cultuur en bestuur: Hans-Georg Gadamer, Waarheid en methode, Deel I
InhoudWaarheid en methode (1960) is Gadamers monumentale poging om de waarheidservaring die plaatsvindt in kunst, geschiedenis en taal te bevrijden uit het keurslijf van methodisch-wetenschappelijke rationaliteit. Tegenover de moderne overtuiging dat kennis vooral gebaseerd is op controleerbare methoden, stelt Gadamer dat er vormen van begrijpen bestaan die juist niet methodisch te reduceren zijn, maar wortelen in traditie, spel, dialoog en historische verbondenheid. Het boek ontvouwt een filosofische hermeneutiek waarin de ervaring van waarheid niet langer uitsluitend ligt in objectieve vaststelling, maar in een gebeuren van verstaan waarin wij altijd al betrokken zijn. Deel I van Waarheid en methode speelt in dit geheel een cruciale rol. In dit deel onderzoekt Gadamer de kunstervaring als model van wat ik in mijn tweeluik Het Retorische Weten I/II (Leesmagazijn, 2018/2021) aanduid als niet-epistemische waarheid. Door de formalistische esthetische begrenzingen van de moderne kunstopvatting te doorbreken, laat Gadamer zien hoe kunst ons aanspreekt en ons een waarheid laat ervaren die zich niet laat herleiden tot methodische analyse. Deel I bereidt daarmee de weg voor de latere delen, waarin geschiedenis en taal als andere, even fundamentele velden van hermeneutische waarheid worden uitgewerkt.
Programma
Eerste college (dinsdag 10 maart van 19:00 tot 22:00): Het transcenderen van de esthetische dimensie (tot en met “De interesse in het natuurschoon en het kunstschoon”);
Tweede college (dinsdag 17 maart van 19:00 tot 22:00): De relatie tussen smaak en genie (tot en met “Het dubieuze van de esthetische vorming”);
Derde college (dinsdag 31 maart van 19:00 tot 22:00): Kritiek op de abstractie van het esthetisch bewustzijn (tot en met “De temporaliteit van het esthetische”);
Vierde college (dinsdag 7 april van 19:00 tot 22:00): Het voorbeeld van het tragische (tot en met “Reconstructie en integratie als hermeneutische taken”).
Literatuur
Hans-Georg Gadamer, Waarheid en methode, Hoofdlijnen van een filosofische hermeneutiek, Vertaald door Mark Wildschut, Uitgeverij Vantilt, 2014.
dinsdag 31 december 2024
Ware kunst
Welke waarheidsnotie is uitgaande van mijn waarheidsanalyse in Het Retorische Weten II (2021), maar zie ook hier, in het geding wanneer wij een kunstwerk dat geen stand van zaken of feit afbeeldt waar noemen? Het gaat uiteraard niet om feitelijke epistemische waarheid oftewel om een uitdrukking van zijnden. Het betreft ófwel niet-feitelijke epistemische waarheid oftewel een uitdrukking van het (zin- of stemmingsgehalte van het) zijn, ófwel niet-epistemische waarheid op het niveau van het ethos dan wel op het niveau van het pathos. Heidegger zou, gelet op zijn denken over kunst en waarheid in De oorsprong van het kunstwerk (1950), zich waarschijnlijk het meest thuisvoelen bij de eerste mogelijkheid. Een waar kunstwerk betreft volgens Heidegger namelijk een uitdrukking van het zijn omdat het de waarheid van het zijn toont door te zijn zoals het zijn zelf is: een tegenspel van lichting en verberging in de strijd van het openende van wereld en het bewarende van aarde. Betreft echter de tweede mogelijkheid, niet-epistemische waarheid op het niveau van het ethos dan wel het pathos, een aanvullende notie van waarheid die in het werk van Heidegger als zodanig niet voorkomt? Dit lijkt mij wel. Toen ik in Het Retorische Weten II het begrip niet-epistemische waarheid introduceerde, was dat achteraf beschouwd een gevolg van het ervaren van een ademnood. Een nood die alleen geledigd kon worden door een niet-epistemisch begrip van waarheid te overwegen dat niet alleen het klassieke epistemische waarheidsbegrip als correspondentie met standen van zaken, maar eveneens Heideggers uiteindelijk ook epistemisch begrip van waarheid, namelijk waarheid als ontologisch zijnsverstaan, overstijgt.
Labels:
Heidegger,
HetRetorischeWeten,
kunst,
waarheid
zaterdag 7 december 2024
Het geheim van de taal
Het geheim van de taal is daarin gelegen dat woorden niet opgaan in de erdoor uitgedrukte betekenis en dat wat zich in het woord aan de betekenis onttrekt niet louter het betekenisloze teken is. Zo bepalen vorm en klank de wijze waarop betekenis ervaren wordt. Maar ze doen tegelijkertijd meer dan dat. En vooral in dit meer berust het geheim van de taal. Goed communiceren gaat dan ook veel verder dan aandacht hebben voor de uit te drukken betekenis of zin. En dat precies omdat de werking van een zin niet opgaat in de zin die het uitdrukt. Waar het om gaat is het steeds tegelijkertijd oog en oor hebben voor het samenspel tussen klank, vorm en zin. Alleen wie dit spel goed speelt, zal goed communiceren. Dit spel kan los van het spreken gespeeld worden. Betekenis en vorm geschieden immers ook schriftelijk. En zelfs klank doet tot op zekere hoogte mee omdat gelezen woorden innerlijk resoneren en klinken. Het geheim van de taal is overigens niet zomaar voorhanden. De dichtkunst kan als ingang dienen tot het ervaren ervan. En eveneens de rijke retorische traditie.
Labels:
betekenis,
dichtkunst,
kunst,
Retorica,
taal
woensdag 14 februari 2024
Plato’s afkeer van retorica
In zijn Politeia verwerpt Plato de kunst omdat kunstwerken beelden van beelden zijn en daarom te ver van de oorspronkelijke Ideeën afstaan. Dit zou zijn wantrouwen tegenover de taal en zijn voorkeur voor intellectuele aanschouwing met het geestesoog kunnen verklaren. Want wellicht had reeds Plato, net zoals pas veel later Wittgenstein, de intuïtie dat de taal als geheel van proposities bestaat uit beelden van standen van zaken. En dus uit beelden van beelden. De taal staat dan dus eveneens te ver van de Ideeën af. Plato’s afkeer van de retorica zou dan niet alleen berusten op de vermeende misleiding van retoren, maar vooral op het gegeven dat retoren nadrukkelijk taal gebruiken. Het zou zijn aanval op de retorica nog problematischer maken dan deze al is.
dinsdag 20 december 2011
Kunst en religie

Afgelopen week werd tijdens het afscheid van prof. dr. Wessel Stoker, als bijzonder hoogleraar Esthetiek aan de Vrije Universiteit te Amsterdam, het boek ‘Kunst en Religie’ gepresenteerd. Het bevat essays van oud-studenten en promovendi van de drie faculteiten waaraan Wessel Stoker was verbonden, namelijk, Nederlandse Letteren, Wijsbegeerte en Theologie. Mijn essay, getiteld 'Goddelijke verheffing of spel van vrees en lust? Het sublieme bij Longinus, Burke en Kant' is ook in de bundel opgenomen. Het boek is uitgegeven door Uitgeverij Mathesis, en voor € 17,50 (plus 3 euro porto/verpakkingskosten) te bestellen bij de Uitgeverij Mathesis, een imprint van Uitgeverij Ansgar Editons, ansgar-editions@hetnet.nl of info@ansgardesign.nl
vrijdag 26 november 2010
Over het begrip 'aura' in Walter Benjamins kunstwerkessay
In 1936 verscheen in het Zeitschrift für Sozialforschung het essay ‘Het kunstwerk in het tijdperk van zijn technische reproduceerbaarheid’ van Walter Benjamin. Een door Benjamin omgewerkte versie van dit essay werd in 1955, vijftien jaar na zijn dood, gepubliceerd. In zijn essay betoogt Benjamin uitvoerig dat de moderne mogelijkheden om kunstwerken technisch te reproduceren het karakter van de kunst diepgaand heeft veranderd. Voor wat betreft de moderne mogelijkheden van technische reproduceerbaarheid denkt Benjamin vooral aan de fotografie en de film, waarbij ‘voor het eerst de hand in het proces van de reproductie van beelden ontheven werd van de belangrijkste artistieke taken’ die ‘vanaf nu enkel aan het in de lens kijkende oog toevielen’. De opkomst van de fotografie en de film maakte het mogelijk om traditionele kunstwerken, zoals schilderijen en beeldhouwwerken, te onderwerpen aan ‘diep doordringende’ vormen van technische reproductie. Hierdoor gaat volgens Benjamin de ‘aura’ van dit soort kunstwerken verloren. Hij spreekt in dit verband van het ‘wegkwijnen’, het ‘ineenschrompelen’ en het ‘vergruizen’ van de aura van het kunstwerk. Het begrip aura speelt in Benjamins essay een doorslaggevende rol. Het is niet eenvoudig om te achterhalen wat hij nu precies met dit begrip bedoeld. De aura van een kunstwerk lijkt te verwijzen naar een aantal verschillende, maar hecht met elkaar samenhangende, elementen. In mijn artikel Over het begrip 'aura' in Walter Benjamins kunstwerkessay breng ik deze elementen in kaart. Ik kom in totaal tot tien verschillende aspecten van de aura van een kunstwerk. Genoemd artikel is inmiddels ook beschikbaar op filosofieblog.
Labels:
aura,
esthetiek,
fascisme,
Film,
fotografie,
kapitalisme,
kunst,
Walter Benjamin
Abonneren op:
Posts (Atom)
