dinsdag 2 juni 2026

The Essential Oratore

Tijdens het lezen van de Nederlandse vertaling van Cicero's OratoreRomeinse redenaars, van Marcus Tullius Cicero, vertaald door Vincent Hunink (Noordboek Filosofie, 2023), noteerde ik belangwekkende passages en voorzag ik sommige van commentaar. Zo ontstond wat ik aanduid als The Essential Oratore. Het volgt hieronder.

1. In Brutus introduceert Cicero een nieuw retorisch drietal: beraad, inzicht en gezag. Het is de taak van de retorica om de “wapens” of het instrumentarium voor dit drietal aan te leveren.

2. In Brutus stelt Cicero dat de nieuwe op Socrates teruggaande filosofie ontstond als verzet tegen de retorica en in die zin dus een zijpad is van de geschiedenis van de welsprekendheid.

3. “Want goed spreken kan alleen met helder denken en inzicht. Wie dus inzet op ware welsprekendheid doet dat ook op helder denken. Zelfs in de grootste oorlogen kan een mens niet zomaar zonder.” (Brutus 23, Cicero)

4. Cicero noemt Homerus een redenaar vanwege zijn rijke stijl en het vele lof dat hij toezwaait aan Odysseus en Nestor. (Brutus 40)

5. Volgens Gorgias is iets door aanprijzing vergroten en door kritiek verkleinen de eigenlijke taak van de redenaar (Brutus 47). Alles wat een redenaar doet, komt blijkbaar neer op ‘schalen’ oftewel het versterken of verzwakken van een positie.

6. “Zoals de roem van een mens zijn geest is, zo is het licht van zijn geest de welsprekendheid. En wie daarin uitblonk noemden de mensen van toen heel fraai “bloemen van het volk”” (Brutus 59, Cicero)

7. In Brutus 170 introduceert Cicero het coloriet. Het coloriet van een redenaar is een moeilijk te definiëren maar direct herkenbare eigenheid in woordkeus, woordvolgorde, toon, ritme en smaak die zijn spreken een authentiek karakter geeft. Coloriet is transversaal omdat het zowel stijl als inhoud doordringt.

8. In onze grote, oude politieke gemeenschap, waar op welsprekendheid de hoogste beloningen stonden, had iedereen de ambitie om in het openbaar te spreken, een minderheid de durf daartoe en maar een klein groepje het vermogen.” (Brutus 182) Cicero breidt het klassieke ‘willen en kunnen’-topos van Gorgias hier uit tot een drieslag: ‘willen, durven en kunnen’.

9. Een redevoering van een redenaar kent “één grondtoon, één stijl.” (Brutus 100, Cicero)

10. “De school van Epicurus levert de minst goede sprekers op.” (Brutus 131, Cicero)

11. “The school of Epicurus produces the least accomplished orators.” (Brutus 131, Cicero)

12. “De Stoïcijnen steken al hun tijd en aandacht in logica. Het soort spreken dat niet zo precies bepaald is, dat breder uitwaaiert en meerdere lagen kent, passen ze niet toe.” (Brutus 119, Cicero)

13. “De Peripatetici en Academici hebben in het algemeen wel een bepaalde kijk op retorica: een volmaakte redenaar krijg je niet van retorica alleen, en zonder retorica geen volmaakte redenaar.” (Brutus 119, Cicero)

14. “Schemata (figuren) vormen de grootste sieraden voor een redenaar. Ze kleuren niet zozeer de woorden, maar geven glans aan de inhoud.” (Brutus 141, Cicero)

15. “Zien wat gezegd moet worden helpt niet wanneer je dat niet vloeiend en aangenaam kunt uitdrukken. En ook dat is niet voldoende als de woorden niet worden ondersteund door stemgeluid, gezichtsuitdrukking en lichaamstaal.” (Brutus 110, Cicero)

16. Geslaagde retorische teksten “vertonen de natuurlijke teint van de waarheid, geheel zonder make-up.” (Brutus 162, Cicero)

17. "Het zijn namelijk drie dingen, althans naar mijn idee, die je met spreken moet zien te bereiken bij degene tot wie je spreekt: hij moet er iets van leren, zich amuseren en krachtig in zijn emotie worden geraakt.” (Brutus 185). Cicero introduceert hier het onderscheid tussen ‘docere’ of het publiek kundig onderwijzen, ‘delectare’ of het publiek behagend binden en ‘movere’ of het publiek gevoelsmatig bewegen. Hoewel het gaat om doelen van de speech, taken van de redenaar of effecten op het publiek doet deze drieslag denken aan het klassieke onderscheid tussen de overtuigingsmiddelen logos, ethos en pathos.

18. Er bestaat volgens Cicero blijkbaar niet zoiets als het verschil tussen hoge en lage kunst in de retorica: “Wie als spreker succes heeft bij de massa heeft dat ook bij de experts. […] Wat voor redenaar iemand is kun je opmaken uit het effect van zijn woorden.” (Brutus 184) “En zo is er dus nooit verschil van mening geweest tussen deskundigen en gewone mensen over de vraag of een redenaar wel of niet goed is.” (185) “Wat juist dit hoort bij een topredenaar: dat het gewone volk hem een topredenaar vindt.” (186). Kortom, Cicero ontkent het verschil tussen hoge en lage retorica.

19. “Antonius en Crassus […] zijn naar mijn mening onze grootste redenaars: bij hen evenaart de Latijnse retorische rijkdom voor het eerst de glorie van de Grieken.” (Brutus 137, Cicero)

20. In Brutus 152 stelt Cicero dat de dialectiek “de grootste van alle kunsten” is. Hier spreekt de redenaar: dit is geen categorisch oordeel, maar een retorische hyperbool. Cicero verhoogt retorisch de dialectiek om met kracht het punt te maken dat zonder helder denken elke inhoud uiteenvalt.

21. "Krachtens de Lex Pompeia hadden we maar drie uur spreektijd per keer. […]” (Brutus 324, Cicero)

22. "[Dialectiek leert] een groter geheel splitsen in onderdelen, het niet evidente naar boven halen middels definitie, wat duister is verhelderen door uitleg, ambiguïteit eerst doorzien en vervolgens verwoorden, kortom, een richtsnoer hanteren waarmee je kunt beoordelen wat waar en onwaar is en welke conclusies er al dan niet volgen op bepaalde premissen.” (# Brutus 152, Cicero)

23. Cicero ontkent dat Attisch spreken neerkomt op sober of schraal spreken. Hij definieert het als zuiver, natuurlijk en passend, maar tegelijk krachtig en veelzijdig spreken. Het Attische ideaal berust op de kracht van de gedachte, het ritme van de zin, en de emotionele werking van het woord. Het omvat verschillende stijlniveaus zonder gekunsteld of bombastisch te worden en vraagt telkens inzet van de juiste middelen om te onderwijzen, te behagen en te bewegen. (Brutus 284-291)

24. “Per periode, zo kunnen we constateren, waren er amper twee redenaars die echt waardering verdienden.” (Brutus 333, Cicero)

25. “In elke zaak heb je één natuurlijk begin en één afronding. De overige onderdelen zijn als ledematen, die elk op hun plek moeten zitten en daar hun kracht en waarde hebben.” (Brutus 209) Cicero meent dat iedere zaak een natuurlijke orde heeft die wordt ontsloten door de redevoering. Daarom is iedere geslaagde speech een organisch geheel. Retorica krijgt hier een welhaast ontologisch-epistemische functie.

26. “Bij een lier kun je aan de klank van de snaren meestal horen hoe kundig ze zijn beroerd. Zo ook kun je aan de emoties aflezen hoe goed een redenaar die bespeelt.” (Brutus 199, Cicero)

27. “Van alle loflijke punten voor een redenaar is dat ene toch verreweg het grootste: de toehoorders in vuur en vlam zetten, hun emoties ombuigen al naar gelang zijn zaak het vereist. Dus wie die kwaliteit niet heeft mist werkelijk het allergrootste.” (Brutus 279, Cicero)

28. “Dialectiek kun je zien als een soort retorica in verkorte en beknopte vorm: een absolute voorwaarde voor de echte retorica, die wel wordt beschouwd als dialectiek in uitgebreide vorm.” (Brutus 309) Volgens Cicero is dialectiek een soort retorica en is tevens retorica een soort dialectiek. Het zijn dan ook geen aparte domeinen, maar twee verschijningsvormen van hetzelfde: de ene beknopt en analytisch, de andere uitgebreid en op het publiek gericht.

29. "Voor een redenaar zijn de oren van het publiek een soort fluit. Als die oren niet opnemen wat je erin blaast of als de luisteraar compleet blokkeert zoals een paard, kun je er het beste mee ophouden.” (Brutus 192, Cicero)

30. “Daarbij is hij bovenal te prijzen omdat hij juist in deze tijd – voor zover mogelijk bij alle ellende die nu zogezegd ons gezamenlijk lot is – de ware troost zoekt. Namelijk in het bewustzijn dat hij politiek aan de juiste kant staat en in het streven naar geleerdheid.” (Brutus 250, Cicero)

31. Gorgias koppelt een volle bloemrijke stijl aan pathos en daarmee aan het bewegen van de ziel. Hij ziet taal als een affectieve kracht die via klank, ritme en vorm direct inwerkt op het gemoed. Cicero verwijst in zijn werk meermaals naar Gorgias en koppelt de genus grande of woordrijke verheven stijl aan precies het doel van bewegen van de ziel. Bovendien meent Cicero dat hierin de eigenlijke taak van de ideale redenaar ligt. Dit wijst op invloed van Gorgias op Cicero's retorica.

32. "Wie luistert naar een echte redenaar gelooft zijn woorden, houdt ze voor waar, stemt ermee in, keurt ze goed. Zijn speech wekt vertrouwen.” (Brutus 188, Cicero)

33. “Als er één ding is wat spreekt voor een redenaar, dan de pracht van zijn woordenschat.” (Brutus 216, Cicero)

34. De vijf “welbekende onderdelen” of “taken van de redenaar” zijn volgens Cicero: de vereiste inhoud vinden, ordenen, verwoorden, memoriseren en voordragen. (Brutus 214)

35. “Maar Athene was ook meer gediend met huizen met stevige daken dan met een schitterend Minervabeeld van ivoor, en toch zou ik liever Phidias zijn dan zelfs de beste timmerman.” (Brutus 257, Cicero)

36. Door het aandachtig lezen van Brutus en Orator besef ik pas hoe vergaand Cicero is beïnvloed door Gorgias. Ik wist dit niet en als ik het had geweten, dan had ik daar zeker aandacht aan besteed in mijn meest recente boek over Gorgias.

37. "De deskundige retorische criticus […] oordeelt vaak over een redenaar met één blik, in het voorbijgaan.” (Brutus 200, Cicero)

38. "Waarin is de kenner dus beter dan de leek? […] Weten door welke factoren je met spreken bereikt, of juist verliest, wat je met spreken moet bereiken of niet mag verliezen.” (Brutus 199, Cicero)

39. "Wat is hier dus de taak van de vakkundige docent? Goed kijken wat ieder van nature in zich heeft en dat als leidraad gebruiken bij het onderwijs.” (Brutus 204, Cicero)

40. “Het is geen speciale prestatie goed Latijn te kennen, maar een schande het niet te kennen.” (Brutus 140, Cicero)

41. "Wanneer hij dus zijn verzorgde Latijnse idioom […] combineert met retorische stijlverfraaiing, is het alsof hij fraai gemaakte schilderijen in een goed licht plaatst.” (Brutus 261, Cicero)

42. “Het fundament van de retorica is foutloos en zuiver Latijn.” (Brutus 111, Cicero)

43. "Hij kwam uit de school van Hermagoras, waar ze weinig doen aan stilistische verfraaiing maar efficiënt zijn in het vinden van inhoud.” (Brutus 263). Cicero lijkt hier te zinspelen op Hermagoras’ bijzonder fijnmazige uitwerking van de statusleer.

44. “Bovendien was hij geschoold in de leer van Hermagoras, die een redenaar weliswaar niet voorziet van genoeg stilistische versiering maar hem wel uitrust met kant-en-klare argumenten voor verschillende typen zaken. Zoiets als lansen mét slingerriem ten behoeve van lichtgewapenden.” (Brutus 271, Cicero)

45. "Naast begrippen in hun letterlijke betekenis ook veel beeldspraak, maar zonder dat het opdringerig of geforceerd overkwam: het was of de metaforen hun natuurlijke plaats innamen.” (Brutus 274) Cicero beschrijft hier een toespraak waarin stijlmiddelen zo natuurlijk worden toegepast dat ze niet opvallen, maar een vanzelfsprekend onderdeel van de gedachte vormen.

46. “Een abstruus gedicht mikt op bijval van een kleine groep, een publieksredevoering op applaus van het volk. Had Demosthenes die ene Plato als gehoor gehad terwijl de rest was weggelopen, dan had hij geen woord kunnen uitbrengen.” (Brutus 191, Cicero)

47. “‘De ironie die Socrates moet hebben gehad,’ begon hij, ‘en die hij in de werken van Plato, Xenophon en Aeschines ook daadwerkelijk hanteert, vind ik humoristisch en geraffineerd. Want je moet zowel handig zijn als gevoel voor humor hebben om in een discussie over wijsheid jezelf die wijsheid te ontzeggen en die plagierig toe te dichten aan anderen.’” (Brutus 292, Cicero)

48. De politieke welsprekendheid is volgens Cicero niet de hoogste vorm van welsprekendheid. (Brutus 108, 178, 268)

49. Power en charme zijn volgens Cicero twee van de belangrijkste eigenschappen van een redenaar. (Brutus 203, 204)

50. “De redenaar dient de rechter mild te stemmen.” (Brutus 246, Cicero)

51. De spreekstijl van een orator dient niet alleen aan te sluiten bij het ethos van het publiek, zoals met name Aristoteles leert, maar ook bij het ethos van de orator zelf. Althans, dat meen ik op te kunnen maken uit wat Cicero stelt in Brutus 135.

52. “Demosthenes navolgen […] is precies ons eigen doel, precies ons eigen ideaal. Maar wij bereiken dat niet. […] Er is nog iets anders wat ze niet begrijpen. Als Demosthenes zou gaan spreken dromde men vanuit heel Griekenland samen om te komen luisteren.” (Brutus 289, Cicero)

53. “Als mensen bezig zijn met de organisatie van een staat of met oorlog, of als ze niet vrij zijn en klemzitten onder een bewind van koningen, komt het verlangen naar goed spreken niet op. Welsprekendheid is de metgezel van vrede, de vriendin van vrije tijd, de telg van een al goed ingerichte staat.” (Brutus 45, Cicero)

54. "Maar bij het spreken is het als bij andere dingen: lof gaat altijd naar iets waar niets bovenuit gaat, ongeacht de eigenlijke waarde.” (Brutus 296, Cicero)

55. "[E]en toestroom van mensen, het gedruis van het Forum, dat vraagt nu eenmaal om een intens soort redenaar, een man met een klinkende stem, van wie de vonken en de energie afspringen.” (Brutus 317, Cicero)

56. "Daarbij kwam [Hortensius] met een allerminst gangbare stijl, inclusief twee unieke elementen: vooruitblikken op te bespreken punten, en korte samenvattingen van het door hemzelf betoogde én de tegenwerpingen.” (Brutus 302, Cicero)

57. “Er zijn dus twee typen goede redenaars […]: sprekers die het eenvoudig en beknopt houden of die zich juist verheven en groots uitdrukken. […] De beknopte redenaar moet oppassen voor armoe en schraalheid, de grootse juist voor bombast en overladen taal.” (Brutus 201, Cicero)

58. "Fijnproevers en aandachtige luisteraars vonden het allemaal wel fraai, maar de grote massa en het forum, de eigenlijke bestemming van retorica, slokten alles in één keer weg.” (Brutus 283, Cicero)

59. Er was bij hen gewoon niemand die iets aan literatuur leek te hebben gedaan met wat meer zorg en aandacht dan gewone mensen. En literatuur is toch de bron van volmaakte welsprekendheid. Er was bij hen gewoon niemand die de filosofie had omarmd, en filosofie is toch de moeder van alle goeds in woorden en daden. Niemand die civiel recht had geleerd, een absolute vereiste voor private zaken en voor het praktisch inzicht van de redenaar. Niemand met kennis van Romeinse geschiedenis, waarmee je indien nodig betrouwbare getuigen uit de doden kunt opwekken. Niemand die met snelle, slimme kwinkslagen over de tegenstander de rechters even liet ontspannen en hun grote ernst kortstondig liet omslaan in uitgelaten gelach. Niemand die een thema breed trok, die een particuliere discussie over een specifieke persoon of omstandigheid omboog naar een betoog over een algemene, universele kwestie. Niemand die ter vermaak even kort een zijpaadje insloeg, niemand die bij rechters grote kwaadheid opwekte, of tranen, niemand die hen in elke richting kon beïnvloeden, al naar gelang de zaak vereiste. En dat is toch eigenlijk het enige wat bij een redenaar hoort." (Brutus 322, Cicero)

60. “Wat is de rechtste weg om roem te oogsten? De weg die zijn voorouders hem hebben gebaand en zijn voorgegaan: dát prentte ik hem in met alle kracht.” (Brutus 281, Cicero)

61. Misschien werd retorica ooit als aparte discipline erkend omdat er toen nog een zichtbare innovatie in spreekstijlen plaatsvond. Toen alle mogelijke spreekstijlen ontsloten waren, verdween retorica als separate discipline. Hetzelfde kan de filosofie gebeuren. Zodra, los van de inhoud van het denken, alle mogelijke denkvormen ontsloten zijn, wat overigens inmiddels het geval lijkt, zou ook zij wellicht als aparte discipline kunnen verdwijnen.

62. "De retorica is wees geworden en nu heb ik zogezegd de voogdij over haar. Laten we haar in huis houden, goed afgeschermd zoals past bij haar vrije status, en al die vreemde schaamteloze vrijers afwijzen. We willen haar behoeden en laten uitgroeien tot een jonge vrouw, in zuiverheid, en alle avances van minnaars bij haar weghouden zoveel we kunnen.” (Brutus 330, Cicero)"

63. “Zo is dan de stem van Quintus Hortensius weggestorven door zijn eigen eind, de mijne door dat van ons land.” (Brutus 328, Cicero)