Posts tonen met het label ritme. Alle posts tonen
Posts tonen met het label ritme. Alle posts tonen

zondag 24 oktober 2021

Ritmische patronen

De vijf taken van de redenaar zijn vinden, ordenen, verwoorden, onthouden en voordragen. Het verwoorden betreft de stijl en valt uiteen in foutloos, helder, fraai en gepast taalgebruik. Quintilianus bespreekt in het kader van de verfaaiing een groot aantal verschillende methoden en technieken. Nadat hij is ingegaan op verfraaiing op het niveau van afzonderlijke woorden en zinsniveau, bespreekt hij achtereenvolgens sententiën, tropen en figuren. De figuren vallen uiteen in denk- en woordfiguren. Nog altijd in het kader van de fraaiheid gaat hij aan het eind van boek IX in op de woordschikking.

De redenaar dient ervoor te zorgen dat de woorden op de juiste plaats staan en zo een hecht geheel vormen. Woordschikking is van belang om te komen tot een samenhangende manier van spreken. Een oratie moet soepel verlopen. De woorden moeten vloeiend in elkaar grijpen. Door woorden soepel op elkaar te laten aansluiten ontstaat continuïteit en vormt de oratie een vervlochten structuur en heeft zij een hechte textuur. Zinsbouw draagt zo bij aan genoegen, kracht en vaart van de rede. De woordschikking maakt daarmee eveneens het oproepen van verschillende stemmingen mogelijk. Zinsbouw valt vervolgens uiteen in volgorde, verbinding en ritmische patronen.

De ritmische patronen betreffen de muzikale woordschikking. De muzikale rangschikking van de woorden vormt het belangrijkste onderdeel van de zinsbouw. Cicero meent volgens Quintilianus zelfs dat de gehele woordschikking een kwestie van ritmische patronen is. We dienen als redenaar te streven naar een ritmische samenhang en deze samenhang betreft het retorisch ritme van een rede. In de retorica dienen we op specifiek retorische wijze met ritme om te gaan. Retorica is immers geen dichtkunst. De ritmische schikking moet afwisselend zijn en Quintilianus werkt een groot aantal overwegingen van ritmische aard uit om tot een geslaagde muzikale woordschikking te komen.

donderdag 4 juli 2013

Monique Goense over Latours hybriden

Monique Goense schreef een lezenswaardig artikel over Bruno Latours hybride netwerken. In haar artikel vraagt ze zich af wat hybriden zijn. Wat dienen we precies te verstaan onder het hybride karakter van de werkelijkheid? Zelf tracht ze vanuit het begrip ‘ritme’ een denkkader te schetsen dat ons in staat stelt het hybride weefsel van de wereld te doordenken. Nu kunnen we ook zonder inzet van genoemd begrip grofweg tien modellen van hybriden onderscheiden. Deze zal ik hieronder kort noemen.

1. Een hybride is een constellatie van zijnden die elk onafhankelijk van de constellatie kunnen bestaan en die elk een subject of een object zijn.

2. Een hybride is een constellatie van zijnden die elk onafhankelijk van de constellatie kunnen bestaan en die elk geen subject en geen object zijn (maar ergens tussen beide polen in bestaan)

3. Een hybride is een constellatie van zijnden die elk niet onafhankelijk van de constellatie kunnen bestaan en die elk een subject of een object zijn.

4. Een hybride is een constellatie van zijnden die elk niet onafhankelijk van de constellatie kunnen bestaan en die elk geen subject en geen object zijn (maar ergens tussen beide polen in bestaan).

5. Een hybride is géén constellatie van zijnden. Zijnden zijn slechts abstracties van hybriden. Ieder geabstraheerd zijnde is geabstraheerd als een subject of een object.

6. Een hybride is géén constellatie van zijnden. Zijnden zijn slechts abstracties van hybriden. Geen enkel geabstraheerd zijnde is geabstraheerd als een subject of een object (ze liggen elk tussen beide polen in).

7. Een hybride is géén constellatie van zijnden. Zijnden bestaan als emergenties van hybriden. Ieder emergent zijnde is onlosmakelijk met de desbetreffende hybride verbonden. Ieder zijnde is een subject of een object.

8. Een hybride is géén constellatie van zijnden. Zijnden bestaan als emergenties van hybriden. Ieder emergent zijnde is onlosmakelijk met de desbetreffende hybride verbonden. Geen enkel zijnde is een subject of een object (ze bestaan elk tussen beide polen in).

9. Een hybride is géén constellatie van zijnden. Zijnden bestaan als emergenties van hybriden. Ieder emergent zijnde kan onafhankelijk van de desbetreffende hybride bestaan. Ieder zijnde is een subject of een object.

10. Een hybride is géén constellatie van zijnden. Zijnden bestaan als emergenties van hybriden. Ieder emergent zijnde kan onafhankelijk van de desbetreffende hybride bestaan. Geen enkel zijnde is een subject of een object (ze bestaan elk tussen beide polen in).

Goense dient van één van deze tien modellen uit te gaan voordat zij überhaupt kan beginnen aan haar poging om met het concept 'ritme' een denkruimte te openen voor het denken van hybriden. De vraag welk model zij op voorhand veronderstelt is dan ook legitiem. Model 1, 2, 6, 9 en 10 lijken af te vallen. Goense maakt in haar artikel echter onvoldoende duidelijk of ze uitgaat van model 3, 4, 5, 7 of 8. Dit is jammer omdat zo haar poging niet voldoende op waarde geschat kan worden. Want hoe zouden we kunnen beoordelen of 'ritme' een adequaat concept is voor het doordenken van hybriden als niet eerst voldoende duidelijk is vanuit welk model van hybriden we vertrekken?