Posts tonen met het label ethos. Alle posts tonen
Posts tonen met het label ethos. Alle posts tonen

woensdag 24 december 2025

Nogmaals niet-epistemische waarheid

Hoewel Heidegger afstand neemt van waarheid als correspondentie met het zijnde, betreft zijn begrip van waarheid als openbaring van het zijn nog steeds een vorm van epistemische waarheid. Het gaat immers nog altijd om getrouwheid aan het zijnde in zijn onthulling en dus om recht te doen aan wat is. In mijn tweeluik Het Retorische Weten (Leesmagazijn, Amsterdam, 2018/2021) stel ik daarentegen een vorm van niet-epistemische waarheid voor die zelfs voorbijgaat aan de horizon van epistemische waarheid. Het gaat om ethische en affectieve resonantie. En dus om waarheid op het niveau van ethos en pathos in plaats van logos, zoals in het geval van epistemische waarheid. Niet-epistemische waarheid toont zich door persoonlijke transformatie en affectieve binding. Ze openbaart zich niet als inzicht, maar als een betrokken houding of levensstemming die werkt.

maandag 13 februari 2023

Interview over FSN retorica leergang voor Ethos & FSN nieuwsbrief

Voor wie is de leergang Bevlogen beleid door bezield spreken bedoeld?
Iedereen is gebaat bij retorica. Deze leergang richt zich vooral op bestuurders, leidinggevenden en professionele consultants in media, bedrijfsleven en bij de overheid. Maar ook andere beroepsgroepen waarbij communiceren met groepen, cliënten en publiek een belangrijke plaats inneemt zijn van harte welkom.

Wat is het belang van retorica voor onze huidige tijd?
We leven in onzekere tijden met een overvloed aan informatie. Het wordt daarom steeds belangrijker om ons te wapenen tegen valse autoriteiten en beleid betekenisvol vorm te geven. Hierbij helpt de retorica. Retorica leert ons feiten in een betekenisvolle context te plaatsen, beleid te verbinden met relevante waarden en daarbij ook het persoonlijke in het spel te brengen. Goed bestuur vereist helder en zuiver denken, schrijven en spreken. Maar wat we overbrengen zal ook gevoelsmatig moeten resoneren bij het publiek en hun ziel moeten bewegen. Het gaat erom daadwerkelijk te verbinden. En juist in de retorica komen al deze aspecten in hun onderlinge samenhang aan de orde.

Wat is exemplarisch voor jouw aanpak van de retorica?
Retorica is voor mij meer dan een verzameling praktische technieken om effectieve invloedstijlen in bestuur, media en bedrijf te ontwikkelen. In de retorica hebben we aandacht voor alle dimensies van de menselijke bestaanservaring en daarom draagt het beoefenen van retorica sterk bij aan persoonlijke groei en ontwikkeling. Tevens besteed ik aandacht aan de filosofie van de retorica. Zo reflecteer ik met de cursisten op het samenspel van woord en geest, de scheppende kracht van de taal, en de wisselwerking tussen taal, mens en wereld. Ook bezinnen we ons bijvoorbeeld op het verband tussen retorica en kennis en retorica en waarheid. Ik streef dus zowel naar concrete methodische toepassingskennis als naar existentieel-wijsgerige verdieping. Beide kunnen mijns inziens niet zonder elkaar.

Waarom is dit geen gebruikelijke leiderschapcursus?
Deze leergang is geen gebruikelijke leiderschapcursus vanwege genoemde aandacht voor bildung en meta-retorica. Ik benader retorica vanuit een praktisch, existentieel en wijsgerig perspectief. Hierin komen alle aspecten van het mens-zijn aan bod. Cursisten laten dan ook geregeld na afloop weten dat deze leergang welhaast leidt tot een vorm van bewustzijnsverruiming. Men wordt ontvankelijk voor menselijke handelingsdimensies die van cruciaal belang zijn voor hun professionele praktijk en waarvan men vooraf het bestaan niet of nauwelijks vermoedde. Dit is niet alleen van belang voor huidige en toekomstige leiders en professionals, maar uiteindelijk voor iedereen.

zaterdag 18 december 2021

Een ethisch-retorisch dilemma voor advocaten

Het ethos van de verdachte doet ertoe. Maar hoe zit dat met dat van de advocaat? Is de laatste louter een indifferente formele aangever van logisch-juridische argumenten of is er hoe dan ook sprake van een zekere persoonlijke betrokkenheid? Is er een ‘gedeeld ethos’ tussen beiden? Een lastige vraag. Om als advocaat oprecht en geloofwaardig een verdachte te verdedigen dien je retorisch beschouwd op z'n minst de toehoorders het gevoel te geven dat je zelf werkelijk in jouw betoog gelooft. Maar dan is de advocaat ook los van eigen gewin of eigen voordeel persoonlijk betrokken. De advocaat verbindt zich met de verdachte. Ze trekken samen op en brengen een gedeelde overtuiging. Samen trachten ze het publiek te overtuigen. De advocaat is anders gezegd in ethische zin persoonlijk betrokken. En precies omdat anderen willen overtuigen naast logos ook altijd ethos omvat, lijkt deze constellatie een gezamenlijk ethos te impliceren. Dit is interessant omdat het ingaat tegen het zelfbeeld van hedendaagse advocaten en juist aansluit bij hoe men in de oudheid over de advocatuur dacht. Je werd als raadsman geacht persoonlijk betrokken te zijn bij de zaak en jouw ethos ermee te verbinden.

Nu zweren in ons land advocaten de volgende eed: "Ik zweer getrouwheid aan de Koning, gehoorzaamheid aan de Grondwet, eerbied voor de rechterlijke autoriteiten, en dat ik geen zaak zal aanraden of verdedigen die ik in gemoede niet gelove rechtvaardig te zijn." Het laatste deel ervan lijkt onontkoombaar te impliceren dat een advocaat niet voor de onschuld mag pleiten van iemand waarvan de advocaat gelooft dat hij of zij schuldig is. Een advocaat mag dus volgens deze eed bijvoorbeeld geen onschuld pleiten wanneer zijn of haar cliënt hem of haar vertrouwelijk laat weten schuldig te zijn. Het hedendaagse recht lijkt dus wel degelijk tot op zekere hoogte genoemd gedeeld ethos te erkennen. Gelet op het zelfbeeld van hedendaagse advocaten is dit ethisch aspect echter wat meer op de achtergrond geraakt. Het zou daarom goed zijn om wat we ‘het klassieke leerstuk van het gedeelde ethos’ kunnen noemen binnen de advocatuur in ere te herstellen.

Welke ruimte heeft een advocaat die genoemde eed gezworen heeft? Eva is de advocaat van Mark. Laten we aannemen dat het dossier dat aan de rechter en Eva ter beschikking staat ruimte biedt om te pleiten voor Marks onschuld. Vervolgens maakt Eva uit de gesprekken die ze in vertrouwen met Mark heeft op dat hij schuldig is. Op grond van wat hij haar vertrouwelijk vertelt kan Eva niet anders dan geloven dat Mark schuldig is. Wat nu? Eva kan op grond van genoemde eed niet pleiten voor Marks onschuld. Maar misschien kan Eva iets anders doen dan de rechter proberen te overtuigen van zijn onschuld. Misschien kan ze haar woorden steeds zorgvuldig kiezen en zich bijvoorbeeld tijdens de zitting beperken tot uitspraken als "Mijn cliënt beweert onschuldig te zijn en voert daarvoor een aantal gronden aan die ik in wat volgt zal uiteenzetten." Of misschien kan Eva zich beperken tot slechts het op een voor Mark zo gunstig mogelijke wijze doornemen van zijn dossier, om zo te komen tot uitspraken als "In wat volgt zal ik zaken in het dossier van de verdachte uitlichten die kunnen wijzen op zijn onschuld." Op deze manier pleit Eva niet voor Marks onschuld. Ze probeert de rechter niet te overtuigen van de onschuld van Mark. Ze richt zich alleen nog maar op het zo gunstig mogelijk weergeven van Marks standpunt of op het doornemen van het dossier met de rechter op een voor Mark zo gunstig mogelijke wijze. Zo respecteert Eva haar advocateneed terwijl ze toch als advocaat Mark verdedigt.

Er ontstaat zo echter een opmerkelijke situatie. In de eerste plaats ontbreekt door deze afstandelijke benadering het eerdergenoemde gedeelde ethos waardoor op grond van genoemde overwegingen het optreden van de advocaat retorisch problematisch wordt en daardoor niet werkelijk overtuigt. Precies omdat Eva met haar optreden nog altijd wil overtuigen, dwingt de retorica haar bepaalde al te onbetrokken formuleringen te vermijden. Maar belangrijker nog is het volgende. Wat moet een rechter denken van een zaak waarin Mark zegt onschuldig te zijn en zijn advocaat niet eens tracht de rechter te overtuigen van zijn onschuld? Als zelfs de advocaat van de verdachte tegenover de rechter niet probeert de rechter van de onschuld van de verdachte te overtuigen, maar bijvoorbeeld alleen op een voor Mark zo gunstig mogelijke wijze het dossier doorneemt met de rechter, dan moet daar een reden voor zijn. Wat kan deze reden anders zijn dan dat Eva gelooft dat Mark schuldig is en haar advocateneed niet wil schenden? Maar waarom gelooft Eva dat? Waarom gelooft zij dat Mark schuldig is, wetende dat het dossier ruimte biedt voor het pleiten voor Marks onschuld? Een zeer redelijke verklaring voor de rechter is dat Eva op de een of andere manier buiten het dossier om goede redenen heeft om te geloven dat de verdachte schuldig is. En wat kunnen deze redenen zijn? Toch vooral dat de advocaat meer weet dan het dossier vermeldt, en dat zeer waarschijnlijk uit de mond van de verdachte zelf?

Zo komt de verdediging onder druk te staan. Het lijkt dan zelfs iets paradoxaals te hebben. Want de wijze van optreden van de advocaat van de verdachte wordt een sterk aanwijzingsteken voor juist zijn of haar schuld. Het is bijna alsof voor de rechter de advocaat een soort getuige wordt van de schuld van de verdachte. Geen enkele advocaat zal zo'n optreden zien zitten. Men zal dus ofwel voor onschuld moeten gaan pleiten en zo tegen de eed in proberen de rechter van de onschuld van de verdachte te overtuigen, ofwel de zaak helemaal niet in behandeling moeten nemen. Dit is een dilemma waarin geen enkele advocaat terecht wil komen. Er kan dan ook vermoed worden dat een advocaat nooit aan zijn cliënt zal vragen of deze schuldig is en bovendien zal proberen te voorkomen dat zijn cliënt uit zichzelf schuld bekent door direct aan het begin deze op het hart te drukken eventuele schuld niet te bekennen. Want anders ontstaat in het geval van schuld precies genoemd dilemma.

vrijdag 4 juni 2021

Een ordening van de overtuigingsmiddelen

Ten behoeve van zijn bespreking van het onderdeel van de vinding doorloopt Quintilianus achtereenvolgens de vijf bestanddelen van de gerechtelijke redevoering. Aangekomen bij het derde bestanddeel, de bewijsvoering, maakt hij een onderscheid tussen niet-vakmatige en vakmatige bewijsmiddelen.

De niet-vakmatige bewijsmiddelen bestaan uit het materiaal dat direct betrekking heeft op de zaak en dat de redenaar ontvangt. De orator krijgt ze aangereikt en bedenkt ze niet zelf. Quintilianus noemt bijvoorbeeld getuigenverklaringen, voorvonnissen, documenten en eden. Vakmatige bewijsmiddelen ontleent de redenaar zelf aan de zaak. De orator laat ze als het ware uit de zaak geboren worden. Quintilianus onderscheid (i) indicaties of tekens, (ii) voorbeelden en gezaghebbende uitspraken, en (iii) argumenten.

Indicaties of tekens worden ook sporen of aanwijzingen genoemd en zijn vaak gebaseerd op niet-vakmatig materiaal. Quintilianus denkt hierbij aan bebloede kleding, geschreeuw, of een blauwe plek. De redenaar bedenkt ze niet. Ze komen tegelijk met de zaak tot hem. Toch gaat het om vakmatige en dus niet om niet-vakmatige bewijsmiddelen. Dit komt omdat er ook indicaties zijn die geheel door de redenaar zelf bedacht en ingebracht worden. Wel staan de indicaties dicht bij de niet-vakmatige bewijsmiddelen.

Voorbeelden en gezaghebbende uitspraken zijn eveneens voorhanden materiaal waarvan de redenaar gebruik kan maken. Maar omdat dit materiaal door de redenaar zelf van buiten de zaak erbij gehaald wordt en talentvol wordt ingezet, gaat het wel degelijk om vakmatige bewijsmiddelen. Zo schrijft Quintilianus: "Wat van buiten erbij gehaald wordt, heeft op zichzelf geen enkele waarde, tenzij het talent van de redenaar het toesnijdt op de bruikbaarheid voor het onderhavige geschil." (p.275) Voorbeelden en gezaghebbende meningen staan dan ook verder af van de niet-vakmatige bewijsmiddelen dan de indicaties of tekens. De vakmatige bewijsmiddelen die het verst van de niet-vakmatige bewijsmiddelen afstaan, omdat de redenaar deze geheel zelf bedenkt en uit de zaak laat ontspringen, zijn de argumenten.

De drie vakmatige bewijsmiddelen zijn logische, rationele of informatieve overtuigingsmiddelen. Ze behoren tot het overtuigingsmiddel van de logos. Daarom staan de drie vakmatige bewijsmiddelen dichter bij de eveneens logosmatige niet-vakmatige bewijsmiddelen dan de twee overige niet-logosmatige overtuigingsmiddelen ethos en pathos.

woensdag 26 mei 2021

Zijn publiek, pathos en ethos constitutief voor de logos?

In boek V van zijn Institutio Oratoria verbindt Quintilianus in zijn bespreking van het gebruik van argumenten het redeneren met de aard van het publiek. Hij schrijft wanneer hij een aantal typen bewijsvoering behandelt het volgende: "Er moet ook op gelet worden wie degene is bij wie we het woord voeren, en we moeten onderzoeken wat hij het meest waarschijnlijk zal vinden [...]." (p.277) Het gaat Quintilianus hier niet om de plausibiliteit van de premissen van een redenering. Dat de plausibiliteit van de premissen publieksafhankelijk is, is immers bekend. Vandaar ook de ruime aandacht voor endoxa in de retorica. Quintilianus gaat echter een stap verder. Volgens hem is ook de plausibiliteit van de gekozen logische redeneringen publieksafhankelijk. De redenaar moet dus zowel passende premissen als endoxmatische redeneerwijzen kiezen om een gegeven publiek te overtuigen. De logica zelf wordt hier endoxmatisch benaderd. Het publiek wordt zo een constitutief element van de logos.

Er zijn volgens Quintilianus ook redeneringen die gebaseerd zijn op emoties. Hij noemt dit emotionele argumentatie. (p.277) Hier is emotie constitutief voor de redenering in plaats van slechts een aanvullend element erbuiten dat de redenering ondersteunt en versterkt. Het gaat hier niet om de erkenning van het altijd deels intelligibel of rationeel zijn van emoties, maar precies omgekeerd om de erkenning dat er ook redeneringen zijn die een inherent emotioneel bestanddeel hebben of beter gezegd een emotionele modaliteit bezitten. Gevoel en rede komen zo dicht bij elkaar. Waarop Quintilianus wijst, lijkt dan ook een voorafschaduwing te zijn van de bekende these dat emotie en intellect veelal nauw met elkaar verbonden zijn en eigenlijk zelden goed van elkaar te scheiden. Het spreken van Quintilianus over emotionele redeneringen sluit bovendien aan bij de vertaling van het Aristotelische 'enthymeem' als gemoedsoverweging en wellicht ook bij Cicero's duiding van denken als altijd al een begeerlijk denken. Steeds gaat het om pathos in logos.

Ten derde lijkt het erop dat Quintilianus aldaar hetzelfde beweert over ethos oftewel karakter. Ethos kan eveneens een constitutief element zijn van bepaalde redeneringen in plaats van alleen maar een aanvullend en de redenering versterkend element daarbuiten. Dit 'ethos in logos' lijkt wellicht enigszins op Plato's notie van een inclusieve rede die het goede omvat, maar is toch niet hetzelfde.

donderdag 11 februari 2021

Ethos onderzoeksactiviteiten: recent overzicht

Onlangs ben ik begonnen met het bestuderen van de Institutio Oratoria van Quintilianus. Hiertoe heb ik een interdisciplinaire werkgroep samengesteld, die naast mijzelf bestaat uit een romanschrijver, een dichter, twee juristen, een politiek strateeg en twee communicatiedeskundigen. Ik richt mij op de volgende vragen:

1. Was er in de oudheid al sprake van wat tegenwoordig aangeduid wordt als alternative facts? Zo ja, welke functie hadden deze en wat kunnen wij daarvan leren voor wat betreft de hedendaagse discussie over post truth?
2. Hoe kan Quintilianus tegelijkertijd menen dat (i) een redenaar een deugdzaam mens moet zijn en (ii) soms mag liegen om zijn doel te bereiken?
3. Hoe verhoudt de retorica van Quintilianus zich tot (i) de retorica van de klassieke Griekse en Latijnse retorenscholen, (ii) de theoretisch georiënteerde Peripatetische (op Aristoteles teruggaande) retorica, en (iii) de praktisch georiënteerde retorica van Isocrates en Cicero?

Zie bijvoorbeeld hier voor (1) en hier voor (2).

Enige tijd geleden heb ik alle teksten en tekstfragmenten van Gorgias bestudeerd. Ik ben van plan binnenkort een essay te schrijven waarin ik betoog dat Gorgias mogelijk een van de meest onderschatte denkers van de westerse traditie is. Zie voor een korte en ietwat uitdagende impressie van wat ik wil betogen bijvoorbeeld hier.

Daarnaast heb ik onlangs wederom een stuk geschreven over de zin van wereldbeelden, waarin veel lijnen van mijn denken van de afgelopen jaren over dit thema samenkomen. Zie hier.

Binnenkort komt het tweede en laatste deel van Het Retorische Weten uit, dat rechtstreeks verband houdt met Ethos thematiek, zoals mijn denken over wat ik 'niet-feitelijke waarheid' noem (waartoe ik Heideggers 'zijn' en Wittgensteins 'mystieke' reken), retorica als 'pre-socratische wijsheid' en wat ik aanduid als 'wereld-voor-ons- of taal-metafysica'. Zie hier en vooral ook hier.

Tot slot schreef ik onlangs wederom een stuk over het speculatief realisme. Hierin betoog ik dat Meillassoux’ kritiek op het 'correlationisme' faalt. Zie hier.

Naast bovengenoemde Ethos gerelateerde onderzoeksactiviteiten richtte ik mij de afgelopen tijd ook op een aantal andere onderzoeksactiviteiten, zoals de ontwikkeling van een nieuw Godsargument dat teruggaat op Plato’s dialoog De sofist en een weerlegging van de kritiek van Stefan Wintein op mijn 'modaal-epistemisch' Godsargument. Maar daarop ga ik hier niet verder in.

maandag 24 december 2018

Opzet Collegereeks Symbolische leven 2

Begin volgend jaar zal ik voor de master Filosofie van Cultuur en Bestuur aan de Vrije Universiteit opnieuw een collegereeks voor het vak Symbolische leven 2 verzorgen. In dit gedeelte staat de vraag naar de relatie tussen mens en wereld centraal. Wat is vanuit ontologisch en existentieel perspectief de plaats van de mens in het zijnsgeheel? Welke levens- en zijnservaringen gaan gepaard met het mens-zijn? We doordenken de mens-wereld relatie allereerst existentieel-ontologisch vanuit het denken van de latere Heidegger en Giorgio Agamben. We gaan daarna in op Kants duiding van de wijze waarop mens en wereld op elkaar betrokken zijn. Vervolgens bespreek ik mijn 'wereld-voor-ons'-kenleer als antwoord op de vraag hoe wij de relatie tussen mens en wereld moeten begrijpen. Ik laat hierbij zien dat genoemde leer schatplichtig is aan Kant maar tegelijkertijd ook radicaal van zijn duiding afwijkt. Tot slot bespreken we hoe mijn 'wereld-voor-ons'-kenleer zich verhoudt tot wat Heidegger aanduidt als de schikking van het zijn.

Literatuur
1. Heidegger, Martin, Het beginsel van grond, Uitgeverij Boom, Amsterdam, 2009
2. Agamben, Giorgio, Avontuur, Uitgeverij Sjibbolet, Amsterdam, 2016
3. Rutten, Emanuel, Het Retorische Weten, Uitgeverij Leesmagazijn, 2018
4. Rutten, Emanuel, "Het kenbare noumenale" en "Addendum op Het kenbare noumenale", gjerutten.nl

woensdag 12 april 2017

Mijn onderzoek binnen Ethos

Voor mijn onderzoek binnen Ethos kies ik als vertrekpunt het essay "Hoe wij beter over kennis kunnen nadenken" van Gabriel van den Brink. Naast de daarin door hem onderkende vormen van weten, bezin ik mij op wat ik het retorische weten noem. Bestaat er inderdaad zoiets als het retorische weten en zo ja, hoe verhoudt zich dat dan tot wat Van den Brink achtereenvolgens aanduidt als het publieke weten, het disciplinaire weten, het professionele weten en het intieme weten? In wat volgt zal ik beknopt ingaan op elk van deze verhoudingen.

1. Voor wat betreft de relatie tussen het retorische weten en het publieke weten wil ik achterhalen hoe retorica concreet functioneert binnen het publieke debat. Valt het retorische weten samen met het publieke weten of niet? Hoe verhoudt retorica zich tot het gebruik van verbeelding in het publieke domein? Leidt de inzet van retorica in de publieke sfeer altijd tot een vorm van populistisch taalgebruik? Is anders gezegd retorisch spreken automatisch populistisch spreken? Of is dit helemaal niet het geval?

2. Ten aanzien van het verband tussen retorica en het disciplinaire weten zal ik onderzoeken of, en zo ja in hoeverre, retorica altijd al verondersteld wordt door de logica en de epistemologie. Berusten anders gezegd redeneerleer en kennisleer als wetenschappelijke disciplines deels op retorische uitgangspunten? En zo ja, wat zijn deze uitgangspunten dan? Of leidt retorica slechts tot "alternative facts" en "soft facts"? Is zoiets als een wetenschappelijke retorica überhaupt mogelijk?

3. De relatie tussen het retorische weten en het professionele weten zal ik onderzoeken vanuit een "case study". Hoe functioneert retorica binnen het bedrijfsleven en dan met name bij professionals die zich beroepshalve bezighouden met het ontwikkelen van bedrijfsstrategieën voor grote internationale organisaties? Dit kunnen professionals zijn die werkzaam zijn op de afdeling strategie van deze organisaties, maar ook professionals die werken bij een consultancy bedrijf dat door genoemde organisaties wordt ingehuurd.

4. Het verband tussen retorica en het intieme weten wil ik onderzoeken vanuit de vraag hoe retorica zich verhoudt tot onze religieuze en seculiere wereldbeschouwingen. Ieder mens heeft een bepaald wereldbeeld waarmee de wereld toegemoet getreden wordt en van waaruit de ons omringende leefwereld verstaan en geduid wordt. Wereldbeelden geven zo richting en structuur aan ons leven. Het zijn allesomvattende interpretatiekaders van waaruit elk mens zijn of haar leven leeft en waardeert. Welke rol speelt retorica nu precies in de totstandkoming van en het leven vanuit dergelijke wereldbeelden of levensovertuigingen?

Genoemde onderzoeksvragen zijn mijns inziens van groot belang, gelet op de weer sterk groeiende rol van retorica in onze samenleving, zowel in het publieke debat, de wetenschap, als in het bedrijfsleven. In een tijdperk waarin volop gesproken wordt over "post truth" en "fake news" is het nodig en zelfs noodzakelijk om ons opnieuw te bezinnen op de rol van retorica in de verschillende levenspraktijken. Wat ik beoog te laten zien is dat retorica niet tegen het weten ingaat, maar op verschillende manieren juist in dienst staat van het menselijk weten. Zo wil ik bereiken dat we weer meer oog krijgen voor het eminente belang ervan.

zondag 18 september 2016

Topvrouwen

In een korte bijdrage vraagt Van den Brink zich af waarom het aandeel topvrouwen in het bedrijfsleven is gedaald. Hij meent zelfs dat het hier om een kentering lijkt te gaan: “Nu lijkt die groei te zijn gestuit.” De vraag die hieraan vooraf gaat is mijns inziens of genoemde daling eigenlijk wel significant is. Dat wil zeggen: significant genoeg om de vraag te stellen naar de oorzaak ervan. Zo kunnen we in het Parool van dinsdag 6 September lezen dat het in feite maar om een lichte daling gaat. Bovendien betreft het onderzoek waar Van den Brink naar verwijst alléén vrouwelijke bestuurders bij bedrijven die genoteerd staan op de Amsterdamse beurs. Daar komt ook nog bij dat volgens het Parool bijvoorbeeld het aantal vrouwelijke commissarissen zelfs gestegen is. Het is dus goed denkbaar dat er vooralsnog geen sprake is van een trendbreuk. Dit laat echter onverlet dat Van den Brink wel degelijk terecht wijst op een fenomeen dat onze aandacht vraagt, namelijk het structureel lage percentage vrouwen in de top van het Nederlandse bedrijfsleven. Hoe dit te verklaren? Van den Brink komt met een duiding die in de kern neerkomt op het volgende. In onze moderne tijd draait alles om de vorming van je persoonlijke identiteit. Mannen kunnen zichzelf vooral en eigenlijk vrijwel uitsluitend ontwikkelen in hun werk, terwijl er voor vrouwen twee mogelijkheden tot zelfverwerkelijking openstaan. Naast ontplooiing in werk kunnen zij hun leven eveneens zingeven door het baren en opvoeden van kinderen. En omdat beide in het bedrijfsleven niet of nauwelijks te combineren zijn, zien we dat veel vrouwen die voor het laatste kiezen niet langer een veeleisende topfunctie nastreven. Zo wordt begrijpelijk dat we relatief weinig vrouwen in de top aantreffen. Ik kan mij in deze redenering zeer zeker vinden, maar toch denk ik dat zij niet de belangrijkste verklaring voor genoemd fenomeen vormt. Die verklaring moet volgens mij veel dieper gezocht worden. Het lijkt niet onredelijk om te denken dat er een nog fundamenteler en dieper verschil bestaat tussen mannen en vrouwen. En dan heb ik het niet alleen over Nederlandse mannen en vrouwen, maar over mannen en vrouwen überhaupt. Dit existentiële verschil grijpt aan op een ‘somatisch’ of ‘energetisch’ niveau. In algemene zin, want uiteraard zijn er altijd uitzonderingen, verhoudt het telos van mannen zich tot dat van vrouwen als ‘worden’ tot ‘zijn’. Mannen willen vooral ‘worden’, zichzelf uitdrukken. Ze belichamen het strevende, het steeds willen reiken naar datgene wat nog buiten hun bereik ligt. Het is vooral het mannelijke dat staat voor wat Spengler ooit aanduidde als het Faustische. De man is van nature ook antagonistisch. Hij is gericht op strijd en competitie. Vrouwen willen daarentegen in de eerste plaats ‘zijn’. Ze willen zorgen, laten leven en laten bloeien, en zijn veel minder gericht op het strevende competitieve zichzelf realiserende worden. Ik meen dat dit nog altijd de belangrijkste reden is van het lagere aandeel vrouwen in onze bedrijfstop. Punt is dat mannen en vrouwen weliswaar gelijkwaardig zijn, maar daarmee nog niet gelijk. Het wordt tijd dat beleidsmakers eens recht gaan doen aan deze natuurlijke oorsprong van het verschil tussen man en vrouw. Want de werkelijkheid laat zich uiteindelijk niet knechten of kunstmatig “maken”. Uiteindelijk keert de wal het schip. En genoemde daling van het aandeel topvrouwen waarop Van den Brink wees kan zomaar, als het tenminste om een statistisch significante daling gaat, een voorbode daarvan zijn. Zo ja, prima!

woensdag 11 mei 2016

Het retorische weten

Hoe meer ik nadenk over de aard en de herkomst van zowel de logica als de retorica, hoe meer ik begin te beseffen dat beiden lastig van elkaar te scheiden zijn. Vanuit deze intuïtie wil ik wat ik zal gaan aanduiden als het retorische weten aan een nader onderzoek onderwerpen. Hierbij kies ik als vertrekpunt het door Gabriël van den Brink in zijn essay "Hoe wij beter over kennis kunnen nadenken" gemaakte onderscheid tussen verschillende vormen van weten.

Primair richt ik mij op de relatie tussen retorica en waarheid. Zijn er waarheden die niet uitgedrukt kunnen worden zonder gebruik te maken van de retorische kracht van de taal? Kan algemener gezegd retorica in dienst staan van waarheid? En zo ja, hoe? En over wat voor een soort waarheid of waarheden hebben we het dan eigenlijk?

Bestaat er daarnaast zoiets als een retorisch weten dat niet herleidbaar is tot andere vormen van weten? Of is het veeleer zo dat iedere vorm van weten een retorisch gehalte heeft? En zo ja, hoe groot is dat gehalte dan? Verschilt het bovendien voor elk van de onderkende vormen van weten?

In genoemd essay wordt een vorm van weten begrepen als een duurzame verbinding tussen het denkbare en het waarneembare waarbij beiden op een bepaalde voor die vorm van weten specifieke wijze gereduceerd worden. Is er echter niet eveneens sprake van een duurzame verbinding met onze passies, met ons gemoed? Is denken niet altijd al een vorm van gepassioneerd denken, waarin geest en leven één worden? En zo ja, wat zegt dit dan over de relatie met de retorica?

Eveneens wil ik stilstaan bij de verhouding tussen retorica en wereldbeelden. Ieder wereldbeeld omvat een theoretische (logos), affectieve (pathos) en praktische (ethos) dimensie. Speelt de retorica in één of meerdere van deze dimensies een rol? En zo ja, wat is deze rol per dimensie? Of overstijgt de retorica de dimensies en werkt ze op een andere wijze in ieder wereldbeeld door?

Tenslotte wil ik in het verlengde hiervan het verband onderzoeken tussen de retorica en de praktische en theoretische rede. Meer precies wil ik nagaan of de retorica als esthetische leer van concrete verbeeldings- en zeggingskracht de brug vormt of kan vormen tussen onze theoretische en praktische rede. En kan de retorica als concrete praktijk de schakel zijn tussen het contemplatieve en het actieve leven. Ja, is zij eenvoudigweg die schakel?

Bovenstaande verdiepingsvragen zijn volgens mij voor onze tijd van belang, gelet op de grote en nog altijd groeiende rol van retorica in onze samenleving; zowel in wetenschap, bedrijfsleven als politiek.