donderdag 10 mei 2012

Over de redelijkheid van theïsme

Reflecterend op de menselijke conditie schrijft Blaise Pascal ondermeer het volgende: “Want wat is de mens uiteindelijk in de natuur? Een niets, vergeleken bij het oneindige, een alles, vergeleken bij het niets, een midden tussen niets en alles. Oneindig ver ervan verwijderd de uitersten te begrijpen, zijn begin en einde van de dingen voor hem onverbiddelijk verborgen in een ondoordringbaar geheim, en hij is evenmin in staat het niets te zien waaraan hij ontrukt is als het oneindige waarin hij opgeslokt is” (‘Oeuvres complètes’, ed. Pléiade, Parijs 1954, blz. 1106-1107). “Wij zijn geworpen”, zou Heidegger zeggen. Wij zijn altijd al geïnvolveerd in een zich voltrekken van werkelijkheid. Nooit kunnen wij hierbuiten gaan staan. Maar hoe vinden wij dan houvast? Hoe vinden wij vaste grond onder onze voeten? Dit doen wij door ons te oriënteren. Wij oriënteren ons door betekenissen toe te kennen aan de ons omringende wereld. Ons bestaan is dus voor alles interpretatie: interpretatie van onze omgang met de werkelijkheid. Al ons denken, ervaren en handelen is daarom altijd al een interpreterend denken, ervaren en handelen. Maar wat maakt nu een duurzame en evenwichtige oriëntatie op de wereld mogelijk? Wat zorgt ervoor dat voor ons niet alle dingen voortdurend verward zijn en door elkaar heen lopen? Het antwoord hierop is dat ieder mens ten diepste uitgaat van een bepaald eenheidsstichtend wereldbeeld. Dit wereldbeeld vormt het existentiële hart van al ons interpreterend denken, voelen en doen. Het is het zingevend centrum van ons menselijk bestaan dat richting geeft aan heel ons leven. Een wereldbeschouwing is dus een wijze van de wereld verstaan, een manier van in-de-wereld-zijn. Een wereldbeeld omvat dan ook zowel cognitieve als praktische elementen, zowel fundamentele overtuigingen als algemene leefregels. Iedere wereldbeschouwing is als manier van leven een hecht intrinsiek samenspel van waarheidsaanspraken en praktische richtsnoeren. Een wereld-beeld, een way of life, betreft een existentieel geheel van diep verbonden ‘waarheid’ en ‘leidraad’.

Nu bouwen wij van jongs af aan ons wereldbeeld welhaast ongemerkt op door omgang met de werkelijkheid. Er komt echter een moment dat we beseffen dat wij ons op heel verschillende manieren kunnen verhouden tot het gegevene. Verschillende alternatieve wereldbeschouwingen dienen zich aan. Zo kan men uitgaan van een wereldbeeld volgens welke alles uiteindelijk teruggaat op onbewuste stof. De wereld wordt hier begrepen als zijnde opgekomen uit puur levenloze en volstrekt willekeurige materie. Men gelooft dat er niets buiten de zichtbare materiële werkelijkheid is. Maar men kan de wereld ook verstaan als voortgekomen uit bewuste geest. De wereld wordt dan geduid als bezield en als de schepping van iets goddelijks. Deze twee wereldbeschouwingen verhouden zich tot elkaar als twee totaal verschillende perspectieven op het voorhandende. Elk van deze oriëntatiewijzen wordt gekenmerkt door “een specifieke mentale gerichtheid en ervaren, oftewel door datgene waarvoor iemand gevoelig is, of juist niet, door datgene waarvoor iemand open staat, of juist niet, door datgene aan werkelijkheid dat tot iemand komt, of juist niet” (Benedict Broere). Hoe dan ook, ieder mens kiest uiteindelijk een bepaalde wereldbeschouwing om zijn of haar verdere leven vorm te geven, een, om met Charles Taylor te spreken, best account. En dit kiezen is gelet op het voorgaande zelfs onvermijdelijk. We moeten kiezen. We kunnen niet anders. Zonder wereldbeeld zouden we geen zingevende betekenisvolle samenhang in ons leven kunnen aanbrengen. We zouden niet tot werkelijke identiteitsvorming kunnen komen. Dit impliceert echter niet dat ieder wereldbeeld even adequaat of inadequaat is als ieder ander. Een wereldbeschouwing kan namelijk in meerdere of mindere mate legitiem zijn. We kunnen dan ook altijd vragen naar de rechtvaardiging van een bepaalde levensbeschouwing. Nu is het beoordelen van de redelijkheid van een wereldbeeld, zoals het theïsme of het atheïsme, een filosofische en geen vakwetenschappelijke activiteit. Wereldbeschouwingen zijn immers geen wetenschappelijke theorieën, maar praktisch-cognitieve totaalkaders waarbij de hele menselijke conditie in het geding is. In een wereldbeeld is het totale mens-zijn betrokken. Alle menselijke vermogens worden aangesproken. Het is daarom een illusie om te denken dat we in het geval van het evalueren van wereldbeelden praktische rationaliteit kunnen scheiden van epistemische rationaliteit. Elk wereldbeeld grondt in een praktische én epistemische rationaliteit, zij omvat zowel een theoretisch weten als een weten opgesloten in ons handelen. Weten en handelen, inzien en doen, zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Explicit knowledge en tacit knowledge zijn steeds gekoppeld, net zoals ons denken en voelen. Een wereldbeschouwing vertegenwoordigt dan ook altijd tegelijkertijd een vita contemplativa en een vita activa, een theoria en een praxis. We kunnen ons in het geval van het beoordelen van een wereldbeeld daarom niet beperken tot de methoden van de empirische vakwetenschappen alleen. De vraag of een wereldbeeld rationeel aanvaardbaar is behoort immers steeds bekeken te worden in het licht van al onze menselijke disposities, ons handelen, onze rede, onze ervaringen, ons gemoed en onze intuïties, en betreft precies daarom een wijsgerige vraag. We dienen voor het evalueren van een wereldbeeld derhalve uit te gaan van een wijsgerig inclusief begrip van rationaliteit, waarbij naast empirische methoden ook rationele intuïties, niet-corrigeerbare ervaringen, fenomenologische reflecties, filosofische gedachte-experimenten, a priori redeneringen en praktische overwegingen in het spel worden gebracht. Gegeven het fundamentele en onoverbrugbare verschil tussen het wetenschappelijk ontwikkelen van positieve vakwetenschappelijke theorieën en het wijsgerig waarderen van de redelijkheid van allesomvattende wereldbeschouwingen, begaan zij die de beoordeling van de redelijkheid van theïsme als een empirisch vakwetenschappelijk vraagstuk behandelen een categoriefout. De vraag of er goede rationele gronden zijn voor het accepteren van een theïstische wereldbeschouwing betreft immers een wijsgerige en géén positief vakwetenschappelijke vraag. En dit precies vanwege het feit dat wereldbeelden oftewel levensbeschouwingen existentiële gehelen zijn in plaats van empirische vakwetenschappelijke theorieën.

Maar wat zijn de relevante wijsgerige beoordelingscriteria om de vraag te beantwoorden of het theïsme rationeel gerechtvaardigd is? Welnu, een wijsgerig adequaat wereldbeeld dient in ieder geval praktisch hanteerbaar te zijn, innerlijk consistent te zijn, een vergaande mate van coherentie te vertonen, in hoge mate integratief te zijn, niet te conflicteren met de resultaten van de positieve vakwetenschappen, en te beschikken over een brede holistische explanatory scope waarbij de oorsprong van de kosmos, het leven, bewustzijn en morele waarden, en tevens een groot aantal andere onderling kwalitatief sterk verschillende wereldfenomenen, op een eenduidige en hecht samenhangende manier geduid en begrepen kunnen worden. Maar dit is in zichzelf nog niet genoeg. Wij moeten ook onderzoeken in hoeverre er goede wijsgerig-rationele argumenten bestaan voor de grondthesen van de wereldbeschouwing in kwestie, en tot slot dienen we ons eveneens af te vragen in hoeverre het wereldbeeld bestand is tegen allerlei mogelijke defeaters. Welnu, als het theïsme aan deze criteria voldoet dan kan geconcludeerd worden dat zij wijsgerig adequaat is en dus redelijkerwijs geaccepteerd kan worden. Zelf denk ik dat dit inderdaad het geval is. Het theïsme is als wereldbeeld niet alleen consistent, coherent, sterk integratief en compatibel met de positieve vakwetenschappen, maar zij geeft tevens een samenhangend antwoord op de grote oorsprongsvragen van de mensheid. Bovendien is het theïsme in staat een groot aantal andere onderling kwalitatief sterk verschillende fenomenen op een geïntegreerde wijze te verklaren, zoals het feit dat er überhaupt iets is en niet veeleer niets, het bestaan van contingente objecten en stabiele logische en fysische wetten, het feit dat ons universum een absoluut begin heeft gehad oftewel een eindige tijdsduur geleden is ontstaan, de saillante fine-tuning van de kosmos, de opmerkelijke effectiviteit van de wiskunde als beschrijvingstaal van de natuur, de persistentie van objecten, de objectiviteit van het verleden, het bestaan van bewustzijn, het bestaan van vrije wil, het vertrouwen in de betrouwbaarheid van ons redevermogen en onze zintuigen, de ervaring van de objectiviteit van morele waarden en van mathematische waarheden, ervaringen van schoonheid en van het sublieme, en allerlei vormen van mystieke en religieuze ervaringen. In dit verband is het wellicht goed om de volgende bekende uitspraak van C.S. Lewis nog eens in herinnering te brengen: “I believe in Christianity as I believe that the sun has risen, not only because I see it, but because by it I see everything else” (uit: ‘Is Theology Poetry?’). Ten slotte spelen veel van de hiervoor genoemde verschijnselen ook een cruciale rol als premisse in uitstekende hedendaagse wijsgerig-rationele argumenten voor het bestaan van God, dit alle vermeende defeaters van vooral de klassieke argumenten ten spijt. In de in 2009 verschenen ‘Blackwell Companion to Natural Theology’ worden een groot aantal van deze contemporaine rationele argumenten uitvoerig besproken. Al met al kunnen wij dan ook met recht zeggen dat het theïsme wijsgerig gezien een redelijk wereldbeeld is. Het betreft niet alleen een diep gewortelde eeuwenoude en wereldwijde traditie van wereldduiding, maar tevens een wijsgerig adequate manier van het bejegenen van de werkelijkheid, een rationele wijze van in-de-wereld-zijn en van haar verstaan. Natuurlijk zullen de meeste gelovigen deze wijsgerige waardering niet direct van vitaal belang achten. Zij ervaren Gods aanwezigheid immers rechtstreeks. Zij voelen de aanraking van God in hun hart. Voor hen is God geen filosofisch gefundeerde these, maar een diep beleefde en waarachtige ervaring die hun hele leven grond, zin en richting geeft en zo voor hen een grote cognitieve en praktische betekenis heeft. Maar dit laat onverlet dat het intellectueel van belang is om vast te stellen dat theïsme een wijsgerig rationeel gerechtvaardigde wereldbeschouwing is. De theïst staat dus eveneens vanuit het standpunt van de filosofie bezien op een solide grond. Wie het theïsme afdoet als een irrationele levenshouding lijkt zich juist hiervan niet bewust te zijn.

16 opmerkingen:

Anoniem zei

Je lijkt de waarheid van het wereldbeeld af te laten hangen van of deze genoeg apecten heeft om een een compleet wereldbeeld te zijn. Maar volgens mij is er maar 1 waarheid en zijn er meerder complete wereldbeelden. Of snap ik je verkeerd?

Emanuel Rutten zei

Beste Anoniem,

Mijn bijdrage gaat over de wijsgerig-rationele aanvaardbaarheid van theïsme als levensbeschouwing. Mijn punt daarbij is nu juist dat we geen kunstmatige scheiding kunnen aanbrengen tussen waarheid en praktijk, tussen leer en leven. En de wijsgerig-rationele aanvaardbaarheid van een wereldbeschouwing zoals het theïsme hangt niet slechts af van haar "compleetheid". Ik gaf in mijn bijdrage immers nog vijf andere criteria waaraan een wereldbeeld moet voldoen om wijsgerig-rationeel gerechtvaardigd te zijn.

Groet,
Emanuel

Anoniem zei

Dank je voor je uitleg.

Over de andere criteria schreef je
"De vraag of een wereldbeeld rationeel aanvaardbaar is behoort immers steeds bekeken te worden in het licht van al onze menselijke disposities, ons handelen, onze rede, onze ervaringen, ons gemoed en onze intuïties, en betreft precies daarom een wijsgerige vraag"

Ik snap niet hoe je die rationeel kunt noemen. Het voelt rationeel aan zul je wellicht bedoelen en daarom kan men geen scheiding kunnen aanbrengen.
Begrijp ik dat zo goed?

Jouw conclusie is
"Wie het theïsme afdoet als een irrationele levenshouding lijkt zich juist hiervan niet bewust te zijn."
Maar zou dan volgens mij moeten zijn
"Wie het theïsme afdoet als een irrationele levenshouding heeft dus gelijk en maar zijn levenshouding is dat ook."
Of zie je dat anders?

Anoniem zei

Zou het volgende desondanks wel irrationeel genoemd mogen worden, of ook niet?

A: "Ik ben Christen, want ik voel God en geloof dat Jezus zijn zoon/ook God is. Hij heeft ten slotte wonderen verricht."
B: "Maar je kunt jezelf onbewust van alles wijsmaken over gevoel, dat maakt niet dat de bron God is. En waarom geloof je dat Jezus die wonderen werkelijk heeft gedaan?"
A: "Ik heb er vertrouwen op dat wat er geschreven is waar gebeurd is. Ik heb er geen bewijs voor, maar ik vertrouw altijd op God. Klinkt als een cirkelredenatie, maar ik vertrouw daar gewoon op."

Emanuel Rutten zei

Beste Anoniem,

Toen ik in mijn eerste reactie sprak over de vijf overige criteria, doelde ik uiteraard op de volgende in mijn bijdrage genoemde aspecten: praktische hanteerbaarheid, innerlijke consistentie, vergaande mate van integratie, niet in conflict met de positieve vakwetenschappen, aanwezigheid van goede wijsgerig-rationele deductieve of inductieve argumenten en bestand zijn tegen defeaters. Theïsme voldoet aan deze criteria en is daarom als wereldbeeld wijsgerig gezien gerechtvaardigd. En meer specifiek het christendom dan, vraag je je af? Welnu, in de eerste plaats geldt het hebben van specifieke persoonlijke religieuze ervaringen, zoals bijvoorbeeld religieuze ervaringen die ontegenzeggelijk passen in een christelijke context, bij gebrek aan overtuigende defeaters, als een adequaat prima facie argument voor hen die deze specifieke religieuze ervaringen hebben, zeker wanneer we ons realiseren dat in meer algemene zin theïsme als wereldbeschouwing reeds wijsgerig rationeel aanvaardbaar is. Nu staat of valt het christendom uiteraard met het geloof in de goddelijke natuur van Jezus van Nazareth. Betoogd kan worden dat de opstandingsthese de beste verklaring is voor datgene dat zich in de dagen, weken en jaren na de kruisiging van Jezus heeft voltrokken, terwijl de opstandingsthese geenzins implausibel is indien, zoals gezegd, theïsme rationeel-wijsgerig gezien een acceptabele wereldbeschouwing is. Immers, als God bestaat, dan is het zeker niet ondenkbaar dat God de opstanding van Jezus heeft doen plaatsvinden. Maar als Jezus daadwerkelijk is opgestaan, dan hebben we goede redenen om het christendom te prefereren boven alternatieve theïstische levensbeschouwingen, zoals het jodendom en de islam.

Groet,
Emanuel

Anoniem zei

Ah, duidelijk. Dank je.

Die zaken bedoelde ik overigens ook toen ik het in mijn eerste bericht had over een compleet wereldbeeld. Maar mijn bewoording was inderdaad wat onduidelijk.

Je hebt denk ik gelijk dat het een te rechtvaardigen wereldbeeld is. Je hebt me overtuigd.

Alleen de bronnen die gebruikt worden vind ik, kort gezegd, te onbetrouwbaar om die laatste 'Als-ketting' in de laatste zinnen van je vorige bericht uberhaupt te starten.
Maar dat anderen deze wel betrouwbaar vinden kan ik me ook voorstellen, maar toegegeven af en toe met moeite (ook vanwege dezelfde type bronnen bij andere religies die strijdig zijn).
Ik vind dit bijvoorbeeld "Betoogd kan worden dat de opstandingsthese de beste verklaring is voor datgene dat zich in de dagen, weken en jaren na de kruisiging van Jezus heeft voltrokken..." waar, in de zin dat het betoogd kan worden. Maar het wordt alleen plausibel als je al, zoals je al aangaf, ingestapt bent in het Christelijke wereldbeeld.

Maar goed, dat is niet meer direct van toepassing op deze blog post. Dus rest mij enkel je wederom te danken voor je uitleg.

Emanuel Rutten zei

Beste Anoniem,

Een christelijk wereldbeeld impliceert reeds de claim dat Jezus is opgestaan, dus dat zou een heel kort betoog worden ;-) Het punt was dat een dergelijk betoog reeds kan worden opgezet nadat eerst 'bare theism' voldoende plausibel is gemaakt. Het betoog vertrekt dan vanuit 'bare theism' en brengt vervolgens bepaalde door veel historici als historisch erkende gegevens over de persoon Jezus en de gebeurtenissen na de kruisiging in het spel. In de in 2009 verschenen "Blackwell Companion to Natural Theology" vind je een goed voorbeeld van een dergelijk betoog. Je hebt hiervoor wel enige kennis van Bayesiaanse kansrekening nodig.

Groet,
Emanuel

Anoniem zei

Vanaf een bepaalde aanname kan het kloppen, maar het gaat er om of die aanname vanuit een betrouwbare bron komt. Vooral als hij onwaarschijnlijk is (niet alledaags).
Anders is het niet de juiste methode om tot de waarheid te komen.

Emanuel Rutten zei

Beste Anoniem,

Eens!

Groet,
Emanuel

tarotcirkel zei

Beste Emanuel,

Als filosoof in kinderschoenen vond ik uw reflecties over wereldbeelden verhelderend. Het stimuleert me o.a. om verder na te denken over mijn persoonlijk wereldbeeld.

Emanuel Rutten zei

Beste tarotcirkel,

Dank!

Groet,
Emanuel

Anoniem zei

Beste Emanuel Rutten. Je schreef in een reactie hierboven:
"Blackwell Companion to Natural Theology" vind je een goed voorbeeld van een dergelijk betoog. Je hebt hiervoor wel enige kennis van Bayesiaanse kansrekening nodig.

Dat klinkt alsof er wiskundig iets fout gaat. Bij Bayaanse kansrekening moet je om de kans (probability) te berekenen een domein hebben waar die kans zich kan voordoen. Nou kan min of meer alles als God bestaat (die kan alles laten gebeuren), maar ik vraag me af of je dan nog Bayaanse kansrekening kunt gebruiken. Wat denk jij?

Emanuel Rutten zei

Beste anoniem,

Bayesiaanse kansrekening wordt in de natuurlijke theologie volop gebruikt. Zie bijvoorbeeld het werk van Richard Swinburne, maar ook het nieuwe boek 'God in the Age of Science' van Herman Philipse.

Groet,
Emanuel

Anoniem zei

Dat zou kunnen, maar ik zou toch die bovenstaande stelling eens bij je willen neerleggen.

Emanuel Rutten zei

Beste anoniem,

Zie voor een beknopte illustratie van hoe Bayesiaanse kansrekening in de natuurlijke theologie wordt toegepast bijvoorbeeld mijn blogbijdrage over Swinburne's cumulatieve casus voor theïsme: http://goo.gl/8P9LR

Groet,
Emanuel

Anoniem zei

Ah, dank je.

Kansen toekennen is nog wel een 'uitdaging'.

Philipse zei daar overigens het volgende over in zijn debat met Swinburne http://youtu.be/nRgHQCmbR7U?t=1h5s.