zondag 22 augustus 2021

De ouden

De ouden wisten zich nog omringd door ongerepte wilde natuur waarvan de wortels reikten tot aan het begin der tijden. Men bewoonde een wereld waarin dat begin voelbaar aanwezig was. Die levenservaring kennen wij niet meer. Ze ging in de afgelopen twee millennia voorgoed verloren.

zondag 8 augustus 2021

Een dwarsdoorsnede van het tweeluik

In mijn tweeluik Het Retorische Weten komen verschillende thema's aan de orde. Voorbeelden hiervan zijn naast retorica het sublieme, liefde, lijden, en specifieke systematisch-metafysische en fenomenologische vraagstukken. Andere belangrijke thema's betreffen het evalueren van wereldbeelden, mijn semantisch argument, mijn wereld-voor-ons kennisleer, niet-feitelijke waarheden, en de vraag naar de status van de metafysica als zodanig. Hieronder vermeld ik de belangrijkste gedeelten die op laatstgenoemde thema's betrekking hebben. Voor wat betreft het eerste deel gaat het dan om blz. 43-62 (over mijn wereld-voor-ons kennisleer), blz. 131–142 (het evalueren van wereldbeelden), blz. 185-192 (het semantisch taalargument en de implicaties daarvan voor ons wereldbeeld), en blz. 243-244 over esthetica en metafysica. In het tweede deel betreft het blz. 7-16 (over niet-feitelijke waarheden), blz. 17-36 (over pre-socratische wijsheid), blz. 119-130 (over metafysica), blz. 181-186 (sleuteltekst en leidraad omdat veel elementen hierin terugkomen), blz. 257-259 (wederom over niet-feitelijke waarheid), blz. 267-268 (over retorica en de grote vragen), en blz. 274-275 (wederom over mijn wereld-voor-ons kennisleer), blz. 275-276 (over twee verbanden tussen de-wereld-voor-ons kenleer en het semantisch argument), en tenslotte blz. 277-279 (over vier wijzen van spreken over de-wereld-voor-ons).

dinsdag 3 augustus 2021

Een kwantitatieve retorica?

In een rechtzaak heeft de aanklager argumenten a_i voor het schuldig zijn van de beklaagde. Hierbij behoort i tot een indexverzameling I van de vorm {1, …, n} voor een zeker natuurlijk getal n groter dan of gelijk aan 1. De verdediger van de beklaagde beschikt voor iedere i in I over een objectie v_i waarbij v_i concludeert dat a_i faalt óf zelfs indien succesvol de beklaagde niet schuldig maakt. Laat e(a_i) en e(v_i) staan voor de “epistemische sterkte” van respectievelijk argument a_i en objectie v_i. De notie van epistemische kracht wordt hier primitief gelaten. Wat is in deze rechtzaak retorisch gezien de meest indrukwekkende objectie van de verdediger? De retorisch indrukwekkendste objectie van de verdediging lijkt v_i* waarbij i* zodanig gekozen is dat e(v_i*) + e(a_i*) = max { e(v_i) + e(a_i) : voor alle i in I met e(v_i) >= e(a_i) }. Hierbij wordt aangenomen dat er tenminste een v_i is met e(v_i) >= e(a_i). Er zijn echter alternatieven. Laat me er twee noemen. Volgens het eerste alternatief is de retorisch indrukwekkendste objectie v_i* waarbij i* zodanig gekozen is dat e(v_i*) - e(a_i*) = max { e(v_i) - e(a_i) : voor alle i in I }. Het tweede alternatief laat zich iets lastiger formuleren. Beschouw de verzameling J = { j : e(a_j) = max { e(a_k) : alle k in I waarvoor e(v_k) >= e(a_k) } }. De retorisch indrukwekkendste objectie volgens dit tweede alternatief is dan v_j* waarbij j* zodanig gekozen is dat e(v_j*) = max { e(v_j) : j in J }. Hier is de gedachte dat de objectie die retorisch het meest indrukwekkend is, betrekking moet hebben op een van de epistemisch sterkste argumenten van de aanklager.

donderdag 29 juli 2021

“Daar regeert zij”

Voor een geschil in de hoedanigheidsstatus staat het 'wat' vast en is de vraag 'hoe' het gedaan is. De kwestie van het 'hoe' vraagt volgens Quintilianus de meeste aandacht van de redenaar. Zo stelt hij: "Hoe iets overkomt, is echter een kwestie van welsprekendheid: hier regeert zij, hier beveelt zij, hier behaalt slechts zij de zege." Bovendien heeft het inbrengen van emoties juist in deze status het meeste effect. De hoedanigheid is dan ook het eigenlijke domein van de retorica. Genoemd contrast tussen 'wat' en 'hoe' is door Heidegger ingezet voor zijn articulatie van de ontologische differentie tussen de zijnden en het zijn. Heideggeriaans gezegd verhoudt de hoedanigheidsstatus zich tot de feitelijkheids- en definitiestatus, zoals het zijn zich verhoudt tot de zijnden. Hoedanigheid wordt immers steeds geplaatst tegenover feitelijkheid en wettelijke kwesties. De hoedanigheidsstatus raakt zo aan de bovenfeitelijke en buitenjuridische zin van de werkelijkheid. De orator streeft erna deze zin in zijn redevoering te ontsluiten. Retorica heeft daarom veeleer betrekking op de ontologische dan op de ontische dimensie van de werkelijkheid. Daar regeert zij.

zaterdag 24 juli 2021

De status van een Godsdebat

De eigenlijke strijdvraag of status van een Godsdebat is zelden de feitelijke kwestie of God bestaat of de vraag naar de definitie van ‘God’. Vaak heeft de strijdvraag betrekking op iets wat het midden houdt tussen de hoedanigsheids- en bevoegdheidsstatus. Want het komt meestal neer op de vraag of het bestaan van God zich leent voor rationale deliberatie en zo ja, wat dan het meest geschikte rationaliteitsmodel is. Mijn werk van de laatste tien jaar impliceert een volmondig ‘ja’ indien we uitgaan van een inclusief model van rationaliteit waarbij steeds theoretische (logos), affectieve (pathos) en praktische (ethos) redenen gelden, de logos grondt in de zowel apriorische als talige wereld-voor-ons-metafysica, en bovendien de deliberatie zich richt op het evalueren en vervolgens onderling vergelijken van gehele wereldbeelden oftewel allesomvattende interpretatiekaders voor wereldduiding en levensoriëntatie.

donderdag 22 juli 2021

De verlichting die geen verlichting was

Filosofisch gezien was de verlichting geen verlichting. Descartes, Spinoza, Locke, Diderot, Voltaire, Smith, Montesquieu, Beccaria, Hume, Rousseau en Kant wijsgerig diepgaander dan Aquino, Scotus, Ockham, Avicenna, Anselmus, Augustinus, Proclus, Plotinus, Aristoteles, Plato en Heraclitus? Nee, natuurlijk niet.

Men pretendeerde de mens existentieel te verlichten, hetgeen alleen denkbaar is door het inbrengen van wijsheid, van wijze denkbeelden die naar hun aard dan ook wijsgerig zijn. Maar zoals gezegd was men wijsgerig helemaal niet dieper, niet verlichter, dan voorgaande generaties.

Dat men pretendeerde mensen existentieel te verlichten, was ontegenzeggelijk het geval. Maar dát vereist zoals gezegd het inbrengen van wijsheid en dus van wijsgerige inzichten, zodat men alléén werkelijk kan “verlichten” als men wijsgerig dieper is. En precies omdat van diepere wijsgerige inzichten geen sprake was, was er dus ook geen sprake van verlichting.

Sententie

Wij zullen elkaar waarschijnlijk nooit meer zien. Maar sterf ik morgen, dan ben jij de liefde van mijn leven. Leef ik nog duizend jaar een rijk en bewogen leven, dan ben jij de liefde van mijn leven.