vrijdag 19 december 2014

Other minds

Het lijkt alleszins redelijk om te beweren dat naast jezelf ook andere mensen een 'mind' hebben. Toch blijkt het nog helemaal niet zo gemakkelijk te zijn om hiervoor een overtuigend niet-question-begging argument te geven. Verschillende argumenten die in de literatuur beschikbaar zijn, zoals het analogie argument en het Theory-theory argument, blijken buitengewoon problematisch, zoals Plantinga en anderen na hem betoogd hebben. Nu is er een argument dat mij zelf interessant lijkt en dat niet hetzelfde is als genoemde argumenten. Het argument gaat als volgt.

Ik heb een mind. Dit is een fundamenteel[1] kenmerk van mij (in tegenstelling tot bijvoorbeeld het aantal haren op mijn hoofd of mijn schoenmaat). Daarnaast ben ik een willekeurig exemplaar van de natuurlijke soort 'mens'. Nu zou het vreemd zijn wanneer ik binnen deze natuurlijke soort de enige ben met dit fundamentele kenmerk. Het zou anders gezegd vreemd zijn wanneer ik op dit fundamentele punt een anomalie ben onder de mensheid. Daarom is het rationeel om te geloven dat andere mensen ook een mind hebben.

Nu kan tegengeworpen worden dat dit argument niet precies genoeg is. Het kan echter meer precies als inductie uitgeschreven worden:

Beschouw de collectie van alle natuurlijke soorten (appels, elektronen, mensen, etc.). Construeer op de volgende manier een 'sample set'. Kies een natuurlijke soort. Neem een willekeurig exemplaar van deze soort. Kies een fundamenteel kenmerk van dit exemplaar. Neem vervolgens willekeurig een tweede exemplaar van deze soort. Ga na of dit tweede exemplaar dat kenmerk ook heeft. Zo ja, dan kan het hele voorbeeld aan de sample set worden toegevoegd.[2] Kies nu een andere soort en herhaal het hele proces. Doe dit een groot aantal keren. Steeds zal blijken dat het tweede exemplaar ook het fundamentele kenmerk in kwestie bezit.[3] Zo ontstaat een omvangrijke sample set.[4]

Kies nu de soort 'mens'. Ik ben een willekeurig exemplaar van deze soort. Ik heb een mind. Dit is een fundamenteel kenmerk van mij. Op grond van het toepassen van inductie vanuit de sample set mag daarom aangenomen worden dat een willekeurig ander mens ook een mind heeft. En omdat deze andere mens willekeurig is, volgt dat het rationeel is om te geloven dat alle mensen een mind hebben.


Dit lijkt mij een interessant inductief argument. Ik weet niet of (en zo ja, in hoeverre) dit argument in de literatuur al besproken wordt.

1. Wat "fundamenteel" is, moet nader uitgewerkt worden. Denk aan voorbeelden als 'Bestaan uit waterstof en zuurstof' in het geval van water, 'Eetbaar zijn' in het geval van appels, en 'Negatieve lading hebben' in het geval van elektronen.

2. Een voorbeeld dat we in de sample set kunnen aantreffen is water, waarbij het eerste exemplaar uit waterstof en zuurstof blijkt te bestaan, en een willekeurig tweede exemplaar vervolgens ook. Een ander voorbeeld in de sample set betreft appels, waarbij de eerste appel eetbaar is en de tweede appel ook eetbaar blijkt. En zo kunnen we nog veel meer voorbeelden aan de sample set toevoegen.

3. Een mogelijk tegenvoorbeeld is 'geslacht'. Ik ben een man. Dat is een fundamenteel kenmerk van mij. Een willekeurig ander exemplaar van de soort 'mens' kan echter een vrouw zijn en dit kenmerk dus niet bezitten. Dit tegenvoorbeeld lijkt vermeden te worden door het constructievoorschrift van de sample set als volgt aan te passen. Kies het tweede exemplaar willekeurig uit de deelverzameling van soort-exemplaren die qua uiterlijke kenmerken met de eerste in voldoende mate overeenstemmen. Het fundamentele kenmerk zelf mag dan niet uiterlijk waarneembaar zijn, omdat het anders triviaal is dat het tweede exemplaar het kenmerk ook bezit. Hieraan is voldaan bij 'mind', 'eetbaar' en 'uit waterstof en zuurstof bestaan'. Deze aanpassing helpt echter niet in alle gevallen (neem maar quarks met als fundamentele eigenschap DOWN, waarbij er niets uiterlijk waarneembaar is). Een betere aanpassing van het constructievoorschrift is daarom om niet slechts één ander exemplaar te kiezen, maar een relatief heel groot aantal andere exemplaren. Steeds zal er dan tenminste één ander exemplaar opduiken die het fundamentele kenmerk van het eerste exemplaar ook bezit. En op de sample set die we op deze manier construeren, kan inductie alsnog succesvol worden toegepast om tot mijn argument te komen.

4. De criteria voor "fundamenteel" moeten uiteraard best veeleisend zijn omdat er anders alsnog tegenvoorbeelden ontstaan. Tegelijkertijd moeten de criteria niet zó veeleisend zijn dat het bezitten van een mind niet langer fundamenteel is.

8 opmerkingen:

Bert Morrien zei

Beste Emanuel,

Een interessante gedachte, welke je hier begint uit te werken.
Wat fundamenteel is, lijkt mij inderdaad een grote moeilijkheid.
Je begint een classificatie aan te brengen door verschillende kenmerken te onderscheiden op basis van waarneming, zoals geslacht, gebaseerd op uiterlijke kenmerken.
Je zult toegeven dat, hoe nauwkeuriger je waarneemt, des te minder zo'n classificatie bruikbaar wordt, omdat ieder organisme uiteindelijk uniek zal blijken te zijn.

1. Je kunt ook stellen dat het vermogen van een organisme om waar te kunnen nemen fundamenteel is.

2. Een organisme met de daarvoor vereiste cognitieve vaardigheden kan andere entiteiten waarnemen, op de wijze waarop een fotografische plaat licht kan waarnemen.
Onbewust, maar toch een indruk achterlatend op het waarnemende organisme.

3. Op dezelfde wijze kan dit organisme zichzelf waarnemen, maar nog steeds onbewust.

4. Het organisme wat kan leren kan vaardigheden ontwikkelen om een voorkeur na te streven van hetgeen er van het eigen organisme wordt waargenomen. Evolutionaire processen zorgen ervoor dat dit streven uitmondt in vaardigheden die de overlevingskans van zo'n organisme vergroten.
We zitten hier op het niveau van dieren die geheel instinctief handelen en zich niet in een spiegel kunnen herkennen.
Hierbij onderscheidt het eigen organisme zich nog steeds niet op bewuste wijze van alles wat waargenomen wordt.

5. Organismen die voldoende cognitieve vaardigheden hadden, konden het eigen organisme onderscheiden van andere en vaststellen dat ze kenmerken gemeen hadden met soortgenoten.

6. Er werd rudimentaire communicatie mogelijk tussen soortgenoten onderling via bewegingen kreten en aanrakingen.

Ik weet niet of je het verhaal van het doofstomme en blinde meisje Helen Keller kent, maar die had, vóór ze de beschikking over een taal had, nauwelijks het idee van een eigen identiteit.

7. Er werd gebruik gemaakt van symbolen omdat dit efficiënt was voor communicatie.
Bepaalde kreten gebaren, of aanrakingen kregen de betekenis van 'ik' en 'jij'.

8. De meest cruciale stap kon nu worden gezet: het organisme besefte dat 'ik' identiek was aan wat het van zichzelf altijd had waargenomen.
Wat nog veel ingrijpender was, dat het besef doorbrak dat er altijd al communicatie met het eigen 'ik' plaatsgevonden had, alsof het eigen organisme ook een soort 'jij was'

De rest lijkt mij historie.
Het meest fundamentele is dat materie kan waarnemen.

Bert Morrien zei

(Vervolg)
De vraag is hoe dit past bij het onderwerp Other Minds.

Bij punt 5 wordt gebruik gemaakt van de capaciteit van organismen om patronen te herkennen.
Daarbij gaat het er enerzijds om het signaal bij voldoende overeenstemming van patronen te onderscheiden van de ruis die ontstaat door individuele verschillen tussen patronen.
Op deze wijze herkennen mensen elkaar, ondanks dat er zoveel verschillende soorten mensen bestaan.
Bij het herkennen van een speciaal individu zijn deze individuele verschillen juist weer deel van het signaal en kunnen andere details weer storen, zoals andere lichaamsbedekking, perspectief of gelaatsuitdrukking.
Op deze wijze herkennen mensen individuele mensen.
Op exact dezelfde wijze moeten dieren hun soortgenoten en individuen daartussen herkennen. Daarin zijn ze minstens net zo goed als mensen.
Overigens kunnen machines dit inmiddels al net zo goed en misschien nog wel beter dan mensen, maar dat is een ander onderwerp.
Cruciaal is dat het feitelijk over een geloof gaat: patroonherkenning is fundamenteel niet exact en kan het dus mis hebben.

De stap die genomen wordt bij punt 8 maakt het mogelijk een meer compleet beeld in het patroon van een mens te herkennen, omdat behalve in allerlei uiterlijke kenmerken, ook patronen in de eigen gedachten vergeleken kunnen worden met die van andere personen.
Het beeld wat dan ontstaat is een mens met een Mind. Andere mensen zijn dus ook mensen met een Mind; het is dan gewoon deel van wat een mens is.
Zoals al opgemerkt is dit een geloof, want fundamenteel in niet te bewijzen. Het is hooguit aannemelijk te maken.
Het kan waarschijnlijk wel experimenteel aangetoond worden, waarmee het alleen maar meer aannemelijk gemaakt wordt.

Emanuel Rutten zei

Beste Bert,

Een uitgebreide reactie! Ik kom er veel in tegen waarop ik zou kunnen ingaan, maar eerlijk gezegd blijf ik met de vraag zitten in hoeverre wat je schrijft past bij mijn stukje. Acht je het argument dat ik geef verdedigbaar? Zo ja, prima. Zie je bepaalde problemen in de inductie die ik toepas? Zo ja, dan hoor ik die problemen graag. In elk geval dank voor jouw interesse.

Groet,
Emanuel

Bert Morrien zei

Beste Emanuel,

Ik meen begonnen te zijn met te stellen dat jouw onderneming hopeloos lijkt. Je probeert steeds een kenmerk van 'de' mens te verwijderen zonder zijn Mind aan te tasten, met het doel deze te isoleren. Misschien zou je bij je zoektocht ergens alleen het brein nog overhouden, maar een Mind zonder zintuigen is onmogelijk, want een essentiële eigenschap van een Mind is dat die zichzelf kan waarnemen en een deel van die zelfwaarneming zit in het brein. Als je dat deel zou verwijderen is de Mind verdwenen. Als je dat deel laat zitten, en je verwijdert de rest dan is er niets meer wat waarneemt en dan is de Mind eveneens weg.
Nu zijn alle onderdelen van het brein sterk geïntegreerd, dus het op die manier opdelen van het brein is sowieso geen optie.

Ieder stukje brein dat je vanwege individuele kenmerken ervan zou verwijderen, maakt de resulterende Mind weliswaar meer identiek maar minder uniek.
Het wil er bij mij niet in dat je dan de Mind niet aantast, omdat juist het uniek zijn van de Mind een essentieel kenmerk ervan is.

Ik ben bijna 50 jaar met mijn partner getrouwd en ik weet zeker dat haar wereld er compleet anders uit ziet dan mijn wereld, en toch moet ik aannemen dat we beiden in dezelfde wereld leven.
Ik moet er niet aan denken in een wereld te leven waar iedereen precies hetzelfde beeld van heeft. De gedachte alleen al is afschuwelijk en ik weet niet eens precies waarom. Niemand weet het dan beter dan ik. Ik weet het dan nooit beter dan een ander. Een absoluut troosteloze gedachte.

Een enkele neuron kan door stimulatie van zijn dendrieten misschien nog wel een signaal aan zijn axon afleveren, zodat dit bewijst dat het neuron zijn interne status nog kan waarnemen, maar dan is er van een Mind helemaal geen sprake.
Kortom, ik zie geen kans voor jouw onderneming. Je zoek iets wat er niet is: een algemene, niet unieke Mind.


Terugkomend op mijn vorige reacties, in mijn eerste post gaf ik een ruwe schets hoe een Mind zou kunnen ontstaan, vanuit een organisme dat kan waarnemen.
In mijn tweede post probeerde ik aan te tonen dat de herkenning van gelijkvormigheid in een variabele populatie onderscheid mogelijk maakt van groepen en individuen binnen die groepen, waarbij die individuen eigenschappen hebben die min of meer identiek zijn met eigenschappen van andere individuen, waaronder het hebben van een unieke Mind.
Je kunt het een klein beetje vergelijken met PC's: ze zien er min of meer hetzelfde uit maar ze hebben allemaal een unieke set van data en applicaties. De essentie va een PC is niet hoe die hardwarematig in elkaar zit, maar waar die actueel mee bezig is.

tasmedes zei

Emanuel,

Interessant, maar ook problematisch. Het punt bij other minds is dat je op grond van zelfkennis weet dat jij een mind hebt, maar dat je dus geen objectieve mogelijkheid hebt om te bepalen of anderen ook een mind hebben. Nu stelt jouw argument een soort methode voor met behulp waarvan je wilt bepalen dat jij en (uit extrapolatie van jouw situatie) ook anderen een mind hebben. Maar veronderstelt die methode nu juist niet een objectieve maatstaf om te kunnen bepalen wie een mind heeft, terwijl het probleem van other minds juist is dat die objectieve maatstaf er niet is? Met andere woorden, als de methode er zou zijn, zou het overbodig zijn om die te gebruiken, omdat je al lang weet wat een mind is en dus wie er een heeft. Of begrijp ik het nu verkeerd?

Emanuel Rutten zei

Beste Tasmedes,

Mijn argument is gebaseerd op de volgende premissen:

1. Ik constateer bij mijzelf een mind en ik meen dat dit een fundamenteel kenmerk van mijzelf is (in tegenstelling tot bijvoorbeeld mijn schoenmaat en het aantal haren op mijn hoofd),
2. Ik constateer dat ik een willekeurig exemplaar ben van de menselijke soort,
3. Ik acht het redelijk om te denken dat een willekeurig exemplaar van een bepaalde soort niet de enige is binnen die soort met een bepaalde fundamentele eigenschap (we zouden deze premisse de anti-anomalie-these kunnen noemen).

Uit (1)-(3) volgt dat er redelijkerwijs ook andere mensen met een mind zijn. Op geen enkel moment maak ik in dit argument gebruik van de aanname dat andere mensen ook een mind hebben. En dat is maar goed ook. Want een dergelijke aanname zou het argument immers hopeloos circulair maken.

Groet,
Emanuel

Anoniem zei

Beste Emanuel,

Is het mogelijk om, wetende dat je een mind hebt, te constateren dat je een willekeurig exemplaar bent van de menselijke soort, zonder er impliciet van uit te gaan dat andere willekeurige exemplaren van de menselijke soort ook een mind hebben?
Vr. groet,
Willem

Emanuel Rutten zei

Beste Willem,

Even los van de vraag of andere mensen een mind hebben, is het alleszins redelijk voor een mens om te denken dat hij of zij in elk geval geen anomalie is onder de mensheid. De cruciale vraag is dan of het bezitten van een mind een fundamentele eigenschap is. Ik denk dat dit inderdaad het geval is, zodat de conclusie volgt.

Groet,
Emanuel