Beschouw de concepten uitgedrukt door ‘witte nierdragende dieren’ en ‘witte hartdragende dieren’. Betreft dit een tegenvoorbeeld tegen de kernpremisse van mijn semantisch argument volgens welke gelijkheid van verwijzingsverzameling gelijkheid van betekenis impliceert? De verwijzingsverzameling van ‘witte nierdragende dieren’ is niet de verzameling van alle witte dingen en alle nierdragende dieren. En de verwijzingsverzameling van witte hartdragende dieren is niet de verzameling van alle witte dingen en alle hartdragende dieren. Dit is maar goed ook, omdat anders de verwijzingsverzamelingen van deze twee verschillende concepten gelijk zou zijn en de kernpremisse inderdaad weerlegd zou zijn. In plaats daarvan is de verwijzingsverzameling van 'witte nierdragende dieren' de verzameling van alle witte dingen, alles wat een nier draagt en alle dieren, terwijl de verwijzingsverzaming van witte hartdragende dieren de verzameling is van alle witte dingen, alles wat een hart draagt en alle dieren. Deze verwijzingsverzamelingen zijn verschillend, omdat er niet-witte medische bewaarappartuur bestaat dat een hart en geen nier bevat en in die zin een hart en geen nier draagt en omgekeerd. Meer in net algemeen zijn er niet-witte artefacten die een hart maar geen nier bevatten oftewel dragen en omgekeerd. We verkrijgen zo dus geen tegenvoorbeeld tegen de kernpremisse. Verder levert 'nier-dier' geen correct concept op omdat 'nier-dier' niet duidelijk maakt welke relatie tussen het dier en de nier bedoeld is. Het is onbepaald of het gaat om bezit, functie of een ander verband, terwijl het Nederlands zulke eigenschappen normaal uitdrukt als dieren met een nier. Hierdoor blijft 'nier-dier' conceptueel onzuiver. Het paar 'wit nier-dier' en 'wit hart-dier', met als verwijzingsverzamelingen respectievelijk de verzameling van alle witte dingen en alle nier-dieren en de verzameling van alle witte dingen en alle hart-dieren, levert dus geen tegenvoorbeeld tegen de kernpremisse op. En hetzelfde geldt uiteraard voor het paar ‘witte dieren met een hart’ en ‘witte dieren met een nier’. Niet omdat het hier niet om correcte concepten zou gaan, want dat gaat het natuurlijk wel, maar omdat de verwijzingsverzamelingen netjes verschillend zijn. Deze zijn immers enerzijds de verzameling van alle witte dingen, alle nieren en alle dieren en anderzijds de verzameling van alle witte dingen, alle harten en alle dieren.
Maar wat te zeggen van 'gele morgenster' en 'gele avondster'? De verwijzingsverzameling van 'gele morgenster' is de verzameling van alle gele dingen en de morgenster. De verwijzingsverzameling van 'gele avondster' is de verzameling van alle gele dingen en de avondster. Deze verzamelingen zijn gelijk omdat de morgenster de avondster is. Toch zijn de twee begrippen verschillend. Is hier dan sprake van een tegenvoorbeeld voor de kernpremisse? Dit is evenmin het geval. In de eerste plaats zijn 'morgenster' en 'avondster' ofwel namen ofwel uniekmakende expressies en dus geen concepten. En zelfs als het concepten zijn, gaat het om concepten waarvan de ermee corresponderende eigenschappen, morgenster-zijn en avondster-zijn, relationele in plaats van intrinsieke eigenschappen betreffen, net zoals bijvoorbeeld de eigenschap zich-ten-noorden-van-Parijs-bevinden. Dit betekent dat beide concepten buiten de scope van de kernpremisse vallen en er dus geen tegenvoorbeeld voor mijn semantisch argument ontstaat.
zondag 4 januari 2026
zaterdag 3 januari 2026
Ontologische spelniveaus
Spel kent bij Gadamer verschillende ontologische niveaus. In de meest elementaire zin is spel een heen-en-weer gaande beweging die wordt gekenmerkt door regels, herhaling en dynamiek, zonder dat er sprake is van een opdracht of normativiteit. Een voorbeeld hiervan is een lichtspel, kleurenspel of waterspel. Een voorbeeld van een menselijk spel is het opdrachtloos spelen met een bal. In dit geval is er wel sprake van verschijnen en presentie, maar nog geen zelfuitbeelding of mimetische uitbeelding. Laat staan dat er sprake is van de noodzaak van een publiek of het geschieden van waarheid.Zodra het spel een opdracht krijgt, verandert zijn aard wezenlijk. Vanaf dit punt is er alleen nog sprake van menselijk spel. Het spel wordt nu normatief: er is sprake van slagen en mislukken, van iets spelen. Het spel brengt zichzelf als spel tot verschijning. Deze wijze van verschijnen kan worden aangeduid als zelfuitbeelding. In zelfuitbeelding verschijnt het spel niet als iets anders dan wat het is, maar als dit spel zelf, in zijn regels, opdrachten en mogelijke uitkomsten. De spelers gaan op in het uitvoeren van de opdracht, waardoor het spel zich voltrekt en zichtbaar wordt als spel. Er is hierbij nog geen mimetische afstand en geen “iets-als-iets”-structuur. Zelfuitbeelding is daarom een pre-representatieve vorm van verschijnen: het spel toont zichzelf, maar beeldt nog niets uit en draagt nog geen betekenis in de zin van herkenning of waarheid. Een voorbeeld hiervan is een balspel met de opdracht een paal te raken.
Uitbeelding in eigenlijke zin ontstaat pas wanneer het spel naast een opdracht ook een “iets-als-iets”-structuur krijgt. Dan spreken we van mimetische uitbeelding. Mimetische uitbeelding is een vorm van spel waarin iets als iets anders wordt getoond. Zij veronderstelt een mimetische afstand: het uitgebeelde is aanwezig in en door de uitbeelding, maar is er niet eenvoudigweg identiek mee. In mimetische uitbeelding is het spel niet langer louter zelfuitbeelding, maar krijgt het een betekenisstructuur die berust op herkenning en verstaan. Daarbij hoeft nog geen waarheid in strikte zin te gebeuren en is een toeschouwer nog niet constitutief vereist. Een klassiek voorbeeld is het treintje spelen door kinderen.
Wanneer mimetische uitbeelding gepaard gaat met uitbeelden voor een publiek, ontstaat het schouwspel. De uitbeelding is hier niet langer volledig intern, maar structureel gericht op toeschouwers. De aanwezigheid van een publiek behoort nu tot de constitutie van het spel. Een Hollywood-blockbuster is hiervan een typisch voorbeeld: er is mimetische uitbeelding en 'uitbeelden voor', maar zonder dat noodzakelijk waarheid geschiedt.
Tenslotte is er de vorm waarin mimetische uitbeelding en 'uitbeelden voor' samenvallen met waarheid. In dit geval gaat het om kunst en cultus. Hier is de uitbeelding gericht op het tonen van iets in zijn wezen. Waarheid gebeurt niet bijkomstig, maar vormt het eigenlijke zijn van het spel. In kunst verschijnt het wezen veelal nog in afstand; in de cultus wordt het daadwerkelijk tegenwoordig gesteld. In beide gevallen vallen spel, uitbeelding en waarheid samen.
Labels:
Gadamer,
spelniveaus,
Waarheid en Methode
woensdag 31 december 2025
Kunst en waarheid
In Waarheid en Methode betoogt Gadamer op verschillende manieren dat de esthetische ervaring, waaronder de ervaring van kunst, altijd al betrokken is op kennis en waarheid, zodat een esthetica die van kennis en waarheid abstraheert onhoudbaar is. In wat volgt werk ik één van de overwegingen van Gadamer beknopt en systematisch uit. Iedere esthetische ervaring is een vorm van waarnemen. Waarneming houdt altijd verband met het algemene omdat we psychologisch altijd iets als iets waarnemen, zoals zowel Aristoteles als de moderne psychologie leren. Bovendien vertrekken we als mens-zijn existentieel altijd al vanuit een geworpen toestand van in de wereld zijn, zoals Heidegger heeft laten zien. Zuivere conceptloze waarneming bestaat dus niet. Iedere waarneming is altijd al geladen met een bepaalde conceptuele betekenis. Maar hieruit volgt dat elke waarneming van meet af aan betrokken is op kennis en waarheid. Of nog anders: precies omdat iedere waarneming samenhangt met een bepaalde conceptuele betekenis, is iedere waarneming betrokken op een bepaalde context en dus relationeel geopend naar de wereld en daarom inderdaad betrokken op kennis en waarheid. Dit geldt dan dus eveneens voor de esthetische ervaring en meer specifiek voor de ervaring van kunst. Of is het stilstaan in de esthetische aanschouwing precies geen vorm van waarnemen omdat waarnemen inderdaad altijd al het onder een begrip plaatsen van de aanschouwing betreft en wij in de esthetische ervaring nu juist de zaak niet onder een begrip plaatsen, zoals Kant leert? Deze route wijst Gadamer echter af. Het esthetisch aanschouwen is volgens hem namelijk in elk geval een 'opvatten als' of een 'verstaan van'. Maar dan had hij de omweg van een reflectie op de aard van de waarneming niet hoeven maken. Want esthetische ervaring is blijkbaar hoe dan ook een vorm van verstaan en daarmee betrokken op betekenis en dus op kennis en waarheid, zelfs als we het niet op voorhand als een vorm van waarnemen - en dus van (iets voor) waar-nemen - begrijpen.
Labels:
aristoteles,
betekenis,
esthetica,
Gadamer,
Heidegger,
kennis,
waarheid,
Waarheid en Methode
zaterdag 27 december 2025
Plato's anamnese en de kunst
Volgens Plato verkrijgen wij inzicht in het wezen van bijvoorbeeld het schone door ons dit te herinneren. En wij herinneren het ons door het aanschouwen van een schone gestalte. Kennis is bij Plato dus gegrond in herinnering en manifesteert zich als herkenning. Maar doet kunst niet precies dat? Ons helpen het uitgebeelde te herkennen en zo het wezen ervan te kennen? Toch ontzegt Plato de kunst deze cognitieve rol en bestempelt hij haar als louter schijn.
Labels:
herinneren,
herkennen,
kennis,
kunst,
Plato
woensdag 24 december 2025
Vorm, inhoud en stof in de metafysica en retorica
In de metafysica van Aristoteles staat de vorm niet tegenover de inhoud. De vorm of het eidos van een ding betreft nu juist zijn wezen en bepaalt zo wat het ding is. De vorm is hier de inhoud en staat tegenover de onbepaalde inhoudsloze stof waaruit het ding bestaat. Hetzelfde geldt voor de retorica. De vorm van een oratie betreft de gehele gevormde inhoud ervan. Zij staat tegenover de stof van de oratie, namelijk haar materiële verwerkelijking in de stem en het fysieke optreden van de orator.
Labels:
inhoud,
metafysica,
Retorica,
stof,
vorm
Wereldverstaan als zelfverstaan
Volgens mijn wereld-voor-ons kennisleer is dat wat wij de wereld noemen steeds de wereld zoals ervaren en gedacht door ons als mensen. Iedere vorm van verstaan van wereld is dus altijd al tegelijkertijd een vorm van zelfverstaan oftewel een wijze van het onszelf als mens begrijpen. Metafysica wordt zo een oefening in zelfbegrip. Een oefening in wat het betekent om mens te zijn. Hier ontmoeten metafysica, hermeneutiek en wijsgerige antropologie elkaar.
Nogmaals niet-epistemische waarheid
Hoewel Heidegger afstand neemt van waarheid als correspondentie met het zijnde, betreft zijn begrip van waarheid als openbaring van het zijn nog steeds een vorm van epistemische waarheid. Het gaat immers nog altijd om getrouwheid aan het zijnde in zijn onthulling en dus om recht te doen aan wat is. In mijn tweeluik Het Retorische Weten (Leesmagazijn, Amsterdam, 2018/2021) stel ik daarentegen een vorm van niet-epistemische waarheid voor die zelfs voorbijgaat aan de horizon van epistemische waarheid. Het gaat om ethische en affectieve resonantie. En dus om waarheid op het niveau van ethos en pathos in plaats van logos, zoals in het geval van epistemische waarheid. Niet-epistemische waarheid toont zich door persoonlijke transformatie en affectieve binding. Ze openbaart zich niet als inzicht, maar als een betrokken houding of levensstemming die werkt.
Abonneren op:
Reacties (Atom)
