vrijdag 11 juni 2010

Hoe voor zichzelf te bepalen of men al dan niet christen is? Een louter existentieel criterium

Er zijn mensen die door veel anderen wellicht als christelijk gezien worden, maar die zich toch oprecht afvragen of ze zichzelf eigenlijk wel christen kunnen noemen. Het is zeker niet eenvoudig voor iemand om deze vraag voor zichzelf te beantwoorden. Is christen-zijn bijvoorbeeld hetzelfde als het omarmen van slechts twee geloofsclaims, namelijk de claim dat God bestaat en de claim dat het God was die Jezus uit de dood heeft opgewekt? Of dient iemand nog veel meer claims te geloven om zichzelf christen te kunnen noemen? Moet bijvoorbeeld ook geloofd worden in de mogelijkheid van een postmortaal leven en in de goddelijke status van Jezus? Is wellicht dit nog niet genoeg en zijn er nog meer claims die eveneens geaccepteerd dienen te worden, zoals bijvoorbeeld de algoedheid, almachtigheid en alwetendheid van God, of de algehele zondigheid van de mens?

Het probleem van een op geloofsclaims gebaseerd criterium voor christen-zijn is dat er onvoldoende overeenstemming bestaat over welke geloofsclaims voor een dergelijk cognitief criterium als uitgangspunt genomen moeten worden. Er is namelijk geen lijst van geloofsclaims die wereldwijd op voldoende brede instemming kan rekenen. Voor iedere lijst van geloofsovertuigingen geldt dat er altijd voldoende mensen zullen zijn die van mening zijn dat één of meer belangrijke geloofsopvattingen op de lijst ontbreken of juist ten onrechte wel op de lijst voorkomen. Het zoeken naar een doxastisch ofwel op geloofsovertuigingen gebaseerd criterium voor christen-zijn is daarom niet vruchtbaar. De opvattingen over welke claims daadwerkelijk constitutief zijn voor het christendom lopen eenvoudigweg teveel uiteen.

Is het dan wellicht een idee om een criterium te formuleren dat uitgaat van feitelijk waarneembaar (ritueel) gedrag? Kan iemand zichzelf bijvoorbeeld christen noemen indien hij of zij minimaal een bepaald aantal keer per jaar bidt of naar de kerk gaat? Het probleem is hier natuurlijk dat het onbegonnen werk is om te komen tot een algemeen geaccepteerde lijst van waarneembare gedragingen met bijbehorende minimale frequenties. Geen enkele voorgestelde lijst zal wereldwijd op voldoende instemming kunnen rekenen. Voor iedere mogelijke lijst zullen er genoeg mensen zijn die menen dat bepaalde voor het christendom constitutieve handelingen niet op de lijst voorkomen of juist ten onrechte wel op de lijst vermeldt staan. Bovendien zullen de meningen sterk uiteenlopen over de vraag wat de minimale frequenties dienen te zijn voor iedere op zo'n lijst voorkomende handeling. Het zoeken naar een behaviouristisch ofwel een op concreet (ritueel) gedrag gebaseerd criterium voor christen-zijn is dus welbeschouwd nog vruchtelozer dan het zoeken naar een doxastisch criterium.

Er lijkt echter toch een manier te zijn waarop iemand voor zichzelf kan nagaan of hij of zij zichzelf christen zou kunnen noemen. Het criterium dat ik hier wil voorstellen en dat iedereen voor zichzelf kan aanwenden is niet gebaseerd op het al dan niet accepteren van bepaalde geloofsopvattingen en evenmin op het al dan niet verrichten van bepaalde waarneembare (rituele) handelingen. Het voorgestelde criterium is louter existentieël van aard en kan als volgt omschreven worden:

Om bij jezelf na te gaan of je christen bent hoeft je alleen maar de volgende vraag te beantwoorden. Stel je eens voor dat je door iemand die veel sterker is dan jouzelf fysiek zou worden bedreigd. Iemand dreigt je van het leven te beroven en de enige manier om jouw leven te redden is het verloochenen van Jezus. Zou je dat dan doen? Zou je Jezus verloochenen om in een dergelijke situatie jouw eigen leven te redden?

Wanneer je in alle oprechtheid voor jezelf tot de conclusie komt dat je dat niet zou doen, dat je ook in een dergelijke situatie Jezus niet zou verloochenen, dan ben je christen. Je bent echter geen christen indien je in alle eerlijkheid voor jezelf tot de conclusie komt dat je dat wel zou doen, dat je in zo'n situatie Jezus zou verloochenen om je eigen leven te redden.


Door dit criterium wordt inderdaad geen beroep gedaan op het al dan niet aanwezig zijn van bepaalde geloofsovertuigingen of het al dan niet verrichten van bepaalde (rituele) handelingen. Het criterium is gebaseerd op het existentialisme. Het enige waar het om gaat is of iemand al dan niet Jezus zou verloochenen om zijn of haar eigen leven te redden. Dit is een louter existentiële kwestie.

Het is bovendien niet relevant wat iemand daadwerkelijk doet wanneer hij of zij ooit echt in zo'n levensbedreigende situatie terecht komt. Het gaat er alléén maar om wat iemand als reactie op de existentiële vraag in alle oprechtheid denkt dat hij of zij zou doen. Iemand is christen indien hij of zij op dat moment oprecht van mening is in zo'n levensbedreigende situatie, mocht die zich ooit voordoen, Jezus niet te zullen verloochenen om in leven te blijven.

Verder is het criterium niet bedoeld om door iemand gebruikt te worden om te bepalen of iemand anders al dan niet christen is. Het criterium is uitsluitend bedoeld voor hen die willen nagaan of ze zichzelf al dan niet christen kunnen noemen. Elk mens kan immers alléén voor zichzelf bepalen of hij of zij genoemde existentiële vraag oprecht beantwoordt.

Het motief van de verloochening van Jezus vinden we nadrukkelijk terug in het Nieuwe Testament. Jezus laat Petrus weten dat deze Hem zal verloochenen. Het voorgestelde criterium maakt van dit motief van de verloochening van Jezus het ultieme criterium voor het al dan niet christen zijn. Iemand die vurig gelooft dat God bestaat en dat Jezus gelijk is aan God, maar eveneens verwacht Jezus te zullen verloochenen om zijn of haar eigen leven te redden is volgens dit criterium immers geen christen, terwijl iemand die niet gelooft dat God bestaat en evenmin dat Jezus gelijk is aan God, maar toch oprecht meent Jezus nooit te zullen verloochenen om zijn of haar eigen leven te redden dit wel is! De existentiële houding ten opzichte van de verloochening van Jezus verkrijgt hier dus het primaat boven de doxastische cognitieve houding ten aanzien van het bestaan van God en de ontologische statuur van Jezus.

Het voorgestelde criterium biedt daarmee ruimte aan bepaalde postmoderne niet-alethische invullingen van christen-zijn. Toch heeft het criterium nadrukkelijk ook een alethisch element in zich. Hoe zou iemand die claimt dat Jezus geen goddelijke natuur heeft en dat God niet bestaat immers oprecht van mening kunnen zijn Jezus nooit te zullen verloochenen om zijn of haar eigen leven te redden?

Petrus was, toen Jezus hem opeens vertelde dat hij Hem zou verloochenen, oprecht van mening dat hij Jezus nooit zou verloochenen om zichzelf uit een hachelijke situatie te bevrijden. Volgens het hier voorgestelde criterium kon Petrus zich op dat moment dus christen noemen.

Toch zou Petrus nog diezelfde dag Jezus zelfs tot driemaal toe verloochenen. Zo lezen we in het Lucas evangelie het volgende: "En de Heer draaide zich om en keek Petrus aan. Toen herinnerde Petrus zich de woorden van de Heer, hoe hij tegen hem gezegd had: Vandaag nog, vóór de haan kraait, zul je drie keer beweren dat je mij niet kent. En hij ging naar buiten en huilde bitter".

Dat Petrus ondanks zijn oprechte ontkenning Jezus niet lang daarna toch zou verloochenen doet echter niets af aan het gegeven dat hij volgens het hierboven besproken existentiële criterium zichzelf daarvoor met recht christen kon noemen. Het gaat bij het voorgestelde criterium immers om de persoonlijke existentiële intentie en niet om het feitelijke concrete handelen daarna.

Geen opmerkingen: