vrijdag 26 augustus 2016

Nieuw argument voor mijn wereld-voor-ons kenleer

Neem Mark. Mark heeft zijn hele leven lang raven geobserveerd in Friesland en tot op de dag van vandaag zijn alle raven die hij aldaar zag zwart. Stel dat hij op grond hiervan inductief concludeert dat alle raven zwart zijn. Zouden wij dit dan een legitieme inductie vinden? Dit lijkt niet het geval. De enige conclusie die hij redelijkerwijs kan trekken is dat in Friesland alle raven zwart zijn. De stap van "Alle raven zijn zwart in Friesland" naar "Alle raven zijn zwart" lijkt niet gerechtvaardigd. Mark heeft immers nog nooit een observatie buiten Friesland gedaan.

Of neem Anne. Zij is een jaar lang de hele wereld doorgetrokken op zoek naar raven. Overal op aarde waar zij kwam waren de raven die zij zag zwart. Mag zij op grond hiervan inductief concluderen dat alle raven zwart zijn? Opnieuw lijkt de enige gerechtvaardigde conclusie te zijn dat alle raven in dat jaar zwart zijn. Ze heeft immers maar gedurende één jaar raven geobserveerd.

Deze voorbeelden laten zien dat inductief redeneren vaak conclusies oplevert die vergezeld moeten worden van een bepaalde ruimtelijke of tijdelijke inperking: Alle raven in Friesland zijn zwart of alle raven in dat jaar zijn zwart. Deze kwalificaties raken we niet zomaar kwijt zonder aanvullende observaties te doen. Als Mark zijn conclusie wil generaliseren tot alle geografische locaties, dan zal hij ook op veel plaatsen buiten Friesland waarnemingen moeten gaan doen. En als Anne haar conclusie wil generaliseren tot alle tijden, dan zal zij nog heel wat vaker op reis moeten gaan.

Neem nu Jan. Hij is al zijn hele leven bezig met het waarnemen van raven op allerlei plekken op aarde. Hij is bijna overal al meerdere keren geweest. En alle raven die hij tot nu toe heeft gezien waren zwart. Kan Jan nu zonder al te veel problemen de inductieve conclusie trekken dat alle raven zwart zijn? Er valt veel voor te zeggen dat Jan zijn conclusie niet hoeft in te perken tot een specifieke locatie of tijdsperiode. Hij heeft immers gedurende vele jaren op meerdere plaatsen op aarde waarnemingen gedaan. Maar toch is ook Jans conclusie aan een belangrijke kwalificatie of inperking onderhevig. Een inperking die bovendien ook al voor Mark en Anne gold. Welke is dat? Ze is niet van ruimtelijke of tijdelijke aard. Ze heeft zogezegd betrekking op een derde dimensie die niet meer of minder relevant lijkt dan de ruimtelijke en tijdelijke dimensie. Deze derde dimensie betreft het type kenactor dat de observatie doet.

Alle observaties van Jan (en ook van Mark en Anne) waren observaties van een mens oftewel van een menselijke kenactor. Vanuit het perspectief van genoemde derde dimensie zijn alle observaties beperkt tot één type kenactor. De enige legitieme inductieve conclusie die Jan kan trekken is daarom in analogie met de voorgaande twee voorbeelden de conclusie dat alle raven zwart zijn voor een menselijke kenactor. En opnieuw kan de stap van "Alle raven zijn zwart voor ons als mensen" naar "Alle raven zijn zwart" niet gemaakt worden zonder daarbij ook observaties van andere typen kenactoren te betrekken. Het mag duidelijk zijn dat dit laatste echter niet mogelijk is. Wij kunnen als mensen weliswaar op reis gaan, maar nooit zullen wij in staat zijn om onze observaties te verruimen met waarnemingen van niet-menselijke kenactoren. We zijn immers niet in staat om buiten onze menselijke conditie te treden. Dit betekent dat al onze inductieve kennis onvermijdelijk ingeperkt moet worden met de kwalificatie voor ons als mensen. En wat geldt voor onze inductieve kennis geldt in feite voor al onze kennis. Wij kunnen alléén kennis vergaren over hoe de wereld voor ons als mensen is. De stap van deze kennis naar kennis over de wereld in zichzelf is voor ons als mensen principieel onmogelijk.

23 opmerkingen:

Anoniem zei

Je maakt een machine die zaken kan registreren die buiten het aangeboren menselijke waarneemvermogen liggen. Een telescoop, een infra-rood camera, een Large Hadron Collider. De waarnemingen die je daarmee doet zijn kenbaar voor de mens. En dus kan de mens zaken waarnemen en begrijpen die buiten zijn directe waarneemvermogen liggen.

Of ze zijn het niet, en zijn dus daardoor zinloos. Maar dan kan je het argument doortrekken naar de ingebouwde waarneeminstrumenten van de mens, die op dezelfde natuurkunde gebaseerd zijn als menselijke instrumenten. En dan zijn de ingebouwde instrumenten ook leverancier van onkenbare zaken, en dan kan de mens helemaal niets kennen.

Jaron zei

Mooi stuk Emanuel. Heel duidelijk door de fijne voorbeelden.

Twee punten:

1) Het lijkt mij dat je niet zomaar een analogie kunt trekken tussen inductie aan de ene kant en de mens als kenactor aan de andere kant. De generalisatie is overhaast in de eerste twee gevallen omdat het goed mogelijk is dat er raven zijn met een andere kleur op een andere tijd of een andere plek. Het lijkt mij echter niet dat dit ook het punt is bij de menselijke kenactor. Hier gaat het niet erom dat er wellicht raven zijn met een andere kleur, maar dat het concept van "kleur" überhaupt iets menselijks is. Deze kritiek zou dus net zo goed van toepassing kunnen zijn op de eerste twee voorbeelden. Ik denk dan ook niet dat hier zozeer sprake is van een overhaaste generalisatie maar van een dieper liggend filosofisch probleem. In dat geval snap ik de link niet helemaal met inductie.

2) Je neemt hier aan dat er een verschil is tussen kennis "voor ons als mensen" en de wereld "in zichzelf". Maar dit lijkt mij geen noodzakelijk verschil. Het is in principe mogelijk dat mensen direct kennis hebben van de wereld op zichzelf. Stel bijvoorbeeld dat Descartes gelijk heeft en dat er een goede God bestaat die ons niet zou bedriegen. In dat geval heb je ook nog eens een reden om te denken dat mensen kennis kunnen nemen van de wereld op zichzelf. Maar als je de gedachte dat je geen kennis kunt hebben van de wereld op zichzelf serieus neemt dan kun je volgens mij ook niet stellen dat kennis van de wereld op zichzelf onmogelijk is. Immers: dit lijkt te veronderstellen dat de wereld op zichzelf anders is dan menselijke kennis; echter heb je net aangegeven dat je niets kunt zeggen over de wereld op zichzelf aangezien je een mens bent. Dus een cruciale veronderstelling die je lijkt te maken (namelijk dat er een verschil is tussen de wereld an sich en de wereld voor ons) mag je niet maken volgens de conclusie van je argument. Of zie ik dit verkeerd?

Groet, Jaron

Anoniem zei

Beste Emanuel,

Een heldere uiteenzetting die didactisch gezien hoog scoort.

Als wij de conclusie toepassen op de eerste premisse van het modaal-epistemisch argument voor het bestaan van god zouden wij dan niet moeten zeggen: "Voor ons mensen is de bewering dat er geen onkenbare waarheden zijn plausibel"?
En omdat wij mensen moeten erkennen dat de propositie "god bestaat niet" onkenbaar is, is de conclusie gerechtvaardigd dat het voor ons mensen plausibel is dat god noodzakelijk bestaat.
Maar of deze bewering, die voor ons mensen geldt, ook,los van wat wij mensen menen te kunnen beredeneren, voor god geldt, moeten wij dat, overeenkomstig de "mijn wereld- voor-ons kenleer" niet in het midden laten?

vriendelijke groet,
Herman

Emanuel Rutten zei

Hoi Jaron,

Dank voor je reactie. Het is zeker niet zo dat ik uitgaande van mijn kenleer veronderstel dat de-wereld-in-zichzelf anders is dan de-wereld-voor-ons. Precies omdat we helemaal niets weten over de aard van de-wereld-in-zichzelf kunnen wij ook niet uitsluiten dat ze in feite gelijk is aan de-wereld-voor-ons. We weten het niet en we zullen het ook nooit weten. We bevinden ons voorgoed in het 'voor ons'. Elke uitspraak over de aard van de-wereld-in-zichzelf dienen we dan ook te vermijden.

In het derde voorbeeld (maar dus in feite eveneens in de eerste twee voorbeelden) is de inductie overhaast in die zin dat van alle mogelijke type kenactoren we in feite maar de observaties van één type kenactor meegenomen hebben. En we mogen de observaties van één type kenactor niet zomaar generaliseren als geldig voor alle typen kenactoren. Dat is niet minder overhaast dan wanneer we observaties die alleen in Friesland gedaan zijn generaliseren tot alle geografische locaties. De conclusie dient dus ingeperkt te worden als geldig voor dat type kenactor dat de observaties deed, net zoals Marks conclusie ingeperkt dient te worden tot alleen geldig voor Friesland.

Groet,
Emanuel

Jaron zei

Hoi Emanuel,

Zou ik dan vervelend mogen doen en je vergelijking mogen doortrekken. Want je zou op soortgelijke gronden kunnen argumenteren dat Jan een andere kenactor is dan Mark. Dus het is onvoldoende om te zeggen dat iets voor de mens het geval is want dan zet je de stap van "Jan" (1 mens) naar alle mensen. Je zou dus moeten concluderen dat alle raven zwart zijn voor Jan. Kom je zo niet in een vorm van subjectivisme terecht die onhoudbaar is?

Emanuel Rutten zei

Hoi Jaron,

De vraag is inderdaad hoe ver je de inperking wilt doorvoeren. Het is goed denkbaar dat raven op andere continenten niet zwart zijn en dat raven in andere tijdperken dat evenmin zijn. Dat is zeker niet onwaarschijnlijk. En daarom dienen Mark en Anne toch echt aanvullende observaties te verrichten. Is het echter waarschijnlijk dat Jan een anomalie is onder de mensheid en over heel andere cognitieve capaciteiten beschikt dan andere exemplaren van dezelfde soort? Dit lijkt veel minder voor de hand te liggen. Het lijkt toch echt redelijker om te denken dat - zonder dat wij aanwijzingen hebben voor het tegendeel - Jan een willekeurig mens is dat voor wat betreft zijn kenvermogens niet wezenlijk afwijkt van alle andere mensen. Maar dan mogen zijn observaties op grond van de introductieregel van de universele kwantor worden gegeneraliseerd tot alle exemplaren van zijn soort.

Overigens kan Jan zijn inductie ook voltooien door zijn observaties samen te voegen met die van Mark, Anne en nog veel meer mensen. In dat geval hebben we immers de waarnemingen van een groot aantal verschillende mensen, zodat we in elk geval mogen generaliseren tot op het niveau van de mensheid. Daarbuiten komen we echter niet.

Groet,
Emanuel

Jaron zei

Ha Emanuel,

Maar waarom zou je denken dat mensen op dezelfde manier waarnemen? Het idee van "de menselijke waarneming" of "de mens als kenactor" is zelf iets waar ik zijnde Jaron nooit iets over zou kunnen zeggen op basis van inductie. Dit is ook de kritiek die wordt geuit op Mill: zijn argument dat ik weet dat een ander pijn heeft omdat ik weet hoe ik mij voel en gedraag als ik pijn heb en als ik soortgelijk gedrag zie bij een ander ik ook mag concluderen dat deze pijn heeft, faalt volgens critici omdat hij uitgaat van een inductie gebaseerd op zijn eigen pijnervaring. Maar wellicht toont een ander een soortgelijk gedrag zonder dezelfde ervaring te voelen. Als ik niet boven mijn eigen ervaringen kan uitstijgen dan kan ik dus niets zeggen over wat normale menselijke waarneming is. Misschien zegt iedereen wel dat raven zwart zijn maar bedoelt iedereen daar iets compleet anders mee.

Ik denk dat je gelijk hebt dat er zoiets bestaat als "menselijke waarneming" maar dat dit niet is gebaseerd op inductie. Ik denk ook dat we wel degelijk kennis kunnen hebben van de werkelijkheid sans Kant om abductieve redenen. Ik volg Reid hierin met zijn kritiek op Hume (en eigenlijk geef jij hierboven iets soortgelijks weer): zonder een argument waarom mijn ideeën gevormd door impressies anders zouden zijn dan werkelijke objecten is er geen reden om aan te nemen dat er geen directe verbinding kan zijn tussen object en waarnemer.

HG, Jaron

Bert Morrien zei

Emanuel,

Je hebt het over raven en zwart. Als zwart een definiërende eigenschap van een raaf is, dan zijn alle raven per definitie zwart. Als dit niet zo is, dan zouden er ook witte raven kunnen zijn. Mij dunkt dat zolang die niet wordt waargenomen - direct door een mens of op indirecte wijze door een instrument - is er geen reden om aan te nemen dat niet alle raven zwart zijn.
Omdat jij dit hier desondanks te berde brengt, lijkt het mij een legitieme vraag waarom je dat doet.

Emanuel Rutten zei

Hoi Jaron,

Inductie speelt uiteraard een cruciale rol in het specifieke nieuwe argument dat ik hierboven geef voor mijn kenleer. In mijn kenleer zelf speelt inductie echter geen belangrijke rol. Ik beweer bijvoorbeeld niet dat het geloof in het bestaan van zoiets als de menselijke ervaring gebaseerd is op inductie.

Om goed op jouw laatste reactie in te gaan zou ik deze kenleer hier eigenlijk moeten gaan behandelen. Dat schiet natuurlijk niet op. Je zou als je er iets meer over wilt weten bijvoorbeeld blz. 21-27 van http://goo.gl/5pcq9R kunnen doorlezen.

Groet,
Emanuel

Emanuel Rutten zei

Hoi Jaron,

Wat je in die uiteenzetting zult missen is een antwoord op de vraag wanneer een bepaalde bewering al dan niet epistemisch gerechtvaardigd is. Dat geef ik in mijn thesis over mijn kennisleer, getiteld "Het kenbare noumenale. Transcendentie binnen de-wereld-voor-ons". In het stuk dat ik in mijn vorige reactie noem verwijs ik er twee keer naar.

Groet,
Emanuel

Jaron zei

Ha Emanuel,

Dank voor de verwijzingen naar je eerdere werk. Ik heb zojuist de betreffende pagina's van "Het Retorische Weten" gelezen.

Uiteraard zal niemand het oneens zijn met het feit dat wij mensen zijn en dus denken en ervaren als mensen. Maar ik vraag mij af of uit dit gegeven, waar wij het dus over eens zijn, de conclusie volgt dat de werkelijkheid an sich noodzakelijk onkenbaar is. Volgens Phyrro hoeft niet al ons weten tot epoche te leiden. Hier is alleen sprake van bij isotheneia: de gelijke kracht van tegengestelde argumenten. In dat geval zou een neutrale observator de houding van opschorting dienen in te nemen. Maar is er in dit geval sprake van isotheneia? Wat zijn de argumenten voor het onkenbaar zijn van de werkelijkheid als mens zijnde? Uiteraard niet het mens-zijn zelf, want de vraag is juist of binnen het mens-zijn het alsnog mogelijk is om kennis te nemen van de werkelijkheid buiten ons.

Wat ik mis is een argumentatie die laat zien dat kennis van de werkelijkheid als mens niet mogelijk is. Bijvoorbeeld doordat menselijke ervaringen dusdanig worden getransformeerd door ons mens-zijn dat wij nooit ervaringen hebben van de werkelijkheid. Echter, dit soort uitspraken lijk je niet te kunnen maken omdat dit een dogmatische uitspraak is over juist die werkelijkheid waarvan jij beargumenteerd dat deze onkenbaar is. Het verondersteld dat jij van buiten naar ons mens-zijn kunt kijken en dan een dergelijke conclusie kunt trekken.

Aan de andere kant zijn volgens mij wel degelijk argumenten te geven voor metafysisch realisme. Te denken valt aan wetenschappelijke argumenten of aan argumenten zoals die van Descartes. Aan de kant van het onkenbaar zijn van de werkelijkheid lijken dus geen argumenten te staan (en wellicht is het zelfs onmogelijk om onder die condities enige argumentatie te formuleren) terwijl aan de andere kant van de balans er wel degelijk argumenten zijn (hoe krakkemikkig deze soms ook mogen zijn). Ik kan de positie van epoche dus niet op Phyrronistische wijze innemen omdat er geen sprake lijkt te zijn van isontheneia.

Jou kennende heb ik hierboven allerlei dingen geschreven die jij al uitvoerig hebt overdacht en wellicht staan deze in het paper dat ik nog moet lezen over het kenbare noumenale. Maar bovenstaande is dus de vraag die bij mij oprijst na het lezen van pp 21-28 van Het Retorische Weten.

HG, Jaron

Emanuel Rutten zei

Hoi Jaron,

Nergens claim ik te weten dat ons verstand transformerend optreedt. Hoe zou dat ook kunnen? Om dat vast te stellen zouden we een positie moeten innemen buiten ons denken, hetgeen onmogelijk is. Ik ben daar in genoemd tekstgedeelte heel duidelijk over. Een belangrijk argument dat ik daar noem is dan ook precies dat van ons *onvermogen* om vast te stellen of - en zo ja, in welke mate - ons denken iedere inhoud altijd al transformeert. Wij weten niet in hoeverre ons denken zelf optreedt als een cartesiaanse demon. Evenmin hebben we toegang tot de priors in dit geval. Dus rest ons niets anders dan het opschorten van ons oordeel hieromtrent. En dat impliceert dat we niets kunnen zeggen over het "an sich" van de werkelijkheid.

Groet,
Emanuel

Anoniem zei

Beste Emanuel,

"Wij weten niet in hoeverre ons denken zelf optreedt als een cartesiaanse demon. Evenmin hebben we toegang tot de priors in dit geval. Dus rest ons niets anders dan het opschorten van ons oordeel hieromtrent. En dat impliceert dat we niets kunnen zeggen over het "an sich" van de werkelijkheid".

Ook al lijkt het voor ons mensen plausibel dat alle mogelijke waarheden kenbaar zijn, dit impliceert dus, als ik het goed begrijp, nog niet dat het "an sich" ook werkelijk is zoals het ons toeschijnt. Of er dus een onkenbare waarheid is of niet, daarover moeten wij ons oordeel opschorten. Begrijp ik je zo goed?

vriendelijke groet,
Herman

Emanuel Rutten zei

Beste Herman,

De uitspraak "Al het mogelijk ware is kenbaar" is gerechtvaardigd als uitspraak over de wereld zoals zij voor ons als mensen is. Deze uitspraak valt dus zelf binnen de-wereld-voor-ons. En dit geldt voor al onze uitspraken, dus ook voor gerechtvaardigde uitspraken als "Alles wat begint te bestaan heeft een oorzaak voor zijn of haar ontstaan", "2+3=5", "De som van de hoeken van een Euclidische driehoek is 180 graden", "Het is moreel verwerpelijk om voor je plezier een ander pijn te doen", "Een voorwerp kan niet tegelijkertijd geheel blauw en geheel rood zijn", "IJzer zet uit bij verhitting", "Parijs is de hoofdstad van Frankrijk" en "E=mc2". Als we zeggen dat iets waar is, dan betreft dat uiteindelijk ook slechts een uitspraak over hoe de wereld voor ons is. Wij kunnen alleen beweren dat binnen de-wereld-voor-ons al het mogelijk ware kenbaar is. Want over de wereld zoals zij op zichzelf is kunnen wij niets weten. Al ons spreken, denken en ervaren heeft de-wereld-voor-ons als haar uiteindelijke subject. Wanneer wij als mensen metafysica bedrijven, doen we dat dus ook in de-wereld-voor-ons. Sterker nog, mijn wereld-voor-ons kennisleer maakt metafysica juist mogelijk. Zie bijvoorbeeld blz. 21-27 van http://goo.gl/5pcq9R

Groet,
Emanuel

Anoniem zei

Beste Emanuel,

Bedankt, heel duidelijk.
Hieruit volgt dus: Wij zijn niet in staat om te weten of uitspraken waarvan wij mensen op grond van bepaalde redeneringen menen te weten dat zij waar zijn, ook "an sich" waar zijn.
Dat de "mijn wereld-voor-ons kennisleer" metafysica juist mogelijk maakt zou ik daarom willen aanvullen met de opmerking: "maar wij moeten in het midden laten of de inzichten die zij ons oplevert "an sich" waar zijn of niet. Het blijft mensenwerk.

vriendelijke groet,
Herman

Emanuel Rutten zei

Precies!

Groet,
Emanuel

Anoniem zei

Beste Emanuel,

Betekent dat niet dat wij niet kunnen weten dat uitspraken, gedaan door iemand waarvan wij niet weten dat hij/zij onfeilbaar is, "an sich" waar zijn?
Als ik zou weten dat jij onfeilbaar bent en dat jouw uitspraken waar zijn, niet alleen voor jou en mij, maar voor ieder denkbaar kennend subject, dan zou ik mogen aannemen dat zij "an sich" waar zijn.
Het punt is echter dat ik niet weet dat jij onfeilbaar bent. Zelfs als je mij ervan zou kunnen overtuigen dat je onfeilbaar bent schiet ik daar nog niets mee op.
Ik als mens zou dan denken dat jij onfeilbaar bent, maar ik kan, als ik je goed begrijp, niet de garantie hebben dat dat "an sich" werkelijk zo is.
Als je ieder denkbaar kennend subject zou kunnen overtuigen dat je onfeilbaar bent in al jouw uitspraken dan mogen wij deze als absoluut waar beschouwen.
Ik heb overigens gerede twijfel of je dat kunt en het zou mij niet verwonderen als je daar zelf ook aan twijfelt.

vr. groet,
Jac

Anoniem zei

Beste Emanuel,
Mijn laatste reactie ondertekende ik met "Jac". Het moet zijn "Herman".
"Jac" is de naam waarmee ik op een ander blog onderteken; een vergissing dus, sorry.
vr. groet,
Herman

Bert Morrien zei

Emanuel,

In aansluiting op mijn vorige opmerking de volgende link.
http://qz.com/768450/one-of-the-most-famous-living-philosophers-says-much-of-philosophy-today-is-self-indulgent/

Bert Morrien zei

Emanuel,

Het idee dat onze indirect waarneming er voor zorgt dat wij geen kennis van de werkelijkheid kunnen verkrijgen vind ik onverdedigbaar. Zelfs voor de gevangene in de grot zijn de schaduwen die hij ziet reëel. Dat wij niet de volledige realiteit waarnemen doet daar niets aan af. Kortom er bestaat voor mij geen enkele twijfel dat het mogelijk is om schaduwen kennen. In die zin is wetenschappelijke kennis zonder meer reële kennis, ook al is die misschien nòg zo pover.
Ik vind het overigens frappant dat mensen in de realiteit van God kunnen geloven, terwijl daar volgens mij zelfs geen schaduw op wijst. Mij dunkt dat je de realiteit niet groter kunt maken dan die werkelijk is. Wetenschap is een deel van de realiteit en maakt de realiteit dus niet kleiner wanneer zij niet volledig is.

Bert Morrien zei

Emanuel,

[de stap van ‘p, voor ons’ naar p is voor ons als mensen principieel onmogelijk.] (Uit "Het Retorische Weten", pag. 22)
Neem de klassieke waarneming van de schaduw in de grot. Men weet vrij goed hoe deze gewaarwording fysiek tot stand komt. Wat ook belangrijk is dat anderen - die over de vereiste kwaliteiten beschikken - zonder uitzondering over deze gewaarwording kunnen rapporteren. Dat geldt niet alleen voor mensen, maar ook voor dieren die verschrikt reageren als er een schaduw over hen heen valt. Het geldt ook voor een belichtingsmeter die in zo'n geval een andere waarde aanwijst. Bovendien kunnen schaduwen al dan niet naar willekeur veroorzaakt worden.
Volgens jou zou de stap van een schaduw voor mensen, dieren en dingen naar een schaduw 'an sich' principieel onmogelijk moeten zijn. Wat je erbij zou moeten zeggen is dat deze uitspraak alleen van betekenis is wanneer er geen schaduw zou zijn. Juist het feit dat het onmogelijk is om redelijkerwijs te ontkennen dat er wèl een schaduw is maakt die uitspraak ongeloofwaardig, speciaal omdat je het hebt over 'p, voor ons'.
Het wordt iets heel anders wanneer je het over 'p, voor mij' zou hebben, omdat het dan onmogelijk kan zijn om aan te tonen dat dit 'p, voor ons' zou zijn. In dat geval is de stap van 'p, voor mij' naar p onmogelijk, juist omdat er dan blijkbaar geen sprake is van een algemeen 'p, voor ons'. Geen wonder dat er dan ook geen rapportages van p door dieren en dingen bekend zijn en dat p niet naar willekeur veroorzaakt kan worden.
Mijn conclusie is dat de stap van ‘p, voor ons’ naar p principieel mogelijk wordt wanneer niet aangetoond kan worden dat "voor ons" een beperking impliceert.
Het spreekt vanzelf dat 'p, voor mij' wel een beperking impliceert.

Bert Morrien zei


PS
Feitelijk ontken je het z.g. "EPR Criterion of Reality" ofwel de voldoende voorwaarde voor een "element of reality":
If, without in any way disturbing a system, we can predict with certainty (i.e., with probability equal to unity) the value of a physical quantity, then there exists an element of reality corresponding to that quantity.
http://plato.stanford.edu/entries/qt-epr/
Daar is na John Bell al heel wat met scherp op geschoten, maar het staat nog steeds recht overeind.

Theo Smit zei

Emanuel,

een tijdje niet gekeken op je blog. Maar dit lijkt me toch wel een evident voorbeeld van waar je je als enigszins nadenkend mens wel bewust van bent: de wereld voor ons is de enige, die we kennen. Mooi is de schaal die je aanbrengt, van volkomen particuliere waarneming (met 'mijn'appelvink in de tuin) tot de 'onderzoeker' die de hele 'populatie' van de appelvink (of nog vrijer: de vink op de aarde) in kaart brengt. En toch is het 'fundamenteel' nog niet genoeg in de kennisleer. Mijn hemel. Wat is de lol van de filosoof nog om die kennisleer-voor-ons, wat potverdriedubbeltjes anders kan de mens, steeds maar weer in te willen wrijven. Een enigszins wijs mens denkt dan: dank je de koekoek nog? Here here, of ala Allah. (En niet in de les gaan claimen: de wereld voor ons in de kenleer: op God loop je lekker vast op Schiermonnikoog: de stilte, dat is de wereld voor ons, naar de kennis-voor-ons, volgens de zenuwbanen.)