vrijdag 13 juni 2014

Nieuwe voordracht bij CSFR Groningen

Gisterenavond heb ik voor de tweede keer een lezing gegeven bij CSFR in Groningen. Het was een mooie avond met goede discussies. Ook de borrel daarna was erg gezellig! In mijn eerste voordracht in 2013 betoogde ik dat er goede rationele argumenten zijn voor het bestaan van God. Echter, argumenten voor theïsme zijn nog geen argumenten voor de christelijke God. Gisterenavond heb ik op grond van redelijke argumenten de vervolstap gemaakt van algemeen theïsme naar meer specifiek het christendom. Ik heb hiertoe vijf verschillende redelijke argumenten uitgewerkt, waaronder variaties op bestaande argumenten en een tweetal argumenten van mijzelf. Denkers die hierbij aan de orde kwamen zijn Longinus, C.S. Lewis, Rudolf Otto, W.L. Craig, Heidegger en Plantinga. De kracht zit vooral in de combinatie van de verschillende argumenten. Ze versterken elkaar. Zo ontstaat een sterke cumulatieve casus voor christendom. Mijn lezing is inmiddels ook hier online beschikbaar.

2 opmerkingen:

nand braam zei

@ Emanuel.

De opstanding is een moeilijk/gevaarlijk onderwerp. Toch wil ik het volgende “neutraal” aan je voorleggen. Geen valstrik, geen valkuil, gewoon een reactie van een theïst die de opstanding “met botten en al” moeilijk kan aanvaarden, uitgaande van een naturalistisch theïsme.

Je zegt: “Een andere seculiere verklaringspoging is dat Jezus niet dood was. Dit is echter onhoudbaar.
Hoe zou Jezus immers zijn afgesloten graf hebben kunnen verlaten? En het verschijnen van
een zwaargewonde man die dringend medische hulp nodig heeft, zou bij diegenen aan wie hij
verscheen geen overtuigd geloof in een goddelijke opstanding veroorzaakt hebben. Daarnaast
waren Romeinse kruisigingen buitengewoon effectief. Het is dan ook erg onwaarschijnlijk dat
Jezus een dergelijke openbare executie zou hebben overleefd.”

Uitgaande van de veronderstelling dat bij een veroordeling door Pilatus om negen uur in de ochtend Jezus stellig niet vóór drie uur in de middag aan de gevolgen van zijn kruisiging zou sterven, maakten Jozef van Arimathea en Nicodémus een plan om te voorkomen dat Jezus een gruwzame dood tegemoet ging , die voor elke gekruisigde dreigde die voor een groot sabbatfeest nog levend aan het kruis hing. Jozef van Arimathea en Nicodémus dienden Jezus een sterke verdovingsdrank toe, die snel tot diepe bewusteloosheid leidde en een plotselinge, vroegtijdige dood simuleerde.

De opstellers van dit verhaal vonden een gegronde reden voor die onderstelling door de aanwijzing in het Johannesevangelie dat Nikodémus ten eerste een mengsel van mirre en aloë had meegebracht en ten tweede de grote hoeveelheid daarvan. Dergelijke mengsels en in die hoeveelheid waren in die tijd beproefd succesrijke middelen ter behandeling en genezing van ernstige verwondingen. Bij begrafenisrituelen speelden zij geen rol. Nikodémus kan derhalve alleen aan de redding van een zwaar gewonde hebben gedacht, niet aan de bijzettingsceremonie voor een dode. Na de gebruikelijke herstelperiode vertrouwden zij Jezus toen vanuit het verborgen graf aan de zorgen van hun vrienden toe. Deze onderneming van de beide vrienden van Jezus moest natuurlijk strikt geheim blijven en ze bleef inderdaad in het verborgene.

De in het Lucasevangelie vermelde “twee mannen in een stralend wit kleed” die Maria, de moeder van Jacobus, en Salome toen in het lege graf ontmoetten, en die in het Marcusevangelie vermelde“jongeman… in een wit gewaad”, die het Matteusevangelie als “engel” aanhaalt, alsmede de “twee mannen in witte gewaden”, die enkele weken later bij het heengaan van Jezus aanwezig waren, behoorden kennelijk allen tot de met Jozef van Arimathea en Nicodémus in verbinding staande geloofsgemeenschap van de Essenen. De Essenen stonden bekend om hun kenmerkende witte gewaden. De medische behandeling van Jezus wordt dan ook duidelijk, aangezien de Essenen bekend stonden om hun kennis en bekwaamheid als geneeskundigen. De verhalen in de evangeliën over “de verschijning van de verrezen Jezus” zijn, afgezien van de gedramatiseerde schilderingen van Jezus die als een geest door gesloten deuren aan zijn leerlingen zou zijn verschenen, wel degelijk realistische verhalen over het weerzien van de van zijn kruisigingwonden genezende Jezus met Maria van Magdala (Maria Magdalena) en met zijn leerlingen. In al die berichten is het Jezus er om te doen, zijn naaste leerlingen te overtuigen dat hij nog altijd in leven is: zij betasten hem, en hij praat en eet met hen.

De zogenaamde “hemelvaart” van Jezus is een in die tijd gebruikelijke omschrijving voor zijn echte dood enkele weken na de kruisiging ( Marcus 16:19;Matteüs 28: 16-20;Lucas 24: 50-53; Handelingen 1:6-11).

De moed en de kracht om “de Blijde Boodschap van het Rijk Gods” te verkondigen, om alle volkeren, alle mensen tot Jezus leerlingen te maken, en de verblijdende ervaring van de “Verheffing van de gekruisigde Jezus tot (de) Christus in de Heerlijkheid Gods”, kwam pas over de leerlingen tijdens de Pinkstergebeurtenis ( Handelingen der Apostelen 2: 1-42)

Emanuel Rutten zei

Beste Nand,

Er waren bewakers bij de executieplaats aanwezig. Zij zouden het toedienen van drank of eten, of wat dan ook, zeker niet toegelaten hebben. Bovendien stak een van de soldaten Jezus met een speer in zijn zijde, juist om er zeker van te zijn dat hij dood was. Dit scenario is dan ook, mede vanwege wat ik in mijn lezing aangaf, zeer onwaarschijnlijk.

Groet,
Emanuel