vrijdag 10 mei 2013

Pariteit

Vaak wordt door atheïsten beweerd dat in elk argumentatief debat tussen theïsten en atheïsten over het bestaan van God ongeloof in God de uitgangspositie moet zijn. We zouden niet mogen geloven dat God bestaat totdat er goede redenen zijn om te geloven dat God bestaat. De bewijslast in het debat ligt volgens deze atheïsten dus bij de theïst.

Theïsten merken dan meestal terecht op dat een atheïst niet slechts niet gelooft dat God bestaat. Atheïsme is niet alleen maar de afwezigheid van geloof in God. De atheïst gelooft dat God niet bestaat, wat evenzeer een overtuiging is, en waarvoor de atheïst dus ook argumenten zal moeten geven. Kortom, in een rationeel argumentatief debat tussen theïsten en atheïsten zullen beide met argumenten voor hun overtuiging moeten komen, aldus deze theïsten.

Hierop reageren veel atheïsten echter met de opmerking dat er zelfs dan nog een belangrijk verschil is tussen de overtuiging van de theïst en die van de atheïst. De theïst gelooft namelijk dat iets, namelijk God, bestaat. Dit betreft een positieve (affirmerende) claim. De atheïst daarentegen gelooft slechts dat iets, namelijk God, niet bestaat. Dit is alleen maar een negatieve (ontkennende) claim. En daarom zou volgens deze atheïsten de bewijslast alsnog bij de theïst liggen. Nu zijn er verschillende manieren om deze repliek te weerleggen. Hieronder zal ik de weerlegging die ik in het laatste hoofdstuk van mijn proefschrift geef kort toelichten.

Indien we een goed argument kunnen geven voor het bestaan van een eerste oorzaak van de werkelijkheid, dus iets waarop de hele wereld uiteindelijk teruggaat, iets dat geldt als de uiteindelijke oorsprong van alles wat bestaat, dan zijn de overtuigingen van de theïst en de atheïst structureel equivalent. De theïst beweert namelijk dat deze eerste oorzaak een subject is (een bewust wezen) en de atheïst beweert dat deze eerste oorzaak een object (levenloze materie) betreft. Er is dus sprake van pariteit tussen beide posities. Beide posities betreffen immers een claim over de aard van de wereldgrond. Volgens de één is de zijnsgrond van de wereld geest en volgens de ander is de zijnsgrond van de wereld stof. De repliek van de atheïst hierboven is dan dus inderdaad inadequaat. Het is niet zo dat de theïst het bestaan van iets bevestigt, terwijl de atheïst slechts het bestaan ervan ontkent. Twee opvattingen over de natuur van de eerste oorzaak, geest of stof, staan tegenover elkaar. De atheïst kan in een argumentatief debat over het bestaan van God dus niet eenzijdig de bewijslast bij de theïst leggen.

4 opmerkingen:

Lucas Blijdschap zei

Geest en stof als leven en dood tegenover elkaar...maar wat als de geest stoffelijk is, of de materie bezield? Theïst en atheïst hebben het over hetzelfde, ze benoemen het punt waarop ze niet verder kunnen denken. Voor beide posities is een sprong nodig. De sprong in het geloof. Van Dit of dat.

Rogier Schravendeel zei

Een andere kwestie is in hoeverre het bestaan van God überhaupt te bewijzen is. Impliciet moet daarbij namelijk worden aangenomen dat God zich binnen het domein van de logica bevindt. Dat is mijns inziens echter niet zonder meer het geval, maar hooguit een uitgangspunt. Vraag moet daarom in dit kader allereerst zijn over welke God de vraag gaat: een theïstische constructie of een 'almachtige' God die zich per definitie aan de logica onttrekt dan wel daar niet door beperkt wordt. Bewijzen van het bestaan van God kan hooguit in een Spizonistisch kader.

Rogier Schravendeel zei

De vraag is in deze discussies steeds wie God is, over welke God we spreken en of we over dezelfde God spreken. In mijn ogen is het theïsme een poging om twee zaken met elkaar te verzoenen die in principe logisch niet te verzoenen zijn, omdat dit in de uitgangspunten zit besloten.

Daarbij noem ik God met de twaalf geloofsartikelen als uitgangspunt in ieder geval almachtig. Deze almacht betekent een volkomen vrijheid van beslissing en daarmee een principiële veranderbaarheid.

Deze volkomen vrijheid van beslissing staat haaks op het onderworpen zijn aan onveranderlijke wetten, (principiële onveranderlijkheid) zoals in het zogenaamde wetenschappelijk wereldbeeld, waar het theïsme - voor zover ik het begrijp natuurlijk - in een vroege vorm onderdeel van uitmaakt.

Daarmee lijken mij beide wereldbeelden niet op logische wijze verzoenbaar zonder het ontkennen van de eigenschappen van God, met name zijn Almacht, die volgens mij overigens ook onlosmakelijk verbonden is met zijn Persoon-zijn.

Voor zover het me bijstaat hadden de vroege scholastici hier ook veel discussie over, ik weet alleen niet meer waar en hoe precies. Misschien weten andere lezers dit.

Geloof gaat over vertrouwen, overgave, volgens mij zegt Martin Buber dat ook ergens. Ook dat staat in principe haaks op bewijsbaarheid, dat ten diepste op niet-vertrouwen gebaseerd is.

Rogier Schravendeel zei

Ik bedoelde natuurlijk 'veranderlijkheid' in plaats van veranderbaarheid. Ernstige misstap op het scherpst van de snede.