dinsdag 8 november 2016

Een fenomenologie van het overtuigende

In het algemeen zijn het kenbronnen die ons overtuigen. We raken overtuigd van het feit dat zich aan de overkant van de straat een boom bevindt omdat we de zintuiglijke ervaring van een boom hebben. We zijn overtuigd van de geldigheid van de redeneervorm modus ponens omdat we de logische intuïtie hebben dat deze redeneerregel niet anders dan geldig kan zijn. Vanwege onze morele intuïties zijn we ervan overtuigd dat lustmoord verwerpelijk is. We zijn ervan overtuigd dat de som van de hoeken van een driehoek gelijk is aan twee rechte hoeken omdat een discursief deductief bewijs ons hiervan overtuigd. Deze hechte koppeling tussen de inzet van kenbronnen en de toestand van het overtuigd zijn heeft er in de kennisleer toe geleid dat we ons uitvoerig zijn gaan bezighouden met het bepalen en analyseren van de onderliggende kenbronnen en niet met de daaropvolgende bewustzijnstoestand van het overtuigd zijn.

De toestand van het overtuigd zijn zelf die op het gebruik van een kenbron volgt heeft als zodanig nooit veel aandacht gehad. Er werd eenvoudigweg vanuitgegaan dat deze toestand welhaast automatisch en onproblematisch op de adequate inzet van een kenbron volgt en niet separaat bestudeerd hoeft te worden.

Dit lijkt mij echter onjuist. Wat nodig is om een stap verder te komen is het apart in isolatie beschouwen van de toestand van het overtuigd zijn. Wat is dit precies voor een toestand? We dienen de toestand van het overtuigd zijn te hypostaseren (verzelfstandigen) en zo als een aparte toestand naast die van het gebruik van de kenbronnen te analyseren. Wat nodig is, is meer precies een fenomenologie van het overtuigende, van de toestand van het overtuigd zijn. Want het is uiteindelijk deze toestand en niet de onderliggende kenbron die het werkelijke acceptatiemoment van een bepaalde propositie vormt. We accepteren een propositie in laatste instantie vanuit de toestand van het overtuigd zijn. Waarom achten wij modens ponens geldig? Het ultieme antwoord op deze vraag is niet dat we de logische intuïtie hebben dat zij geldig is. Want waarom zouden we afgaan op onze intuïties? Het ultieme antwoord is dat het ons overtuigt, dat we ons ten aanzien van de geldigheid van modus ponens in een toestand van overtuigd zijn bevinden. En waarom accepteer ik dat daar een boom staat? Het uiteindelijke antwoord is niet dat ik de ervaring van een boom heb. Want onze zintuigen kunnen ons bedriegen. Het uiteindelijke antwoord is dat ik ervan ovetuigd ben. Het is dan ook deze toestand, het overtuigende zondermeer, die onze nadere aandacht verdient.

Door te streven naar een aparte fenomenogie van het overtuigende, door de verschillende momenten in de ervaring van het overtuigd zijn separaat te benoemen en te analyseren, kunnen nieuwe interessante epistemische vragen aan de orde komen, Volgt bijvoorbeeld de toestand van het overtuigd zijn altijd op de inzet van een kenbron of hoeft dit niet in alle gevallen het geval te zijn. Een andere interessante vraag is of het door Plato gemaakte onderscheid tussen schijn en zijn zich ook nog manifesteert op het niveau van het overtuigende. Kan iets anders gezegd overtuigend schijnen maar het toch niet zijn? Of is de ervaring van het overtuigd zijn epistemisch niet corrigeerbaar, net zoals iemand die een rode kleur ervaart nu eenmaal rood ervaart en niet schijnbaar rood ervaart. Dit zijn vragen die alleen door een aparte fenomenologie van het overtuigende ontsloten kunnen worden. Zo beschouwd kan de kennisleer veel van de retorica, van de kunst van het overtuigende, leren.

1 opmerking:

Bert Morrien zei

Emanuel,

[Volgt bijvoorbeeld de toestand van het overtuigd zijn altijd op de inzet van een kenbron of hoeft dit niet in alle gevallen het geval te zijn.]

De vraag is wat je precies onder "toestand" van het overtuigd zijn verstaat. Waarschijnlijk bedoel je dat die toestand betrekking heeft op een persoon en dan meer specifiek het deel van een persoon wat ergens van overtuigd kan zijn. Voor zover men weet moet dit zich binnen de hersenen bevinden en wel dat deel wat bewust een overtuiging kan ervaren. Zeer recent heeft men gebieden in het brein gevonden die blijkbaar essentieel zijn voor een bewuste beleving.
Zie "Could these three brain regions be the seat of consciousness?"
http://www.kurzweilai.net/could-these-three-brain-regions-be-the-seat-of-consciousness
Personen waarbij die niet actief zijn lijken niets te ervaren en stimulatie van dat gebied kan er toe leiden dat een persoon ervaring gaat ondervinden.
Dick Swaab zei dat wij ons brein zijn, maar zonder deze gebieden kun je feitelijk niet van ervaring spreken en dus ook niet van een persoon als het hebben van ervaringen de essentie van een persoon is. We zouden dus kunnen zeggen dat de stoffelijke 'ziel' (Z) van de mens zich in die gebieden van het brein bevindt.
Onder een kenbron versta ik een bron van informatie.
Die ziel is verbonden met de zintuigen zodat sommige informatie uit de wereld om ons min of meer direct door die Z wordt waargenomen.
De meest minimale bewuste waarneming die mensen kunnen doen is die van een enkel foton. Zie "Direct detection of a single photon by humans",
http://www.nature.com/articles/ncomms12172
Bovendien kunnen mensen onthouden dat ze iets hebben waargenomen, het brein beschikt over een geheugenfunctie, dus de Z kan ook waarnemen wat er eerder werd waargenomen. De Z kan op grond van waarnemingen uit kenbronnen tot overtuigende conclusies komen en die kunnen als een soort secundare waarneming in het geheugen worden opgeslagen.
De oorpronkelijke vraag is dan of het geheugen al dan niet leeg begint of dat de Z ook zonder kenbronnen een conclusie als een opvertuiging in het geheugen zou kunnen opslaan.
Ik denk dat aan het geheugen geen geldige informatie kan worden onttrokken zonder dat die er ooit vanuit een kenbron in terecht is gekomen en ik denk dat dit ook voor Z geldt.
Dat betekent echter niet dat alle conclusies van Z correct of gerechtvaardigd zijn en er kunnen dan ook ongeldige overtuigingen tot stand komen die niet op constistente wijze uit kenbronnen volgen.
Contradicties die dit oplevert zouden opgelost kunnen worden door aan te nemen dat kenbronnen niet altijd een noodzaak zijn om tot een overtuiging te komen.
Dit soort overtuiging berusten dan feitelijk op contradicties. Persoonlijk accepteer ik die niet en zeker niet als er expliciet bij gezegd wordt dat die niet op kenbronnen berusten.