zaterdag 23 april 2016

Korte reflectie

Het is alleszins redelijk om te veronderstellen dat de werkelijkheid teruggaat op een uiteindelijke oorsprong of grond. Deze grond of oorsprong wordt door filosofen veelal aangeduid als het ultieme of het absolute. Het betreft de onvoorwaardelijke bron waaruit alles is voortgekomen. Maar wat is nu de ontologische aard van dit eerste beginsel? Het lijkt niet onredelijk te stellen dat de eerste oorzaak van de werkelijkheid in ieder geval niet contingent is. De grond van de wereld moet anders gezegd noodzakelijk bestaan. Het kan niet anders dan bestaan. Het is onmogelijk voor de zijnsoorzaak om niet te bestaan. Hiermee hebben we een eerste criterium te pakken om mogelijke kandidaten voor de oorsprong te evalueren. Want zodra een bepaalde kandidaat redelijkerwijs contingent is, hebben we een goede reden om deze af te wijzen. Stel bijvoorbeeld dat iemand zou suggereren dat de wereldgrond uit 1117 objecten bestaat of uit één materieel object van 1050 kg. Beide opties zijn redelijkerwijs contingent. Waarom bestaat de oorsprong in het eerste geval bijvoorbeeld niet uit 1118 of 1116 in plaats van 1117 objecten? En waarom is de grond in het tweede geval niet 1051 kg of 1049 kg in plaats van 1050 kg? Kortom, we dienen alléén kandidaten voor het eerste beginsel in overweging te nemen die niet op voorhand als contingent van de hand gewezen kunnen worden. Dit zijn dus kandidaten waarvoor geen alternatieven denkbaar zijn die er voldoende dicht bij in de buurt komen. Maar dan zijn er niet zoveel opties voor de eerste oorzaak van de wereld. De enige optie die voor de hand ligt is een massaloos bewustzijn zonder eindige en dus arbitraire kenmerken. En dat is precies wat theïsten beweren.

14 opmerkingen:

Bart Hogenhout zei

Waarom zouden er dan niet meerdere massaloze bewustzijnen voor de eerste oorzaak kunnen zijn? Of zelfs oneindig veel?

Emanuel Rutten zei

Beste Bart,

De gedachte zou zijn dat er voor bijvoorbeeld 876 bewustzijnen alternatieven denkbaar zijn die er voldoende dicht bij in de buurt liggen, zoals 877 of 875 bewustzijnen. In al deze gevallen gaat het immers om een veelheid oftewel pluriformiteit waarvan slechts het aantal verschilt. Deze opties verschillen dus kwalitatief niet werkelijk van elkaar. Ze lijken voldoende op elkaar om genoemde kandidaat van 876 bewustzijnen op grond van mijn criterium te laten afvallen.

Voor een enkel bewustzijn lijkt dat minder het geval te zijn. Het dichtsbijzijnde alternatief is twee bewustzijnen. Maar deze optie lijkt niet voldoende op één bewustzijn. Het kwalitatief verschil tussen één (eenheid, enkelvoudigheid) en veel (pluriformiteit, samengesteldheid) is daarvoor te groot.

De optie van oneindig veel bewustzijnen is interessant. Dat lijkt eveneens een kandidaat te zijn die het door mij voorgestelde criterium overleeft. Er zijn immers geen denkbare alternatieven die voldoende dicht in de buurt liggen van oneindig veel bewustzijnen. Het overleven van Ockahams scheermes lijkt echter een aanvullend redelijk criterium te zijn voor het evalueren van eerste oorzaak kandidaten. En de optie van één bewustzijn doet het dan veel beter dan de optie van oneindig veel bewustzijnen.

Groet,
Emanuel

Herman zei

Beste Emanuel,

Je zegt: "Het is alleszins redelijk om te veronderstellen dat de werkelijkheid teruggaat op een uiteindelijke oorsprong of grond. Deze grond of oorsprong wordt door filosofen veelal aangeduid als het ultieme of het absolute".

Dit roept enkele vragen op: Als wij onder de werkelijkheid verstaan "alles wat er is", moet dan de grond van de werkelijkheid wel of niet geacht worden tot de werkelijkheid te behoren? Met andere woorden is de werkelijkheid gegrond in zichzelf of in iets buiten die werkelijkheid?

Je zegt dat het voor de grond van de werkelijkheid onmogelijk is om niet te bestaan.
Maar kan iets dat onmogelijk non-existent kan zijn gedacht worden niet tot de werkelijkheid te behoren? Is het alleen maar een door ons "gedacht iets" of heeft het een bestaan in de werkelijkheid? Hoe zou het, als het niet werkelijk bestaat, de grond van de werkelijkheid kunnen zijn?
Maar als het een werkelijk bestaan heeft moeten wij dan niet denken dat de werkelijkheid in zichzelf gegrond is?
Is het niet te ver gedacht om het zijn zelf als veroorzaakt te beschouwen?

vriendelijke groet,
Herman

Emanuel Rutten zei

Beste Herman,

De eerste oorzaak van de werkelijkheid kan meer precies omschreven worden als een bestaande entiteit die zelf onveroorzaakt is en die de directe of indirecte oorzaak is van al het andere wat bestaat. Er zijn goede argumenten voor het bestaan van zo'n entiteit. En als zo'n entiteit bestaat, dan is ze uniek. Er kunnen namelijk geen twee eerste oorzaken bestaan (ga na). Hier treden verder geen metafysische moeilijkheden op.

Groet,
Emanuel

Herman zei

Beste Emanuel,

"De eerste oorzaak van de werkelijkheid kan meer precies omschreven worden als een bestaande entiteit die zelf onveroorzaakt is....".

Als er goede argumenten zijn voor het bestaan van zo'n entiteit dan mag zo'n entiteit geacht worden werkelijk te bestaan en dus tot de totale werkelijkheid te behoren. Maar dan omvat de totale werkelijkheid minstens één entiteit die onveroorzaakt is en dus geen eerste oorzaak heeft.
Onveroorzaakt zijn (altijd bestaan hebben) zou dan als mogelijkheid gezien moeten worden.
De vraag is nu: "waarom zou dat gelden voor slechts één entiteit en niet voor het zijn van alle entiteiten tezamen, namelijk voor datgene wat wij de werkelijkheid noemen?
Als wij de eerste hoofdwet van de thermodynamica en de twee-eenheid van materie en energie (E=mc2) beschouwen ligt dan de gedachte dat energie er in een of andere vorm altijd geweest is niet méér voor de hand dan de gedachte dat energie er ooit niet geweest is?
Nog een vraag: denk jij dat er ooit een toestand zal intreden waarin geen sprake meer zal zijn van materie en energie?

vr. groet,
Herman

Emanuel Rutten zei

Beste Herman,

Wanneer een onveroorzaakt object A een ander object B veroorzaakt, en wanneer de som van A en B ook een object is, dan kunnen we spreken over de oorzaak van deze som. Het is dan niet onredelijk te zeggen dat A de oorzaak is van de som van A en B. Welnu, als er een eerste oorzaak bestaat, dan is deze de directe of indirecte oorzaak van alle andere objecten in de werkelijkheid. Het is ook in dit geval niet onredelijk om te zeggen dat de eerste oorzaak de (uiteindelijke) oorzaak is van de werkelijkheid opgevat als de som van alles wat bestaat. Kortom, als er een eerste oorzaak bestaat, dan is de werkelijkheid niet onveroorzaakt.

Groet,
Emanuel

Herman zei

Beste Emanuel
"Kortom, als er een eerste oorzaak bestaat, dan is de werkelijkheid niet onveroorzaakt".

Maar wat als er geen eerste oorzaak bestaat?
Onveroorzaakt zijn wordt door jou, als ik je goed begrijp, niet als onmogelijkheid afgewezen.
Daarom juist mijn vraag: "waarom zou dat dan gelden voor slechts één entiteit en niet voor het zijn van alle entiteiten tezamen, namelijk voor datgene wat wij de werkelijkheid noemen? Ik verwijs in dit verband nogmaals naar de eerste hoofdwet van de thermodynamica en naar E=mc2.

Overigens heb ik geen moeite met jouw laatste zin: "Kortom, als er een eerste oorzaak bestaat, dan is de werkelijkheid niet onveroorzaakt"
Daar kan even zelfverzekerd aan toegevoegd worden: "En als er geen eerste oorzaak bestaat, dan is de werkelijkheid onveroorzaakt".
Allebei waar. Maar kan überhaupt geweten worden dat er een eerste oorzaak is?

Ik denk nu aan het modaal epistemisch argument.
Stel p= er is een eerste oorzaak.
P1: Als p mogelijk waar is dan is p kenbaar.
P2: De propositie "er is geen eerste oorzaak" is onkenbaar.
Conclusie: De propositie "er is geen eerste oorzaak" is niet mogelijk waar.

Wij zouden er nu uit zijn ware het niet dat hier sprake is van een weliswaar ware, maar niettemin toch onvolledige eerste premisse(dezelfde objectie betreft ook het modaal epistemisch argument.
Als wij de eerste premisse onbevooroordeeld volledig maken dan zou deze luiden: Als p mogelijk waar is dan is p kenbaar en als p mogelijk niet waar is dan is p kenbaar of onkenbaar. Op deze manier kunnen wij niet concluderen dat de propositie "er is geen eerste oorzaak" niet mogelijk waar is en dus blijft de vraag of er een eerste oorzaak is onbeantwoord.

vr. groet,
Herman








Emanuel Rutten zei

Beste Herman,

De propositie "Er is geen eerste oorzaak" is inderdaad niet kenbaar. Uitgaande van het metafysische principe dat al het mogelijk ware kenbaar is, volgt dan dat die propositie niet waar kan zijn. Er bestaat dus een eerste oorzaak. En dit is zelfs noodzakelijk. Er zijn daarentegen ook andere argumenten voor het bestaan van een eerste oorzaak, zoals mijn argument vanuit atomisme en causalisme, het argument vanuit de onmogelijkheid van het bestaan van een actueel oneindig (zoek maar eens in combinatie met mijn naam op 'Jan en de robots'), en Scotus' argument vanuit de premisse dat alles wat mogelijk is en niet bestaat veroorzaakt kan worden (zodat een eerste oorzaak dus wel moet bestaan).

Groet,
Emanuel

Herman zei

Beste Emanuel,
Bedankt voor jouw antwoord.

Je zegt:"De propositie "Er is geen eerste oorzaak" is inderdaad niet kenbaar. Uitgaande van het metafysische principe dat al het mogelijk ware kenbaar is, volgt dan dat die propositie niet waar kan zijn. Er bestaat dus een eerste oorzaak".

Mijn vraag is nu: "Wat kunnen wij concluderen als wij uitgaan van het principe dat het mogelijk onware kenbaar of onkenbaar is"?
Is het vooralsnog niet even legitiem om te zeggen dat een eerste oorzaak mogelijk niet waar is als om te zeggen dat een eerste oorzaak mogelijk waar is?
Als wij op voorhand niet de mogelijkheid van het ontbreken van een eerste oorzaak zouden mogen open houden zou dat betekenen dat wij reeds op voorhand moeten uit gaan van het noodzakelijk bestaan van een eerste oorzaak.
Dat kan toch niet de bedoeling zijn?

vr. groet,
Herman

Emanuel Rutten zei

Beste Herman,

Het principe "Het mogelijk onware is kenbaar" faalt. Neem maar een noodzakelijke onwaarheid (zoals 1+1=5). Deze is mogelijk onwaar (want noodzakelijk onwaar) en zeker niet kenbaar. Het principle "Het mogelijk onware is onkenbaar" faalt ook. Neem maar eens de propositie "Nederland verloor het WK in 1974". Deze propositie is mogelijk onwaar, maar zeker niet onkenbaar. Het principe "Het mogelijk onware is kenbaar of onkenbaar" is correct, maar triviaal. Voor elke propositie geldt immers tautologisch dat ze kenbaar of niet kenbaar (en dus onkenbaar) is.

Groet,
Emanuel

Herman zei

Beste Emanuel,

Met iedere bewering die je doet ben ik het helemaal eens.
Maar als iemand zegt dat er mogelijk een eerste oorzaak is, waarom zou een ander dan niet met evenveel recht mogen zeggen dat er mogelijk geen eerste oorzaak is?
Het gaat immers om het startpunt.
Zegt men: "er is mogelijk een eerste oorzaak" dan lijkt dat even bevooroordeeld als:"er is mogelijk geen eerste oorzaak". Het eerste sluit de onmogelijkheid van een eerste oorzaak reeds op voorhand uit; en het tweede sluit de noodzaak van een eerste oorzaak reeds op voorhand uit.
Het enige onbevooroordeelde startpunt is nu eenmaal een trivialiteit: "er is mogelijk wel of mogelijk geen eerste oorzaak". Dit is ook nog eens waar.Dit betekent dat wij, als wij starten vanuit een onbevooroordeeld en onbetwijfelbaar gegeven, niet kunnen concluderen dat er noodzakelijk een eerste oorzaak bestaat. Die conclusie kan immers alleen maar getrokken worden als wij op voorhand reeds uitsluiten dat er geen eerste oorzaak is. Dit lijkt mij ongeoorloofd. Anderzijds is een vertrekpunt dat de noodzaak van een eerste oorzaak op voorhand uitsluit ook ongeoorloofd.
Zo'n argument kan best geldig zijn, maar garandeert dat ook dat de conclusie waar is?
Het lijkt mij al met al nog niet zo makkelijk om modaal epistemisch acceptabel te maken dat er een eerste oorzaak is.

vr. groet,
Herman


Emanuel Rutten zei

Beste Herman,

Op voorhand kan uiteraard niet uitgesloten worden dat het mogelijk is dat er geen eerste oorzaak is. We kunnen dan ook niet zo maar beweren dat er een eerste oorzaak moet zijn. Maar daaruit volgt nog niet dat het inderdaad ook mogelijk is dat er geen eerste oorzaak is. Dat valt nog te bezien! Zo volgt uit het argument vanuit de onmogelijkheid van een actueel oneindig dat het helemaal niet mogelijk is dat er geen eerste oorzaak is. En ook Scotus' argument impliceert dat er een eerste oorzaak moet zijn, zodat het niet bestaan ervan niet mogelijk is. Mijn modaal-epistemisch argument impliceert eveneens dat het niet mogelijk is dat er geen eerste oorzaak is. Want als (i) de werkelijkheid ten diepste intelligibel is, en (ii) de propositie "Er bestaat geen eerste oozaak" onkenbaar is, dan volgt logisch dat het helemaal niet mogelijk is dat er geen eerste oorzaak is. Er moet dus een eerste oorzaak zijn.

Je verwart dan ook twee soorten mogelijkheden: epistemische mogelijkheden en metafysische mogelijkheden. Op voorhand kunnen we uiteraard niet uitsluiten dat het metafysisch mogelijk is dat er geen eerste oorzaak is. We zeggen dan dat op dat moment het metafysisch mogelijk zijn van het niet bestaan van een eerste oorzaak een epistemische mogelijkheid is. Of korter: Op dat moment is het epistemisch mogelijk dat het metafysisch mogelijk is dat er geen eerste oorzaak bestaat. Zodra we echter de argumenten tegen genoemde metafyische mogelijkheid in ogenschouw nemen, kunnen we concluderen dat het alleszins redelijk is om te denken dat het helemaal niet metafyisch mogelijk is dat er geen eerste oorzaak is. De eerdergenoemde epistemische mogelijkheid vervalt dan.

Groet,
Emanuel

Emanuel Rutten zei

Beste Heman,

Korte toegift: epistemische mogelijkheden gaan dus over wat wij als mensen op grond van onze beschikbare informatie en argumentaties al dan niet kunnen uitsluiten. Metafysische mogelijkheden gaan over iets heel anders, namelijk over de vraag wat de werkelijkheid zelf al dan niet toelaat.

Groet,
Emanuel

Herman zei

Beste Emanuel,

Bedankt voor je antwoord. Stof genoeg om eens goed na te denken.
Ik kom er nog op terug.

vr. groet,
Herman