woensdag 15 februari 2012

Een alternatieve kennisleer: fragmenten (III)

I. Over de wereld zoals deze in en voor zichzelf is zullen wij als mensen nooit iets kunnen vaststellen. De wereld-in-zichzelf blijft voor ons voorgoed verborgen. Toch moeten we het kind niet met het badwater weggooien. Maar hoe doen we dat? Hoe redden we het kind? Dit doen we door ons te richten op de wereld zoals deze voor ons als mensen is, door ons te realiseren dat al onze inzichten de-wereld-voor-ons betreffen. We verkrijgen zo een hernieuwde menselijke objectiviteit die voor ons als mensen voldoende is, een objectiviteit waarmee we uit de voeten kunnen.

II. Waar het om gaat is dat wij onszelf nooit, op géén enkele wijze, toegang kunnen verschaffen tot de-wereld-in-zichzelf. Nimmer kunnen wij immers een standpunt buiten onze inherent menselijke conditie innemen. Wij kunnen nooit ophouden mens te zijn, en precies daarom is al ons ervaren, spreken en denken onvermijdelijk altijd menselijk ervaren, spreken en denken. De-wereld-voor-ons is dan ook datgene waarop al ons ervaren, spreken en denken altijd onontkoombaar betrekking heeft. En de status van de-wereld-voor-ons dan? Is zij slechts een intramentale intersubjectieve constructie? Of is zij feitelijk gelijk aan de wereld-in-zichzelf? We weten het niet, en we zullen het nooit weten. Het 'op zichzelf' van de-wereld-voor-ons is voor ons immers ontoegankelijk precies omdat de-wereld-in-zichzelf voor ons ontoegankelijk is.

III. Uitgaande van mijn alternatieve kennisleer zijn al onze zintuiglijke indrukken wereld-voor-ons-indrukken. Alles wat wij zien, horen en voelen is steeds gegeven binnen de-wereld-voor-ons. Verder kunnen wij, uitgaande van mijn kenleer, niet claimen dat wij de-wereld-in-zichzelf ordenen middels begrippen. Een dergelijke claim veronderstelt namelijk dat wij op de één of andere manier toegang hebben tot de wijze waarop de-wereld-in-zichzelf en de-wereld-voor-ons op elkaar betrokken zijn. Een dergelijke toegang hebben wij echter niet, precies omdat wij geen toegang hebben tot de-wereld-in-zichzelf en het 'op zichzelf' van de-wereld-voor-ons. Kantiaanse projectiethesen zijn dan ook in tegenspraak met mijn alternatieve kennisleer, hetgeen één van de redenen is waarom deze kennisleer niet met die van Kant verwart moet worden. Wel zouden we natuurlijk kunnen zeggen dat wij de-wereld-voor-ons deels ordenen door begrippen als 'vrijgezel' en 'examenklas' op haar te projecteren. Ik zeg nadrukkelijk deels omdat bijvoorbeeld een begrip als 'causaliteit' wezenlijk ofwel constitutief is voor de-wereld-voor-ons. Wij projecteren causaliteit niet op een reeds voorhanden wereld-voor-ons precies omdat causaliteit een inherent bestanddeel vormt van de-wereld-voor-ons.

IV. Mystici die menen dat rechtstreeks contact met de werkelijke werkelijkheid mogelijk is zullen het oneens zijn met mijn allesomvattende hermetische wereld-voor-ons holisme. Maar ook bijvoorbeeld Jacques Lacan zal willen opmerken dat het reële ("the real") zo nu en dan in staat blijkt te zijn om door onze menselijke symbolische orde heen te breken en zich zo ineens aan ons als het werkelijk werkelijke te melden. Is wellicht de ontegenzeggelijke verwerpelijkheid van de holocaust zo'n doorbreken van het reële, het werkelijke? Moeten we wellicht zeggen dat zich hier, in de afschuwelijkheid van de holocaust, iets aan ons meldt dat tot het reële behoort? Dienen we met andere woorden te erkennen dat de bewering dat de holocaust verwerpelijk is zich dermate aan ons als reëel, als werkelijk, opdringt dat we niet anders kunnen dan concluderen dat deze bewering gerechtvaardigd is als bewering over hoe de-wereld-in-zichzelf is? Zo ja, dan zou dit natuurlijk een probleem voor mijn kennisleer opleveren.

V. De wereld-in-zichzelf is niet 'de ons omringende wereld die buiten ons gelegen is en inwerkt op onze zintuigen'. De claim dat er überhaupt zoiets bestaat als een buitenwereld die op onze zintuigen inwerkt is namelijk, net zoals iedere andere menselijke claim, een uitspraak over hoe de wereld voor ons als mensen is, dat wil zeggen, een claim over de-wereld-voor-ons.

VI. Wij kunnen als mensen niet anders dan denken dat er een buitenwereld bestaat die ons omringt en die op onze zintuigen inwerkt. Géén mens kan redelijkerwijs volhouden dat hij of zij niet gelooft dat er een op onze zintuigen inwerkende buitenwereld bestaat. Het zou eenvoudigweg zelfverloochening zijn om het bestaan van een ons omringende buitenwereld te ontkennen. Wij geloven als mensen onvermijdelijk in het bestaan van een buitenwereld die op onze zintuigen inwerkt. Ook ik sluit mij, hoe kan ik als mens ook anders, bij deze overtuiging aan. Máár, en dat is het cruciale punt, precies daarom is de claim dat er een buitenwereld bestaat die op onze zintuigen inwerkt niets anders dan een claim over hoe wij als mensen de wereld ervaren, i.e. een claim over de-wereld-voor-ons. Kortom, we dienen mijn begrippenpaar wereld-voor-ons/wereld-in-zichzelf niet te verwarren met het paar binnenwereld/buitenwereld (of Kant's paar fenomenale-wereld/noumenale-wereld). Het onderscheid tussen binnen- en buitenwereld is immers een onderscheid binnen de wereld-voor-ons. Op geen enkel moment raken wij met ons praten over 'binnen' en 'buiten' aan de-wereld-in-zichzelf.

VII. De-wereld-in-zichzelf is zoals zij is. Is zij statisch? Misschien. Misschien niet. We zullen het nimmer weten omdat we nooit direct toegang tot de-wereld-in-zichzelf kunnen krijgen. In ieder geval is de-wereld-voor-ons niet statisch. En de wereld-voor-ons is hetgeen waarop al onze uitspraken, en daarmee al onze kennis, betrekking heeft. De-wereld-voor-ons is het subject van al onze predicaties. Een 'totaal menselijk weten' zal dan ook niets meer of minder zijn dan een totaal weten van de-wereld-voor-ons. Over de-wereld-in-zichzelf kan door ons niets, maar dan ook helemaal niets, vastgesteld worden. Dus zelfs als een bepaalde menselijke uitspraak P over de-wereld-in-zichzelf waar is (en we mogen hopen dat er velen van dergelijke uitspraken zijn), dan nog zullen wij nimmer kunnen vaststellen dat dit inderdaad zo is, dat P waar is als claim over de-wereld-in-zichzelf.

VIII. Wanneer ik in mijn thesis Het kenbare noumenale stel dat de noumena van Kant tot de-wereld-voor-ons in plaats van tot de-wereld-in-zichzelf behoren, dan is dat uiteraard niet iets dat Kant zelf beweert. Uiteraard niet, het gaat hier om een uitspraak binnen mijn eigen kennisleer, welke een fundamentele correctie betreft op de kennisleer van Kant. Bij Kant zijn de onkenbare noumena niets meer of minder dan objecten buiten ons die op onze zintuigen inwerken en zo onze gewaarwordingen veroorzaken. Welnu, precies dit idee, precies deze gedachte dat er buiten ons objecten bestaan die op ons inwerken en zo de oorsprong vormen van onze gewaarwordingen betreft, in tegenstelling tot wat Kant meent, net zoals al onze andere menselijke, al te menselijke uitspraken, een uitspraak over... de wereld-voor-ons! Inderdaad, of de-wereld-in-zichzelf uit objecten bestaat, inwerkingen kent en oorsprongen omvat kunnen wij nooit en te nimmer weten. En precies daarom heeft onze uiteraard terecht rotsvaste overtuiging dat er buiten ons objecten bestaan die op ons inwerken en zo de oorsprong vormen van onze gewaarwordingen onvermijdelijk betrekking op de-wereld-voor-ons. De uitspraak dat er buiten ons objecten bestaan die op ons inwerken en zo de oorsprong vormen van onze gewaarwordingen kan dus niet gerechtvaardigd worden als uitspraak over het 'an sich' van de werkelijkheid, zoals Kant dacht. Nee, ook deze uitspraak is nog altijd een uitspraak gedaan vanuit ons menselijke, al te menselijke perspectief, en daarom alléén gerechtvaardigd als uitspraak over de-wereld-voor-ons. Anders gezegd, ook 'het object zijn voor een subject' is een uitspraak binnen de-wereld-voor-ons. Op geen enkel moment komt door dit soort menselijke uitspraken de-wereld-in-zichzelf in beeld. Kortom, ons menselijk spreken over objecten die op onze zintuigen inwerken en zo de oorsprong vormen van onze gewaarwordingen betreft een wereld-voor-ons spreken en precies daarom zijn deze objecten voor ons kenbaar. Inderdaad, deze wereld-voor-ons-objecten vormen 'het kenbare noumenale'. Wij kunnen deze wereld-voor-ons-objecten bereiken door binnen de wereld-voor-ons onze directe zintuiglijke gewaarwordingen (middels ons menselijke autonome redevermogen; zie wederom mijn thesis) te transcenderen. De ondertitel van mijn thesis luidt dan ook: 'transcendentie binnen de-wereld-voor-ons'.

IX. Een zeer cruciaal aspect betreft het gegeven dat volgens Kant ons verstand geknecht is. Ons verstand kan zich alléén maar bezighouden met het structureren van zintuiglijke indrukken. Kant ontkent dus dat ons verstand ook autonoom, vrij en op zichzelf tot oordelen kan komen. Welnu, mijn kennisleer gaat er juist vanuit dat ons verstand naast het structureren van zintuiglijke indrukken wel degelijk ook autonoom tot oordelen kan komen. En een dergelijk autonoom oordeelsvermogen is de sleutel voor de mens om binnen de-wereld-voor-ons tot inzicht in het bovenzintuiglijke te komen. Ons autonome vrije denken geeft ons immers oordelen die niet uitsluitend gaan over objecten van mogelijke ervaring. En ja, we blijven inderdaad nog steeds binnen de wereld-voor-ons. Ons verstand is immers, ook wanneer zij autonoom, vrij en onafhankelijk van zintuiglijke indrukken opereert, een onvervreemdbaar menselijk, al te menselijk, vermogen. Wanneer wij bijvoorbeeld autonoom denken dat iets niet tegelijkertijd wél en niet kan bestaan (een gedachte die inderdaad vrij en onafhankelijk is van gegeven zintuiglijke indrukken), dan is ook die gedachte nog altijd een claim over hoe de wereld voor ons als mensen is, i.e. een claim over de-wereld-voor-ons.

X. Wij hebben als mensen alléén maar toegang tot de wereld-voor-ons. Is daarmee de wereld-in-zichzelf verdwenen? Natuurlijk niet! De wereld-in-zichzelf is er, en ze is op een bepaalde wijze. Het punt is alléén dat we haar nooit rechtstreeks, onbemiddeld, in het vizier kunnen krijgen.

XI. De idee dat onze natuurwetenschappelijke kennis slechts subjectieve verzinsels zouden zijn is natuurlijk in flagrante tegenspraak met mijn alternatieve kenleer. Mijn kenleer is geen krachteloos postmodern subjectivisme.

XII. Ook ik kan niet anders dan er diep van overtuigd zijn dat de monitor tegenover mij er is als buiten mijn denken bestaand voorwerp. En natuurlijk, ik, jij en ieder ander mens kan eenvoudigweg niet anders dan geloven dat wij er zijn, dat we er samen zijn, dat de natuur met al haar rijkdom er is, dat er anderen zijn die lijden en vragen om aandacht. Een mens die, in het kader van zijn of haar leven, oprecht zou twijfelen aan het bestaan van planten, bomen, dieren en mensen kan eenvoudigweg niet serieus genomen worden. Zo'n mens doet aan iets dat ik zonder aarzeling zelfverloochening noem. Geen mens kan oprecht geloven dat dit alles slechts een illusie is. En ook meer abstracte uitspraken, zoals de uitspraak 'iets kan niet tegelijkertijd waar en niet waar zijn', 'iets kan niet uit niets ontstaan', 'alles wat begint te bestaan heeft een oorzaak voor zijn of haar ontstaan', 'lustmoorden zijn verwerpelijk' zijn zo evident dat geen mens er redelijkerwijs aan kan twijfelen. In het tweede deel van mijn driedelig wijsgerig project laat ik zien dat uit soortgelijke evidente uitspraken als de evidente uitspraken hierboven logisch kan worden afgeleid dat er een allerlaatste absolute grond ofwel ultieme oorsprong is van al het bestaande. En deze uiteindelijke bron, dit eerste beginsel, deze arche, is, om met Thomas te spreken, dat wat wij allen God noemen. Maar natuurlijk, een wereldmijdende scepticus zal onmiddellijk zeggen dat wij dit alles helemaal niet kunnen weten. Evidentie, aldus de scepticus, is immers helemaal geen enkele garantie voor waarheid. Wat zeggen wij tegen een dergelijke scepticus, wij die zo vol zijn van de ons omringende wereld, een wereld die wij niet anders kunnen dan omarmen, dan liefhebben? Wat kunnen wij doen om hem te laten delen in deze volheid, in deze ons toevallende werkelijkheid? Het antwoord is eenvoudig en wellicht verbijsterend. We geven hem gelijk! Natuurlijk, zeggen we, over de-wereld-in-zichzelf kunnen wij helemaal niets weten. Geen van onze claims kan gerechtvaardigd worden als bewering over hoe de wereld in-zichzelf is. Maar, zo vervolgen wij, dit alles vormt echter geen enkel fundamenteel probleem. Veel uitspraken, zoals bijvoorbeeld de uitspraak dat er tegenover mij een monitor staat, dat er daar verderop een tuin is, dat jij bestaat, dat ik besta, dat iets niet uit niets kan ontstaan, dat lustmoorden verwerpelijk zijn, dat iets niet tegelijkertijd waar en onwaar kan zijn, dat de hele wereld teruggaat op een laatste goddelijke oorsprong, zijn namelijk (al dan niet na logische afleiding) beslissend gerechtvaardigd als uitspraken over de-wereld-voor-ons. En dit is voor ons als mensen voldoende. Wat zouden wij immers nog meer willen dan als mens gerechtvaardigd zijn? Meer is onnodig! Zo opent zich opnieuw een enorme vrijheid, een onmetelijke ruimte en een goddelijke grond, voor ieder van ons, ja zelfs voor de scepticus. Velen praten steeds over empathie, over verbinding en geheel, over betekenis, over het ingaan in en het ontroerd worden door. Dit alles deel ik en erken ik. Maar ik blijf daar niet bij stilstaan. Ik wil antwoord geven op de uitdagingen van het scepticisme. Ik wil niet halt houden bij de ontroering. Ik wil datgene wat ons ontroert redden, redden van het eroderende zuur van de onthechte scepticus. Dit is wat ik wil. Dit is de uiteindelijke opdracht van mijn project.

XIII. Om misverstanden te voorkomen zou ik nog willen opmerken dat mijn kenleer niet neerkomt op "het meegaan met alles aan scepsis". De situatie is eerder dat mijn kenleer leidt tot een reductio ad absurdum van het scepticisme. Haar eigenlijke inzet is namelijk om met het scepticisme mee te denken om haar tenslotte te overwinnen, om boven het scepticisme uit te komen en haar vervolgens achter zich te laten. Hierover schreef ik eerder: "Een gerelativeerd ofwel begrensd scepticisme leidt alleen maar tot subjectivisme en relativisme. Maar een radicaal ofwel maximaal scepticisme leidt tot haar tegendeel, haar reductio: een intersubjectieve grond. De wereld-voor-ons. We moeten dus het scepticisme niet schuwen, maar durven meegaan op de weg van de scepticus. Evenmin moeten we bij het scepticisme halt houden. Nee, we moeten deze beweging doortrekken, de beweging voltooien. We dienen de uiterste consequentie van het scepticisme te denken om zo boven het scepticisme uit te komen. Ja, om haar reductio te voeren en zo nieuwe vaste grond te vinden: de-wereld-voor-ons. Vergelijk dit met het volgende beeld. Wie het vaste land verlaat om in de buurt van de kustlijn te blijven varen zal nimmer meer vaste grond vinden. Wie echter gestaag blijft doorvaren en zelfs de kustlijn uit het zicht durft te laten verdwijnen zal uiteindelijk op nieuwe grond stuiten. Dus: laten we uitvaren!". Die nieuwe grond bestaat uit een groot aantal beslissend gerechtvaardigde (zintuiglijke én bovenzintuiglijke) wereld-voor-ons-claims, waaronder dus claims als 'alles wat bestaat heeft een reden voor zijn of haar bestaan', 'iets kan niet tegelijkertijd een bepaalde eigenschap op dezelfde wijze wel én niet hebben', 'lustmoord is verwerpelijk' en 'er bestaat een ultieme goddelijke oorsprong'. In XIV van http://bit.ly/ebYueY werk ik vijf voorbeelden uit van dergelijke claims. Mijn kenleer loopt dus uit op het ontstaan van een algemene binnenwereldse menselijke objectiviteit die de meeste sceptici in de regel niet zullen willen omarmen.

XIV. Kant stelt onomwonden dat er buiten ons denken objecten zijn die onze zintuigen beroeren, en zo in ons voorstellingen teweegbrengen. Prima, maar dit is geen uitspraak vanuit één of ander Archimedisch absoluut onafhankelijk punt. Néé, ook deze uitspraak is een menselijke claim. Ja, wij zijn als mens gerechtvaardigd om te denken dat er buiten ons objecten bestaan, maar dit hele idee, dat er zoiets is als 'buiten' en dat er zoiets is als 'objecten' is zelf reeds een menselijke gedachte, en daarom een claim (overigens wel een volstrekt gerechtvaardigde claim!) over de wereld-voor-ons. Kortom, Kant dacht het met zijn uitspraken over 'objecten' die van 'buiten' op ons 'inwerken' te hebben over de werkelijke werkelijkheid, maar in plaats daarvan sprak hij, zonder dat hij zich dit zelf realiseerde, over de-wereld-voor-ons: De-wereld-voor-ons is zodanig dat wij niet anders kunnen dan denken dat er buiten ons objecten zijn die op ons inwerken. Inderdaad, alles wat we zeggen is principieel en onvermijdelijk een claim over de wereld zoals zij voor ons als mensen is, i.e. over de-wereld-voor-ons, en dit geldt dus ook voor universeel menselijke claim dat er buiten ons objecten zijn die onze zintuigen beroeren. Een absoluut, van iedere menselijke conditie onafhankelijk, standpunt is voor de mens namelijk principieel onbereikbaar, en precies daarom is zelfs de uitspraak dat er buiten ons objecten zijn die ons beroeren reeds een menselijke binnenwereldse claim, ja een wereld-voor-ons-claim. Het was Schopenhauer die hier in zijn boek 'De wereld als wil en voorstelling' al fijntjes op wees: "[H]et ding-op-zichzelf behoort volgens [...] Kant vrij te zijn van alle vormen [van de verschijning zoals ruimte, tijd en causaliteit] die gekoppeld zijn aan het kennen als zodanig; en het is alleen maar een fout van Kant [...] dat hij bij de inventarisatie van die vormen uitgerekend het object-zijn-voor-het-subject vergat (en dan te bedenken dat deze de eerste en meest universele vorm is van alle verschijning, dat wil zeggen van de voorstelling). Hij had dan ook categorisch moeten uitsluiten dat zijn ding-op-zichzelf ooit tot object zou kunnen worden, want dat zou hem behoed hebben voor die grote inconsequentie die algauw aan het licht kwam".

XV. Zo wordt langzaam het holistische en hermetische karakter van mijn alternatieve wereld-voor-ons kennisleer zichtbaar. In mijn thesis en in allerlei andere bijdragen geef ik veelvuldig aan dat zelfs de claim dat we een onderscheid moeten maken tussen de-wereld-in-zichzelf en de-wereld-voor-ons uiteindelijk ook een claim is over de-wereld-voor-ons. En de claim dat we een onderscheid moeten maken tussen de-wereld-voor-ons en de-wereld-in-zichzelf is bovendien beslissend gerechtvaardigd als claim over de-wereld-voor-ons. Dit alles is overigens niet contradictoir. Het is eerder de uiteindelijke consistente consequentie van het al-inclusieve karakter van de-wereld-voor-ons. Dus ja, de-wereld-voor-ons is voor ons inderdaad het allesomvattende, de-wereld-voor-ons is dat waarbuiten wij als mens nimmer kunnen treden, op géén enkele wijze, door géén enkele uitspraak. Wij zijn geworpen in de-wereld-voor-ons en zullen haar nooit en te nimmer kunnen overschrijden.

XVI. Wie, aan het einde gekomen van mijn thesis, mijn alternatieve kenleer daadwerkelijk verstaat, ziet in dat ook alle uitspraken en stellingen van deze kenleer zelf uiteindelijk alleen als wereld-voor-ons claims gerechtvaardigd kunnen worden. En deze vorm van zelfreferentie is niet contradictoir. Net zo min als het contradictoir is om te zeggen dat de zin 'alle zinnen bestaan uit woorden' zelf ook een zin is bestaande uit woorden. Mijn thesis is als een weg die men dient af te leggen, een berg die men dient te beklimmen, om zich tenslotte bewust te worden van de uiteindelijke epistemische conditie van de mens, namelijk haar totale restloze geworpenheid in een al-inclusieve, alles-omvattende wereld-voor-ons. Ja, zelfs het onderscheid tussen de-wereld-in-zichzelf en de-wereld-voor-ons wordt tenslotte in de-wereld-voor-ons opgenomen, begrepen als iets dat ook vanuit de-wereld-voor-ons opkomt en binnen de-wereld-voor-ons is gelegen. De wereld-voor-ons is voor ons de ultieme grens. Een grens die wij nimmer zullen passeren. Maar, en hier gaat het mij om, juist door deze beweging te voltrekken redden we het klassieke project van de filosofie, namelijk het vinden van een objectieve grond: de-wereld-voor-ons.

XVII. Veel uitspraken waar wereldverzakende sceptici hun pijlen op richten, zoals 'iets kan niet zowel bestaan als niet bestaan', 'alles wat bestaat heeft een reden voor zijn of haar bestaan', 'iets kan niet uit niets ontstaan' en 'alles wat begint te bestaan heeft een oorzaak voor zijn of haar ontstaan', zijn dan ook als wereld-voor-ons claims wel wel degelijk epistemisch rechtvaardigbaar. Zelfs de claim dat God bestaat ('God' hier begrepen als de zijnsgrond of zijnsoorzaak van al het zijnde) kan netjes epistemisch worden gerechtvaardigd als wereld-voor-ons claim. Dit te laten zien vormt feitelijk het telos van het tweede deel van mijn project, namelijk mijn proefschrift.

XIIX. Nergens zeg ik dat de-wereld-voor-ons "maar iets is dat bestaat in ons hoofd of in onze verbeelding". Natuurlijk zeg ik dat niet, een dergelijke uitspraak suggereert immers dat wij toegang zouden hebben tot het 'op zichzelf' van de-wereld-voor-ons. Echter, die toegang hebben wij nu juist niet! Wij zullen nimmer weten hoe de-wereld-voor-ons op zichzelf is. Anders gezegd, de ontologische status van de-wereld-voor-ons, de eigen aard van de wereld-voor-ons is en blijft voor ons een ultiem raadsel. Is zij feitelijk gelijk aan de werkelijke werkelijkheid? Bestaat zij slechts in ons hoofd? We zullen het nooit weten. Hoe datgene waarin wij geworpen zijn in en voor zichzelf is blijft voor ons voor altijd een open vraag.

XIX. Mijn nieuwe kennisleer kwam tot stand door een "flash of insight". Een plotseling besef van een nieuwe mogelijkheid, van een alternatieve, vruchtbare, uitweg uit het scepticisme. Bij veel mensen met wie ik over mijn kenleer spreek duurt het enige tijd voordat men de sprong, of beter, de Gestalt-switch, weet te maken, en dan nog valt men na enige tijd meestal weer terug in oude denkpatronen, die van het scepticisme, Kantianisme, of naïef realisme. Door met hen opnieuw mijn alternatieve kennisleer te bespreken zie je dan vaak dat men opnieuw het alternatief ziet, de mogelijkheid ziet, en nog eens de epistemische omkering meemaakt. Maar goed, 'de ladder ernaartoe' is ondermeer mijn masterthesis 'Het kenbare noumenale' en de verschillende blogbijdragen. De allereerste tekst waarin ik mijn kenleer ten tonele laat verschijnen, en waarin ik overigens nog spreek over kennis-voor-ons in plaats van wereld-voor-ons, is http://bit.ly/eZEUJz

XX. Bovenstaande uitspraak over 'de ladder ernaartoe' roept toch ook herinneringen op aan Wittgenstein's Tractatus 6.54: "My propositions are elucidatory in this way: he who understands me finally recognizes them as senseless, when he has climbed out through them, on them, over them. (He must so to speak throw away the ladder, after he has climbed up on it.) He must surmount these propositions; then he sees the world rightly."

XXI. Ik denk met mijn kenleer tegen Parmenides in omdat ik het antropocentrisme niet wil loochenen, maar juist van een nieuwe grond wil voorzien. Wij mensen kunnen voortaan onze menselijke waarheden situeren binnen wat wij zeggen, ervaren en denken. Binnen de-wereld-voor-ons.

70 opmerkingen:

nand braam zei

@ Emanuel
Je zegt: “We dienen de uiterste consequentie van het scepticisme te denken om zo boven het scepticisme uit te komen. Ja, om haar reductio te voeren en zo nieuwe vaste grond te vinden: de-wereld-voor-ons. Vergelijk dit met het volgende beeld. Wie het vaste land verlaat om in de buurt van de kustlijn te blijven varen zal nimmer meer vaste grond vinden. Wie echter gestaag blijft doorvaren en zelfs de kustlijn uit het zicht durft te laten verdwijnen zal uiteindelijk op nieuwe grond stuiten. Dus: laten we uitvaren!".”

Schitterende beeldspraak. En hoe zou de beeldspraak luiden voor het Skepticisme, Emanuel?

nand braam zei

@ Emanuel

Even een poging tot vergelijking met de leer van Plato, als het mag.
De wereld-voor-ons is de schaduwwereld uit de grot van Plato?.De wereld buiten de grot is de wereld-in-zichzelf? Is het überhaupt zinvol een vergelijking te maken tussen jouw alternatieve kennisleer en die van Plato?

Emanuel Rutten zei

Beste Nand,

De-wereld-voor-ons vormt voor ons als mensen de onoverschreidbare horizon van al ons ervaren, denken en spreken. Precies daarom kunnen wij nooit weten hoe de-wereld-voor-ons zich verhoudt tot de-wereld-in-zichzelf. Misschien valt de-wereld-voor-ons wel samen met de-wereld-in-zichzelf! Maar, zelfs als dit inderdaad het geval is, dan nog kunnen wij dit nimmer vaststellen. Een dergelijk inzicht zou immers impliceren dat wij als mensen een archimedisch standpunt buiten de-wereld-voor-ons kunnen innemen om zo de ontologische relatie tussen de-wereld-voor-ons en de-wereld-in-zichzelf in het vizier te krijgen, hetgeen zoals gezegd onmogelijk is. Het is dus een misvatting om de-wereld-voor-ons te identificeren met Plato's 'schaduwwereld' en vervolgens de-wereld-in-zichzelf met 'de wereld buiten de grot'.

Bovendien gaat deze identificatie mank vanwege een andere, nog veel eenvoudigere, reden. De identificatie suggereert namelijk dat wij te weten kunnen komen hoe de-wereld-in-zichzelf is. In de grotallegorie van Plato ontsnapt immers een gevangene uit de grot en ontdekt zo de wereld buiten de grot. Volgens mijn kenleer is het echter onmogelijk iets te weten te komen over de aard van de-wereld-in-zichzelf.

Is Plato's onderscheid tussen 'schaduwwereld' en 'de wereld buiten de grot' dan misschien een adequaat onderscheid *binnen* de-wereld-voor-ons? Nee, dit is ook niet het geval. In mijn thesis "Het kenbare noumenale" laat ik namelijk zien dat Platonisme niet gerechtvaardigd kan worden binnen de-wereld-voor-ons.

Verder is het niet onbelangrijk om in te zien dat Plato meent dat wij in de schaduwwereld nimmer tot kennis kunnen komen, terwijl ik nu juist beweer dat wij als mensen uitsluitend binnen de context van de-wereld-voor-ons kennis kunnen verkrijgen.

Kortom, mijn kennisleer verschilt radicaal met die van Plato. Zij staan diametraal tegenover elkaar! Zie voor meer fragmenten eventueel ook http://bit.ly/lhpPh0 en http://bit.ly/zONQxS

Groet,
Emanuel

nand braam zei

@ Emanuel

Bedankt voor het antwoord. Ik vermoedde al dat een vergelijking niet zinvol was. Je hebt het duidelijk uitgelegd.

filosofiewetenschapkunst.web-log.nl zei

Beste Emanuel,

Je presenteert je kritiek op Kant als ‘nieuw’, maar ik zie niet goed wat je toevoegt aan de oude kritiek op Kant van Jacobi, Schulze, Fichte of Schopenhauer of zelfs aan wat Kant zelf al zei.

Je stelt dat Kant beweert dat “de onkenbare noumena niets meer of minder dan objecten buiten ons die op onze zintuigen inwerken en zo onze gewaarwordingen veroorzaken.” Ik heb gezocht of Kant dat inderdaad zegt en hetgene wat er het dichtst bij kwam is B344, waar Kant schrijft dat het verstand een object op zichzelf denkt, maar alleen als transcendentaal object, dat de oorzaak van de verschijning is (B344). Van belang daar is “maar alleen als transcendentaal object”: daarmee geeft Kant aan dat hij hier niet de verstandscategorie van oorzakelijkheid op het ding op zichzelf toepast (elders, bv. B307-315, betoogt hij ook uitvoerig dat de verstandscategorieën geen toepassing vinden op noumena en dat de noumena slechts als grensbegrip moeten worden opgevat die onze zintuiglijke kennis beperken). Bovendien zegt Kant direct erna in diezelfde passage dat we niet weten of dat object buiten of binnen ons is. Al met al benadrukt Kant zo dat je dat ding op zichzelf niet moet denken zoals jij het suggereert, maar louter als een mogelijkheidsvoorwaarde van de verschijning: de ‘materie’ komt van het ding op zichzelf, de verschijningsvorm in ruimte en tijd van onze zintuiglijkheid. Het ding op zichzelf gaat dus niet in de tijd vooraf aan het ding als verschijning en is ook niet ergens in de ruimte (dus ook niet ‘buiten ons’). Wat Kant bedoelt en ook zegt (BXXVI-BXXVII) is dat we objecten ook als dingen op zichzelf kunnen en moeten denken, omdat het absurd zou zijn dat er verschijning kan zijn zonder iets wat verschijnt. Het ding op zichzelf is niet de oorzaak van het ding als verschijning: het is hetzelfde ding, alleen de ene keer zoals het is op zichzelf en de andere keer zoals het in onze ervaring verschijnt doordat wij het ding ordenen tot een kenbaar object door middel van onze aanschouwingsvormen van ruimte en tijd en de verstandscategoriën. Het ding op zichzelf doet niets: het is juist onze subjectieve activiteit die er een ding als verschijning van maakt. En vanwege die ordening kunnen wij alleen het ding als verschijning kennen, want kennis berust op die a priori-vormen van onze zintuiglijkheid en verstand die een ding tot een kenbaar object verbinden. Het nog ongeordende ding op zichzelf kunnen we niet kennen (maar op een bepaalde manier wel denken).

Ik geef toe dat er tegelijkertijd ook wel een oorzaak-achtig iets aan het ding op zichzelf lijkt te zitten bij Kant dat Kant volgens mij dan meestal ‘grond’ noemt en van ‘oorzaak’ als verstandscategorie moet worden onderscheiden. Misschien moet je op dit punt twee zaken onderscheiden: het transcendentale en het transcendente. Wat het transcendentale betreft distantieert Kant zich van een subjectivistisch of ‘Berkeleyaans’ idealisme dat beweert dat alle dingen louter schijn cq onze voorstelling zijn: wat verschijnt is bij Kant echt en de werkelijkheid kan niet beperkt worden tot hetgeen wij waarnemen. Het ding als verschijning is een werkelijk gegeven, objectief ding dat wij in de ervaring aantreffen. Maar nogmaals, dat ding als verschijning is niet een ander ding dan het ding op zichzelf, het is alleen onze voorstelling van het ding. En dat ding op zichzelf is in zekere zin de drager van het ding als verschijning: het is datgene wat aan ons verschijnt. Wat betreft het transcendente is de noumenale wereld in zekere zin ook wel een ‘metafysische’ wereld ‘achter’ de wereld als verschijning die die fenomenale wereld als geheel draagt. Dat houdt verband met Kants opvatting dat ons denken eist dat de dingen als verschijning, die altijd voorwaardelijk zijn, een grond buiten de ervaring hebben: dat is het onvoorwaardelijke dat de oorzakelijke reeks stopt en de ervaring als geheel completeert.

filosofiewetenschapkunst.web-log.nl zei

Onmiddellijk na het verschijnen van de Kritiek van de Zuivere Rede, werd Kants systeem bekritiseerd (door m.n. Schulze) dat Kant ten onrechte de verstandscategorie van de causaliteit buiten de wereld als verschijning zelf toepaste. In feite is het hele Duitse idealisme van Fichte e.d. grotendeels gebaseerd op deze kritiek: Fichte zou daarom het hele ‘Ding an sich’ elimineren. Schopenhauer bleef in feite trouw aan Kant: Schopenhauer hield vast aan het ‘ding-op-zichzelf’, maar maakt daarbij nog eens uitdrukkelijk duidelijk dat deze niet de oorzaak is van de dingen als onze voorstelling: het ding op zichzelf is ten diepste onkenbaar (al ervaren wij haar in ons als wil, zodat we haar generaliserend en enigszins metaforisch Wil kunnen noemen).

Ik vraag me trouwens af of Schopenhauers kritiek op Kants gebruik van de term ‘object’ hout snijdt. Op het eerste gezicht wel omdat een object als werkelijk object – een object van de (mogelijke) ervaring – pas ontstaat door de synthetiserende werking van onze zintuiglijkheid en verstand, dus in relatie tot het subject. Maar Kant lijkt bewust de term ‘object’ breder op te vatten dan louter object van de ervaring, dus meer dan iets waarvan we kennis kunnen hebben. Zo spreekt Kant uitdrukkelijk van de objecten van de rede-ideeën, omdat als je denkt je iets moet denken (dat dan het object van het denken is). Maar het is een onbepaald object wanneer het geen zintuiglijk-verstandelijk object is. En zeggen dat het ding op zichzelf niet gedacht kan worden is in feite zeggen dat het ding op zichzelf niet bestaat: als we het ding op zichzelf noch kunnen zien noch kunnen denken, dan is het er voor ons niet en kun je zelfs niet speculeren dat het misschien toch bestaat: reeds de speculatie dat het zou kunnen bestaan vereist de gedachte aan het ding op zichzelf. Jouw claim dat daarmee ook het ding op zichzelf in feite slechts voor ons bestaat is in wezen niet anders dan wat Kant beweert: precies daarom is het ding op zichzelf bij Kant min of meer synoniem met ‘noumenon’ en als zodanig uitdrukkelijk een object (van ons denken). Het ding op zichzelf is daarmee echter geen ding als verschijning, omdat het een bovenzintuiglijk object en dus “slechts een idee” is: het ding op zichzelf wordt niet bepaald door de aanschouwingsvormen van tijd en ruimte en de verstandscategorieën, maar het ding op zichzelf is onbepaald en onkenbaar. Het ding op zichzelf verschijnt niet in onze ervaring, maar kan slechts gedacht worden (en wij denken het zodra we over het ding als verschijning spreken, omdat het tweede de logische mogelijkheid van het eerste impliceert): het is een object van ons denken dat als zodanig niet werkelijk is. En of er een werkelijk object mee correleert kunnen we niet weten.

Je systeem lijkt in zoverre aldus niet echt anders dan dat van Kant en je herhaalt hooguit de oude kritiek dat het ‘ding op zichzelf’ geen oorzaak kan zijn van de ‘dingen als verschijning’ maar volgens mij heeft reeds Kant zelf nooit bedoeld dat het ding op zichzelf een oorzaak is van het ding als verschijning. Ook blijf je met Kant vasthouden aan het bestaan van een wereld-op-zichzelf, welke wereld toch per definitie de wereld zoals die onafhankelijk van ons waarnemen is en daarmee in die zin datgene wat voorafgaat aan de wereld-voor-ons en deze draagt. En indien je van mening bent dat daarmee al te veel is gezegd en dat alles wat we kunnen denken ten aanzien van het ding op zichzelf slechts tot de wereld als verschijning toebehoort, dan kun je met Jacobi (1787) verzuchten “Without the presupposition [of the "thing in itself,"] I was unable to enter into [Kant's] system, but with it I was unable to stay within it’.” Zeker als je dan ook de onvoorwaardelijke grond van de wereld (God of het Absolute Ik) binnen de wereld-voor-ons situeert, dan wordt het hele idee van een wereld-op-zichzelf zo leeg en overbodig dat je dan Fichtes idealistisch systeem zou kunnen omarmen.

filosofiewetenschapkunst.web-log.nl zei

Ten slotte is de volgende uitspraak zeker niet waar (als we onder verstand ook rede mogen verstaan): “Een zeer cruciaal aspect betreft het gegeven dat volgens Kant ons verstand geknecht is. Ons verstand kan zich alléén maar bezighouden met het structureren van zintuiglijke indrukken.” Volgens Kant is het juist kenmerkend voor ons verstand dat het geheel los van zintuiglijke indrukken erop los kan denken, reden waarom er juist een kritiek van de zuivere rede, die ons verstand intoomt, nodig is! In dat verband geeft Kant de pakkende beeldspraak (B9) dat bv. Plato dacht dat het vliegen in het luchtledige nog beter zou gaan en niet merkte dat hij juist geen vooruitgang boekte vanwege het gebrek aan weerstand. Volgens Kant heeft ons verstand juist altijd de neiging om “in het luchtledige” te gaan denken en zo het contact met de ervaring en de echte werkelijkheid te verliezen. In dat verband zijn natuurlijk zijn beroemde ‘antinomieën’ veelzeggend: wanneer we de ervaring loslaten kan ons verstand elke gewenste conclusie en dus ook tegengestelde conclusies bereiken (dit zou Hegel inspireren tot zijn dialectiek waarmee Hegel letterlijk alles kan (be)denken!). Evengoed acht Kant het trouwens noodzakelijk dat het verstand het zintuiglijke loslaat omdat onze rede nu eenmaal altijd naar de onvoorwaardelijke grond moet vragen die buiten de ervaring ligt: daarom moeten wij God en de wereld op zichzelf wel denken. Alleen moeten we niet de vergissing maken te denken dat die objecten van ons denken ook werkelijk bestaan: we weten eenvoudigweg niet of ze bestaan omdat ze buiten onze wereld als verschijning en daarmee buiten onze kennis liggen. Jouw claim “En een dergelijk autonoom oordeelsvermogen is de sleutel voor de mens om binnen de-wereld-voor-ons tot inzicht in het bovenzintuiglijke te komen.” is nu precies de oude, ‘dogmatische’, vóór-kritische metafysica van Plato tot en met Wolff, waarmee Kant wil afrekenen. Daarin ligt ook mijn – Kantiaanse – kritiek op je Godsbewijs: je kunt zo veel ‘bewijzen’ op grond van logica, maar logica heeft geen geldigheid buiten de mogelijke ervaring omdat het object daar ons nooit kan worden gegeven. Volgens Kant voert de rede ons inderdaad syllogistisch tot het idee van God, maar we kunnen niet weten of er een werkelijk object bestaat dat correspondeert met dat idee. Het is als met het ding op zichzelf: het is een logische mogelijkheid, we moeten het zelfs denken, maar we kunnen nooit bewijzen dat het bestaat.

Groet,
FWK

filosofiewetenschapkunst.web-log.nl zei

In bovenstaande heb ik alleen naar de Kritiek van de Zuivere Rede gekeken. Maar Kant windt er zelf geen doekjes om dat het hem om iets anders dan kennisleer gaat: het grote belang dat Kant hecht aan het noumenon als grensbegrip voor onze kennis is gelegen in de praktijk van het menselijk handelen. “Ik moest het weten opheffen om plaats te maken voor het geloof” (BXXX). Ook Kant werd tot zijn filosofie gebracht door het scepticisme van met name Hume: hij wilde de metafysica (van Wolff) redden, maar zag in dat juist de vermetelheid van de traditionele metafysica tot haar ondergang zou voeren omdat zij geen stand kan houden tegen de argumenten van de sceptici. Volgens Kant is juist de dogmatische metafysica de bron van scepticisme en ongeloof: de pretenties en de onderlinge meningsverschillen van de traditionele metafysica zijn te groot om te kunnen overtuigen. Dus ging ook Kant bewust met de sceptici mee dat het verstand zich beter bescheiden opstelt: we zijn niet in staat tot kennis van zaken als (het bestaan van) God, wereld en ziel. Maar tegelijkertijd redt hij dit alles doordat we die zaken wel kunnen denken – en voor ons moreel handelen nodig hebben. Alleen het object van die ideeën kan niet in de zintuiglijke wereld zijn gesitueerd: daarom had Kant de noumenale wereld nodig om de moraal en het geloof te kunnen behouden. Het ding op zichzelf was voor Kant bitter noodzakelijk om de grond van alle moraal en religie te kunnen redden: de menselijke vrijheid. De fenomenale wereld kent slechts natuurnoodzakelijk die de menselijke vrijheid ontkent, maar de mens kan zichzelf als ding op zichzelf en daarmee zichzelf vrij denken. In feite maakt Kant zo een schijnbeweging: hij sluit de statige voordeur der kennis voor God, ziel en onsterfelijkheid om hen stiekem via de meer bescheiden achterdeur – op grond van het onkenbare ding op zichzelf – toch weer binnen te laten, zodat zijn succes toch weer een “theologensucces” werd zoals Nietzsche dat noemde.

Evengoed was Kant zich bewust van het subjectieve karakter van het concept van het ding op zichzelf: uitdrukkelijk is het ding op zichzelf een ding dat wij poneren en ook moeten poneren om moreel te kunnen handelen. Ja, uiteindelijk is het ding op zichzelf niets anders dan het denken als zodanig: het is het subject en haar spontaniteit zelf (hier is het aanknopingspunt voor Schopenhauers filosofie: het ding op zichzelf is het spontane subject, het ding als verschijning is het subject dat zich heeft geobjectiveerd tot object). Niet alleen is het ding op zichzelf zo een ding in de wereld-voor-ons: wij zijn zelf dat onkenbare ding op zichzelf! Daarom kunnen wij onszelf - als (vrij, spontaan, moreel) subject - niet kennen: alle kennis van onszelf is die van onszelf als object.

Zie in dat verband ook deze uitleg van Kants ding op zichzelf:
http://www.jbjv.com/The-Kantian-thing-in-itself-is.html

filosofiewetenschapkunst.web-log.nl zei

Nog even iets over Kants kennisbegrip. Ook ik heb me altijd wat verwonderd over Kants beperking van kennis tot het zintuiglijke: waarom zouden we niet op onze logische afleidingen mogen vertrouwen? Behalve dat zijn antinomieën en de geschiedenis van de metafysica laten zien dat logica ten aanzien van het bovenzintuiglijke niet betrouwbaar is omdat je tegengestelde conclusies kunt bereiken als je de vaste grond van de ervaring loslaat waardoor de metafysica volgens Kant geen stap vooruit is gekomen sinds haar begin (en diezelfde logica staat een contradictie niet toe – reden voor Hegel om een nieuwe logica te ontwikkelen die contradicties wel toestaat om over het bovenzintuiglijke te kunnen spreken, daarmee voortbordurend op de laatmiddeleeuwse mystiek van bv. Eckhart en Cusanus die God zagen als de bovenrationele eenheid van tegenstellingen), speelt denk ik ook de christelijk-franciscaanse denktraditie een rol die het bestaan van dingen verbindt aan de mogelijkheid van (in)tuïtie: alleen wat kan worden (in)gezien kan echt bestaan. Kennis is aanschouwing. En de mens kan nu eenmaal alleen het zintuiglijke zien, zodat zijn kennis tot het zintuiglijke beperkt is. God daarentegen kan bv. het ding op zichzelf, als het bestaat, wel zien (en daarmee dus ook onszelf zien en kennen, hetgeen wijzelf niet kunnen) maar wij beschikken niet over zo’n intellectuele visie. Wij kunnen slechts logisch redeneren, maar dat kan nooit het bestaan van iets bewijzen: wij kunnen dingen denken maar als die dingen bovenzintuiglijk zijn dan kunnen ze ons nooit worden ‘gegeven’: ze kunnen nooit aan ons verschijnen (alleen voor een intellectuele visie vallen denken en verschijnen, essentie en existentie, samen). In feite geldt dit ook voor bv. de zaken waar deeltjesfysici over spreken die wij tot dusverre niet kunnen aanschouwen: juist omdat we een ‘quark’ niet kunnen zien, is ‘quark’ (vooralsnog) slechts een concept waarmee wij de wereld kunnen ordenen zonder het bestaan van een ‘quark’ te kunnen bewijzen. Zo ook is God voor Kant slechts een concept waarmee wij de wereld – onze ervaring – kunnen ordenen zonder ooit het bestaan ervan te kunnen bewijzen. Kenmerkend voor de idealisten en romantici na Kant is dan ook dat men toch gaat proberen de mogelijkheid van zo’n goddelijke intellectuele intuïtie, waarin subject en object samenvallen en de diepste werkelijkheid wordt geschouwd, in een ‘bovennormaal’ mens te zoeken, bv. in de kunstenaar of het genie (waartoe overigens Kant zelf al een aanzet had gegeven in zijn Kritiek van het Oordeelsvermogen).

Emanuel Rutten zei

Beste FWK,

Ik vrees dat alle door jou hierboven genoemde punten van kritiek de pointe van mijn kenleer missen. Eerlijk gezegd voel ik er weinig voor om dat hier nauwkeurig punt voor punt te gaan toelichten. Daarom een voorstel. Lees de eerste achttien paragrafen van mijn thesis http://bit.ly/ebYueY een keer rustig door. Daarin ga ik uitgebreid in op Kants kennisleer en mijn alternatieve kenleer als reactie daarop. Hierbij komen alle door jouw genoemde aspecten netjes aan de orde.

Mocht je naar het doorlezen van genoemde paragrafen alsnog in (een deel van) jouw kritiek willen volharden, dan nodig ik je uit het volgens jou sterkste punt van jouw kritiek op mijn kenleer hier nog eens te herhalen. Ik zal dan vervolgens op dat punt van kritiek nader ingaan.

Groet,
Emanuel

filosofiewetenschapkunst.web-log.nl zei

Beste Emanuel,

Dank voor de link. Ik zal proberen je masterscriptie de komende dagen te lezen. Overigens, het is mij inmiddels wel duidelijk waar met name je verschil met Kant zit: zoals reeds de titel van je scriptie aangeeft vat jij – in tegenstelling tot Kant - het noumenale of het bovenzintuiglijke wel als kenbaar op. Ik ben benieuwd naar je argumentatie daarover en of ik die overtuigender vind dan die van Kant (waarbij je zeker kans maakt want ik heb Kants argumentatie op dit punt nooit heel erg overtuigend gevonden). Waar jij drie domeinen lijkt te onderscheiden: het zintuiglijke, het bovenzintuiglijke en de onkenbare wereld in zichzelf, lijkt er bij Kant een ietwat merkwaardige samenvallen van het bovenzintuiglijke en het onkenbare ding op zichzelf in het concept van het noumenale. Maar ik werd vooral tot mijn (uitvoerige) reactie gedreven door je Kant-interpretatie en dus niet zozeer door een kritiek op je kennisleer die heel common sense overkomt.

Ik heb inmiddels de eerste twee paragrafen gelezen en wat mij vooral opvalt is dat je geen citaten of bronvermelding geeft van de filosofen (Descartes, Locke, Kant) die je daar bespreekt hetgeen het voor mij moeilijk maakt jouw interpretatie van deze filosofen te controleren. Misschien heb je de informatie van deze eerste paragrafen uit colleges, maar dan weet ik niet of ik het eens ben met de Kant-interpretatie van jouw docent. Naar mijn indruk is Kant complexer, diepzinniger, ten aanzien van het ding op zichzelf ambiguer en zeker in bepaalde mogelijke interpretaties radicaler en idealistischer en daarmee dichter bij jouw eigen kennisleer dan jij het presenteert. Aan de andere kant begrijp ik dat je scriptie geen onderzoek naar Kant is, maar dat je je eigen kennisleer wilt uiteenzetten: ik wil dan ook je hele scriptie gaan lezen (en niet te veel over Kant blijven zeuren).

Emanuel Rutten zei

Beste FWK,

Dank voor jouw belangstelling! Ik ben benieuwd naar jouw bevindingen. Nu kan ik mij echter voorstellen dat je niet één twee drie voldoende tijd zult hebben voor het lezen van de thesis. Zie voor een wat snellere introductie in mijn kenleer daarom eventueel http://bit.ly/AdV30P en http://bit.ly/mfWOhr

En daarnaast natuurlijk de overige fragmenten http://bit.ly/lhpPh0 en http://bit.ly/zONQxS

Mocht je de thesis gaan lezen, dan adviseer ik je alle paragrafen over het contextualisme en het contrastivisme over te slaan. Deze paragrafen zijn nogal technisch en niet strikt noodzakelijk voor een goed begrip van mijn kennisleer. Bovendien halen ze mijns inziens nogal de vaart uit het verhaal ;-)

Groet,
Emanuel

Anoniem zei

Beste Emanuel,

Wat kan jij weten?

Mijn twijfel zit in deze aanname. “Waar het om gaat is dat wij onszelf nooit, op geen enkele wijze, toegang kunnen verschaffen tot de wereld-in-zichzelf”.

Daarmee is mijns inziens de wereld-in-zichzelf (wiz), een wereld die alleen kan bestaan in de wereld-voor-ons. Je diskwalificeert op deze wijze in principe je eigen aanname, want ook jouw wiz valt net als de Noumenale wereld van Kant natuurlijk binnen de wereld-voor-ons. Want als we er niets over kunnen zeggen en niets van weten, kunnen we over het bestaan ervan ook niets zeggen of weten.

Over het volgende zou ik graag een nadere verklaring willen hebben.
“het punt is dat je de wiz nooit rechtstreeks, onbemiddeld, in het vizier kunt krijgen.” en “We zullen het nimmer weten omdat we NOOIT DIRECT toegang tot de wiz kunnen krijgen.” In deze twee citaten verwijs je naar een wereld die voor iedereen op welke manier dan ook onbereikbaar is, maar toch via een achterdeurtje, waarop waarschijnlijk alleen het sleuteltje past van de theïst, kan worden betreden.

Met vriendelijke groet,

Prot.

Emanuel Rutten zei

Beste Prot.,

Laat één ding volstrekt duidelijk zijn. Ik beweer niet dat er een achterdeurtje zou bestaan waardoor wij de-wereld-in-zichzelf alsnog zouden kunnen betreden. Nee, een dergelijk achterdeurtje bestaat, uitgaande van mijn kenleer, niet. En het maakt in deze helemaal niets uit of je theïst, agnost, atheïst of wat dan ook bent. Ook hier zien we dat mijn kennisleer afwijkt van die van Kant. Bij Kant is er immers wel degelijk sprake van een achterdeur naar wat hij het noumenale noemt. Zo plaatst hij het hele woordveld van de vrijheid en de moraliteit in het noumenale. Bovendien doet Kant, zoals ik in mijn masterthesis uiteenzet, ook een groot aantal (andere) metafysische uitspraken over het noumenale.

Groet,
Emanuel

Anoniem zei

Beste Emanuel,

Begrijp ik het goed, dat je akkoord gaat met het eerste deel van mijn reactie? Dat zou verrassend zijn, want daarmee geef je aan, dat de wereld-in-zichzelf als aanname op zichzelf overbodig is.

Groet, Prot.

Emanuel Rutten zei

Best Prot.,

De claim dat er een onderscheid bestaat tussen enerzijds de-wereld-voor-ons en anderzijds de-wereld-in-zichzelf betreft uiteindelijk ook een wereld-voor-ons-claim. Dit betekent echter niet dat we zonder de-wereld-in-zichzelf kunnen. Integendeel. Wij kunnen niet anders dan genoemd onderscheid maken. Het spreken over de-wereld-in-zichzelf is voor ons als mensen dan ook niet overbodig, maar nu juist onvermijdelijk.

Groet,
Emanuel

Anoniem zei

Beste Emanuel,

Moet ik het ‘wij’ uit “wij kunnen niet anders dan genoemd onderscheid maken”, lezen als, wij theïsten, wij gelovigen? Immers voor een niet religieus persoon zal dit onderscheid niet onvermijdelijk zijn.

Of zoals Jan Riemersma het duidelijk stelt: “Hier kan de atheïst met een gerust hart zijn schouders bij ophalen. Een ‘ultieme realiteit’ die in beginsel onkenbaar is, kan zonder verder onderzoek worden beschouwd als een onzinnig denkbeeld.”

Groet, Prot.

Emanuel Rutten zei

Beste Prot.,

Met 'wij' en 'ons' bedoel ik de mensheid als zodanig, religieus dan wel seculier. Wij kunnen als mensen niet anders dan het maken van een (de dicto) onderscheid tussen enerzijds de wereld zoals deze voor ons is en anderzijds de wereld zoals deze los van ons in en voor zichzelf is. Natuurlijk, misschien vallen beide werelden (de re) samen. Maar misschien ook niet. En uiteraard zullen wij dit nimmer weten omdat wij nooit zullen kunnen vaststellen hoe de wereld in zichzelf is.

Dit alles laat echter onverlet dat het voor elk mens eenvoudigweg zelfverloochening zou zijn om te beweren dat genoemd onderscheid voor ons als mensen zin- of betekenisloos is. Ieder mens, religieus of niet, maakt namelijk uiteindelijk hoe dan ook dit onderscheid. Al ons menselijk spreken is immers noodzakelijkerwijs menselijk, al te menselijk spreken, zodat voor elk van ons onvermijdelijk de vraag opkomt of dit spreken wel of niet in overeenstemming is met hoe de werkelijkheid in en voor zichzelf is. Deze gedachte, dit contrast tussen de invalshoek van de-wereld-voor-ons en de invalshoek van de-wereld-in-zichzelf, is dan ook onvermijdelijk voor elk mens. Zij komt anders gezegd op in ieder van ons, in ieder mens, onafhankelijk van de (voor ons onbeantwoordbare) vraag of beide invalshoeken nu wel of niet samenvallen.

Groet,
Emanuel

Anoniem zei

Beste Emanuel,

Daar heb je wel een punt!
We kunnen ons inderdaad afvragen of “het spreken wel of niet in overeenstemming is met hoe de werkelijkheid in en voor zichzelf is”. Deze vraag is dus voor zowel de theïst als de atheïst legitiem.

Maar in al mijn eenvoud van denken, blijf ik het vreemd vinden te spreken over een wereld waarover we niet kunnen spreken. De wereld-in-zichzelf is hetgeen wij niet kennen. Maar dankzij onze fantasie en de betekenis die wij verlenen aan taal, kunnen wij ons een andere wereld denken in de wereld-voor-ons. Een metafysische wereld. We zouden hem ook niet, of anders kunnen denken! Daarnaast hebben we de keus om de wereld-in-zichzelf op goede gronden aan te nemen dan wel te weerleggen.

Groet, Prot.

Ps Geeft het schema in “Het kenbare noumenale: transcendentie binnen de wereld voor ons” op blz 30 geen beeld dat aangepast zou moeten worden? De wiz zou gesitueerd moeten worden in de wvo.

Theo Smit zei

Emanuel: "Anders gezegd, de ontologische status van de-wereld-voor-ons, de eigen aard van de wereld-voor-ons is en blijft voor ons een ultiem raadsel. Is zij feitelijk gelijk aan de werkelijke werkelijkheid? Bestaat zij slechts in ons hoofd? We zullen het nooit weten. Hoe datgene waarin wij geworpen zijn in en voor zichzelf is blijft voor ons voor altijd een open vraag."

-Daar kan ik me voor 100% in vinden.
-Ik zie uit naar de discussie en/ of overeenstemming die ontstaat tussen FWK en jou, na diens aangekondigde lezing van je masterthesis. Ik vind het hier en daar nog steeds 'moeilijk'. (En heb het ook nog niet uit, wegens andere omstandigheden, en even de draad kwijt: weer deels opnieuw beginnen.)

- Bij deze korte samenvatting heb ik het idee soms: hoe zouden allerlei formuleringen luiden als Kant er eens helemaal buiten bleef: die lijkt het begrijpen van de wereld wel veel moeilijker gemaakt te hebben dan het is. Soms lijken je formuleringen dichter aan te sluiten bij de common sense. (Wij kunnen eigenlijk gewoon niet buiten tijd en ruimte en oorzakelijkheid denken.)

- Ik neem aan dat je bij het scepticisme steeds het 'klassieke' scepticisme bedoelt en niet het pragmatisch Skepticisme (begonnen met Paul Kurtz, en in principe losstaand van religie) zoals dat soms ter sprake is.

-Dit in verband met beslissend gerechtvaardigde oordelen. Die zijn er natuurlijk niet in overvloed. Ik begrijp dat je allerlei dichotomieën in je denken aan moet brengen (religieus vs seculier)om helder te kunnen filosoferen. Met 'we' als het helderste van de mens zien -dat begreep ik wel meteen-, in alle openheid van denken en ervaren en spreken, zoals jij het zegt. Maar veel van de mens is 'met mate'. Een mens is niet 'gek' of niet, maar altijd een beetje 'gek' in een beperkt aantal opzichten.

-Als dat je (aangeleerde) 'bril' is bevreemdt het me (in denken en ervaren) vooral waarom je ethiek (lustmoord en holocaust) en 'beste kennis dat er een oerknal was' toch in één lijstje opneemt. Ik ervaar ze in elk geval als van verschillende orde.

- Het typische 'filosofisch- analytische' denken (Kripkiaans of hoe ook) is weinigen eigen. Dus argumenteren in jouw (jullie) stijl valt mij ook nog niet mee.

- Overigens is het wel geestig dat onze grote Thorbecke als 20-jarige of daaromtrent nog een werkstuk in het Latijn heeft geschreven over het klassiek scepticisme, dat nog niet te lang geleden is vertaald in het Nederlands door de classicus/ filoloog Don Janssen, en gewoon op internet staat.

- Een bepaalde passage in deze korte samenvatting verdient bijzondere aandacht, maar dit is nog maar net binnen de marges, vrees ik.

Emanuel Rutten zei

Beste Prot.,

Over het wat van de-wereld-in-zichzelf kunnen we inderdaad niets zeggen. Maar dit betekent niet dat we niet kunnen zeggen dat er zoiets is als de-wereld-in-zichzelf. De uitspraak dat er zoiets is als de-wereld-in-zichzelf is binnen de context van mijn kenleer inderdaad beslissend gerechtvaardigd, ook al kunnen we nimmer iets zeggen over het wat van deze wereld.

Het diagram op blz 30 van mijn thesis is bedoeld om te laten zien dat het contrast tussen het zintuiglijke en bovenzintuiglijke een contrast betreft binnen de wereld-voor-ons (zodat zowel het zintuiglijke als het bovenzintuiglijke kenbaar zijn) en bovendien niet verwart mag worden met het contrast tussen de-wereld-voor-ons en de-wereld-in-zichzelf zelf.

Maar inderdaad, wie mijn kenleer tenslotte begrijpt ziet in dat alle uitspraken in mijn thesis uiteindelijk wereld-voor-ons-uitspraken betreffen. Zelfs de uitspraak dat er zoiets is als de-wereld-in-zichzelf. Toch betekent dit niet, zoals ik hierboven uiteenzet, dat we afscheid kunnen nemen van het spreken over de-wereld-in-zichzelf. En evenmin is er sprake van een incoherentie in mijn kenleer. Het is veeleer zo dat de-wereld-voor-ons reflexief op zichzelf terugbuigt zonder daarmee paradoxaal te worden.

Groet,
Emanuel

Emanuel Rutten zei

Beste Theo,

Je schrijft: "Soms lijken je formuleringen dichter aan te sluiten bij de common sense". Klopt! Binnenkort zal ik deel 4 van mijn serie 'fragmenten' op dit blog plaatsen, waarin ik met name zal ingaan op het common sense karakter van mijn alternatieve kennisleer.

Overigens zie ik het als een voordeel dat mijn kenleer het mogelijk maakt om heel verschillende typen uitspraken, bijvoorbeeld mathematische en morele, op dezelfde wijze epistemisch te rechtvaardigen. Zo zijn de uitspraken '1+1=2' en 'lustmoord is verwerpelijk' allebei beslissend gerechtvaardigd als uitspraken over de-wereld-voor-ons omdat wij als mensen eenvoudigweg niet anders kunnen dan denken dat 1+1=2 en dat lustmoorden verwerpelijk zijn.

Groet,
Emanuel

Anoniem zei

Beste Emanuel,

Dank voor je heldere antwoorden.

Het is zeker zo, dat we in de wereld-voor-ons kunnen spreken over de wereld-in-zichzelf. Op dat punt is er dus geen inconsistentie in je epistemologie. Maar hadden we het niet net zo goed ‘Natuur’ kunnen noemen?

Met de metafysische benaming wereld-in-zichzelf zitten we dicht bij de fantasma’s, waarbij niemand weet van het hoe, het waar en het waarom: zoals bij hemel, het ‘Alles’, ‘God’ en het sprookjesbos.

Het is als zinnig spreken over wartaal. De wartaal blijft inconsistent, hoe consistent de logica ook is. De onzin is aangetoond, desondanks kunnen we niets over de inhoud zeggen.

Consistent in zijn inconsistentie, zoals het noumenale van Kant het kenbare onkenbare is geworden.

Groet, Prot.

Emanuel Rutten zei

Beste Prot.,

Het lijkt mij verwarrend om de-wereld-in-zichzelf 'natuur' te noemen omdat we met natuur toch in de eerste plaats denken aan gegevenheden die wij alleen kunnen rechtvaardigen als wereld-voor-ons aangelegenheden, zoals atomen en moleculen, of rotsen, planten en bomen. Met de term 'natuur' gaat dan ook het kenmerkende van de-wereld-in-zichzelf verloren, namelijk dat de-wereld-in-zichzelf staat voor de wereld zoals zij onafhankelijk van ons daadwerkelijk is. Dat de-wereld-in-zichzelf staat voor de werkelijke werkelijkheid wordt met de term 'natuur' dus niet voldoende onder woorden gebracht.

Verder is het van belang om God niet te verwarren met de-wereld-in-zichzelf. De uitspraak dat God bestaat kan namelijk, zoals ik in het tweede deel van mijn driedelig project laat zien, beslissend gerechtvaardigd worden als claim over de-wereld-voor-ons. Wanneer wij zeggen dat God bestaat zeggen wij dus iets over de aard van de-wereld-voor-ons. God bestaat binnen de-wereld-voor-ons.

Bestaat God werkelijk in de-wereld-in-zichzelf? Misschien wel, maar misschien ook niet. We zullen dit als mensen nooit kunnen vaststellen. Dit is echter geen bezwaar. Wat willen wij als mensen immers nog meer dan het binnen de context van de-wereld-voor-ons gerechtvaardigd zijn? Meer is voor ons als mensen immers niet mogelijk.

Verder spreek ik in mijn kennisleer nergens over het kenbare onkenbare. De-wereld-voor-ons is immers kenbaar, terwijl de-wereld-in-zichzelf onkenbaar is. De titel van mijn thesis dient dan ook zo te worden opgevat dat Kants noumena (i.e., dat wat zich achter onze ervaringen bevindt en de grond voor deze ervaringen vormt) in feite gelegen zijn binnen de-wereld-voor-ons en precies daarom wel degelijk kenbaar zijn.

Groet,
Emanuel

Emanuel Rutten zei

Beste Prot.,

Nog een kleine aanvulling. Je associeert de-wereld-in-zichzelf met wartaal. Maar dit kunnen we nu juist niet weten! Denk nog eens terug aan wat ik eerder zei. Misschien is de-wereld-in-zichzelf wel gelijk aan de-wereld-voor-ons. Wellicht is, anders gezegd, de wereld zoals wij deze als mensen ervaren en denken wel identiek aan de wereld zoals deze in en voor zichzelf is. Sterker nog, we mogen dat hopen, al kunnen we het nooit weten. In dat geval is het natuurlijk onzin om de-wereld-in-zichzelf te verbinden met wartaal. Wie mijn kennisleer doorziet begrijpt dat we moeten afzien van iedere denkbare invulling van de-wereld-in-zichzelf, zonder dat we daarmee afscheid kunnen nemen van de idee dat er een verschil is tussen de wereld zoals wij deze als mensen beleven en denken, en de wereld zoals deze onafhankelijk van ons daadwerkelijk is.

Groet,
Emanuel

koe8kwadijk zei
Deze reactie is verwijderd door de auteur.
Anoniem zei

Beste Emanuel,

Is hetgeen boven zintuiglijk is, kenbaar of onkenbaar?

Groet, Prot.

Emanuel Rutten zei

Beste Prot.,

Zoals eerder besproken maakt zowel het zintuiglijke als het bovenzintuiglijke deel uit van de-wereld-voor-ons. Op bladzijde 65 van mijn thesis http://bit.ly/ebYueY noem ik twintig oordelen die beslissend gerechtvaardigd zijn als oordelen over de-wereld-voor-ons. Een groot aantal van deze oordelen hebben dan ook betrekking op het bovenzintuiglijke. Wij dienen het bovenzintuiglijke dus niet te verwarren met de-wereld-in-zichzelf.

Groet,
Emanuel

Anoniem zei

Beste Emanuel,

Suggereer je nu, dat het boven zintuiglijke ook kenbaar is?
In het antwoord komt dat niet duidelijk naar voren.

Groet, Prot.

Emanuel Rutten zei

Beste Prot.,

Iedere beslissend gerechtvaardigde claim over de-wereld-voor-ons betreft volgens mijn kennisleer een instantie van kennis (zie bladzijde 41 van mijn thesis). Nu gaf ik reeds aan dat uitgaande van mijn kennisleer veel claims over het bovenzintuiglijke beslissend gerechtvaardigd kunnen worden. Kortom, een groot aantal claims over het bovenzintuiglijke zijn, uitgaande van mijn kennisleer, inderdaad instanties van kennis.

Groet,
Emanuel

filosofiewetenschapkunst.web-log.nl zei

Beste Emanuel,

Ik ben je ‘Het kenbare noumenale’ aan het lezen (al heb ik er helaas weinig tijd voor zodat het met kleine brokjes gaat) en op veel wat je schrijft heb ik geen kritiek. Ik bewonder zelfs je inventiviteit in argumentatie. Waar ik wel vraagtekens bij heb geplaatst zijn de hierna besproken beweringen of argumenten. Daarbij heb ik me overigens wel uitdrukkelijk in de positie geplaatst van Kant om zo te testen of je argumentatie sterk genoeg is om zelfs een Kantiaan te kunnen overtuigen. Je geeft een groot aantal argumenten tegen Kants kennisleer maar vooralsnog denk ik dat ze Kant of een Kantiaan niet perse zouden overtuigen: ik heb geprobeerd om al je argumenten te ontkrachten (daarom is ook mijn reactie wat lang). Maar je dwingt de Kantiaan wel tot diep nadenken en het herwaarderen van Kants kennisleer, hetgeen sowieso een grote verdienste van je scriptie is. Mogelijk reageer ik voorbarig – ik ben nog maar bij de 7de paragraaf – en kan ik beter reageren als ik alles heb gelezen, maar omdat mijn tekst dan mogelijk zo onhandelbaar groot is geworden, plaats ik toch maar meteen mijn kritiek zodra ik het heb geformuleerd. Een discussie over alles wat ik tegenwerp is lijkt me praktisch ondoenlijk en je hoeft ook helemaal niet te reageren (bij te veel discussie kom ik nooit tot het einde van de scriptie, haha!), maar kijk maar of er iets tussen staat waarvan je het de moeite waard vindt om op te reageren.

Groet,
FWK

Ad II.“Dingen op zichzelf veroorzaken de zintuiglijke prikkels”. Heb ik hierboven al aangekaart.

“Naast deze ideële wereld [fenomenale wereld] veronderstelt Kant het bestaan van een reële wereld van dingen-op-zichzelf.” Het lijkt me echter onwaarschijnlijk dat Kant zou spreken van een “reële wereld van dingen-op-zichzelf”. Volgens mij noemt Kant het ding op zichzelf een transcendentaal object en noemt Kant de fenomenale wereld transcendentaal ideëel en empirisch reëel. Zoals de persoon in mijn linkje hierboven uitlegt is het een misverstand te denken dat de noumenale wereld reëler is dan de fenomenale wereld of zelfs überhaupt reëel: Kant is radicaler dan dat en acht juist alleen de fenomenale wereld reëel, al moeten wij tevens een noumenale wereld denken. Die wereld kun je hoger noemen (in haar vinden we onze vrijheid en onze waardigheid), maar niet reëler: Kant was een christen, geen platonist...

Ad III. “Volgens Kant is de gehele fenomenale wereld van tafels, stoelen en alle andere zintuiglijk ervaren objecten dus niets meer dan een intramentale constructie.” Ik heb wat moeite met de term “intramentale constructie”: het lijkt opnieuw een terminologie en een wijze van voorstellen die op mij on-Kantiaans overkomt. De fenomenale wereld is bij Kant geen intramentale constructie: hooguit wiskunde is voor Kant een intramentale constructie. De fenomenale wereld is transcendentaal ideëel en empirisch reëel. In de erna volgende twee zinnen leg je ook uit dat het fenomenale ook nog een ander element heeft: de gegeven sensatie, dus hoezo “niets meer dan een intramentale constructie”?

filosofiewetenschapkunst.web-log.nl zei

Ad V. Ik snap je eerste bezwaar tegen Kants eerste argument tegen bovenzintuiglijke kennis niet helemaal. Kant beweert toch zelf ook dat “wij als mens helemaal niet anders kunnen dan denken dat iedere verandering een oorzaak heeft”? Anders dan bv. de categorisch imperatief, die geldt voor alle redelijke wezens, geldt Kants kennisleer uitdrukkelijk alleen voor de mens. Dus wat is nu precies die andere mogelijkheid dan Kants ‘projectieschema’ (ook weer zo’n rare, on-Kantiaanse term trouwens)? Bedoel je dat de mens causaliteit als een aangeboren idee kan hebben? Het probleem daarmee is natuurlijk dat de meeste mensen zich helemaal niet bewust zijn dat zij dat idee hebben, als ze dat idee al hebben. Daarom is Kants opvatting sterker: causaliteit is geen aangeboren idee, maar is een a priori-categorie van het verstand waarmee we (onbewust) prikkels ordenen tot een bepaalde ervaring. Of misschien acht je Hume’s uitleg voldoende: het is een psychologisch feit dat de mens twee gebeurtenissen die elkaar telkens opvolgen als causaal aan elkaar verbindt. Maar Kant reageerde juist op Hume’s psychologische verklaring van wetenschappelijke kennis met daarbij onder meer een beroep op de apodictische zekerheid van de wiskunde: Hume’s interpretatie van causaliteit op grond van louter gewoonte doet naar de mening van Kant tekort aan de zekerheid van wiskundige en natuurkundige uitspraken. De zekerheid dat 5 + 7 = 12 komt niet inductief tot stand maar is a priori zeker. Nu is het zeker zo dat Hume’s kennisleer momenteel populairder is dan die van Kant, maar ik zie geen argument bij je die die voorkeur zou kunnen rechtvaardigen.

Ook het tweede bezwaar overtuigt mij niet. Kant beweert niet dat we de a priori-categorieën niet mogen toepassen op begrippen zonder aanschouwing. Het is zelfs noodzakelijk dat we dat doen en daar is niets mis mee. Alleen levert het geen kennis op. En de reden daarvoor is dat alleen de zintuiglijkheid receptief is: het ontvangt. De rest is spontaniteit van ons verstand. En juist omdat die spontaniteit mogelijk uniek is voor de mens, hoeft wat het verstand afleidt helemaal geen geldigheid te hebben buiten ons denken. De enige controle die we hebben zijn onze zintuigen: alleen zij kunnen wat wij denken corrigeren. Vergeet niet dat Kant werd geïnspireerd door de methode van de moderne natuurwetenschap: de mens bedenkt hypotheses om die vervolgens aan de ervaring te toetsen. Als je die (mogelijke) toetsing aan de ervaring niet nodig acht kan de mens wel alles hypothetiseren. Maar dat levert geen kennis. Transcendentale idealiteit zonder empirische realiteit is slechts luchtfietserij.

Ad VI. Ook het derde bezwaar overtuigt mij niet. Je beweert dat er geen speciale concepten – de categorieën – nodig zijn. Ik merk op dat Kant deze speciale concepten niet voor niets categorieën noemt: ze verwijzen naar Aristoteles’ categorieënleer. Net als Aristoteles gaat het Kant om die concepten die het meest algemeen en fundamenteel zijn en die daarom altijd nodig zijn om uberhaupt te kunnen oordelen. Ik daag je dan ook uit: lever één oordeel zonder gebruik te maken van de categorieën. Het zal je niet lukken…

De aanvulling op het derde bezwaar begrijp ik weer niet helemaal. De suggestie lijkt te zijn dat Kant meent dat wij oordelen over de objecten van de ervaring en daartoe categorieën nodig hebben zonder een argument te leveren dat we de categorieën direct op de aanschouwingen toepassen. Maar die oordelen haalt Kant er alleen maar bij om de categorieën te kunnen afleiden: dit is als het ware puur didactisch bedoeld. Waar het om gaat is dat we categorieën nodig hebben om überhaupt aanschouwingen te verbinden, hetgeen blijkt uit onze oordelen. We kunnen helemaal niet oordelen “daar zijn twee auto’s” als we niet reeds de aanschouwingen hebben verbonden op grond van de categorie van de kwantiteit die in dit geval het concept “twee” oplevert.

filosofiewetenschapkunst.web-log.nl zei

VII. Je eerste bezwaar tegen Kants bewijs dat de wereld geen begin in tijd kan hebben, overtuigt mij niet helemaal. Je betoogt dat de tijd ook met de wereld kan zijn begonnen, zoals bv. de Big Bang-theorie betoogt. Maar is dat wat de Big Bang-theorie betoogt? Of spreekt die over een waarnemingshorizon: voorbij de Big Bang kan de mens niet kijken en niets weten? In feite is het hele idee van de Big Bang als singulariteit een ongeoorloofde extrapolatie van de algemene relativiteitstheorie en geloven veel wetenschappers dat om het begin van ons universum te begrijpen we een quantumtheorie van zwaartekracht nodig hebben. En zo’n theorie, bv. de veelbelovende Causal Dynamical Triangulation, lijkt juist te moeten concluderen dat met de Big Bang wel de ruimte is ontstaan maar dat de tijd er toen al was en eeuwig is (op quantumniveau blijkt er ook geen 4-dimensionale ruimtetijd te bestaan). In feite doel je denk ik op Augustinus’ argument dat tijd slechts bestaat bij beweging dus bij een (zintuiglijke) wereld. Ik denk niet dat Kant onder de indruk zou zijn van deze argumentatie: we kunnen het ons eenvoudigweg niet voorstellen dat er voor het begin van de wereld geen tijd was (of dat de tijd op een gegeven moment stopt). Uiteraard kan men de tijd niet meer meten als er geen wereld of beweging is, maar als we ons een goddelijk standpunt veroorloven en opeens verschijnt dan de wereld voor onze ogen, dan verschijnt die voor ons op een bepaald tijdstip t en kunnen we ons afvragen waarom de wereld niet op tijdtip t-1 verscheen. We hebben denk ik allemaal intuïtief Newtons concept van absolute tijd die onafhankelijk van de wereld bestaat en die geen begin of einde heeft. Ik denk dat de moderne theorieën, van relativiteit tot de stringtheorie, in dat opzicht eigenlijk niet zo relevant zijn: waar Plato voorschreef de rede te volgen waarheen ze ons ook leidt, zo laten de hedendaagse fysici zich leiden door hun abstracte wiskunde en computermodellen waarheen deze hen ook leidt zonder zich de resultaten nog te kunnen voorstellen. Maar waar het bij de hedendaagse fysica veelal gaat om wiskundige uitkomsten waar we ons weinig bij kunnen voorstellen maar op grond waarvan we wel voorspellingen kunnen doen die we empirisch kunnen verifiëren (zodat het zintuiglijke uiteindelijk niet wordt overschreven), gaat het bij Plato en Kants antinomieën juist over wat we ons wel kunnen voorstellen maar dat niet empirisch verifieerbaar is. Hedendaagse fysica is daarbij sterk tegenintuïtief, omdat het voorbij de grenzen van onze alledaagse ervaring heen kijkt terwijl ons voorstellingsvermogen slechts op die alledaagse ervaring is gebaseerd. Kants antinomieën berusten daarentegen op onze alledaagse intuïtie en onderzoeken wat de rede die daarop is gebaseerd ons toe leidt (maar zonder de mogelijkheid van empirische falsifieerbaarheid). En wat je tweede argument betreft: een boventemporeel wezen dat de wereld schept kunnen we ons juist niet voorstellen. We kunnen het misschien denken, maar niet voorstellen. Ja, ik kan het me bv. voorstellen in analogie met Einsteins ‘flatlanders’: als wij op een vlak zouden leven en slechts 2-dimensionaal zouden kunnen waarnemen wat er op dat vlak gebeurt, dan kan er vanuit de voor ons onzichtbare derde dimensie opeens iets verschijnen in het vlak. Maar in die voorstelling hoe dat kan, denk ik al in 3 dimensies waar het te verschijnen object er al is voordat de flatlanders het waarnemen. Zo ook is in de voorstelling dat God de wereld schept de tijd voorafgaand aan die schepping niet meer echt leeg: God was op een tijdstip voorafgaand aan de wereld aanwezig en besloot op tijdstip t de wereld te scheppen.

filosofiewetenschapkunst.web-log.nl zei

Overigens, voor de goede orde: de stellingen en bewijzen die Kant in zijn antinomieën geeft zijn niet zozeer Kants stellingen en bewijzen, maar die we in de traditionele metafysica aantreffen: zo is het bewijs dat de wereld geen begin in de tijd kan hebben van onder anderen Parmenides en Hobbes en het bewijs dat de wereld juist wel een begin in de wereld moet hebben van onder anderen Bonaventura. Kant wil namelijk verklaren hoe het komt dat er in de metafysica telkens tegengestelde conclusies worden getrokken en de metafysica daarom nog geen enkele vooruitgang heeft kunnen boeken.

Je eerste bezwaar tegen Kants bewijs dat de wereld geen begrenzing in ruimte kan hebben, overtuigt mij ook niet helemaal. Volgens mij bedoelt Kant zijn argument min of meer analoog aan zijn bewijs inzake de tijd: het idee is dat we ons niet kunnen voorstellen dat de uitgebreidheid van de wereld ergens stopt. Wat gebeurt er als we naar de grens van de wereld gaan en een pijl over de grens heen schieten? Dan gaat die pijl in onze voorstelling toch gewoon over de grens heen, zodat de uitgebreidheid van de wereld daar blijkbaar toch niet stopt? Ik denk dat Kant bedoelt te zeggen dat alleen een fysisch object de wereld als geheel van fysische dingen kan begrenzen (de pijl kan alleen gestopt worden als er bv. een muur is opgetrokken aan de grens van de wereld): de lege ruimte is geen fysisch object dat de wereld kan begrenzen (de pijl vliegt door). Vervolgens: met je volgens mij aan Einstein ontleende idee dat de 3-dimensionale wereld 3-dimensionaal bezien oneindig maar vanuit de vierde dimensie bezien eindig kan zijn, getransformeerd naar oneindig dimensies, gaat het net als bij de tijd om het alomvattende geheel van alle dimensies. Ik begrijp dat je daarom oneindig veel dimensies postuleert, want dan is er geen laatste dimensie, maar dan is er ook geen grootste aantal dimensies vanuit welk perspectief bezien de wereld eindig kan zijn! Je lijkt een soort wiskundige inductie toe te willen passen, maar die kan ons slechts leren dat voor elke n geldt dat bij n dimensies de (n-1)-dimensionale wereld eindig kan zijn: zij kan ons niets leren over een ruimte met oneindig dimensies.

Emanuel Rutten zei

Beste FWK,

Het punt blijft dat Kant datgene wat hij noodzakelijk denkt als de grond van al onze zintuiglijke aanschouwingen, namelijk de noumena, vereenzelvigd met de wereld zoals deze in en voor zichzelf is. Dit is echter een misvatting. Wij dienen de door ons noodzakelijk gedachte noumena niet te vereenzelvigen met de wereld zoals deze op zichzelf is. Wij denken de noumena immers als de "achter" onze ervaringen liggende "grond" van deze ervaringen, en deze gedachte is al net zo menselijk, al te menselijk, als die ervaringen zelf, zodat ook de noumena, net zoals onze ervaringen, behoren tot de wereld zoals zij voor ons is in plaats van tot de wereld in zichzelf. En dat is precies wat ik in mijn alternatieve kennisleer doe.

In mijn kennisleer vereenzelvig ik immers niet, zoals Kant wel doet, de door ons gedachte noumena met de-wereld-in-zichzelf. De-wereld-in-zichzelf is in mijn kennisleer niet alleen ten opzichte van onze zintuiglijke ervaringen, maar ook ten opzichte van de door ons gedachte noumena, het Ganz Andere, ook al erken ik uiteraard dat tenslotte ook de term de-wereld-in-zichzelf, net zoals al ons menselijk spreken, opkomt vanuit de-wereld-voor-ons.

Groet,
Emanuel

Anoniem zei

“Met de term 'natuur' gaat dan ook het kenmerkende van de-wereld-in-zichzelf verloren, namelijk dat de-wereld-in-zichzelf staat voor de wereld zoals zij onafhankelijk van ons daadwerkelijk is.”

Beste Emanuel,

Vreemd!? Maken wij nou deel uit van de wereld-in-zichzelf, of niet?
Blogpunten V, VI, VII en XIV (e.d.) zeggen van niet, of kunnen er niets over zeggen, maar ik zou naar aanleiding van je citaat denken dat een aantal van deze punten of het citaat moet worden herzien. Kunnen wij immers (als weerlegging) spreken van een wereld-in-zichzelf die onafhankelijk van ons daadwerkelijk is? Dit lijkt mij een al te menselijke claim uit de wereld-voor-ons.

Waar het me om gaat is het volgende: Logisch gezien lijkt het me onmogelijk de mens(heid) van de werkelijke werkelijkheid los te koppelen. Want is het niet vergelijkbaar met het middenin de natuur staan en er deel vanuit maken, maar de ware grond c.q. het ‘goddelijke’ ervan niet zien en niet kunnen begrijpen (Spinoza)?

Natuurlijk maken we van de werkelijke werkelijkheid deel uit. Ook al kennen we deze niet en weten we niet of de wereld-voor-ons daar (in zijn geheel) mee overeenkomt. De wereld-in-zichzelf kan geen op zichzelf staande wereld zijn. Alle menselijke claims behoren tot de wereld-voor-ons, maar uiteindelijk maakt deze menselijke, al te menselijke wereld, toch weer deel uit van de wereld-in-zichzelf: namelijk de werkelijke werkelijkheid.

Groet, Prot.

Emanuel Rutten zei

Beste Prot.,

De-wereld-in-zichzelf is blijkbaar zodanig dat de-wereld-voor-ons is zoals zij is. In die zin kunnen we natuurlijk toch nog wel iets zeggen over de-wereld-in-zichzelf. De-wereld-in-zichzelf is dus bijvoorbeeld blijkbaar zodanig dat wij niet anders kunnen dan denken dat wij bestaan. Anders gezegd, de wereld-in-zichzelf is zodanig dat de claim dat wij bestaan beslissend gerechtvaardigd is als claim over de-wereld-voor-ons. Dit impliceert echter niet dat de claim dat wij bestaan gerechtvaardigd is als claim over de-wereld-in-zichzelf. Uiteindelijk zijn termen als 'wij' en 'bestaan' menselijke, al te menselijke, termen, en precies daarom alleen gerechtvaardigd binnen de context van de-wereld-voor-ons. Dit laat natuurlijk onverlet dat wij mogen hopen dat de-wereld-in-zichzelf in voldoende mate overeenstemt met de-wereld-voor-ons. In ieder geval voldoende om het waar te laten zijn dat wij bestaan in de-wereld-in-zichzelf.

Groet,
Emanuel

Anoniem zei

Beste Emanuel,

Ik laat de twee werelden even voor wat ze zijn.
Wel heb ik een ander punt waarop ik graag wil doorgaan. Het betreft het bovenzintuiglijke.

“Kortom, een groot aantal claims over het bovenzintuiglijke zijn, uitgaande van mijn kennisleer, inderdaad instanties van kennis.”

Met de claims over het bovenzintuiglijke die je als instanties van kennis ziet, zijn we mijns inziens beland op het hellend vlak van de metafysische kennis. Kennis van de bijbel, of anderszins religieus weten, is nog geen wetenschappelijke kennis. Ik bedoel daarmee kennis die je kunt falsificeren, dan wel verifiëren.

Datgene wat we niet kunnen weten en niet kennen, is hetgeen ik naar analogie, wartaal noem. Wartaal staat in deze gelijk aan de wereld-in-zichzelf. Het ‘bestaat’ (als aanname), maar de inhoud ervan is onbegrijpelijk. We noemen iets wartaal omdat we de geldigheidsaanspraken op het niveau van waarheid, juistheid en waarachtigheid niet begrijpen en we daarom ook niet tot overeenstemming kunnen komen. De boodschap, de inhoud van de wartaal kunnen we niet kennen en is daarmee onkenbaar.

Groet, Prot.

Emanuel Rutten zei

Beste Prot.,

Het domein van het bovenzintuiglijke dienen we uitgaande van mijn alternatieve kennisleer natuurlijk niet te situeren in de-wereld-in-zichzelf. Het onderscheid tussen het zintuiglijk waarneembare en het zich achter deze waarnemingen bevindende domein van het bovenzintuiglijke betreft namelijk een onderscheid binnen de-wereld-voor-ons. Dat is nu juist het cruciale punt. Het domein van het bovenzintuiglijke is dus, net zoals de sfeer van het zintuiglijke, geleden in de-wereld-voor-ons. En precies daarom zijn bepaalde uitspraken over het bovenzintuiglijke, zoals de claim dat alles wat begint te bestaan een oorzaak heeft voor zijn of haar ontstaan, geen "wartaal". Zoals wij claims over het zintuiglijke deel van de-wereld-voor-ons rechtvaardigen op grond van onze zintuiglijke ervaring, zo rechtvaardigen wij claims over het bovenzintuiglijke deel van de-wereld-voor-ons op grond van onze rationele intuïties. Beide vermogens zijn immers menselijke vermogens, die wij als mensen kunnen inzetten om kennis te vergaren over zowel de sfeer van het zintuiglijke als over de sfeer van het bovenzintuiglijke binnen de-wereld-voor-ons.

Groet,
Emanuel

filosofiewetenschapkunst.web-log.nl zei

Beste Emanuel,

Ik ben inmiddels bij je 15de paragraaf. Ik meen nog steeds bij je argumentatie kritische aantekeningen te kunnen maken, maar ik ben ook onder de indruk van je betoog: het is nogal een ambitieus project om Kant te overtreffen, maar je haalt daarvoor ook alles uit de kast en je zet een geïnspireerd verhaal neer. Eigenlijk ben ik wel benieuwd naar het cijfer dat je ervoor kreeg. En of je je begeleider/beoordelaar hebt kunnen overtuigen van je alternatieve kennisleer...

Groet,
FWK

Emanuel Rutten zei

Beste FWK,

Dank voor je compliment. Ik kreeg er een 8.5 voor, hetgeen toen voor een masterscriptie wijsbegeerte aan de VU beter is dan je op het eerste gezicht wellicht zou denken. Het cijfer voor masterscripties wijsbegeerte lag in die periode (en misschien nu nog steeds) namelijk ongeveer een punt lager dan het gemiddelde tentamencijfer, hetgeen ook bij mij het geval was. Mijn begeleider vond mijn kennisleer overigens interessant en vernieuwend ("Iets waarmee je je op de kaart zet", zei hij), maar hij was er zelf niet van overtuigd.

Groet,
Emanuel

Anoniem zei

Emanuel,

Mag ik zo vrij zijn uit het gegeven, dat al het kenbare, alles wat wij weten zich binnen de wereld-voor-ons bevindt, te denken, dat het geoorloofd is te concluderen dat ‘god’ menselijk is?
God is zwart/wit gesteld een product van de menselijke logica, in dit specifieke geval van jouw logica.

Met vriendelijke groet,

Prot.

J,Goossens zei

De waarheid van de werkelijkheid is niets anders, dan onze totale beleving zowel van de zintuiglijke beleving, synchroon geïnterpreteerd met de geheugen beleving. voor de metafysica is alles straling. voor de religie alles god. in mijn beleving ben ik beiden. daar in komt alles samen, en zwem ik als een school vis in een zee van belevingen.

J.Goossens zei

al theoretiserend kun je ook zegen dat de wereld nu pas begonnen is, een milliseconde geleden. nog een ander voorbeeld, wat te denken geeft; als ik naar een zanger luister die op de radio zingt. wat hoor ik dan zijn stembanden of het trillen in de microfoon of de radiogolven of het trillen van de luidspreker of toch het trillen van de lucht nee ik hoor mijn trommelvliesen of luister ik toch naar het geluid van hamer en aanbeeld in mijn binnen oor veroorzaakt door al het voorafgaande of misschien alleen maar naar mijn neuralesysteem. ach iedere menselijke of alles en iedereen wat beleeft van plant tot dier, het is niet meer dan wat het is of wat je er van wilt maken

geniet van alles wat je beleeft, dat is de zin en de bedoeling van het leven.

Emanuel Rutten zei

Beste Prot.,

Nimmer, maar dan ook nimmer, zal ik beweren of ontkennen dat de-wereld-voor-ons slechts het product is van ons menselijk denken. Natuurlijk niet! Dat zou immers impliceren dat ik de ware aard van de-wereld-voor-ons ken, dat ik zou weten hoe de-wereld-voor-ons op zichzelf is. Maar de ware aard van de wereld-voor-ons, het 'op-zichzelf' van de wereld-voor-ons is voor ons als mensen niet kenbaar precies omdat wij nooit buiten de-wereld-voor-ons kunnen treden om haar ware aard te achterhalen.

Wij zijn geworpen in de-wereld-voor-ons en kunnen haar grenzen nooit overschrijden. Inderdaad, wie meent iets te kunnen zeggen over hoe de-wereld-voor-ons op zichzelf is zou zich in feite toegang verschaft hebben tot de-wereld-in-zichzelf, hetgeen onmogelijk is. Is de-wereld-voor-ons slechts een intramentale menselijke constructie? Misschien wel, maar misschien ook niet. Is de-wereld-voor-ons gelijk aan de-wereld-in-zichzelf (zoals ik hoop)? Misschien wel, maar misschien ook niet. We zullen beide vragen nooit kunnen beantwoorden. De ware aard van de-wereld-voor-ons, het 'op zichzelf' van de-wereld-voor-ons blijft voor ons als mensen, die in de-wereld-voor-ons geworpen zijn, voorgoed verborgen. Hoewel dus de-wereld-voor-ons voor ons als mensen het meest vertrouwde is, het onmiddellijke, is zij in het licht van het voorgaande tegelijkertijd ook een permanent wonder, een mysterie.

De claim dat God bestaat kan inderdaad beslissend gerechtvaardigd worden als claim over de-wereld-voor-ons, zoals ik in mijn proefschrift (dat het tweede deel van mijn driedelig project betreft en momenteel bij de derde lezer ligt) laat zien. Hiermee wordt bedoeld dat de claim dat er een eerste oorzaak bestaat van alles wat is, en dat deze oorzaak een subject, een persoon is, beslissend gerechtvaardigd kan worden als wereld-voor-ons uitspraak. En dat zou voor ons als mensen voldoende moeten zijn. Al ons spreken en denken betreft immers wereld-voor-ons spreken en denken.

Groet,
Emanuel

Emanuel Rutten zei

Beste J. Goossens,

Je schrijft: "al theoretiserend kun je ook zegen dat de wereld nu pas begonnen is, een milliseconde geleden". Welnu, mijn alternatieve kennisleer, zoals ik deze in mijn thesis http://bit.ly/ebYueY (en ook in verschillende bijdragen op dit blog) ontwikkeld heb, is nu juist bedoeld om dat soort zielloos onthecht getheoretiseer te vermijden, ja, er de illegitimiteit van te laten zien.

Groet,
Emanuel

J.Goossens zei

Ja, volgens mij zitten we redelijk op een lijn, omdat ik totaal niet belezen of gestudeerd heb. spreek ik alleen een andere taal, maar in gedachten gang toch parallel. zoals alle mensen ben ik een denkend mens, die de indrukken van zijn zintuigen, reflecteert aan die van zijn geheugen. daardoor ontstaat er een persoonlijk unieke binnenwereld. Meer is er niet en zal er ook nooit zijn. Dit totale beleven vormt de buitenwereld die ik ken en ben. Het zelf is hierin het totaal, en het ik de toeschouwer, of belever. Ik ben de zelfde die ik ooit was en ook altijd zal zijn, maar ikzelf, het zelf dus, gevormd door het totaal. Het ikzelf is keuzeloos te noemen willoos zelfs. Maar ik kan wel kiezen door sturing te geven, in waar ik mijn aandacht op vestig. Zo stuur ik mijzelf aan. Hierin ervaar ik een ander venster, als een onderdeel van mijn intuïtie. Ik kan wel degelijk twee verschillende kanten op kijken, zowel naar mijzelf als naar ? door meditatie beleef ik dat zo, maar om het te verwoorden, zou ik in onbegrip raken. Dat moet je gewoon zelf beleven en volgens mij doe jij dat ook, met een gevoel dat alles in balans en goed is. Met een vriendelijke groet Ko Goossens.

filosofiewetenschapkunst.web-log.nl zei

Al lezende ben ik nog tot de volgende kritische kanttekeningen gekomen.

Je eerste bezwaar tegen Kants antithese van de tweede antinomie, dat je elk ding dat ruimte inneemt eindeloos kunt delen, begrijp ik niet. Je betoogt dat het feit dat we in gedachten een ding in tweeën kunnen delen niet betekent dat het ding ook werkelijk uit twee delen bestaat. Wat bedoel je hiermee? Ik kan me voorstellen dat je het over emergentie hebt in de zin dat het geheel meer kan zijn dan de som der delen: we kunnen bv. een mens in tweeën hakken maar het bij elkaar voegen van de twee delen levert dan geen mens meer op. Maar in de discussie over het bewustzijn wees je het idee van emergentie beslist af. Je tweede bezwaar dat zich beroept op Cantors overaftelbare verzamelingen is interessant en ik heb er Kant op na moeten slaan om te zien hoe Kant zich uit deze moeilijkheid redt, want ook al kende hij niet het onderscheid tussen aftelbaar en overaftelbaar kende hij wel zeer goed het vergelijkbare standpunt van de monadisten (Leibniz) die ook beweerden dat de dingen zijn samengesteld uit punten (volgens Leibniz is een monade in feite het absoluut oneindige en daarmee ondeelbare kleine dat – omdat alles alles weerspiegelt – het oneindig grote dus het gehele universum omvat). Kants repliek is dat er weliswaar wiskundige punten bestaan, maar geen fysische punten: de monadisten zouden volgens Kant gelijk hebben wanneer lichamen dingen-op-zichzelf zouden zijn maar dat zijn ze niet. Lichamen zijn verschijningen en als verschijning kunnen zij eindeloos worden gedeeld zonder dat de delen ooit punten kunnen zijn. Ik begrijp dit als: het punt is geen verschijning meer, een lichaam is geen lichaam meer als het geen omvang heeft en dus geen ruimte inneemt, zodat er geen kleinste lichamen zijn (bv. atomen) waaruit elk lichaam als samengesteld ding bestaat. Kants stelling is slechts dat materie oneindig deelbaar is: je kunt van een stuk materie bv. telkens de helft nemen zonder ooit op een punt te komen dat je niet meer verder kunt delen waarmee je het enkelvoudige in handen zou hebben gekregen. Dat lijkt mij nog steeds juist. En zelfs als het zo zou zijn dat een stuk materie is samengesteld uit jouw verzameling punten, dan worden die zelfs na eindeloos delen niet bereikt – hun aantal is immers overaftelbaar oneindig. Kant beweert dus niet dat een lichaam niet gedacht kan worden als een samenstelling van punten of dat het ding-op-zichzelf niet uit punten zou kunnen bestaan (integendeel, Kant erkent dat de monadisten gelijk hebben als we het over noumena hebben), maar dat zulke punten geen fysische objecten kunnen zijn. Kants enige premisse lijkt me te zijn dat elk lichaam als ruimtelijk ding ruimte inneemt hetgeen me een correcte analytische uitspraak lijkt.

filosofiewetenschapkunst.web-log.nl zei

Ook je bezwaar tegen Kants antithese bij de derde antinomie begrijp ik niet helemaal en ik vraag me af of er sprake is van een misverstand ten aanzien Kants beperkte, specifieke begrip van ‘ervaring’. Dit is bij Kant altijd zintuiglijke ervaring. In een wereld met vrijheid, ook als het slechts een beetje vrijheid is, worden niet meer alle gebeurtenissen die we kunnen waarnemen causaal verbonden waardoor er gaten ontstaan in de samenhang van onze ervaring. Dit lijkt me juist. Als we een man zien opstaan, dan hebben we geen ervaring van zijn wilsbesluit: we denken zijn wilsbesluit maar ons denken rekent Kant niet tot onze ervaring. We hebben die gedachte ook niet nodig om tot een samenhangende ervaring komen: binnen de ervaring is alles causaal verbonden, dus wordt ook het opstaan van de man causaal verklaard (zijn wilsbesluit correleert met hersenprocessen die wel causaal zijn). Vrijheid zou echter die causaliteit en dus de samenhang van onze ervaring doorbreken. Natuurlijk sluit dit niet uit dat er toch vrijheid bestaat. In Kants latere werken legt Kant uit dat we zelfs moeten denken dat we vrij zijn. Alleen is die vrijheid wel iets dat de ervaring overstijgt en aldus in de noumenale wereld in plaats van de fenomenale wereld moet plaatsvinden. Kants oplossing voor deze antinomie is dan ook niet dat we these en antithese beide moeten verwerpen, maar dat we de these en antithese moeten verbinden door middel van de combinatie van fenomenale en noumenale wereld: in de fenomenale wereld (de wereld van de ervaring) is geen vrijheid, maar in de noumenale wereld (de wereld van het denken) zijn we wel vrij. Bij de derde (en vierde) antinomie is er slechts sprake van een ogenschijnlijke tegenstelling: de tegenstelling wordt opgeheven door het ding-als-verschijning te onderscheiden van het ding-op-zichzelf.

Je bezwaar tegen Kants antithese dat er geen absoluut noodzakelijk wezen kan bestaan deugt mijns inziens niet omdat je voorbeelden uit de wiskunde niets fysisch kunnen veroorzaken: wat hier moet worden veroorzaakt is geen ware propositie of meetkundig figuur, die zelf tijdloos zijn, maar de wereld die in de tijd bestaat. Het gaat hier om de oorzaak van (een reeks van) gebeurtenissen en die oorzaak moet zelf ook weer in de tijd de wereld veroorzaken. Zoals ik al eerde stelde: als we aannemen dat God 13,7 miljard jaar geleden de wereld schiep, dan moet ook God in de tijd aanwezig zijn: in het bijzonder moet God dan 13,7 miljard jaar geleden aanwezig zijn geweest en toen iets gedaan hebben waaruit volgt dat ook God in de tijd handelt en dus tot de wereld behoort.

filosofiewetenschapkunst.web-log.nl zei

Wat betreft je opmerkingen over de vermeende innerlijke inconsistenties van Kants kenleer nog het volgende. Je stelt dat Kants kennisleer zelf de door die leer opgetrokken ervaringsgrens overschrijdt. Maar er is natuurlijk een belangrijk verschil tussen het transcendente, dus wat de ervaring overstijgt (en waarvan Kant de mogelijkheid van kennis afwijst) en het transcendentale, dus wat de voorwaarden van mogelijke ervaring zijn (wat Kant heeft onderzocht en tot zijn kennisleer heeft geleid). Zijn transcendentaal idealisme levert de ingrediënten aan wat wijzelf aan de prikkels toevoegen om zo de ervaring mogelijk te maken. Het poneert dus niet het bestaan van bovenzintuiglijke objecten, maar slechts de principes van onze zintuiglijkheid en verstand volgens welke wij de wereld ordenen tot een samenhangende ervaring. En dat Kant heel wat van de noumena meent te weten komt omdat noumena gewoonweg de objecten van ons denken zijn: de noumena liggen niet voorbij de horizon van ons denken (het zijn ook geen transcendente maar transcendentale objecten) maar wel voorbij de horizon van onze kennis omdat we slechts kennis van de dingen-als-verschijning kunnen hebben.

VIII. Je vraagt hoe het mogelijk is dat de rijke westerse denktraditie zich kon verliezen in het vooroordeel dat we slechts van het zintuiglijke kennis kunnen hebben. Welnu, dat heeft niet te maken met de autoriteit van Kant maar met de autoriteit van het christendom. Dat leert – in tegenstelling tot bv. het platonisme – dat de zintuiglijke wereld echt is en dat God almachtig en vrij scheppend is, zodat we de werkelijkheid niet rationeel kunnen doorgronden en alleen de zintuigen ons zekere kennis leveren. Net als de openbaring moeten we accepteren wat ons wordt gegeven, ook al begrijpen we het niet: niet wat we denken maar wat ons wordt gegeven is echt. Daarbij leverde juist deze christelijk geïnspireerde empirische – en vanaf Bacon ook experimentele – methode een grote vooruitgang in onze wetenschappelijk kennis waarbij veel niet zo in elkaar bleek te zitten als altijd – op rationele gronden – was gedacht, hetgeen het empirisme bevestigde als de enige betrouwbare vorm van kennis. Denken dat we de werkelijkheid rationeel kunnen doorgronden is menselijke ijdelheid of hubris. Het vooroordeel van Kant is niets anders dan het vooroordeel van al het door het christendom geïnspireerd denken. Dat verklaart ook meteen waarom ‘anti-christen’ Nietzsche de spot drijft met de filosofie die zich heeft laten dicteren en insnoeren door de (empirische) wetenschap...

IX. “Precies omdat kennis over de wereld in zichzelf onbereikbaar is dient de epistemologie zich niet langer bezig te houden met het najagen van kennis over hoe de wereld op zichzelf is.” In feite is dit natuurlijk niet anders dan wat Kant voor ogen stond. Overigens, je spreekt over Kants antropologie in diens eerste Kritiek, maar Kant heeft zijn eigenlijke antropologie pas later uitgewerkt: ‘wat is de mens’ noemt Kant ergens de vierde te beantwoorden vraag (na de vragen ‘wat kan ik weten’, ‘wat moet ik doen’ en ‘wat mag ik hopen’).

filosofiewetenschapkunst.web-log.nl zei

X. Je eerste alinea vind ik wat slordig geformuleerd. Je suggereert hier dat Kant zintuiglijkheid boven het denken zou plaatsen, hetgeen natuurlijk niet het geval is. In de eerste plaats ontstaat ervaring en kennis pas door middel van de verstandscategorieën en in de tweede plaats leidt alleen ons denken naar de moraal en God die Kant belangrijker vond dan kennis. Denk ook aan zijn beroemde Verlichtingsoproep: “durf te denken!”. Kant maakt zelfs geen bezwaar tegen zuiver denken: dat gebruikt hij juist om zijn filosofie te ontwikkelen. Hij maakt alleen bezwaar tegen kennisaanspraken inzake het bovenzintuiglijke (in de traditionele zin van het begrip ‘kennis’).

Ik vind trouwens je historische relativiteit van kennisclaims wel het begrip kennis op een gevaarlijke manier devalueren tot een soort mening. Als een bewering nu als kennis mag gelden, ook als het over 1000 jaar niet meer als kennis geldt, dan impliceert dat ook dat wat voor de ene cultuur als kennis geldt dat niet voor een andere cultuur hoeft te gelden. Als zo de universaliteitsvoorwaarde van kennis wordt losgelaten, dan wordt het ook voorstelbaar dat een godsbewijs als kennis mag gelden als het bv. gelovigen overtuigt zonder ongelovigen te kunnen overtuigen. In feite laat jouw tweede voorbeeld van een beslissend-gerechtvaardigd oordeel – in combinatie met het culturele perspectief – dat ook toe: hoe logisch sterk een bewijs dat God wel resp. niet bestaat ook is, het zal ongelovigen resp. gelovigen nooit (hoeven) overtuigen, omdat de bewering in strijd is met hun praxis van het door hen geleefde menselijke leven. Maar dat kan volgens mij niet jouw bedoeling zijn (in XIII benadruk je ook dat de beweringen voor alle mensen geldig moeten zijn).

Je onderscheid tussen beslissend-gerechtvaardigde oordelen en niet-beslissend-gerechtvaardigde oordelen vind ik wat curieus dan wel onduidelijk. Je lijkt te betogen dat het verschil een verschil in zekerheid is met “Jan is thuis” als een voorbeeld van een niet-beslissend-gerechtvaardigd oordeel, hetgeen het bekende kennistheoretische adagium van kennis als “justified true belief” suggereert, maar vervolgens geef je waarnemingsuitspraken als voorbeeld waarmee het verschil er een lijkt te worden tussen noodzakelijke en contingente waarheden. Dat jij waarnemingsuitspraken misschien niet erg betrouwbaar acht lijkt me iets persoonlijks (c.q. een soort beroepsdeformatie van filosofen, met name sinds Descartes: zie in dat verband bv. Austins werk): ik denk dat de meeste mensen waarnemingsuitspraken minstens zo betrouwbaar achten als wiskundige of logische oordelen (“Eerst zien, dan geloven!”). In ieder geval achten empiristen waarnemingsuitspraken bij uitstek betrouwbaar.

filosofiewetenschapkunst.web-log.nl zei

XII. Je betoogt dat het enige alternatief voor een extramentale wereld solipsisme is als we de synchroniciteit van de ervaringen van mensen willen begrijpen. Dit miskent echter een groot deel van de moderne filosofiegeschiedenis: sinds Descartes is er een sterke neiging om slechts in ideeën en geesten te geloven waarbij de synchroniciteit door God c.q. een harmonia praestabilita wordt bewerkstelligd. Leibniz en Berkeley zijn hiervan belangrijke voorbeelden.

Zoals reeds uiteengezet denk ik dat Kant niet heeft bedoeld te betogen dat de noumenale wereld niet tot de wereld-voor-ons zou behoren. Het is slechts de wereld die we alleen maar kunnen denken en niet aanschouwen, zodat kennis ervan niet mogelijk is en het in feite de grens van de mogelijke ervaring en daarmee onze kennis markeert. Juist omdat we de noumena wel kunnen denken, kunnen we er wel wat over zeggen, zoals ook jij erkent. Kant beweert volgens mij niet dat de dingen op zichzelf ‘achter’ de dingen-als-verschijning zijn gelegen of dat er meerdere dingen-op-zichzelf moeten bestaan (Schopenhauer zou uitdrukkelijk betogen dat er maar één ding-op-zichzelf kan bestaan omdat pas met de ruimte, dus de aanschouwing, veelvuldigheid kan ontstaan). Kant is radicaler en staat dichter bij jouw kennisleer dan je denkt. Hooguit neem jij het begrip ‘kennis’ ruimer dan Kant: Kant noemt hetgeen we kunnen of moeten denken over de noumena geen kennis.

Of eigenlijk is zelfs daar – nu ik er nog eens over nadenk – misschien niet een wezenlijk verschil tussen Kant en jou, want ook Kant achtte kennis van de noumenale wereld uiteindelijk wel mogelijk. Het ging Kant er immers om van metafysica, in navolging van de wiskunde en de natuurkunde, een wetenschap te maken. Het is een misvatting te denken dat Kant metafysica, dus kennis van het bovenzintuiglijke, niet mogelijk achtte. Kant was geen empiristische anti-metafysicus, zoals Hume. Maar hij nam Hume’s kritiek wel ter harte en zette daarop wel ons kennisbegrip op zijn kop om de metafysica mogelijk te kunnen maken: zijn ‘Copernicaanse revolutie’ bestaat eruit dat kennis niet tot stand komt doordat ons verstand zich naar zijn objecten richt maar de objecten zich naar ons verstand richten. Op die manier is voor Kant ook metafysica als wetenschap mogelijk: er is bij Kant uiteindelijk beslist kennis mogelijk van het bovenzintuiglijke (ziel, God, e.d.), zolang we die kennis maar niet denken te ontlenen aan objecten buiten ons denken. Het is het denken zelf dat in zijn activiteit van a priori synthese zekere kennis levert, zelfs van het bovenzintuiglijke. Alle kennis is subjectief. We kunnen volgens Kant zeker zijn van het bestaan van God, de ziel en de vrijheid, zolang we maar beseffen dat de reden daarvan slechts is dat we deze zaken moeten denken en niet omdat de objecten van dat denken werkelijk buiten ons denken moeten bestaan. Waar Kant van af wil is het geloof in of streven naar ‘objectieve’ kennis, dus kennis van het ding-op-zichzelf. Uiteindelijk is jouw kennisleer dus niet wezenlijk anders dan die van Kant: alle kennis, zowel van het zintuiglijke als het bovenzintuiglijke, is kennis van de wereld-voor-ons. Daarom is bv. kennis van God altijd slechts kennis van de relatie tussen God en ons (want kennis van God voor ons, niet van God op zichzelf). Hooguit handhaaft Kant scherper het verschil tussen fenomenale en noumenale wereld in de zin dat kennis van de noumenale wereld louter subjectief is (er is daar slechts de activiteit van het denken) terwijl de fenomenale wereld ons deels gegeven wordt (de zintuiglijkheid is receptief) en in die zin objectief is. In die zin is de fenomenale wereld dan ook ‘reëler’ dan de noumenale wereld. Kants fenomenale wereld is dan ook niet louter ‘intramentaal’ als ware Kant een solipsist: deze fenomenale wereld is die van de causaal met elkaar verbonden extramentale objecten. Alleen moeten we ons bewust zijn dat dit objecten van (mogelijke) aanschouwing zijn en geen objecten op zichzelf.

filosofiewetenschapkunst.web-log.nl zei

XIII. De ruimte die je hier zoekt is zo denk ik niet anders dan de ruimte die Kant zocht voor het geloof. Bedenk dat Kant een Verlichtingsfilosoof was: voor Kant is geloof niet iets onredelijks. Integendeel, geloof in God is voor Kant iets volstrekt redelijks. Dat hij het weten moest opheffen om die ruimte te krijgen betekent dat de dogmatische metafysica de fout maakte de verstandscategorieën toe te passen op zaken als God en het ding-op-zichzelf terwijl die alleen op de objecten van aanschouwing van toepassing zijn. Kant maakt bezwaar tegen de traditionele wijze van speculeren over God e.d. waarbij net wordt gedaan alsof dit objecten zijn die we kunnen begrijpen zoals we zintuiglijke objecten kunnen begrijpen (zo maakt Kant bv. ook bezwaar tegen de onder gelovigen veelal gebruikelijke wijze om de hemel voor te stellen als een elders gelegen soort aarde waarmee het bovenzintuiglijke toch weer wordt voorgesteld als iets zintuiglijks). Het is daarentegen een bijzondere activiteit van de rede die ons naar God e.d. leidt, welke rede zo wordt onderscheiden van het verstand. Juist het geloof in God e.d. is aldus bij uitstek ‘redelijk’!

XIV. Op je vijf oordelen met je argumentatie heb ik elders al min of meer gereageerd. Wel vind ik het overigens opmerkelijk dat je de geest in de ruimte plaatst: is dat niet een te letterlijke interpretatie van de gebruikelijke metaforen, zoals ‘binnenwereld’, waarmee wij over de geest spreken? Bevindt een gedachte zich ergens in de ruimte? Descartes en Kant zijn het daar niet mee eens. Een gedachte is weliswaar privé (vandaar de metafoor ‘binnenwereld’ om aan te geven dat anderen er geen toegang toe hebben), maar door het een plaats in de ruimte te geven maak je er een ruimtelijk en daarmee impliciet een uitgebreid dus materieel ding van (hoe groot is een gedachte eigenlijk of is het een dimensieloze punt in de ruimte?). Kant noemt overigens ruimte de uitwendige zintuiglijkheid en tijd de inwendige zintuiglijkheid.

Wat Husserls historisch-fenomenologische genealogie betreft: dit is een aantrekkelijk verhaal, maar het verklaart niet het probleem dat Plato en Kant tot een andere filosofie van de wiskunde bracht, namelijk hoe het mogelijk is dat wiskundige kennis zo zeker is. Je maakt geen onderscheid tussen bv. wiskunde en politiek, maar de praktijk wijst uit dat wiskunde betrouwbare kennis levert over de wereld wanneer zij wordt toegepast terwijl politiek niet altijd tot de beste maatschappij leidt. Waarom vinden we in de politiek slechts meningen en alleen in de wiskunde zekere kennis? Juist dat aspect bracht Plato en Kant tot de opvatting dat de objectiviteit van de wiskunde iets anders is dan de objectiviteit van een toneelstuk of een politiek pamflet. Wiskunde lijkt a priori zeker: zonder het aantal koeien te hoeven tellen, kunnen we met zekerheid voorspellen dat wanneer we twee koeien toevoegen aan twee koeien we dan vier koeien zullen hebben. Daarom overtuigt je afleiding ad absurdum ten slotte niet: ik kan me inderdaad niet voorstellen dat de Ilias bestond voor Homerus, maar ik kan me ook niet voorstellen dat de som van het kwadraat van twee rechthoekszijden van een rechthoekige driehoek pas gelijk geworden is aan het kwadraat van de hypotenusa toen Pythagoras of iemand anders het opschreef.

Emanuel Rutten zei

Beste FWK,

Hartelijk dank voor je uitgebreide commentaar. Ik ga het rustig lezen zodra ik daar aan toekom.

Groet,
Emanuel

Anoniem zei

Met toenemende belangstelling en een lichte mate van bewondering heb ik de repliek van FWK gelezen die hij voor Kant heeft geschreven. Het is hard nodig om de kritiek, op de ‘drie kritieken’ van Kant, uit de kenleer van G.J.E. Rutten op een consistente wijze te onderzoeken dan wel te weerleggen.
Wat nog prematuur als opmerking door mij in de kantlijn van Ruttens kenleer was gekrabbeld, zag ik terug in een goed onderbouwd betoog. Naast natuurlijk veel andere (mooie) dingen.
Stel dat FWK hier de spijker op zijn kop slaat, dan heeft het nogal wat consequenties voor de epistemologie van Rutten. Zeer interessant allemaal, en ik wacht dan ook met smart op een reactie van Emanuel.

Groet, Prot.

Anoniem zei

Beste Emanuel,

Hieronder heb ik een paar krabbels uitgewerkt die ik in de kantlijn van je kenleer heb geschreven. Het betreft punten waarin ik mij afvraag of Kant door jou goed geïnterpreteerd is.

Laat ik beginnen met het gegeven dat ik ervan uit ga, dat net als voor Kant, ‘God’ voor jou niet meer dan een heuristisch fictief beginsel is (blz.9, noot 18, uit “Het kenbare noumenale: transcendentie binnen de wereld voor ons”). Dat kan ik opmaken uit de aanname dat alles, maar dan ook alles in de wereld-voor-ons menselijk is en we over andere dingen niets kunnen zeggen dan wat er binnen ons menselijk perspectief te zeggen valt. In dat opzicht is er geen verschil tussen Kant en Rutten in het benaderen van het antropologisch uitgangspunt, dat stelt dat ons denken en waarnemen onvervreemdbare menselijke vermogens zijn.

“De wereld voor ons is dus de door onze waarneming en ons denken geïmpliceerde wereld, terwijl de fenomenale wereld bij Kant louter de zintuiglijke ervaringswereld betreft. (Blz 28 v/h kenbare noumenale)”

Ten eerste ontkom je er mijns inziens niet aan, dit te erkennen voor wat betreft het gaat om de opbouw van een persoonlijk cultureel-semantische leefwereld, die ons uiteindelijk tot een rationeel denkend subject maakt. Pas na deze cognitief-semantische ontwikkeling kunnen wij gebruikmakend van de ratio, de logica (de fantasie) loslaten op ons cultureel erfgoed en op onze kennis. Net als FWK, denk ik echter dat Kant beide mogelijkheden binnen zijn epistemologie toelaat. FWK:”[…]maar dat we de these en antithese moeten verbinden door middel van de combinatie van fenomenale en noumenale wereld: in de fenomenale wereld (de wereld van de ervaring) is geen vrijheid, maar in de noumenale wereld (de wereld van het denken) zijn we wel vrij.[…] en in de tweede plaats leidt alleen ons denken naar de moraal en God die Kant belangrijker vond dan kennis.”

Anoniem zei

Als we ervan uitgaan dat ruimte de uiterlijke zintuiglijkheid is en tijd de innerlijke zintuiglijkheid, dan bezitten beide een empirische werkelijkheid. Kant vergelijkt het met de meetkunde (= ruimte) en met de rekenkunde (tellen = tijd). Op blz.14 van de Prolegomena staat dat Kant: “[…] op deze wijze aantoont dat ‘zuivere’ wiskunde mogelijk is, dat wil zeggen wiskunde die wat zekerheid betreft onafhankelijk is van de zintuiglijke ervaring.”

Kant ontkent ons denken niet, maar koppelt het wel aan de zintuiglijkheid! Verder heeft hij dus gelijk als hij stelt dat kennis en ervaring aanvankelijk (alleen) vanuit de zintuigen komt. Kennis en ervaringen zijn immers geen gegevenheden bij de geboorte. Erfelijke factoren, of zoiets als de ideeën van Plato, bepalen niets in het geval dat een subject opgroeit zonder zintuigen!

“De kenleer die wij ontwikkelen geeft dus ruimte aan kennis over het bovenzintuiglijke. Wel moeten wij ons steeds weer realiseren dat al onze oordelen over het zintuiglijke en over het bovenzintuiglijke oordelen over de-wereld-voor-ons betreffen.”

Met het begrip ‘kennis’ dat je op slechts op één manier invult, zit ik nog in mijn maag. Wat maakt kennis over het bovenzintuiglijke anders dan kennis over het zintuiglijke? De Dikke Van Dale zegt over kennis: “Het weten wie, wat of hoe iets of iemand is.”
Wat kunnen we weten van bovenzintuiglijke ‘kennis’ als we daar niet meer het innerlijke zintuiglijke mee bedoelen en zo de uitkomst van die kennis steeds weer anders zal zijn? Eigenlijk weten we niet wie, wat of hoe iets of iemand is, als we het hebben over metafysica! Het lijkt me nodig onderscheid te maken tussen de diverse vormen van kennis c.q. weten.

Anoniem zei

Een ander onduidelijk punt rond het begrip kennis is je opmerking dat Kant’s noumena weldegelijk kenbaar zijn.
Ja en nee bij een snelle reactie. Ja als het gaat om het object dat onze zintuigen prikkelt, maar nee als het gaat om de ware kennis over het object in zijn omgeving. We weten dat het er is, maar we weten niet wat het is.
Maar het volgende probleem schuilt volgens mij ook in wat wij kunnen aanschouwen en wat niet meer. Een fiets die plotseling in een kamer verschijnt kunnen wij zien en aanraken. Echter een groot aantal zeer kleine objecten om ons heen kan niet door ons worden waargenomen, waarmee ze buiten het zintuiglijke vallen en daardoor; ofwel bij het noumenale moeten worden gerekend, ofwel bij de wereld-in-zichzelf, of…….

Laat ik het anders stellen. Behoorden quark, mitochondriën of expoplaneet Kepler 16B voor de 17e eeuwse Amsterdammer nou tot de noumena, de wereld-voor-ons of toch tot de wereld-in-zichzelf?
Het zijn objecten, maar niet waarneembaar voor de mensen uit de gouden eeuw. Daarmee komen we op het punt dat niet alle objecten zintuiglijk waarneembaar zijn. Jouw stelling dat de noumena objecten zijn en voor ons (ten allen tijde) te aanschouwen, berust dus op een misverstand.
De noumena van Kant bevinden zich daarmee zeker niet altijd in de wereld-voor-ons.

Groet, Prot.

Ps. De wereld-voor-ons is geworden tot de mens als maat van alle dingen. Van de dingen die zijn wat ze zijn en van de dingen die niet zijn wat ze niet zijn. Zie hier de a priori’s van Kant in het juiste perspectief.

filosofiewetenschapkunst.web-log.nl zei

XV. Ha, je komt nu opeens met een mijns inziens betere interpretatie van Kant: de ‘één-wereld-interpretatie’! Het kan zijn dat sommige recensenten en idealisten de twee-werelden-interpretatie hanteerden, maar die lazen Kant dan ook veelal slecht: ik denk dat iedereen die onbevooroordeeld en zorgvuldig Kant leest tot de conclusie komt dat de ‘één-wereld-interpretatie’ de correcte interpretatie is van wat Kant bedoelde.

Wat betreft je bezwaar dat Kants kennisleer zelf geen kennis is volgens die kennisleer: in zekere zin heb je gelijk, nu Kants kennisleer op grond van het zuivere denken de noodzakelijke voorwaarden voor kennis onderzoekt. Hij levert in zijn kennisleer geen kennis maar een analyse van hoe kennis mogelijk is. Zijn kritisch werk is ‘transcendentaal’ en wordt door Kant zelf ook uitdrukkelijk gepresenteerd als een propedeuse voor een systeem van wetenschap of kennis: eerst moeten we onderzoeken hoe zekere kennis tot stand komt voordat we die zekere kennis systematisch kunnen gaan verzamelen en ordenen. Zijn kennisleer is vooral een leegmaken van de (metafysische) wetenschap en een opruimen van alle vooroordelen waar filosofen in hun gretigheid naar bovenzinnelijke waarheden zo graag in vervallen, enigszins zoals Descartes en Bacon dat ook hadden geprobeerd. Maar daarbij speculeert Kant er niet op los, maar volgt hij een strenge, grondige en zorgvuldige methode: door zich slechts op het zuivere denken te beroepen zoekt hij naar wat dat denken noodzakelijk aan onze ervaring toevoegt. Je kunt Kant misschien van veel beschuldigen, maar ik denk niet dat velen die zijn werk gelezen hebben op het idee zullen komen Kant ervan te beschuldigen geen strenge, grondige en zorgvuldige methode te hanteren… In die zin is zelfs zijn kritisch, ‘voorbereidend’ werk zeer wetenschappelijk en in wezen net zo zeker als de wiskunde.

filosofiewetenschapkunst.web-log.nl zei

Wat betreft Van Cleve’s bezwaar tegen de ‘één-wereld-interpretatie’: ik weet niet goed welke eigenschappen Kant zou toekennen aan het ding-op-zichzelf en op wat voor manier dat een tegenspraak zou kunnen opleveren. Het enige wat ik kan bedenken is dat Kant beweert dat we onszelf als ding-op-zichzelf als vrij kunnen denken, terwijl we onszelf als ding-als-verschijning als causaal gedetermineerd waarnemen. Dit is volgens Kant echter een ogenschijnlijke tegenspraak die wordt opgelost door juist het verschil te beseffen tussen de twee verschillende perspectieven van het ding-op-zichzelf en het ding-als-verschijning. Volgens mij volgen uit twee perspectieven juist altijd twee verschillende oordelen: dat is juist het hele idee van perspectief. Zo zie ik van de ene kant een gezicht en van de andere kant een bos haar als ik om iemand heen loop en zo mijn perspectief wijzig. Dat dit een contradictie zou opleveren is volgens mij alleen mogelijk als je de denkfout maakt de oordelen te verabsoluteren en zo te vergeten dat het perspectieven zijn (‘is die persoon nu een gezicht of een bos haar?’). Van Cleve maakt zo precies de fout die Kant door zijn kennisleer wil elimineren: we hebben geen kennis van dingen-op-zichzelf, we weten dus niet welke eigenschappen die dingen hebben, maar we hebben slechts ons perspectief op het ding. En daarbij heeft de mens twee perspectieven: het zintuiglijke en het denken. We kunnen een lichaam aanschouwen en we kunnen een lichaam denken. Maar het zijn beide slechts perspectieven. De verwarring ontstaat waarschijnlijk doordat Kant het onkenbare ding-op-zichzelf vereenzelvigt met ons perspectief van het denken. Dat heeft ermee te maken dat in ons denken er geen perspectief is: aanschouwingen wijzigen door een ander perspectief in te nemen, maar concepten hebben van alle kanten dezelfde inhoud. Het denken verabsoluteert aldus de dingen. Het denken verabsoluteert zo het ding-als-verschijning tot ding-op-zichzelf. In die zin is er ook een zekere inherente tegenstelling tussen de twee perspectieven (als dat is wat Van Cleve bedoelt met de tegenstelling), hetgeen zo niet vergelijkbaar is met bv. Aristoteles verschillende ‘qua’-perspectieven. Hierbij moet Kant veeleer aan Plato hebben gedacht die als het ware geobsedeerd was door deze kracht of ‘opstijging’ van het denken. Maar uitdrukkelijk tegen Plato benadrukt Kant dat onze verabsoluteringen, dus ook alles wat we toeschrijven aan het ding-op-zichzelf, slechts een activiteit van ons denken zijn en zo slechts een aanvullend perspectief bieden op de zintuiglijke aanschouwing: er is geen platoonse, objectieve wereld van ideeën waar al die dingen-op-zichzelf zouden bestaan. En hiermee lijkt ook de ‘tweede invulling’ van de ‘één-wereld-interpretatie’ te kunnen worden begrepen: alhoewel de terminologie van ding-als-verschijning en ding-als-op-zichzelf-beschouwd een verschillend perspectief suggereren, geeft het ding-als-verschijning uitdrukkelijk de niet-intrinsieke eigenschappen van het ding in relatie tot ons terwijl de eigenschappen van het ding-op-zichzelf als intrinsiek worden gedacht. De twee ‘invullingen’ vallen dus samen: de intrinsieke eigenschappen zijn uiteindelijk ook slechts een perspectief, namelijk dat van het (perspectiefloze) denken.

filosofiewetenschapkunst.web-log.nl zei

Fijn dat je zelf ook opmerkt dat deze (mijns inziens) correcte interpretatie “in een bepaald opzicht” dicht in de buurt komt van jouw kennisleer. Het verschil zie je nog in het ding-op-zichzelf dat bij Kant meervoudig is, bepaald is en eigenschappen heeft en bij jou het grote mysterie blijft. In zekere zin klopt dat wel, maar ik vraag me af of dat jouw kennisleer sterker maakt: wat voor zin heeft het om nog überhaupt een wereld-in-zichzelf te hanteren als we daar toch niets over kunnen zeggen en het bestaan ervan slechts een geloofsartikel lijkt? Jouw benadering van de wereld in zichzelf lijkt op een soort mystieke theologie, waarbij juist Kant dan veel moderner en nuchterder oogt: Kant blijft het denken volgen en verliest zich niet in mystieke zaken. Het ding-op-zichzelf blijft ook bij Kant overigens uitdrukkelijk onbepaald (in de zin dat de verstandscategorieën, die objecten bepalen, er geen toepassing vinden), maar geeft wel het denken de ruimte om dit ding-op-zichzelf in te vullen. Weliswaar spreekt Kant over dingen-op-zichzelf (meervoud), maar doordat Kant hierbij in feite Plato’s intentie volgt (met dit fundamentele verschil dat de dingen-op-zichzelf bij Kant louter subjectief in plaats van objectief zijn) laat Kants filosofie van het ding-op-zichzelf de hele opstijging van het platonisme toe: van meervoudige dingen-op-zichzelf (als Plato’s Ideeën) naar Schopenhauers enkelvoudige ding-op-zichzelf (als Plato’s het Ene) tot uiteindelijk zelfs jouw mystieke theologie van het totale mysterie.

filosofiewetenschapkunst.web-log.nl zei

Met betrekking tot de onbepaaldheid van het ding-op-zichzelf wil ik nog even terugkomen op Kants kennisbegrip, want in ad XII heb ik die denk ik toch te ver verruimd. Zoals ervaring bij Kant altijd beperkt is tot zintuiglijke ervaring, zo is kennis bij Kant denk ik altijd beperkt tot de bepaling van het object. En de crux van zijn kennisleer is dat de verstandscategorieën een object bepalen, onder meer het bestaan ervan, maar dat die verstandscategorieën alleen legitiem toegepast kunnen worden op objecten van mogelijke ervaring. De fout van de klassieke metafysici is dat zij de verstandscategorieën ook toepassen op bovenzintuiglijke objecten: de fout die dan ontstaat bestaat eruit dat dan de bovenzintuiglijke objecten worden behandeld als zintuiglijke objecten. In feite worden daarmee de bovenzintuiglijke objecten in hun bovenzintuiglijkheid ontkend en gedegradeerd tot de voorstelling van het zinnelijke, ook al is dat dan een ‘volmaakt’ zinnelijke (vergelijk de voorstelling van de hemel in het hiernamaals als een aards, zintuiglijk lustparadijs). Daarom spreekt Kant over de (transcendentale) ideeën van God e.d. waarvan we het object niet kunnen bepalen en waarvan we niet eens kunnen bepalen of het corresponderende object ook werkelijk bestaat (want ook existentie is een verstandscategorie die aldus niet van toepassing is op het bovenzintuiglijke). Zeggen dat God bestaat of niet bestaat ontkent dus het bovenzintuiglijke karakter van het object van dit idee: alleen objecten van de mogelijke ervaring kunnen wel of niet bestaan, althans voor ons (mogelijk kan God of een engel met hun intellectuele visie zien of God of de ziel bestaat, maar wij beschikken niet over zo’n intellectuele visie waarmee het bovenzintuiglijke ons gegeven en dus bepaald kan worden). Hiermee wordt trouwens nog eens bevestigd dat voor Kant de fenomenale de echte wereld is: in tegenstelling tot de klassieke metafysica waarin de noumena de ‘echte’ dingen zijn en de fenomenen minder ‘echt’ als slechts het beeld van het echte ding, is bij Kant juist de verschijning echt en is een begrip als realiteit of bestaan niet eens van toepassing op het bovenzintuiglijke. Daarom is kennis bij Kant slechts mogelijk ten aanzien van objecten van de mogelijke ervaring. En ik denk dat Kant hiermee een sterk punt heeft: je ontneemt het bovenzintuiglijke, bv. God, zijn bovenzintuiglijk karakter door over zijn wel of niet bestaan te praten en het zo in feite te behandelen alsof God net zoiets als een tafel of stoel is. Wat hier natuurlijk ook achter zit is de middeleeuwse metafysische notie dat (slechts) het denken de essentie van dingen geeft en (slechts) de zintuigen de existentie van dingen. Het denken alleen kan ons nooit vertellen of iets wel of niet bestaat. Zie in dat verband ook Kants kritiek op het ontologische godsbewijs waar volgens Kant essentie en existentie ten onrechte door elkaar worden gehusseld (d.w.z. het bestaan van een ding kan geen onderdeel van het concept/definitie van dat ding zijn).

filosofiewetenschapkunst.web-log.nl zei

XVI. Afgezien dat ook hier je kennisleer mij sterk aan die van Kant doet denken, valt het me op dat je zegt: misschien is het idealisme waar, misschien is het realisme waar en dat je dan vervolgens een soort middenweg zoekt. Ik denk dat Kant dan sterker uit de hoek komt door niet zo te twijfelen of te bemiddelen maar radicaal beide te verenigen: de door ons transcendentaal geordende empirische wereld is de echte wereld. Uiteindelijk is het niet Kant maar jij die lijkt te geloven in de ‘twee-werelden’-opvatting met die wereld in zichzelf als de ‘echte’ wereld. Maar waarom zou dat de echte wereld zijn? Daar lijkt toch nog die oude metafysica achter te zitten dat wat achter de wereld als verschijning zit echter moet zijn dan de verschijning. Uiteraard wordt dit ook gesuggereerd door de term ‘verschijning’, maar Kant vat de verschijning niet op als een afgeleide, inferieure of bemiddelende werkelijkheid, maar als de enige werkelijkheid voor ons die we daarom restloos echt kunnen noemen: in plaats van de oude metafysica te handhaven en deze alleen in de wereld voor ons te trekken, zodat alleen de status wijzigt maar verder alles hetzelfde blijft, zet Kant een grote streep door die oude metafysica. In dat verband zet ik ook vraagtekens bij de rechtvaardiging van je ontologie: je beweert wel dat wij als mensen niet anders kunnen denken dan dat er achter de wereld voor ons nog een wereld in zichzelf is, maar ik ben opnieuw bang dat dit een beroepsdeformatie is: alleen als je heel veel oude filosofen hebt gelezen dan kun je niet anders meer denken. In dat verband wijs ik graag naar Nietzsche’s briljante ‘Wie die „wahre Welt“ endlich zur Fabel wurde. - Geschichte eines Irrthums’ (met daarin onder meer de uitspraak “[…] mit der wahren Welt haben wir auch die scheinbare abgeschafft!")”. http://www.nietzschesource.org/texts/eKGWB/GD-Fabel
Ik merk op dat Nietzsche hier mijns inziens een goede Kant-interpretatie geeft: de ware wereld (het ding-op-zichzelf) is bij Kant door scepticisme verbleekt tot louter een gedachte, maar nog wel een troostende en verplichtende gedachte.

filosofiewetenschapkunst.web-log.nl zei

XVII. Ik zie niet goed in waarom ‘kennis’ binnen jouw kennisleer een leeg begrip zou zijn: je identificeert het met een beslissend gerechtvaardigd oordeel, zodat het mijns inziens wel iets toevoegt aan het concept van rechtvaardiging. Immers, naast kennis als beslissend gerechtvaardigde oordelen heb je in jouw systeem nog de niet-beslissend gerechtvaardigde oordelen.

Als ik het goed zie dan komt het erop neer dat je kennis als zekere kennis opvat, zoals ook Kant dat nog deed. Maar het is natuurlijk kenmerkend voor de hedendaagse kenleer dat die zekerheid is losgelaten, hetgeen alles te maken heeft met de aanvallen op a priori-kennis vanuit empiristische hoek, van Hume tot Quine. Jij spreekt weliswaar niet van a priori-kennis maar hanteert sterk psychologische termen om kennis te beschrijven: “dwingend”, “waar we geen weerstand tegen kunnen bieden”, “zelf-evident”. Maar door de kennisleer zo te psychologiseren wordt kennis mogelijk zo’n vage, subjectieve aanduiding dat ik denk dat je dan onvermijdelijk over bijna elke kennisclaim discussie kunt verwachten. Maar bovenal laat de geschiedenis zien dat zelfs evidente of dwingende waarheden uiteindelijk toch niet waar bleken: ik geef ter illustratie drie voorbeelden (die Quine geeft om te laten zien dat er geen analytische of a priori-waarheden bestaan, maar zij lijken mij ook van toepassing op jouw ‘dwingende’ beslissend gerechtvaardigde oordelen):
- “Als twee lichamen vallen, dan kunnen ze niet in tegengestelde richting bewegen”. Menigeen zal dit als een dwingende of evidente waarheid opvatten (want vallen impliceert de beweging naar beneden), maar als we ons beseffen dat de Aarde rond is, dan beseffen we dat twee lichamen – een op de Noordpool en de ander op de Zuidpool – kunnen vallen en daarmee in tegengestelde richting bewegen.
- “Bij twee gebeurtenissen A en B moet A aan B voorafgaan dan wel niet aan B voorafgaan”. Maar sinds Einsteins relativiteitstheorie weten we dat dit niet het geval is: de bewering gaat stilzwijgend uit van de onjuiste premisse dat gelijktijdigheid absoluut is.
- “De vrouw die het kind baart is de moeder”. Sinds IVF is dat niet meer zo evident…
Ook bij ‘dwingende’ claims kan het dus zo zijn dat ze na een tijdje moeten worden verworpen, zodat daarmee jouw onderscheid tussen de ‘dwingende’ beslissend gerechtvaardigde oordelen en de ‘voorlopig aannemelijke’ niet-beslissend gerechtvaardigde oordelen wordt ondermijnd. De reden is dat al onze kennisclaims berusten op een netwerk van andere claims (zoals de verborgen premissen in bovenstaande beweringen), zodat uiteindelijk geen enkele claim immuun is voor revisie. Ja, zelfs wiskundige en logische wetten zijn volgens Quine niet immuun: zo geeft hij het voorbeeld van de wet van de uitgesloten derde die, onder meer vanwege de quantummechanica, niet meer heilig is onder de logici (en reeds de intuïtionisten hadden de wet al verworpen). Of wat te denken van stellingen als dat de som van de hoeken van een driehoek altijd gelijk is aan de som van twee rechte hoeken of het axioma dat door elke punt er precies één lijn gaat parallel aan een lijn buiten het punt, na de ontwikkeling van de niet-euclidische meetkundes?

filosofiewetenschapkunst.web-log.nl zei

Je zult misschien willen tegenwerpen dat al deze ‘evidente’ oordelen niet werkelijk evident of dwingend zijn omdat er verborgen premisses aan het werk waren. Maar dat is denk ik precies het probleem: er zijn altijd verborgen premisses aan het werk (omdat elk oordeel in een enorm netwerk van oordelen is ingebed). Net zoals jij waarnemingsuitspraken voor onzeker houdt omdat we ons altijd kunnen vergissen in wat we zien, zo is er ook een vergelijkbaar ‘gezichtsbedrog’ (of beter: rationeel bedrog) mogelijk inzake ons logisch en wiskundig redeneren. Veel ‘intuïtief’ correct wiskundig redeneren blijkt bij nader inzien toch niet te deugen (en omgekeerd is veel van wat wel deugt niet altijd goed intuïtief in te zien, zoals dat uit een contradictie alles volgt). Zo vermoed ik dat bij elk godsbewijs er verborgen, valse premisses aan het werk zijn: precies door die verborgenheid kun jij menen dat er geen speld tussen te krijgen is en kunnen anderen het idee of gevoel te hebben dat er iets niet deugt aan de redenering zonder direct of makkelijk te kunnen vertellen wat er niet deugt omdat ook zij die verborgen premisses eerst nog moeten zien op te sporen. In feite zit deze mogelijkheid al impliciet in je iets meer zeggende uitleg van wat dwingend of evident is als ‘waarvan je je niet kunt voorstellen dat het niet zo is’. Precies zolang die beslissende premisses nog verborgen zijn kunnen we ons inderdaad niet voorstellen dat het niet zo is. Maar dat betekent niet dat wat we zo als dwingend accepteren onfeilbaar is: later kan het toch onjuist blijken zodra we de verborgen premisses bewust zijn geworden. Dan zullen we ons ook opeens kunnen voorstellen dat het anders kan zijn – en wel heel makkelijk! In dat verband moet ik ook denken aan psychologische Gestalt-switchen en Kunhs paradigmawisselingen, waarbij je opeens in een ander denkkader komt waardoor je dan dingen kunt zien/voorstellen die je eerst onmogelijk kon zien/voorstellen.

Overigens, jij acht kennis geen relevant begrip. In dat verband is het denk ik goed te beseffen dat kennis door de meeste filosofen, van Descartes tot Kant, wel een relevant begrip is omdat zij er de wetenschap mee wilden rechtvaardigen. Kant achtte de meetkunde van Euclides en de mechanica van Newton onbetwijfelbare kennis en daarmee wetenschappen. Na onder meer de ontdekking van niet-euclidische meetkundes en Einsteins relativiteit zijn wij meer de opvatting toegedaan dat zelfs de exacte wetenschappen ons slechts theorieën en hypothesen bieden die later misschien vervangen moeten worden door betere theorieën en hypothesen. Toch willen we aan die theorieën de status van kennis geven, omdat het hele bedrijf van wetenschap zo nutteloos wordt als het dezelfde status heeft als de mening van de slager op de hoek. Uit jouw definitie van kennis volgt dat de natuurwetenschappen ons geen kennis bieden, want zij bestaan uit louter niet-beslissend gerechtvaardigde oordelen: ben je niet bang dat je de wetenschappen tekort doet door hen het predikaat van kennis te ontzeggen?

filosofiewetenschapkunst.web-log.nl zei

XVIII. Je merkt hier zelf op dat jouw criterium voor kennis strenger is dan de “traditionele kennisopvatting” van kennis als gerechtvaardigd waar geloof. Maar al komt het begrip van “gerechtvaardigd waar geloof” van Plato’s dialoog ‘Theaetetus’, is de interpretatie ervan als iets waarvoor we geen dwingende rechtvaardiging hoeven te hebben typisch hedendaags en is jouw streng criterium van kennis als zekere, onfeilbare kennis in feite juist de traditionele opvatting…

XXIV (ik sla de tussenliggende paragrafen over het contextualisme en contrastivisme even over, nu er noch Kant noch je eigen kennisleer aan bod lijken te komen). Het is ‘evident’ dat het loterij-probleem en het Gettier-probleem niet spelen in jouw kennisleer, omdat jij kennis definieert als zekere, onfeilbare kennis. Vervolgens geef je – tegen het scepticisme – een aantal oordelen die dwingend voor ons zouden zijn en dus wel tot kennis behoren. Maar in feite ben je gewoon ietsje minder streng dan de scepticus, zodat er een paar uitspraken zijn die jij wel en de scepticus niet als kennis aanvaardt. Je hanteert een aantal criteria voor kennis die in een paar gevallen de door de scepticus aangedragen mogelijkheden moeten elimineren. Maar met name je eerste twee criteria zien in feite op de twee verschillende contexten van theoretisch denken en praktisch handelen, zodat deze een soort contextualisme suggereren: je erkent dat het bv. metafysisch mogelijk is dat er geen objecten of mensen buiten ons zijn, maar je verwerpt dit omdat we het ons niet kunnen voorstellen omdat deze gedachte bv. in strijd is met het feitelijk door ons geleefde leven. Dit lijkt neer te komen op de contextualistische positie dat we theoretisch wel moeten erkennen dat het mogelijk is dat we alleen zijn maar dat we praktisch gezien dit niet kunnen of hoeven accepteren: binnen de context van de filosofie kunnen we speculeren dat we alleen zijn (solipsisme), maar binnen de context van het leven dat we leven moeten we die gedachte verwerpen.

Maar bovenal poneer je allerlei metafysische uitspraken als kennis-oordelen, maar die worden zeker niet door iedereen als dwingend ervaren zoals de filosofiegeschiedenis – en de vele discussies op dit blog – ons leert. De ervaring dat mensen over werkelijk alles van mening kunnen verschillen is van oudsher juist het voedsel waarmee de scepticus zich voedt. Zo acht je het een evidente of dwingende waarheid dat het mentale niet tot het materiële reduceerbaar is. Dit zouden dus alle mensen volgens jou moeten accepteren: het is immers niet voorstelbaar dat het niet zo is. Maar in werkelijkheid zijn er natuurlijk gewoon filosofen en wetenschappers die echt geloven dat het mentale tot het materiële te reduceren is. En dat doen ze niet alleen omdat ze het als een metafysische, puur theoretische mogelijkheid zien, maar ze geloven dat het werkelijk zo is: zij achten het juist onvoorstelbaar dat het mentale niet reduceerbaar zou zijn tot het materiële. En het helpt niet om hen ervan te beschuldigen slordig te denken: zij zullen beweren dat jij slordig denkt als je stelt dat het mentale niet reduceerbaar is tot materie. Alle filosofen vinden hun visie de enig mogelijke waarheid en alle andere filosofen dwalers. Ik vraag me af of het een sterk punt is van een kennisleer om de mogelijkheid van onbetwijfelbare kennis te rechtvaardigen op grond van persoonlijke metafysische predisposities, dus op persoonlijke maar niet universeel-menselijke zekerheden. De scepticus zal in ieder geval menen dat het juist zijn gelijk bevestigt als je slechts komt met oordelen waarover geen universele consensus bestaat.

filosofiewetenschapkunst.web-log.nl zei

In dat verband moet ik ook denken aan Bacons ‘idolen’-leer. Laten we ons die voor het gemak op klassiek-sceptische wijze voorstellen als concentrische cirkels van ‘vooroordelen’ of predisposities in waarnemen en denken: individuen hebben hun eigen predisposities (zo leert Fichte misschien niet geheel bezijden de waarheid dat het gewoon een kwestie van karakter is die bepaalt of je kiest voor het – passieve – realisme of het – actieve – idealisme), groepen/culturen hebben hun eigen predisposities en de mensheid in zijn geheel heeft zijn eigen predispositie. Jouw kennisleer beoogt een cesuur bij de laatste cirkel te leggen: wij kunnen onze universeel-menselijke predisposities niet kwijtraken, maar waarom denk je dat we die van onze persoon of cultuur wel kunnen kwijtraken (en hoe weet je zeker dat je je persoonlijke predisposities bent kwijtgeraakt: weet je bv. zeker dat je hetzelfde rijtje kennis-oordelen had opgeschreven als je atheïst zou zijn en ongelovig zou zijn opgevoed)? Of omgekeerd: als we onze persoonlijke en culturele predisposities kunnen overwinnen, waarom dan ook niet die van de mensheid? Overigens, natuurlijk legde ook Kant (wellicht als typische Verlichtingsfilosoof) de cesuur bij het universeel-menselijke, maar hij zocht het universeel-menselijke van onze kennis niet in controversiële metafysische uitgangspunten maar in zaken als dat voor elk met verstand begiftigd mens 5 + 7 = 12, hetgeen me veiliger lijkt. Zeker, bv. zijn categorisch imperatief is niet de enige positie in de ethiek, maar een van de sterke punten van Kant vind ik dat hij overtuigend laat zien dat als je moraal in strikte zin opvat zijn positie de enig mogelijke is (m.a.w.: bv. de utiltaristische ethiek is in wezen geen moraal maar een geluksleer). Chalmers en jij proberen dat misschien ook door uiteen te zetten dat het slechts een misverstand is te denken dat een reductie van de geest tot materie een echte reductie is, maar ik denk dat een utilitarist makkelijker te overtuigen is dat zijn begrip van ethiek anders is dan dat van Kant dan dat reductionistische filosofen te overtuigen zijn dat hun begrip van reductie anders is.

filosofiewetenschapkunst.web-log.nl zei

Ten slotte nog iets over dat ‘ons leven en menszijn niet verloochenen’. Ik geloof niet dat de mens zo rationeel is dat hij alleen maar zaken aanneemt die niet in conflict zijn met zijn geleefde leven of zelfs de wet van de (niet-)contradictie. Stel dat we ontdekken dat we alleen maar brains-in-vat zijn (en dat altijd zijn geweest) en dat dat zo zeker is als 5 + 7 = 12: zullen we deze waarheid dan toch verwerpen omdat het in strijd is met ons geleefde leven? Ik denk dat zo’n ontdekking wel even schrikken zal zijn en dat het voor een paar dagen voorpagina-nieuws in de kranten is, maar dat we daarna weer gewoon ons leventje leven alsof we geen brains-in-vat zijn maar zonder ook echt te denken dat we geen brains-in-vat zijn (ervan uitgaande dat de aliens niet opeens ons karakter gaan wijzigen): uiteindelijk nemen we zelfs contradicties voor lief om maar verder te kunnen leven zoals we dat gewend zijn. Het resultaat zal een soort contextualisme zijn: op theoretisch niveau accepteren we dat we brains-in-vat zijn, maar in de praktijk doen we alsof dat niet zo is. In de middeleeuwen accepteerden veel mensen ook een soort dubbele waarheid (hoe oncomfortabel dat ook was) en ik vermoed dat geen enkel mens geheel ontkomt aan dubbele waarheden dus contradicties in zijn overtuigingensysteem. In dat verband moet ik ook aan Kants derde Kritiek denken: we zien een doelmatigheid of schoonheid in de natuur ook als we weten dat die er niet werkelijk in zit. Onze wil is sterker dan ons verstand en ons oordeelsvermogen projecteert de activiteit van ons willen in de wereld (Nietzsche was dan ook sterk beïnvloed door Kants derde Kritiek!). Je kennisbegrip doet me ook denken aan Kants categorisch imperatief: Kant betoogt bv. dat liegen wordt verboden door de categorisch imperatief omdat liegen tot een contradictie zou leiden. Net als jij beoogt met je kennisleer moet ook bij Kant zo’n contradictie ruimer worden voorgesteld dan een loutere contradictie in denken (maar die bij Kants categorisch imperatief ook het willen omvat): je kunt niet willen dat liegen mag want dan kun je niemand meer vertrouwen (en dat wil je niet). Maar evengoed liegen mensen en denken zij daarbij vaak dat dat in hun situatie wel mag.

filosofiewetenschapkunst.web-log.nl zei

Ik vind het moeilijk in te zien dat het voorstelbaar of acceptabel is dat we brains-in-vat (BIV’s) zijn geworden maar dat het niet voorstelbaar of acceptabel is dat we altijd al BIV’s zijn geweest. Je geeft daar geen argument voor. Het idee lijkt te zijn dat we door een tragische gebeurtenis ons menszijn hebben kunnen verliezen maar dat we ooit een ‘heel’ mens moeten zijn geweest of eigenlijk dat als we ooit ‘heel’ mens zijn geweest we altijd ‘heel’ mens blijven zelfs als aliens ons omvormen tot BIV’s. Maar dat is natuurlijk niet zo: eenmaal BIV dan is die waarheid in strijd met het door ons geleefde leven, ongeacht of we altijd BIV zijn geweest of niet. In zekere zin zal het makkelijker zijn te accepteren dat we altijd al BIV zijn geweest dan dat ons iets vreselijks – een soort zondeval – is overkomen.

Ik vind het vreemd dat je zelf al het kennis-oordeel schrapt dat de zintuiglijke ervaringen van mensen grotendeels isomorf zijn met de materiële objecten die deze ervaringen veroorzaken, nu het op grond van het BIV-verhaal blijkbaar toch voorstelbaar is dat dat niet waar is. Dat oordeel had dan überhaupt niet in het rijtje moeten staan, want het hoorde dan blijkbaar vanaf het begin niet bij de dwingende, onontkoombare oordelen die de status van kennis verdienen. In feite bevestig je hiermee dat het inderdaad een kwestie van strengheid is: hoe strenger, hoe meer terrein het scepticisme wint. Uiteindelijk kan de mens zich alles voorstellen en met alles leven en verdwijnt al onze kennis als sneeuw voor de zon. Kant zocht een uitweg in het idee van het synthetische a priori, dat heuristisch gevonden kan worden als wat algemeen en noodzakelijk is (wat uiteindelijk het klassieke begrip van kennis is, maar opnieuw is het verschil dat Kant de bron van deze zekerheid in het subject in plaats van het object zoekt): jouw beslissend gerechtvaardigde oordelen lijken hetzelfde te beogen (met misschien dit verschil met Kant dat jij je niet wilt uitlaten of de noodzakelijkheid voortkomt uit het subject of het object, terwijl Kant correct beredeneert dat de zekerheid van onze kennis of van het empirisch gegevene of van onszelf moet komen en het niet van het empirisch gegevene kan komen zoals Hume had laten zien, zodat het wel van onszelf moet komen). Maar het is maar zeer de vraag of er iets algemeen en noodzakelijk is: de zekerheid van onze kennis is niet alleen subjectief in de kantiaanse zin van universeel-menselijk maar zij is ook individueel en historisch zodat zij makkelijker oplost dan je denkt.

Emanuel Rutten zei

Beste FWK,

Opnieuw dank ik je zeer voor je uitgebreide commentaar op mijn thesis! Momenteel ben ik erg druk met allerlei andere wijsgerige activiteiten, zoals het voorbereiden van een paper voor het journal 'Religious Studies', het doen van review-werk voor de faculteit, en het voorbereiden van mijn debat aan de VU volgende maand. Zodra ik weer in een wat rustiger vaarwater gekomen ben zal ik mijn eigen thesis herlezen met al jouw commentaar ernaast, en werken aan een repliek. Deze plaats ik dan hieronder.

Hartelijke groet,
Emanuel