donderdag 3 februari 2011

Over de betekenis en het bestaan van God

Voor ons als mensen is het lastig, ik zou haast zeggen onmogelijk, om ons een werkelijkheid zonder laatste grond, zonder ultieme drager voor te stellen. Het is daarom niet meer dan redelijk om te denken dat er een of andere laatste grond moet zijn voor waarom er 'iets' is en niet 'niets'. De uitspraak dat God bestaat is dus niet irrationeel wanneer we het begrip God van een betekenis voorzien door het goddelijke te karakteriseren als de 'ultimate depth and ground of all being'.

Waarom is het redelijk om te veronderstellen dat er een ultieme zijnsgrond is?

Over hoe de wereld 'in en voor zichzelf' is doe ik geen uitspraken. Ik ben van mening dat wij als mensen helemaal niets kunnen vaststellen over hoe de wereld op zichzelf is. Het 'op zichzelf' van de wereld is voor ons voorgoed ontoegankelijk. Nooit zullen wij als mensen buiten onze menselijke wijze van denken en ervaren kunnen treden. Over de-wereld-in-zichzelf kunnen wij dan ook niets weten.

Mijn claims hebben daarom uitsluitend betrekking op de-wereld-voor-ons, i.e. op de wereld zoals zij door ons verstaan en ervaren wordt. De wereld-voor-ons vormt dan ook de absolute horizon van al ons denken. Nooit zullen wij buiten de-wereld-voor-ons kunnen reiken om de wereld zoals zij in en voor zichzelf is in het vizier te krijgen. De-wereld-voor-ons is voor ons mensen dan ook het allesomvattende, het is het subject van al onze predikaties, het is datgene waarin wij restloos geworpen zijn en waarbuiten wij nimmer kunnen treden.

Welnu, binnen de context van de-wereld-voor-ons is de uitspraak dat er een laatste grond of ultieme drager moet zijn waarop de gehele werkelijkheid uiteindelijk teruggaat gerechtvaardigd. Het is immers *voor ons als mensen* onmogelijk om ons een wereld zonder laatste grond, zonder ultieme drager, voor te stellen.

Dit is voor mij voldoende. De bewering dat God bestaat is gerechtvaardigd als uitspraak over de-wereld-voor-ons. En wat zouden wij als mensen nog meer willen dan het *als mens* gerechtvaardigd zijn voor onze *menselijke, al te menselijke* beweringen?

Maar wat zeg je dan tegen iemand die meent dat de werkelijkheid er domweg altijd al was? En kunnen wij ons een begin zonder begin eigenlijk wel voorstellen?

Voor ons menselijke, al te menselijke denken moet ook een werkelijkheid die er 'domweg altijd al was' uiteindelijk teruggaan op een ultieme drager ofwel laatste zijnsgrond.

Het maakt voor een rechtvaardiging van de bewering dat God bestaat (als uitspraak over de-wereld-voor-ons) dus niet uit of wij ons de werkelijkheid voorstellen als eeuwig of niet. Dit lijkt mij een niet onbelangrijk voordeel van het karakteriseren van God als 'the ultimate depth and ground of all being'.

De mens kan zich overigens een 'begin zonder begin' best voorstellen. Als voorbeeld noem ik vrije wilsacten. Een vrije wilsact is een exemplarisch voorbeeld van een 'onveroorzaakte oorzaak'. Bovendien is de bewering dat dergelijke acten bestaan voldoende gerechtvaardigd als uitspraak over de-wereld-voor-ons.

Maar hoe kunnen we weten dat de juiste karakterisering van God “de absolute onvoorwaardelijke zijnsgrond van de werkelijkheid” is?

Inderdaad definieer ik 'God' als het absolute subject van de werkelijkheid, de ultieme zijnsgrond van de gehele wereld, de laatste uiteindelijke drager van al wat is. Eerlijk gezegd zou ik niet weten hoe we het begrip 'God' anders van een betekenis zouden kunnen voorzien. Heb jij misschien een suggestie?

Ik denk bijvoorbeeld aan deïstische, pantheïstische of polytheïstische karakteriseringen van het goddelijke. Eveneens denk ik aan het traditioneel christelijke, waarin God letterlijk op deze wereld heeft rondgelopen.

De door jou genoemde suggesties zijn allen compatibel met God als de ultieme grond van de werkelijkheid. Dit is precies mijn punt. Wij kunnen als mensen de term God alleen van betekenis voorzien door het goddelijke te definiëren als de laatste zijnsgrond van de werkelijkheid, als de arche van al wat is. Alleen door God te definiëren als de ultieme grond van de werkelijkheid wordt voldoende recht gedaan aan de onuitputtelijkheid, ultimiteit, oneindigheid en onvoorwaardelijkheid van het goddelijke.

De vraag is vervolgens of onze menselijke rede- en gevoelsvermogens ons in staat stellen om iets meer te achterhalen over de aard van God. Ik ben van mening dat dit inderdaad mogelijk is en dat we langs deze weg uiteindelijk zullen uitkomen bij theïsme in plaats van deïsme of pantheïsme. Dit te laten zien vormt feitelijk de kern van mijn eigen wijsgerige driedelige project.

Als al mijn genoemde suggesties compatibel zijn met God als de ultieme grond van de werkelijkheid, wat is er dan niet compatibel mee? Waarin verschilt een werkelijkheid die goddelijk gegrond is van een werkelijkheid die niet goddelijk gegrond is?


Zoals gezegd ken ik geen conceptie van God waarin God niet de soevereine zijnsgrond van de wereld is. Ik kan je daarom geen voorbeeld geven van een godsbegrip dat incompatibel is met de door mij voorgestelde definitie. Als er een God is, dan is dat de ultieme zijnsgrond van de wereld en als er een ultieme zijnsgrond van de wereld is, dan is dat God.

Een niet goddelijk gegronde werkelijkheid betreft een werkelijkheid zonder soevereine, van niets anders afhankelijke, drager van alle zijnden; een werkelijkheid zonder absoluut principe waarop alles uiteindelijk in laatste instantie teruggaat. Hierbij kan gedacht worden aan een wereld waarin alles dat bestaat voor zijn of haar bestaan afhankelijk is van iets anders; een grondeloze in het niets wegzinkende wereld van louter contingenties.

Een dergelijke afgrondelijke wereld is in zuiver logische zin niet onmogelijk. Toch kunnen wij ons als mensen zo'n wereld niet redelijkerwijs voorstellen. Wij kunnen niet anders dan denken dat er hoe dan ook op de één of andere wijze een laatste grond ofwel uiteindelijke reden moet zijn voor waarom er überhaupt iets is in plaats van veeleer niets.

Precies daarom is de bewering dat er een laatste ultieme dragende grond van de wereld bestaat gerechtvaardigd als uitspraak over de-wereld-voor-ons. De bewering dat God bestaat is daarmee dus eveneens gerechtvaardigd als uitspraak over de-wereld-voor-ons.

De bewering dat God bestaat omdat er een laatste ultieme dragende zijnsgrond moet zijn is echter op geen enkele wijze te rechtvaardigen als uitspraak over de-wereld-in-zichzelf. Over hoe de wereld in-en-voor-zichzelf is kunnen wij namelijk helemaal niets weten. De aard van de wereld-in-zichzelf blijft voor de mens, met haar onvervreemdbare menselijke vermogens, voorgoed verborgen.

Precies daarom beperk ik mij tot uitspraken over de-wereld-voor-ons. Dit is het enige domein waarop de mens tot verdedigbare uitspraken kan komen.

Volgens mij zijn er toch opvattingen van God die niet overeenkomen met God als de ultieme zijnsgrond. Allereerst de God van de procestheologen, die verdedigen dat God in wording is en dat hij de werkelijkheid voortbracht door gebruik te maken van de mogelijkheden die er al waren (dualisme). Ook is je opvatting strijdig met die van de non-realisten die menen dat je, juist omdat we niet buiten onze eigen denkwereld kunnen stappen, niets kunt zeggen over het bestaan van God. Verder wordt jouw definitie van God zo breed dat niet alleen de christelijke God aan de eisen voldoet, maar ook een illustere God als Brahma.

Een godsbegrip waarbij God gebruik maakt van 'al bestaande mogelijkheden' is inadequaat. Iets dat reeds bestaande mogelijkheden gebruikt staat ontologisch gezien namelijk op gelijke voet met die mogelijkheden. En er is geen enkele reden om iets dat ontologisch op gelijke voet staat met iets anders desondanks 'God' te noemen. Waarom zouden we die reeds bestaande mogelijkheden dan immers niet (eveneens) God noemen?

Dualistische concepties van God zijn dan ook niet coherent. Plato realiseerde zich dit al. Naast de figuur van de Demiurg of Ambachtsman uit de Timaeus (die uit reeds voorhanden materie de kosmos voortbracht) verwijst hij in zijn dialogen Parmenides en Politeia nadrukkelijk naar de allerhoogste Idee van het Ene (cq. Goede) dat volgens hem uiteindelijk geldt als het waarlijk goddelijke.

De kritiek dat ik niets over God zou kunnen zeggen omdat ik niet uit de-wereld-voor-ons kan stappen is evenmin houdbaar. Uitgaande van mijn kennisleer is immers alles wat wij zeggen uitsluitend van toepassing op de-wereld-voor-ons. Dit geldt dus ook voor het concept God. Ook het begrip God kan door ons alléén maar rechtmatig worden toegepast binnen de context van de-wereld-voor-ons.

Op geen enkele wijze tracht ik dus buiten de-wereld-voor-ons te treden, zelfs niet wanneer ik spreek over het begrip God.

De vervolgstap van God als zijnsgrond naar een wijsgerige verantwoording van de joods-christelijke wereldbeschouwing vereist uiteraard veel vervolgwerk. Zie voor een korte toelichting op deze vervolgstap bijvoorbeeld http://bit.ly/gXggWY

-------------------------------------------------------------------------------
Met dank aan J. Riemersma en B. Klink, van wie de vragen en opmerkingen in bovenstaande dialoog afkomstig zijn.

23 opmerkingen:

Wijnandus zei

“Over hoe de wereld 'in en voor zichzelf' is doe ik geen uitspraken. Ik ben van mening dat wij als mensen helemaal niets kunnen vaststellen over hoe de wereld op zichzelf is. Het 'op zichzelf' van de wereld is voor ons voorgoed ontoegankelijk. Nooit zullen wij als mensen buiten onze menselijke wijze van denken en ervaren kunnen treden. Over de-wereld-in-zichzelf kunnen wij dan ook niets weten.”

Beste G.J.E.Rutten, Hier laat je de crux van jouw godstheorie zien. Over de wereld “in en voor zichzelf” kunnen wij geen uitspraken doen. Over de ‘echte’ wereld doe je dan ook geen uitspraken. Slechts over de wereld ‘voor ons’, waarin we gebruik maken van onze ratio, kun je spreken van een laatste grond of een ultieme drager. Je komt tot deze stelling, omdat je uitgaat van de causaliteit en de 3 dimensies binnen ons denken. We kunnen niet anders, zoals je al aangeeft. Daarmee creëren wij in de wereld-voor-ons, goden of één god, mythes, legendes en sages (dat is dan inclusief kabouters).

In de wereld-voor-ons maken we gebruik van de fantasie. In de wereld-in-zichzelf bestaat die fantasie niet en kunnen, mogen we zelfs niets zeggen over het bestaan van (één) god(en). (polytheïsme?!)

Je begrijpt dat deze tweedeling op gespannen voet met elkaar staat. De wereld-voor-ons gaat uit van de fantasie (de geest) en daarin bestaat de metafysica die komt te staan tegenover de wereld-in-zichzelf, waarin er geen fantasie bestaat en de metafysica achterwege blijft. In onze denkwereld, de wereld-voor-ons kunnen wij een god rationaliseren, maar daarentegen is er in de wereld-in-zichzelf geen sprake van het bestaan van een god, want daar kunnen wij geen uitspraken over doen. In de echte wereld is het iets of het niets. We weten het niet.

Zoals Schopenhauer zegt: ‘buiten de wil en de voorstelling is ons helemaal niets bekend, noch denkbaar. Grappig is te zien dat Schopenhauer het ook heeft over ‘onze wereld’, alleen legt hij dat iets anders uit: ‘bijvoorbeeld heb ik geschreven dat u het Ding an sich niet moet zoeken boven de wolken (dat wil zeggen daar waar de jodengod zeltelt), maar in de dingen van deze wereld, - dus in de tafel waaraan u schrijft, in de stoel onder uw zitvlak. Mijn filosofie heeft het nooit over een onwerkelijke wereld, maar over onze wereld, dat wil zeggen ze is immanent, niet transcendent.’

Zoals ik in eerdere discussies heb gesteld, kun je in de wereld-in-en-voor-zichzelf niet spreken over een god. Dat is ook iets waar we het over eens zijn. In de wereld-voor-ons die je creëert, moet ik je echter gelijk geven, daar kunnen wij spreken over het bestaan van god.
Welnu, in de wereld-voor-ons bestaat ook de mogelijkheid te spreken over één grote kabouter, daar kunnen we spreken over de duivel, trollen, engelen en andere wezens die zich begeven in de ruimte tussen hemel, hel en aarde. Ze bestaan in principe allemaal! We kunnen ze denken en rationaliseren.

En vertel me, G.J.E.Rutten, waarom het de duivel niet is, die aan de grond van dit bestaan staat.
Zo mooi en vredelievend is de aarde en het leven niet altijd voor ons.
Groet, Prot.

G.J.E. Rutten zei

Beste Prot,

In mijn bijdrage sprak ik over God als de ultieme zijnsgrond ofwel God als de absolute soevereine drager van de werkelijkheid. Deze uitspraak is inderdaad alléén gerechtvaardigd binnen de context van de-wereld-voor-ons, zoals jij ook erkent. Zodra we vragen naar waarom dat wat wij weten er ook moet zijn, ontkomen we als mensen niet aan het denken van een laatste ultimiteit, een uiteindelijke onvoorwaardelijke soevereine grond voor het feit dat er iets is en niet veeleer niets.

Binnen de-wereld-voor-ons kunnen wij als mensen dus niet anders dan denken dat alles wat bestaat in laatste instantie teruggaat op een absolute oorsprong, die we vervolgens met recht God of het goddelijke noemen.

Kabouters en trollen hebben met dit alles niets te maken. Sterker nog, binnen de context van de-wereld-voor-ons is de bewering dat kabouters en trollen bestaan volstrekt niet gerechtvaardigd. Wij kunnen als mensen immers uitstekend denken dat kabouters en trollen niet bestaan. Zo zijn er bijvoorbeeld uitstekende wetenschappelijke argumenten tegen het bestaan van kabouters en trollen.

Verder suggereer je dat de-wereld-voor-ons een intramentale menselijke constructie zou zijn, zelfs een 'fantasie'. Een dergelijke uitspraak zou ik echter niet voor mijn rekening nemen. Wij kunnen helemaal niet weten of de-wereld-voor-ons een intramentale constructie is. Evenmin kunnen wij bijvoorbeeld weten of de-wereld-voor-ons samenvalt met de-wereld-in-zichzelf. Dit laatste zou natuurlijk best het geval kunnen zijn, maar als mensen zullen wij dit nimmer kunnen vaststellen. Uitspraken over het 'op zichzelf' van de-wereld-voor-ons veronderstellen immers dat wij een neutraal archimedisch standpunt buiten de-wereld-voor-ons zouden kunnen innemen. Dit is echter voor ons onmogelijk precies omdat wij niets kunnen uitzeggen over hoe de-wereld-in-zichzelf is.

Voor wat betreft jouw laatste vraag verwijs ik naar hetgeen ik opmerk in de laatste alinea van mijn blogbijdrage.

Groet,
G.J.E. Rutten

Wijnandus zei

Beste G.J.E. Rutten,

Laten we het over één ding eens zijn: “Een uitspraak is inderdaad alléén gerechtvaardigd binnen de context van de-wereld-voor-ons.”
En uitspraken kunnen we doen op velerlei gebied. Ons denken richt zich dan ook op diverse terreinen. Neem bijvoorbeeld de uitspraak waar jij je baseert op de ontologie en de metafysica.

“Binnen de-wereld-voor-ons kunnen wij als mensen dus niet anders dan denken dat alles wat bestaat in laatste instantie teruggaat op een absolute oorsprong, die we vervolgens met recht God of het goddelijke noemen.”

Deze lijn van denken is plausibel en zeker bezien vanuit historisch oogpunt binnen de grenzen van het redelijke. Maar niets dwingt ons om andere mogelijkheden te benutten en ons daarvoor open te stellen. In de geschiedenis is er sprake van een ontwikkeling, een civilisatieproces. Godsdienst neemt daarvan een groot deel voor zijn rekening, maar niet alles. Ook religie ontwikkelt zich. Ik vraag me dan ook af, waarom je juist uitgaat van onze Joods-Christelijke god en niet begint bij de natuurgeesten van het animisme, het Hindoeïsme, of een later tijdstip neemt op de tijdbalk en vertrekt bij de god van Spinoza; “God oftewel de Natuur”.
Jouw gekozen uitgangspunt lijkt me vrij arbitrair en niet onderbouwd in al je aannames.
Je gaat uit van een cultuur bepaalde zijnsgrond.

Als alles stroomt (tijd), is de geschiedenis niet statisch en is er sprake van ontwikkeling.
De zijnsvraag is, in de wereld-voor-ons, historisch bezien een punt wat mijns inziens kan beginnen, maar ook kan eindigen met het atheïsme.
In dit verband, kun je ook mijn opmerking over kabouters en trollen lezen. In ons cultuurbeeld rationaliseren we ons (een) god, als ultieme zijnsgrond, maar stel je deze vraag aan een lid van een natuurvolk, dan zegt hij hoogst waarschijnlijk dat een soort grote “kabouter”, of een kat, de absolute soevereine drager van de werkelijkheid is.

Net zoals de ultieme zijnsgrond in de gedaante van de “kabouter” van de natuurvolkeren niet valt te rechtvaardigen c.q. wetenschappelijk valt te bewijzen, geldt dit voor onze Joods-Christelijke god.
Rationeel in de “wereld-voor-ons” kunnen we hem wel duiden, maar dat is tevens de wereld van de metafysica en de irrationaliteit, de wereld waarin ook natuurvolken genoodzaakt zijn, zich te duiden.

Ik heb nergens willen suggereren, dat de wereld-voor-ons een intramentale menselijke constructie zou zijn. Het enige wat ik suggereer is dat we een paar dingen wel kunnen weten. Bijvoorbeeld dat de wereld-voor-ons zelf, de leefwereld, datgene waar we ons bewust van zijn, via de taal naar buiten komt, en we die wereld zo intermenselijk kunnen definiëren en rationaliseren, binnen een subject – subject relatie.
De taal als spiegel van onze ziel, zou je kunnen zeggen. Kennis, gevoelens, gevat in het denken, bepalen de wereld-voor-ons, door middel van de taal. Geen taal, dan ook geen wereld-voor-onszelf.

Zonder taal dus geen god(sdienst) of religie. Dieren hebben ook geen god. Zelfs mensapen kunnen we niet betrappen op het aanbidden van de heer van het lekkere eten, of de god van de goede seks.
Pas bij het ontstaan van het bewustzijn en de ontwikkeling van het instrument taal, zijn we ons terdege bewust van onze sterfelijkheid, en laten we merken niet om te kunnen gaan met de discontinuïteit, en komen we uit bij een god, een duivel en een hiernamaals.

Welnu, we kunnen alleen uitgaan van de geldigheidsaanspraken die we doen in de taal, op het niveau van de waarheid, de juistheid en de waarachtigheid. Met het instrument van de taal laten we zien wat de wereld-voor-ons inhoud en wat zich daarin afspeelt. Met dit rationele instrument komt het gebruik van één van de eigenschappen waarin ons denken zich onderscheidt van het instinct van de dieren, goed naar voren. Het gaat dan om de eigenschap, genaamd FANTASIE.

Groet, Prot.

G.J.E. Rutten zei

Beste Prot,

De ultieme zijnsgrond van de wereld valt niet samen mét de wereld. De wereld omvat immers contingenties en is daarom zelf contingent, terwijl de absolute drager natuurlijk niet contingent is. Om deze reden valt pantheïsme rationeel gezien af.

Polytheïsme valt eveneens redelijkerwijs af omdat elke menigvuldigheid arbitrair en daarom contingent is. Aan elke meervoudigheid gaat plausibel een bepaalde constitutieve eenheid vooraf, in dit geval iets goddelijks dat al deze goden tot goden maakt. Bovendien leert Ockhams scheermes dat we oorzaken niet onnodig mogen vermenigvuldigen.

Zo houden we theïsme en deïsme over. Hoewel aan het beroemde 'moral argument' een paar problemen zitten, kan dit argument ingezet worden om deïsme te verwerpen: God moet als drager van objectieve morele waarden ook nu nog op onze wereld betrokken zijn. Een God die afwezig is kan immers niet gelden als de locus van objectieve morele waarden.

We houden zo theïsme over, ofwel de conceptie van een persoonlijke op onze wereld betrokken God. Deze God heeft als zijnsgrond uiteraard geen contingente gedaante. Kabouters, katten en vliegende spaghetti monsters vallen om die reden af. Ja, elk menselijk, al te menselijk, godsbeeld dient om genoemde reden verworpen te worden. God is het 'Ganz Andere', zoals Rudolf Otto reeds opmerkte.

Blijft over de transcendente God van de drie grote monotheïstische tradities. Zelf ga ik mee met de argumentatie van W.L. Craig voor de plausibiliteit van de historiciteit van Jezus en van het kruisoffer, en precies daarom vallen Jodendom en Islam eveneens af.

Groet,
G.J.E. Rutten

Wijnandus zei

Beste GJE Rutten,

Dank voor de klare taal. Dank ook voor het tonen van de dunne draadjes, waaraan je het hele bouwwerk van onze lieve Heer hebt opgehangen.

De vraag, of de ultieme zijnsgrond vrij is van contingenties, blijft voor mij ondanks deze openheid gewoon openstaan,. Het is redelijkerwijs logisch de absolute drager als niet contingent te zien. Net zoals het mijns inziens redelijkerwijs logisch is “Hem” als contingent te bestempelen, iets wat uit jouw antwoord ook zal blijken.

Het causaliteitsprincipe is de basis voor je onderbouwing van de ultieme zijnsgrond.
Maar het is natuurlijk niet zeker, dat ‘onze realiteit’, onze ervaring van tijd en ruimte, overal geldig is. We hebben al grote moeite, de kwantummechanica te doorgronden, waarbij het ons voorkomt, dat er juist geen sprake is van oorzaak en gevolg.

Je hebt een punt als je zegt, dat aan elke meervoudigheid logischerwijs een constitutieve eenheid vooraf gaat. In onze tijdsbeleving, wel te verstaan, zou ik daar graag aan toe willen voegen. We zien dingen ontstaan, klein beginnen en daarna uitgroeien tot iets of tot meer; Een cel wordt bijvoorbeeld een levend meercellig organisme. Moeilijker wordt het al om je dit voor te stellen bij niet levende dingen. Kleine steen wordt grote steen, (meer) water komt voort uit water, enz, enz.

Nog een onzekerheid blijft op dit punt bestaan. Snijdt Ockham met zijn scheermes niet alle complexiteit weg, zodat er een simplificatie van de werkelijkheid overblijft?

Wat er na jouw schrappen van het pantheïsme en het polytheïsme overblijft is het theïsme en het deïsme. Hier komen we op het meest interessante aspect, en tevens het meest dunne draadje van je betoog!

Je kiest voor het theïsme met het argument, dat een God die afwezig is niet kan gelden als de locus van objectieve morele waarden. Een bewering met verstrekkende gevolgen, als we het dan toch over causaliteit hebben ;-)
Een bewering ook, die moeilijk valt hard te maken, zoals je tussen neus en lippen door aangeeft.
Welnu, is moraal bij uitstek niet iets menselijks? Heeft ethiek zich mondiaal niet zeer divers ontwikkeld. Wat goed en slecht is, is niet zeker, en een handelingsbeoordeling kan qua uitkomst in verschillende religies diametraal tegenover elkaar staan. Merkwaardig om dan te spreken van OBJECTIEVE morele waarden, alsof die mondiaal bestaan.

Wijnandus zei

Hebben we hier misschien te maken met een uiting van morele superioriteit, met één van de relicten van het monotheïsme. Enkel de theïstische god is in het bezit van de bron van de waarheid, van waaruit de juiste waarden en normen stromen, terwijl de bron waaruit de Hindoeïsten, Boeddhisten, atheïsten en de ouden Grieken en Romeinen putten, vervuild is met minderwaardige ethiek, in ieder geval niet gevuld met de ware, objectieve morele waarden.

Je ziet de conceptie van een persoonlijke op onze wereld betrokken God nogal eng, en dat is niet toevallig.

Zo zijn we weer terug bij de vraag of de ultieme zijnsgrond vrij is van contingenties. Ja en nee, luidt je antwoord. Ja, als het gaat om de absolute drager. Nee, als het gaat om een persoonlijke op onze wereld betrokken God. Er staat dus een ‘God’ Vrij van contingenties maar wel gebruik makend van wilsacten. In mijn ogen een duidelijke inconsistentie!

Als de theïstische god in de wereld verschijnt als de conceptie van een persoonlijke op onze wereld betrokken God, dan bevindt hij zich in de wereld-voor-ons, in een contingente wereld, en maakt hij zichzelf contingent.
Daarbij moet worden opgemerkt, dat deze persoonlijke god is verworden tot een pantheïstische god, persoonlijk, dus voor iedereen, van waaruit geconcludeerd kan worden dat jouw eerste argument is komen te vervallen. Of blijf je hangen bij de enige ware, en moeten de anderen worden bekeerd?

“Elk menselijk, al te menselijk, godsbeeld dient verworpen te worden, want god heeft als zijnsgrond uiteraard geen contingente gedaante.” Kabouters en katten vallen daarom af, maar opmerkelijk dat er één contingente uitzondering overeind blijft staan. Eén uitzondering waarop het hele Christendom gebaseerd is. Namelijk Jezus zelf, zoon van god in de gedaante van een mens. Dat is niet al te menselijk, dat IS menselijk. Hij is onze levende totem!

Heel stiekem zou ik het scheermes van Ockham graag ook één keer willen gebruiken, dit om onze zijnsgrond duidelijker te krijgen. Dus niet om alleen het polytheïsme aan de kant te zetten, maar juist om het hele geloof weg te snijden.
Immers: ‘Van de goden kunnen we niets weten. Noch dat ze zijn, noch dat ze niet zijn!’
Zou het daarom niet rechtvaardiger en verstandiger zijn “Ze” te laten rusten en ons te richten op het leven alhier, in de wereld-voor-ons, en dat we daarvoor onze verantwoordelijkheid durven te nemen.

Groet, Prot.

G.J.E. Rutten zei

Beste Prot,

In mijn betoog is géén sprake van morele superioriteit. Ik zal dit hieronder nader toelichten.

Op een bepaald moment in mijn redenering ben ik aanbeland bij een keus tussen theïsme in algemene zin en deïsme in algemene zin. Het 'moral argument' gebruik ik dan vervolgens om theïsme in algemene zin te verkiezen boven deïsme in algemene zin. Op de bewuste plaats in mijn redenering maak ik dus geen keus voor een specifiek type theïsme. Het is dus niet zo dat ik zou beweren dat de moraal van het ene type theïsme beter is dan de moraal van een ander type theïsme. De uiteindelijke keuze voor het christendom is in mijn redenering dan ook niet op morele overwegingen gebaseerd, maar op iets heel anders, namelijk de verdedigbaarheid van de historiciteit van het kruisoffer, zoals door W.L. Craig uiteengezet.

Een tweede reden voor de afwezigheid van morele superioriteit in mijn argument betreft de aard van het 'moral argument' zelf. Het 'moral argument' gaat namelijk helemaal niet over stelsels van morele leefregels, zoals de moraal van het Christendom of die van het Jodendom. Het enige wat het 'moral argument' namelijk claimt is dat er bepaalde handelingen zijn die objectief verwerpelijk zijn. Wanneer een lustmoordenaar bijvoorbeeld louter voor zijn of haar plezier een medemens langzaam doodmartelt, dan is dat een voorbeeld van iets dat plausibel hoe dan ook verwerpelijk is. Een dergelijke daad is überhaupt verwerpelijk, los van wat wij hier verder ook van mogen vinden. Precies daarom kan zo'n daad objectief verwerpelijk worden genoemd. Wanneer het 'moral argument' spreekt over objectieve morele waarden, dan gaat het louter over dit soort evident verwerpelijke gevallen. Neem als tweede voorbeeld de shoa. De shoa is objectief verwerpelijk. Stel dat Hitler de oorlog toch zou hebben gewonnen en al zijn tegenstanders zou hebben omgebracht, zodat niemand op aarde de shoa nog langer verwerpelijk zou vinden. Welnu, ook dan nog is de shoa plausibel verwerpelijk. De shoa is precies daarom dus überhaupt, hoe dan ook, verwerpelijk: zij is objectief verwerpelijk. Met morele superioriteit heeft het 'moral argument' daarom inderdaad niets te maken. En dus speelt ook om deze tweede reden morele superioriteit in de door mij gepresenteerde argumentatie geen enkele rol.

Verder is God inderdaad niet contingent. We moeten contingente voorstellingen van God, zoals 'God als kabouter' of 'God als kat', daarom vermijden. Dit laat echter onverlet dat God kan ingrijpen in deze wereld, en dus ook in het leven van Jezus van Nazareth. Precies dat is in het kruisoffer aan de orde. Het is dus van belang het verschil te zien tussen het niet-contingente wezen van God enerzijds en bepaalde contingente handelingen van God anderzijds, zoals bijvoorbeeld het ingrijpen in het leven van Jezus van Nazareth.

Groet,
G.J.E. Rutten

Wijnandus zei

Beste G.J.E. Rutten,

Ik weet het zo net nog niet. Inherent aan je standpuntinname, zit volgens mij toch een duidelijke neiging naar moreel monotheïstische superioriteit. Met een aantal voorbeelden zal ik laten zien waarom ik dat denk.

“Het is dus niet zo dat ik zou beweren dat de moraal van het ene type theïsme beter is dan de moraal van een ander type theïsme.”
Met dit citaat toon je aan, dat je inderdaad geen morele keus maakt binnen de drie (mono)theïstische godsdiensten, maar dat is ook niet wat ik beweer. Het gaat er om, dat je met de stap die daaraan voorafgaat, het uitsluiten van het deïsme, al een morele keus hebt gemaakt. Het duidelijkst komt dat naar voren in de passages waarin je zegt: “Het ‘moral argument’ gebruik ik dan vervolgens om theïsme in algemene zin te verkiezen boven deïsme in algemene zin,” en “Hoewel aan het beroemde ‘moral argument’ een paar problemen zitten, kan dit argument ingezet worden om deïsme te verwerpen.”
Dit impliceert dat het met de moraal van de theïstische godsdiensten wel goed zit, maar dat dat niet geldt voor het deïsme, atheïsme, Boeddhisme, polytheïsme enz. enz.

“Het 'moral argument' gaat namelijk helemaal niet over stelsels van morele leefregels, zoals de moraal van het Christendom of die van het Jodendom”
“Het enige wat het 'moral argument' namelijk claimt is dat er bepaalde handelingen zijn die objectief verwerpelijk zijn.”
Nu wordt het interessant, want waar ligt de grens van het ‘bepaalde’? Welke handelingen vallen onder ‘het bepaalde’ van het monotheïsme? Waar ligt de grens van het Goede, en waar gaat het duidelijk over in het Kwaad en wie bepaalt dat?
Je voorbeelden van het objectieve kwaad, zijn duidelijk. De antwoorden op zulke voorbeelden zijn dan ook profaan geregeld in de universele rechten van de mens, en als moreel argument bovendien te vinden in bijna alle landelijke grondwetten.
Dit levert geen misverstanden op en daarom hoeven we dus geen aanspraak te maken op god als de locus van alle objectieve morele waarden. Maar dat terzijde.
Waar het om gaat is het enorme grijze morele gebied, waarover wij ‘t als mensen, ethisch maar moeilijk eens kunnen worden.

Laat ik een poging wagen. Onze hooggewaardeerde filosofen uit de Griekse stadsstaat Athene, hielden er waarden en normen op na, die in huidige moderne staten tot sterke afschuw leiden en voor velen zelfs verwerpelijk zijn. Maken de onderstaande voorbeelden nu deel uit van het Goede of ’t Kwade, of kan het Goede veranderen in het Kwaad en vice versa?

Wijnandus zei

Socrates hield van jonge jongens.
1. Pederastie (pedofilie?) was in Athene en Sparta niet verbonden met het kwaad, maar de ‘normaalste zaak van de wereld’.
2. Homoseksualiteit. Volgens de Grieken bestond er geen hogere vorm van liefde, dan de liefde tussen twee mannen. Binnen het theïsme behelst dit juist het kwaad!
3. Mensenrechten gelden voor iedereen, althans volgens moderne opvattingen. In de bakermat van onze democratische samenleving was dat geen vanzelfsprekende opvatting. Meer dan de helft van de mensen in Athene was slaaf en niet meer dan handelswaar.

Zie hier zomaar drie kleine puntjes, waarbij we ons af kunnen afvragen, waarom dat toen niet bij het kwaad hoorde en nu voor het theïsme, zeker nummer 1 & 2, definitief van het Goede is uitgesloten. (hoewel ik bij alles wat er bovenkomt omtrent het priesterschap, toch wel zo mijn bedenkingen heb bij nummer 1). Heeft dat te maken met de opkomst van het Christendom, waarbinnen de moraal veel meer is verschoven naar jouw (gods) moreel objectieve waarden?

Polygamie, zelfmoord, abortus en euthanasie. Hoort dat objectief gezien bij het Kwaad, of kan het soms ook het Goede bevatten?

Wat moeten we met dat enorme niemandsland, en waar wil je de grens trekken? Rechters bepalen tegenwoordig wat wel en niet door de beugel kan. Ons rechtssysteem is niet objectief, maar is slechts gestolde moraliteit. Het geeft dus uitdrukking aan de wensen van de mens van nu. Dus niet statisch maar dynamisch, net zoals de taal.
We hoeven niet eens zo veel jaren terug te gaan, om van dit dynamische proces getuige te zijn. 100 jaar geleden was er geen algemeen kiesrecht. Pas heel laat mochten de vrouwen hun stem uitbrengen. Kinderen moesten werken in de fabriek. Er was veel (bewust gecreëerd?) uitbuiting, mensen leefden onder erbarmelijke omstandigheden, zodat veel arbeiders al jong stierven van ellende.
En geen theïstische god, of aardse vertegenwoordiger die daar wezenlijk iets aan deed om het te veranderen!
Het theïsme was de fopspeen, en het liberalisme en het socialisme waren de rammelaar. Ik vraag me dan ook af, of het civilisatieproces niet juist dankzij de toenemende secularisatie zich zo goed heeft kunnen ontwikkelen.

Het is naïef te denken dat goddelijke ethiek objectief kan zijn. Laat ik dat aantonen met iets wat wij beiden objectief verwerpelijk vinden. Namelijk iemand doden. Het getuigt van beschaving als je dat niet doet. Welnu G.J.E.Rutten, hoe zit het met de doodstraf die eeuwen lang door theïsten werd uitgevoerd (en nog steeds in de VS!) valt die straf ook onder het Goede van de moreel objectieve waarden van ‘God’?

Het morele argument is voor jou van doorslaggevend belang om te kiezen voor het theïsme, maar ik vraag me ten zeerste af, of je daar goed aan doet.

Groet, Prot.

G.J.E. Rutten zei

Beste Prot,

Het morele argument speelt inderdaad in de redenering die ik hierboven in een reactie op jou presenteer een bepaalde rol, zij het geen hoofdrol.

In mijn eigenlijke project om tot een rechtvaardiging van een spiritueel-monotheïstisch wereldbeeld te komen speelt ethiek zelfs helemaal geen specifieke rol. Mijn driedelig project bestaat immers, zoals ik op dit blog en elders uiteenzet, uit achtereenvolgens epistemologie, metafysica en esthetiek.

Verder is het voor het morele argument geen enkel bezwaar dat er sprake is van een grijs gebied ten aanzien van ethiek en moraal. Het enige dat het morele argument vereist is het bestaan van enkele, ja desnoods zelfs maar één, voldoende plausibel voorbeeld van iets dat als objectief verwerpelijk kan worden begrepen. Iemand doden is dan natuurlijk niet een voldoende overtuigend voorbeeld. Zo lijkt het mij niet objectief verwerpelijk wanneer een vrouw uit wanhopige zelfverdediging de lustmoordenaar ombrengt die haar van het leven wil beroven.

Zelfmoord, polygamie, abortus, euthanasie en de doodstraf zijn uiteraard ook geen overtuigende voorbeelden van *objectief* verwerpelijke zaken. Het lijkt mij onzinnig om dergelijke zaken zondermeer *objectief* verwerpelijk te noemen.

De shoa, of iemand die louter voor zijn of haar eigen perverse plezier een onschuldig mens doodmartelt, lijkt mij daarentegen wel een meer dan adequaat voorbeeld van iets dat in objectieve zin als verwerpelijk kan worden beschouwd.

Verder bedoel ik met objectief verwerpelijk uiteraard juist niet dat wat volgens de theïstische godsdiensten verwerpelijk is. Natuurlijk niet! Iets is immers objectief verwerpelijk als het hoe dan ook verwerpelijk is, los van wat welk mens, religieus of seculier, man of vrouw, rijk of arm, daar verder ook van mag vinden. De shoa is objectief verwerpelijk omdat zij überhaupt verwerpelijk is, los van welke religieuze of seculiere wereldbeschouwing dan ook.

De logische structuur van het morele argument luidt:

1) Er zijn bepaalde zaken objectief verwerpelijk
2) Als God niet bestaat, dan is niets objectief verwerpelijk
-----------------------------------------------------------------------
God bestaat

Duidelijk mag zijn dat de conclusie dat God bestaat logisch volgt uit beide premissen. Het komt daarom aan op de houdbaarheid van beide premissen. Zijn beide premissen redelijkerwijs plausibel? Het zou volgens mij goed zijn wanneer je je nader in de verdediging van beide premissen zou verdiepen. Iemand die hier vruchtbaar over geschreven heeft is W.L. Craig.

Groet,
G.J.E. Rutten

Wijnandus zei

Beste G.J.E.Rutten,

Vanuit het gedachtengoed van de sofisten kan ik de moraal niet anders zien dan als een zuiver subjectieve zaak. We zijn afhankelijk van de grillen van individuen, of van de sociale groepen waartoe men behoort. Als de moraal subjectief is kan zij niet bestaan uit objectieve morele waarden. Voorbeelden zoals jij aandraagt kunnen weerlegd worden.
De shoa en wellustige martelingen, zelfs die, kunnen niet gelden als universeel objectief verwerpelijk.

“Er zijn bepaalde zaken objectief verwerpelijk.”
De vereiste van objectiviteit is voor mij strikt: die houdt in, dat ze universeel horen te zijn, in die zin dat er geen uitzonderingen op bestaan, dus van toepassing zijn voor alle personen, plaatsen en tijden.

Volgens het Nationaalsocialisme was de shoa gelegitimeerd. Een deel van de Duitse bevolking was zich ervan bewust en deed (vaak vol overtuiging) mee aan de uitroeiing.
Als iets het kwaad vertegenwoordigt, ook al is dat een heel volk, dan moet het verdwijnen en bestaat er een legitieme (psychologische) basis voor een genocide. Zoiets is niet meer objectief verwerpelijk, maar wordt gewettigd. Het is maar wat je gelooft en is aangepraat, vaak van jongs af aan.

Neem de kannibalen als voorbeeld voor het moorden uit wellust. Zonder een spoor van twijfel of terughoudendheid, geloofden zij in de extra kracht die zij verkregen door mensen te eten, en zo aten ze met wellust en smaak hun soortgenoten op. Een gedetailleerd verslag van zo’n 450 jaar geleden, wil ik je niet onthouden.

“Thevet beschrijft (vrij vertaald uit zijn boek Les singularités de la France Antarctique uit 1557): De gevangene wordt dus, goed vastgebonden en gekneveld met touwen van katoen, naar het centrale plein gebracht, vergezeld door 10.000 of 12.000 wilden uit het land, de vijanden, alwaar hij na verscheidene ceremonies wordt afgeslacht (doodgeslagen) als een varken. Zodra het lichaam in stukken is nemen ze het bloed ervan en wassen daarmee hun zoontjes om, zoals zij zeggen, hen te harden. Het hoofd wordt bewaard om op te hangen aan het eind van een lange stok op hun hutjes, als teken van triomf en overwinning. Zij ontlenen er speciaal plezier aan om dit met de hoofden van Portugezen te doen. De kannibalen, en zij van de oever van de rivier de Marignan zijn nog wreder tegen de Spanjaarden, die zij laten sterven met een weergaloze gruwelijkheid, waarna ze ze opeten."

In de Christelijke middeleeuwen werden mensen, als afschrikwekkend voorbeeld voor de anderen, op de meest gruwelijke manieren gedood. Niet alleen heksen, maar eigenlijk iedereen die een gevaar was voor de kerk, werd bewust en soms onder groot plezier van de menigte die naar dit volksvermaak kwam kijken, gevierendeeld of geradbraakt. Zo werd het zogenaamde kwaad immers uitgebannen. Het is in onze moderne ogen, hoe dan ook verwerpelijk, maar in de ogen van de middeleeuwer werd het gezien als een gezellig uitje.

Wijnandus zei

Het lijkt erop, dat zolang we het kunnen beargumenteren, en ‘iets’ een transcendentale plaats geven, we elkaar de meest gruwelijke dingen kunnen aandoen.

Wat overblijft is slechts een kleine stap naar een situatie waarin we de totale beschaving zijn kwijtgeraakt en belanden in een wereld waarin daadwerkelijk alles is geoorloofd, dus ook het meest ‘objectief’ verwerpelijke. Deze situatie van constante beestachtige verwerpelijkheid, is van alle tijden en heet OORLOG, is geheel gelegitimeerd en daarmee niet meer objectief.

We kunnen concluderen dat de eerste premisse van het morele argument niet houdbaar is, want geen enkel voorbeeld wat je geeft is objectief verwerpelijk. Het is daarmee niet universeel.

Ter verwerping van de tweede premisse zal ik laten zien dat ook de tweede aanname van het morele argument, niet deugt. “Als God niet bestaat, dan is niets objectief verwerpelijk.”

Een godsbeeld, ook dat van jou, draait altijd en voornamelijk om ethiek. Moraal is de hoofdpijler, de grondslag onder gods werk en daarmee jouw zingeving om de wereld te verdelen in goed en kwaad. Het rationele bewijs dat je met het driedelig project, betreffende de epistemologie, metafysica en esthetiek, wilt aantonen, zoekt zijn fundamentele antwoord in een bestaan van ‘God’, en niet in dat van de duivel. Je bent uit op een rationeel bewijs van het bestaan van een ‘GOEDE God’. Dit uitgangspunt zit geïncorporeerd in de tweede premisse. Het is echter nog maar de vraag of onze historische god werkelijk alleen maar goed en rechtvaardig is, en uiteindelijke geen scherprechter blijkt te zijn. Verder is de ontkenning, dat je project niet specifiek met ethiek te maken heeft, hiermee geworden tot een loze ontkenning.

We kunnen niet weten wat ‘Hij’ (precies) is en wil. We kunnen ‘Hem’ wel beoordelen op basis van de geschiedenis, zoals beschreven in de bijbel en andere oude boeken.
De geschreven bron leert ons dat de god van de theïsten zelf daden pleegt, of beveelt anderen die te plegen, of die goedkeurt, en zo het principe van de tweede premisse van het morele argument onderuit haalt.

“God verdronk zelf het hele menselijke ras behalve Noach en zijn gezin. [Gen.7:23]; hij bestrafte koning David voor het uitvoeren van een volkstelling die hijzelf bevolen had, en stemde toen in met het verzoek van David dat anderen bestraft zouden worden in plaats van hem zelf, door het zenden van de pest die 70.000 mensen doodde [2Samuel 24:1-15]; en hij gaf opdracht aan Jozua om oud en jong te doden, kleine kinderen, maagden en vrouwen (de inwoners van zo’n 31 koninkrijken) toen die zijn praktijken van etnische zuiveringen uitvoerde in de landen die orthodoxe joden nog steeds beschouwen als deel van Groter Israël (zie Jozua, vooral hoofdstuk 10). En dit zijn er dan nog maar drie, van de vele honderden van Gods schendingen. Zo ook, gaf hij soldaten opdracht alle Midjanitische mannen, vrouwen en jongens zonder genade te vermoorden, en stond God toe de soldaten alle 32.000 overlevende maagden voor zichzelf te gebruiken. [Numeri 31:17-18]”

Wijnandus zei
Deze reactie is verwijderd door de auteur.
Wijnandus zei

“God bestaat.”
Waarom de ultieme zijnsgrond niet goddelijk is, maar mijns inziens cultureel bepaald, zal ik als een resumé in de volgende punten kort weergeven.

1. ‘God’ heeft geen contingent gedaante. Dit ter verwerping van het animisme. Wel moet ik het onderscheid kunnen maken tussen een contingente en niet contingente ‘God’.
Als klap op de vuurpijl verschijnt ‘God’, althans de zoon van, hier op aarde in de toevallige gedaante van: niet een mooie vrouw, niet een dier of een heilige eik, maar in de vorm van een man. Dat is toevallig!

2. Het morele argument, bezit twee ongeldige premissen en blijkt zodoende niet houdbaar.

3. “Elke menigvuldigheid is arbitrair en daarom contingent. Aan elke menigvuldigheid gaat plausibel een bepaalde constitutieve eenheid vooraf.”
Als alles in de wereld-voor-ons een begin heeft, dan moet er logischerwijs en rationeel gezien in de wereld-voor-ons, aan alles ook een einde zijn. In de tijd gezien, begon het leven atheïstisch met eencelligen en later grotere dieren. Met het verschijnen van het voorlopig meest complexe dier, de mens, ontstond het bewustzijn en daarmee het theïsme. De zijnsgrond van ‘God’ is in dit geval het bewustzijn. Het einde van ‘God’ is de wetenschap, dat het theïsme rudimentair is en voortkwam uit het primitieve duiden. Zodoende is het eindpunt van ‘God’ bereikt en gaan we, in de wereld-voor-ons, weer over tot het atheïsme.

4. De absolute drager is contingent. Al wat er hier op aarde voorkomt, is zoals de paleontoloog Stephen Jay Gould het zo mooi verwoordde, het resultaat van een schitterend ongeluk. Idem is ook de ultieme zijnsgrond een kwestie van pure contingentie. Gelukkig biedt dit weer perspectief voor het pantheïsme, het polytheïsme, het deïsme, het animisme, het atheïsme en al die andere religies, godsdiensten en wereldbeelden die zomaar aan de kant waren gezet.

Om te besluiten met een variatie op jouw woorden:
De ultieme zijnsgrond is precies daarom dus überhaupt, hoe dan ook, contingent: zij is subjectief en contingent.

Dank & groet,

Prot.

Wijnandus zei

Is G.J.E.Rutten tot inkeer gekomen?
Begrijpt hij nu, dat waarover men niet spreken kan, het beter is, daarover voortaan te zwijgen.
Op naar de best mogelijke wereld…….….zonder god.

Groet, Prot.

G.J.E. Rutten zei

Beste Prot,

Ik zie nu pas jouw reacties sinds mijn reactie van 2 maart.

Je schrijft dat de shoa en wellustige martelingen niet kunnen gelden als objectief verwerpelijk. Maar wees nu eens heel eerlijk en vraag jezelf oprecht af: keur jij de shoa en wellustige martelingen niet af? Beschouw niet ook jij de daden van kampbeulen en lustmoordenaars als verkeerd? Zou je werkelijk zeggen dat het volgens jou om het even is wanneer iemand je vraagt naar jouw mening over de toelaatbaarheid van de shoa of van lustmoorden? Vergeet niet dat de context van waaruit ik werk de-wereld-voor-ons is.

Het citeren van bijbelpassages gaat voorbij aan het morele argument. Het morele argument doet geen beroep op bijbelpassages en is er ook niet afhankelijk van.

Bovendien maakt het morele argument dat ik hierboven uiteenzet geen onderdeel uit van mijn driedelig project. Jouw opmerkingen over mijn project zijn dan ook niet correct.

Groet,
G.J.E. Rutten

G.J.E. Rutten zei

Beste Prot,

Wellicht is het goed wanneer ik kort uiteenzet hoe de tweede premisse van het morele argument verdedigd kan worden. Indien God niet bestaat, dan is redelijkerwijs het fysicalisme juist. De wereld bestaat dan slechts uit materie, ruimte en tijd. Maar in een dergelijke wereld is er niets om de objectiviteit van bepaalde moreel verwerpelijke zaken in te funderen. Ontologisch gezien kan deze objectiviteit immers niet in materie, ruimte of tijd gegrond worden. Kortom, er zijn helemaal geen objectief verwerpelijke zaken indien God niet bestaat. Dit is precies hetgeen de tweede premisse van het morele argument stelt.

Verder beweer je dat de absolute zijnsgrond van de werkelijkheid contingent is. Welnu, een contingentie is altijd afhankelijk van iets anders. Geen enkele contingentie is haar eigen grond. De absolute zijnsgrond van de gehele werkelijkheid is echter ook de grond van zichzelf en dus van niets anders afhankelijk. Precies daarom kan zij niet contingent zijn. Dit lijkt meer dan voldoende plausibel.

Groet,
G.J.E. Rutten

Wijnandus zei

Beste G.J.E. Rutten,

Altijd eerlijk in de discussie, maar nooit altijd zeker van de dingen, op zoek naar de ‘best mogelijke wereld’, keur ik de shoa en wellustige martelingen ten zeerste af. Dat wil niet zeggen, dat er geen mensen zijn die in volle overtuiging kiezen (geïnternaliseerd) voor datgene wat wij volledig verwerpen.
homo homini lupus est

Er zijn veel werelden-voor-ons, zoals je zult begrijpen. Eén van de werelden-voor-ons vinden we terug in de bijbel. Als het ‘morele argument’ claimt dat er bepaalde handelingen (objectief) verwerpelijk zijn, waarom zou dat dan niet gelden voor handelingen die uit naam van ‘God’ worden gedaan en die ik evenzeer (objectief) verwerpelijk vind?

Wat betreft de tweede premisse van het morele argument.
Wij zijn ‘denkende’ materie, behept met een bewustzijn en we bevinden ons in een ruimte en een tijd. Zoals ik al eerder verwoordde, is onze zijnsgrond juist gevestigd in dat bewustzijn. Daarvoor bestond alleen maar de wereld-in-zichzelf; de wereld waar we niets over kunnen zeggen.
Ontologisch gezien funderen we objectiviteit en subjectiviteit in de ‘denkende’, zich bewust, van de wereld-voor-ons, menselijke materie, genaamd ons brein. Daarmee is het mogelijk de tweede premisse van het ‘morele argument’ te weerleggen en een noodzakelijk bestaan van ‘God’ ongegrond te verklaren.

Het klopt dat een contingentie altijd afhankelijk is van iets anders, in de wereld-voor-ons.
In deze wereld-voor-ons kan de contingentie echter toch haar eigen grond hebben, omdat ons bewustzijn ‘toevallig’ is ontstaan en we onbekend zijn met hetgeen daarvoor in de wereld-in-zichzelf is geschied. Daar er veel zaken in de huidige, bewuste wereld, door toevallige natuurlijke selectie is ontstaan, zonder vooropgezet plan dus, is het aannemelijk, dat het vóór onze menselijke bewustwording niet anders is gegaan. Aldus; contingentie.

Groet,

Prot.

G.J.E. Rutten zei

Beste Prot,

Natuurlijk zijn er andere mensen die kiezen voor hetgeen wij volledig verwerpen. Ik richt mij in deze echter niet tot hen, maar tot jou, tot jou persoonlijk.

Jij verwerpt, net zoals ik, de shoa en lustmoorden met volle overtuiging. En dit doe je uiteindelijk met een bepaalde reden, met een zekere grond. Jouw overtuiging is ergens op gebaseerd. Zij is niet willekeurig.

Je verwerpt anders gezegd de shoa en lustmoorden niet 'zomaar'. Er meldt zich in deze verwerping iets boven-individueels, iets dat niet teruggaat op louter een persoonlijke keuze, op louter een particuliere preferentie.

En precies daarom is de eerste premisse van het morele argument althans voor jouzelf, net zoals voor mij, geenszins onredelijk, ja zelfs voldoende plausibel.

Jouw weerlegging van de tweede premisse lijkt erop neer te komen dat de objectieve verwerpelijkheid van wandaden zoals de shoa en lustmoorden ook gegrond zou kunnen worden in het menselijk bewustzijn, zodat we geen God nodig hebben om deze objectiviteit te funderen. Probleem hier is natuurlijk dat de objectieve verwerpelijkheid van genoemde wandaden redelijkerwijs verder gaat dan dat dit nu eenmaal de mening is van de (meeste) mensen. Wij erkennen in onze resolute afwijzing van de shoa dat de shoa überhaupt verwerpelijk is, zelfs wanneer Hitler de oorlog zou hebben gewonnen en geen mens nog langer de shoa zou afkeuren.

Jouw vierde alinea lijkt een weerlegging te zijn van mijn claim dat de zijnsgrond niet contingent is. Deze alinea is echter dermate onduidelijk dat ik daar niet op kan reageren.

Overigens valt me op dat hetgeen je zegt over de door mij voor mijn kenleer geïntroduceerde begrippen 'de-wereld-voor-ons' en 'de-wereld-in-zichzelf' in tegenspraak is met genoemde kennisleer zelf.

Groet,
G.J.E. Rutten

Wijnandus zei

Met uw welnemen, G.J.E. Rutten, maar is het niet zo, dat de overtuiging van de nazi, de kampbeul en de middeleeuwse heksenverbrander ook is gebaseerd op hetgeen jij ‘iets’ noemt. Het ‘iets’ dat in mijn voorbeelden zeker niet willekeurig zal zijn, maar veel eerder doelmatig en berekenend. Kampbeulen en kannibalen handelen vanuit een geïnternaliseerde opdracht. Om het voor jou met begrijpelijke en bekende woorden te zeggen; zij geloven erin!

“Er meldt zich in deze verwerping iets boven-individueels, iets dat niet teruggaat op louter een persoonlijke keuze, op louter een particuliere preferentie.”

Als je de samenleving of de leefwereld met zijn sociale- en culturele dwang wilt omschrijven als iets boven-individueels, dan ga ik daarin mee. In een andere uitleg van het boven-individuele kan ik me niet vinden.

Voor mijzelf, groot geworden met het joods-christelijk gedachtengoed, maar uiteindelijk toch meer een volger van het verlichtingsdenken, staat het buiten kijf, dat deze premisse voldoende plausibel is en ik hem als objectief zou kunnen ervaren, let wel, ervaren!
Waar het in het ‘morele argument’ echter om gaat, is dat zij alleen geldig is, als zij universeel objectief verwerpelijk is. Zij houdt zich dus aan de universaliteit, dat wil zeggen er bestaan geen uitzonderingen op de premissen en zij zijn van toepassing op alle personen, plaatsen en tijden. Met mijn voorbeelden toon ik het tegendeel aan, zodat de eerste premisse niet voldoet aan de regel dat iets OBJECTIEF verwerpelijk is.

Waarschijnlijk is het met de objectiviteit tussen aanhalingstekens in mijn vorige post niet helemaal duidelijk geworden, maar in eerdere reacties heb ik toch helder gemaakt dat alle moraal voor mij subjectief is, dus ook de shoa en de heksenverbranding. Ik vind het ten zeerste verwerpelijk en afkeurenswaardig, maar nogmaals, niet objectief verwerpelijk, daar ik denk dat er geen objectieve moraal bestaat.

In een poging mijn vierde alinea van mijn vorige reactie te verduidelijken het volgende.

De wereld-voor-ons begrijp ik als de leefwereld, de wereld waarover wij uitspraken kunnen doen. De wereld-in-zichzelf is voor mij daarentegen meer het ding-an sich van Kant, in ieder geval de wereld waar we geen uitspraken over kunnen doen.
Welnu, met het bewustzijn en de taal is de wereld-voor-ons ontstaan. Alles waarover wij uitspraken kunnen doen bevindt zich in de wereld-voor-ons, dus ook onze zijnsgrond. Voordat er sprake was van de wereld-voor-ons, was er alleen maar de wereld-in-zichzelf. De voorloper van de mens begaf zich in een wereld-in-zichzelf, een onbekende wereld, waarin zij zich nergens van bewust was en ook geen causale kennis bezat omtrent die wereld.
Dankzij causaliteit, ruimte, tijd en onze huidige kennis, kunnen wij a posteriori uitspraken doen over die wereld-in-zichzelf, dus de wereld voor ons bewustzijn, die nu (meer) de wereld-voor-ons is geworden. Uit onze huidige wetenschappelijke kennis blijkt dat het (denkende, bewuste) leven op aarde door toevallige natuurlijke selectie is ontstaan, en dat contingentie ook geldt voor de dode wereld. Er van uitgaande dat er dus geen vooropgezet plan achter alles zit, is het aannemelijk dat het met de ontwikkeling van het ‘zijn’, vóór onze menselijke bewustwording niet anders is gegaan en dat als we de historische lijn trekken en terug redeneren, er logischerwijs sprake is van een contingente zijnsgrond (in ons bewustzijn).

Groet,

Prot.

G.J.E. Rutten zei

Beste Prot,

Zoals bekend introduceer ik voor mijn kennisleer het begrippenpaar ‘de-wereld-voor-ons’ en ‘ de-wereld-in-zichzelf’. En zoals ik in mijn thesis ‘Het kenbare noumenale’ en in een groot aantal bijdragen op dit blog en op filosofieblog uiteenzet verschilt mijn conceptie van ‘de-wereld-voor-ons’ radicaal van hetgeen Kant de ‘fenomenale wereld’ noemt. Evenzo betreft mijn notie van ‘de-wereld-in-zichzelf’ iets totaal anders dan wat Kant de noumenale wereld noemt. Welnu, in jouw reacties maak je veelvuldig gebruik van genoemd begrippenpaar terwijl je het eigenlijk over het door Kant gemaakte onderscheid tussen de fenomenale en noumenale wereld hebt. Het lijkt me dan ook zinvol om in jouw reacties te spreken over ‘de fenomenale wereld’ dan wel ‘de noumenale wereld’ indien je Kant’s fenomenale wereld dan wel Kant’s noumenale wereld bedoeld.

Verder ga je voorbij aan hetgeen ik in mijn eerdere reacties opmerk. Natuurlijk zijn er mensen die de shoa en lustmoorden niet verwerpelijk vinden. Dit gegeven is in zichzelf echter niet genoeg om te kunnen concluderen dat de shoa en lustmoorden niet objectief verwerpelijk zijn.

Waar het namelijk om gaat is wat zich aan jou persoonlijk meldt wanneer jij jouw verwerping van lustmoorden en de shoa aan een diepgaande fenomenologische introspectie onderwerpt. Welnu, wat zich dan toont is dat jij de shoa en lustmoorden ten diepste verwerpt omdat jij de shoa en lustmoorden verwerpelijk vindt. En je vindt de shoa en lustmoorden verwerpelijk omdat je, in jouw act van verwerping, uiteindelijk hoe dan ook meent dat de shoa en lustmoorden verwerpelijk zijn. Precies daarom is de eerste premisse voor jou, net zoals voor mij, voldoende plausibel. En het is uiteindelijk alleen deze plausibiliteit die legitimiteit verleent aan de oprichting van zoiets als een internationaal strafhof voor het berechten van oorlogsmisdadigers. Het volgende filmfragment is in dit verband wellicht illustratief: http://bit.ly/fM0Cel

Ook suggereer je een oppositie tussen christelijk denken en verlichtingsdenken. Een dergelijke oppositie wordt echter inmiddels al weer geruime tijd als achterhaald beschouwd. De verlichting was geen oppositie tegen christelijk denken, maar (naast een aantal andere, veel belangrijkere, aspecten) een oppositie tegen te ver doorgeschoten kerkelijke beperkingen en starheden, hetgeen iets anders is. En ja, natuurlijk kende de verlichting radicale atheïstische denkers, maar dit is niet datgene wat de verlichting als verlichting kenmerkt. Ik kan je in dit verband het boek ‘Morele helderheid’ van Susan Neiman van harte aanbevelen.

Jouw argument voor het contingent zijn van de zijnsgrond houdt overigens geen stand. Zo schrijf je: “Dankzij causaliteit, ruimte, tijd en onze huidige kennis, kunnen wij a posteriori uitspraken doen over die wereld-in-zichzelf, dus de wereld voor ons bewustzijn, die nu (meer) de wereld-voor-ons is geworden”. Dit volgt echter geenszins uit mijn kennisleer. En sterker nog, het volgt evenmin uit de kennisleer van Kant. Verder lijkt je argument neer te komen op de bewering dat de zijnsgrond contingent is omdat alles in de kosmos (dode materie, denkend bewust leven, etc.) contingent is. Maar uit het feit dat alles in de kosmos contingent is volgt natuurlijk helemaal niet dat de oorzaak van de kosmos zelf ook contingent moet zijn. Dit is eerlijk gezegd nogal evident. Ik stel dan ook voor dat je nog eens het argument doorleest dat ik geef voor het niet contingent zijn van de zijnsgrond.

Groet,
G.J.E. Rutten

Wijnandus zei

Beste G.J.E. Rutten,

Je advies zal ik ter harte nemen. Ik ga lezen.
Dank voor je tijd en vooral dank voor ’t scherpen van mijn geest.

Succes verder met je grootschalig project en wie weet lukt het je nog eens de atheïst te overtuigen.;-)

vriendelijke groet,

Prot.

G.J.E. Rutten zei

Beste Prot,

Jij ook bedankt voor jouw kritische reacties.

Groet,
G.J.E. Rutten