Tijdens het lezen van de Nederlandse vertaling van Cicero's Oratore — Romeinse redenaars, van Marcus Tullius Cicero, vertaald door Vincent Hunink (Noordboek Filosofie, 2023), noteerde ik belangwekkende passages en voorzag ik sommige van commentaar. Zo ontstond wat ik aanduid als The Essential Oratore. Het volgt hieronder.
1. In Brutus introduceert Cicero een nieuw retorisch drietal: beraad, inzicht en gezag. Het is de taak van de retorica om de “wapens” of het instrumentarium voor dit drietal aan te leveren.
2. In Brutus stelt Cicero dat de nieuwe op Socrates teruggaande filosofie ontstond als verzet tegen de retorica en in die zin dus een zijpad is van de geschiedenis van de welsprekendheid.
3. “Want goed spreken kan alleen met helder denken en inzicht. Wie dus inzet op ware welsprekendheid doet dat ook op helder denken. Zelfs in de grootste oorlogen kan een mens niet zomaar zonder.” (Brutus 23, Cicero)
4. Cicero noemt Homerus een redenaar vanwege zijn rijke stijl en het vele lof dat hij toezwaait aan Odysseus en Nestor. (Brutus 40)
5. Volgens Gorgias is iets door aanprijzing vergroten en door kritiek verkleinen de eigenlijke taak van de redenaar (Brutus 47). Alles wat een redenaar doet, komt blijkbaar neer op ‘schalen’ oftewel het versterken of verzwakken van een positie.
6. “Zoals de roem van een mens zijn geest is, zo is het licht van zijn geest de welsprekendheid. En wie daarin uitblonk noemden de mensen van toen heel fraai “bloemen van het volk”” (Brutus 59, Cicero)
7. In Brutus 170 introduceert Cicero het coloriet. Het coloriet van een redenaar is een moeilijk te definiëren maar direct herkenbare eigenheid in woordkeus, woordvolgorde, toon, ritme en smaak die zijn spreken een authentiek karakter geeft. Coloriet is transversaal omdat het zowel stijl als inhoud doordringt.
8. In onze grote, oude politieke gemeenschap, waar op welsprekendheid de hoogste beloningen stonden, had iedereen de ambitie om in het openbaar te spreken, een minderheid de durf daartoe en maar een klein groepje het vermogen.” (Brutus 182) Cicero breidt het klassieke ‘willen en kunnen’-topos van Gorgias hier uit tot een drieslag: ‘willen, durven en kunnen’.
9. Een redevoering van een redenaar kent “één grondtoon, één stijl.” (Brutus 100, Cicero)
10. “De school van Epicurus levert de minst goede sprekers op.” (Brutus 131, Cicero)
11. “The school of Epicurus produces the least accomplished orators.” (Brutus 131, Cicero)
12. “De Stoïcijnen steken al hun tijd en aandacht in logica. Het soort spreken dat niet zo precies bepaald is, dat breder uitwaaiert en meerdere lagen kent, passen ze niet toe.” (Brutus 119, Cicero)
13. “De Peripatetici en Academici hebben in het algemeen wel een bepaalde kijk op retorica: een volmaakte redenaar krijg je niet van retorica alleen, en zonder retorica geen volmaakte redenaar.” (Brutus 119, Cicero)
14. “Schemata (figuren) vormen de grootste sieraden voor een redenaar. Ze kleuren niet zozeer de woorden, maar geven glans aan de inhoud.” (Brutus 141, Cicero)
15. “Zien wat gezegd moet worden helpt niet wanneer je dat niet vloeiend en aangenaam kunt uitdrukken. En ook dat is niet voldoende als de woorden niet worden ondersteund door stemgeluid, gezichtsuitdrukking en lichaamstaal.” (Brutus 110, Cicero)
16. Geslaagde retorische teksten “vertonen de natuurlijke teint van de waarheid, geheel zonder make-up.” (Brutus 162, Cicero)
17. "Het zijn namelijk drie dingen, althans naar mijn idee, die je met spreken moet zien te bereiken bij degene tot wie je spreekt: hij moet er iets van leren, zich amuseren en krachtig in zijn emotie worden geraakt.” (Brutus 185). Cicero introduceert hier het onderscheid tussen ‘docere’ of het publiek kundig onderwijzen, ‘delectare’ of het publiek behagend binden en ‘movere’ of het publiek gevoelsmatig bewegen. Hoewel het gaat om doelen van de speech, taken van de redenaar of effecten op het publiek doet deze drieslag denken aan het klassieke onderscheid tussen de overtuigingsmiddelen logos, ethos en pathos.
18. Er bestaat volgens Cicero blijkbaar niet zoiets als het verschil tussen hoge en lage kunst in de retorica: “Wie als spreker succes heeft bij de massa heeft dat ook bij de experts. […] Wat voor redenaar iemand is kun je opmaken uit het effect van zijn woorden.” (Brutus 184) “En zo is er dus nooit verschil van mening geweest tussen deskundigen en gewone mensen over de vraag of een redenaar wel of niet goed is.” (185) “Wat juist dit hoort bij een topredenaar: dat het gewone volk hem een topredenaar vindt.” (186). Kortom, Cicero ontkent het verschil tussen hoge en lage retorica.
19. “Antonius en Crassus […] zijn naar mijn mening onze grootste redenaars: bij hen evenaart de Latijnse retorische rijkdom voor het eerst de glorie van de Grieken.” (Brutus 137, Cicero)
20. In Brutus 152 stelt Cicero dat de dialectiek “de grootste van alle kunsten” is. Hier spreekt de redenaar: dit is geen categorisch oordeel, maar een retorische hyperbool. Cicero verhoogt retorisch de dialectiek om met kracht het punt te maken dat zonder helder denken elke inhoud uiteenvalt.
21. "Krachtens de Lex Pompeia hadden we maar drie uur spreektijd per keer. […]” (Brutus 324, Cicero)
22. "[Dialectiek leert] een groter geheel splitsen in onderdelen, het niet evidente naar boven halen middels definitie, wat duister is verhelderen door uitleg, ambiguïteit eerst doorzien en vervolgens verwoorden, kortom, een richtsnoer hanteren waarmee je kunt beoordelen wat waar en onwaar is en welke conclusies er al dan niet volgen op bepaalde premissen.” (#
Brutus 152, Cicero)
23. Cicero ontkent dat Attisch spreken neerkomt op sober of schraal spreken. Hij definieert het als zuiver, natuurlijk en passend, maar tegelijk krachtig en veelzijdig spreken. Het Attische ideaal berust op de kracht van de gedachte, het ritme van de zin, en de emotionele werking van het woord. Het omvat verschillende stijlniveaus zonder gekunsteld of bombastisch te worden en vraagt telkens inzet van de juiste middelen om te onderwijzen, te behagen en te bewegen. (Brutus 284-291)
24. “Per periode, zo kunnen we constateren, waren er amper twee redenaars die echt waardering verdienden.” (Brutus 333, Cicero)
25. “In elke zaak heb je één natuurlijk begin en één afronding. De overige onderdelen zijn als ledematen, die elk op hun plek moeten zitten en daar hun kracht en waarde hebben.” (Brutus 209) Cicero meent dat iedere zaak een natuurlijke orde heeft die wordt ontsloten door de redevoering. Daarom is iedere geslaagde speech een organisch geheel. Retorica krijgt hier een welhaast ontologisch-epistemische functie.
26. “Bij een lier kun je aan de klank van de snaren meestal horen hoe kundig ze zijn beroerd. Zo ook kun je aan de emoties aflezen hoe goed een redenaar die bespeelt.” (Brutus 199, Cicero)
27. “Van alle loflijke punten voor een redenaar is dat ene toch verreweg het grootste: de toehoorders in vuur en vlam zetten, hun emoties ombuigen al naar gelang zijn zaak het vereist. Dus wie die kwaliteit niet heeft mist werkelijk het allergrootste.” (Brutus 279, Cicero)
28. “Dialectiek kun je zien als een soort retorica in verkorte en beknopte vorm: een absolute voorwaarde voor de echte retorica, die wel wordt beschouwd als dialectiek in uitgebreide vorm.” (Brutus 309) Volgens Cicero is dialectiek een soort retorica en is tevens retorica een soort dialectiek. Het zijn dan ook geen aparte domeinen, maar twee verschijningsvormen van hetzelfde: de ene beknopt en analytisch, de andere uitgebreid en op het publiek gericht.
29. "Voor een redenaar zijn de oren van het publiek een soort fluit. Als die oren niet opnemen wat je erin blaast of als de luisteraar compleet blokkeert zoals een paard, kun je er het beste mee ophouden.” (Brutus 192, Cicero)
30. “Daarbij is hij bovenal te prijzen omdat hij juist in deze tijd – voor zover mogelijk bij alle ellende die nu zogezegd ons gezamenlijk lot is – de ware troost zoekt. Namelijk in het bewustzijn dat hij politiek aan de juiste kant staat en in het streven naar geleerdheid.” (Brutus 250, Cicero)
31. Gorgias koppelt een volle bloemrijke stijl aan pathos en daarmee aan het bewegen van de ziel. Hij ziet taal als een affectieve kracht die via klank, ritme en vorm direct inwerkt op het gemoed. Cicero verwijst in zijn werk meermaals naar Gorgias en koppelt de genus grande of woordrijke verheven stijl aan precies het doel van bewegen van de ziel. Bovendien meent Cicero dat hierin de eigenlijke taak van de ideale redenaar ligt. Dit wijst op invloed van Gorgias op Cicero's retorica.
32. "Wie luistert naar een echte redenaar gelooft zijn woorden, houdt ze voor waar, stemt ermee in, keurt ze goed. Zijn speech wekt vertrouwen.” (Brutus 188, Cicero)
33. “Als er één ding is wat spreekt voor een redenaar, dan de pracht van zijn woordenschat.” (Brutus 216, Cicero)
34. De vijf “welbekende onderdelen” of “taken van de redenaar” zijn volgens Cicero: de vereiste inhoud vinden, ordenen, verwoorden, memoriseren en voordragen. (Brutus 214)
35. “Maar Athene was ook meer gediend met huizen met stevige daken dan met een schitterend Minervabeeld van ivoor, en toch zou ik liever Phidias zijn dan zelfs de beste timmerman.” (Brutus 257, Cicero)
36. Door het aandachtig lezen van Brutus en Orator besef ik pas hoe vergaand Cicero is beïnvloed door Gorgias. Ik wist dit niet en als ik het had geweten, dan had ik daar zeker aandacht aan besteed in mijn meest recente boek over Gorgias.
37. "De deskundige retorische criticus […] oordeelt vaak over een redenaar met één blik, in het voorbijgaan.” (Brutus 200, Cicero)
38. "Waarin is de kenner dus beter dan de leek? […] Weten door welke factoren je met spreken bereikt, of juist verliest, wat je met spreken moet bereiken of niet mag verliezen.” (Brutus 199, Cicero)
39. "Wat is hier dus de taak van de vakkundige docent? Goed kijken wat ieder van nature in zich heeft en dat als leidraad gebruiken bij het onderwijs.” (Brutus 204, Cicero)
40. “Het is geen speciale prestatie goed Latijn te kennen, maar een schande het niet te kennen.” (Brutus 140, Cicero)
41. "Wanneer hij dus zijn verzorgde Latijnse idioom […] combineert met retorische stijlverfraaiing, is het alsof hij fraai gemaakte schilderijen in een goed licht plaatst.” (Brutus 261, Cicero)
42. “Het fundament van de retorica is foutloos en zuiver Latijn.” (Brutus 111, Cicero)
43. "Hij kwam uit de school van Hermagoras, waar ze weinig doen aan stilistische verfraaiing maar efficiënt zijn in het vinden van inhoud.” (Brutus 263). Cicero lijkt hier te zinspelen op Hermagoras’ bijzonder fijnmazige uitwerking van de statusleer.
44. “Bovendien was hij geschoold in de leer van Hermagoras, die een redenaar weliswaar niet voorziet van genoeg stilistische versiering maar hem wel uitrust met kant-en-klare argumenten voor verschillende typen zaken. Zoiets als lansen mét slingerriem ten behoeve van lichtgewapenden.” (Brutus 271, Cicero)
45. "Naast begrippen in hun letterlijke betekenis ook veel beeldspraak, maar zonder dat het opdringerig of geforceerd overkwam: het was of de metaforen hun natuurlijke plaats innamen.” (Brutus 274) Cicero beschrijft hier een toespraak waarin stijlmiddelen zo natuurlijk worden toegepast dat ze niet opvallen, maar een vanzelfsprekend onderdeel van de gedachte vormen.
46. “Een abstruus gedicht mikt op bijval van een kleine groep, een publieksredevoering op applaus van het volk. Had Demosthenes die ene Plato als gehoor gehad terwijl de rest was weggelopen, dan had hij geen woord kunnen uitbrengen.” (Brutus 191, Cicero)
47. “‘De ironie die Socrates moet hebben gehad,’ begon hij, ‘en die hij in de werken van Plato, Xenophon en Aeschines ook daadwerkelijk hanteert, vind ik humoristisch en geraffineerd. Want je moet zowel handig zijn als gevoel voor humor hebben om in een discussie over wijsheid jezelf die wijsheid te ontzeggen en die plagierig toe te dichten aan anderen.’” (Brutus 292, Cicero)
48. De politieke welsprekendheid is volgens Cicero niet de hoogste vorm van welsprekendheid. (Brutus 108, 178, 268)
49. Power en charme zijn volgens Cicero twee van de belangrijkste eigenschappen van een redenaar. (Brutus 203, 204)
50. “De redenaar dient de rechter mild te stemmen.” (Brutus 246, Cicero)
51. De spreekstijl van een orator dient niet alleen aan te sluiten bij het ethos van het publiek, zoals met name Aristoteles leert, maar ook bij het ethos van de orator zelf. Althans, dat meen ik op te kunnen maken uit wat Cicero stelt in Brutus 135.
52. “Demosthenes navolgen […] is precies ons eigen doel, precies ons eigen ideaal. Maar wij bereiken dat niet. […] Er is nog iets anders wat ze niet begrijpen. Als Demosthenes zou gaan spreken dromde men vanuit heel Griekenland samen om te komen luisteren.” (Brutus 289, Cicero)
53. “Als mensen bezig zijn met de organisatie van een staat of met oorlog, of als ze niet vrij zijn en klemzitten onder een bewind van koningen, komt het verlangen naar goed spreken niet op. Welsprekendheid is de metgezel van vrede, de vriendin van vrije tijd, de telg van een al goed ingerichte staat.” (Brutus 45, Cicero)
54. "Maar bij het spreken is het als bij andere dingen: lof gaat altijd naar iets waar niets bovenuit gaat, ongeacht de eigenlijke waarde.” (Brutus 296, Cicero)
55. "[E]en toestroom van mensen, het gedruis van het Forum, dat vraagt nu eenmaal om een intens soort redenaar, een man met een klinkende stem, van wie de vonken en de energie afspringen.” (Brutus 317, Cicero)
56. "Daarbij kwam [Hortensius] met een allerminst gangbare stijl, inclusief twee unieke elementen: vooruitblikken op te bespreken punten, en korte samenvattingen van het door hemzelf betoogde én de tegenwerpingen.” (Brutus 302, Cicero)
57. “Er zijn dus twee typen goede redenaars […]: sprekers die het eenvoudig en beknopt houden of die zich juist verheven en groots uitdrukken. […] De beknopte redenaar moet oppassen voor armoe en schraalheid, de grootse juist voor bombast en overladen taal.” (Brutus 201, Cicero)
58. "Fijnproevers en aandachtige luisteraars vonden het allemaal wel fraai, maar de grote massa en het forum, de eigenlijke bestemming van retorica, slokten alles in één keer weg.” (Brutus 283, Cicero)
59. "Er was bij hen gewoon niemand die iets aan literatuur leek te hebben gedaan met wat meer zorg en aandacht dan gewone mensen. En literatuur is toch de bron van volmaakte welsprekendheid. Er was bij hen gewoon niemand die de filosofie had omarmd, en filosofie is toch de moeder van alle goeds in woorden en daden. Niemand die civiel recht had geleerd, een absolute vereiste voor private zaken en voor het praktisch inzicht van de redenaar. Niemand met kennis van Romeinse geschiedenis, waarmee je indien nodig betrouwbare getuigen uit de doden kunt opwekken. Niemand die met snelle, slimme kwinkslagen over de tegenstander de rechters even liet ontspannen en hun grote ernst kortstondig liet omslaan in uitgelaten gelach. Niemand die een thema breed trok, die een particuliere discussie over een specifieke persoon of omstandigheid omboog naar een betoog over een algemene, universele kwestie. Niemand die ter vermaak even kort een zijpaadje insloeg, niemand die bij rechters grote kwaadheid opwekte, of tranen, niemand die hen in elke richting kon beïnvloeden, al naar gelang de zaak vereiste. En dat is toch eigenlijk het enige wat bij een redenaar hoort." (Brutus 322, Cicero)
60. “Wat is de rechtste weg om roem te oogsten? De weg die zijn voorouders hem hebben gebaand en zijn voorgegaan: dát prentte ik hem in met alle kracht.” (Brutus 281, Cicero)
61. Misschien werd retorica ooit als aparte discipline erkend omdat er toen nog een zichtbare innovatie in spreekstijlen plaatsvond. Toen alle mogelijke spreekstijlen ontsloten waren, verdween retorica als separate discipline. Hetzelfde kan de filosofie gebeuren. Zodra, los van de inhoud van het denken, alle mogelijke denkvormen ontsloten zijn, wat overigens inmiddels het geval lijkt, zou ook zij wellicht als aparte discipline kunnen verdwijnen.
62. "De retorica is wees geworden en nu heb ik zogezegd de voogdij over haar. Laten we haar in huis houden, goed afgeschermd zoals past bij haar vrije status, en al die vreemde schaamteloze vrijers afwijzen. We willen haar behoeden en laten uitgroeien tot een jonge vrouw, in zuiverheid, en alle avances van minnaars bij haar weghouden zoveel we kunnen.” (Brutus 330, Cicero)"
63. “Zo is dan de stem van Quintus Hortensius weggestorven door zijn eigen eind, de mijne door dat van ons land.” (Brutus 328, Cicero)
Posts tonen met het label Cicero. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Cicero. Alle posts tonen
dinsdag 2 juni 2026
vrijdag 1 mei 2026
Redenaars en hun stijlgebruik
In zijn Brutus en Orator gaat Cicero onder andere in op het stijlgebruik van redenaars. Stijl is volgens Cicero cruciaal voor de redenaar omdat spreekstijl het meest eigen is aan de retorica, meer nog dan de taken van het vinden, ordenen en onthouden van wat gezegd moet worden. Bovendien wordt volgens Cicero iedere redenaar uiteindelijk in meest eigenlijke zin gekenmerkt door zijn eigen specifieke stijl van spreken. Stijl heeft betrekking op de taken verwoording én voordracht, omdat het zowel om woordkeuze en woordvolgorde als om stemgebruik en spreeksnelheid gaat.Er zijn volgens Cicero welhaast evenveel wijzen van stijlgebruik als redenaars. Toch kunnen we uit wat hij over spreekstijl opmerkt een typologie van redenaars en hun stijlgebruik afleiden. Deze typologie betreft een synthese van wat Cicero in beide bovengenoemde werken over spreekstijl opmerkt. Zij bestaat uit vijf typen stijlgebruik: (1) het ideaal van Cicero zelf of het ware Atticisme, (2) gematigd Atticisme, (3) radicaal Atticisme, (4) ornamenteel Asianisme en (5) energetisch Asianisme. De typologie brengt enige orde aan in de grote variëteit aan stijlgebruik van redenaars, zonder deze verscheidenheid te willen ontkennen.
Cicero maakt, beschouwd vanuit zijn ideaaltype, een onderscheid tussen drie verschillende spreekstijlen of genera dicendi: een gematigde of ingehouden stijl (genus subtile), een middenstijl (genus medium) en een verheven stijl (genus grande). De verheven stijl is vol, groots, gewichtig, bloemrijk, krachtig en imposant, maar dit alles op een gecontroleerde, maatvolle en gebalanseerde wijze. De ingehouden stijl is zakelijk, helder, duidelijk en bondig en niet gericht op vermeerdering of amplificatie. In slechts zeer beperkte mate wordt ingezet op verfraaiing en elegantie. De middenstijl is charmant en ligt tussen de twee voorgaande stijlen in. Verfraaiing in woorden en gedachten wordt aan één stuk door in een soepele spreekstroom met mate toegepast.
Cicero's onderscheid in drie stijlen lijkt een ontwikkeling vanuit Aristoteles. In zijn Retorica onderscheidt Aristoteles twee belangrijke deugden voor een goede stijl. Een goede stijl dient allereerst helder en duidelijk te zijn, zodat het publiek begrijpt wat de redenaar zegt. Daarnaast is een geslaagde stijl eveneens sierlijk of uitheems. Uitheemsheid zorgt ervoor dat het spreken eveneens aangenaam is, waardoor de aandacht van het publiek vastgehouden wordt. Aristoteles stelt dat de optimale stijl het juist midden weet te treffen tussen duidelijkheid en uitheemsheid. Deze Aristotelische deugdenleer met betrekking tot de juiste stijl lijkt Cicero omgezet te hebben in een classificatie van drie afzonderlijke stijlen: de ingehouden stijl zet primair in op de deugd van duidelijkheid, de verheven stijl is vooral gericht op de deugd van uitheemsheid en de middenstijl betreft precies het door Aristoteles voorgeschreven passende en deugdzame midden tussen duidelijkheid en uitheemsheid. Bezien vanuit Cicero's classificatie van stijlen lijkt Aristoteles dus vooral ruimte te geven aan de middenstijl. De ingehouden stijl zou Aristoteles te weinig sierlijk en de verheven stijl zou hij te weinig duidelijk gevonden hebben.
Daarnaast introduceert Cicero het onderscheid tussen docere of het publiek kundig onderwijzen, delectare of het publiek behagend binden en movere of het publiek gevoelsmatig bewegen. Hoewel het gaat om doelen van de redevoering of effecten op het publiek doet deze drieslag denken aan het klassieke Aristotelische, maar in laatste instantie op Gorgias teruggaande onderscheid tussen de overtuigingsmiddelen logos, ethos en pathos.
Volgens het Ciceroniaanse ideaal worden de drie spreekstijlen in een redevoering flexibel afgewisseld, afhankelijk van het doel, het beoogde effect en meer algemeen de situatie. Zo past bijvoorbeeld bij kundig onderwijzen vooral de ingehouden stijl, terwijl voor verbindend behagen de middenstijl en voor affectief bewegen de verheven stijl het meest geschikt is. De te hanteren stijl hangt ook af van de aard van het te bespreken thema. Bij een groots onderwerp hoort de verheven stijl en kleine onderwerpen dienen vooral met de ingehouden stijl besproken te worden. De middenstijl verdient de voorkeur zodra gewicht en rijkdom van het materiaal tussen dat van beide voorgaande soorten onderwerpen in ligt. De stijl past zich dus aan de inhoud aan door er gelijke pas mee te houden. Oog hebben voor wat passend is oftewel decorum is dan ook bij uitstek een kwaliteit van de ideale redenaar.
De door de ideale redenaar te kiezen stijl wordt eveneens bepaald door het onderdeel van de redevoering: inleiding en uiteenzetting van de feiten vragen veelal om een ingehouden stijl, terwijl de verheven stijl meestal goed past bij het slot van de redevoering. Voor de bewijsvoering en het weerleggen van argumenten van de tegenpartij is naast de middenstijl eventueel ook de ingehouden of juist verheven stijl geschikt. Dit hangt dan vooral af van het doel van de redevoering en de aard van de te bespreken zaak. Welke stijl passend is, hangt bovendien af van welk overtuigingsmiddel op een bepaald moment de boventoon voert, zoals volgt uit eerdergenoemde associatie tussen onderwijzen, behagen en bewegen en de overtuigingsmiddelen logos, ethos en pathos.
Gematigd Atticisme past de drie stijlen op dezelfde wijze als het Ciceroniaanse ideaal op flexibele wijze toe, maar zet daarbij iedere stijl meer beperkt of strakker in. Toch betreft het een variant die Cicero's goedkeuring nog wel kan dragen. Radicaal Atticisme en beide vormen van Asianisme wijst Cicero echter resoluut van de hand. Radicaal Atticisme is niet alleen problematisch omdat het zich in alle omstandigheden beperkt tot de ingehouden stijl, maar ook omdat het deze stijl versmalt of verarmt tot een dunne, droge, magere, bloedeloze en dorre stijl. Asianisme faalt niet alleen omdat het in alle omstandigheden verheven wil spreken, maar ook omdat het de verheven stijl vervormt en laat ontsporen tot overdaad in sierlijke ornamentiek dan wel opgejaagde verbale energie. Bombastische overdaad in versiering kan aangeduid worden met ornamenteel Asianisme, terwijl bombastische overdaad in intensiteit energetisch Asianisme kan worden genoemd. Ornamenteel Asianisme wordt meer precies gekenmerkt door fraaie, sierlijke, aangename, mooi opgetuigde, symmetrische en tegelijkertijd vaak overbodige formuleringen. Energetisch Asianisme kan daarentegen nader gekarakteriseerd worden door de nadruk op retorische flow, stroom en intensiteit, snel en opgewonden spreken met een constante woordenvloed en daarbij vaak een gekunsteld idioom. De voorgestelde typologie van redenaars voor wat betreft hun stijlgebruik kan als volgt schematisch worden weergegeven:
Ciceroniaanse ideaal (goed of echt Atticisme)
Kundig onderwijzen [Docere]
Ingehouden stijl [genus subtile]
Verbindend behagen [Delectare]
Middenstijl [genus medium]
Affectief bewegen [Movere]
Verheven stijl [genus grande]
Gematigd Atticisme
Docere
Ingehouden stijl
Delectare
Gematigde middenstijl
Movere
Beheerste verheven stijl
Radicaal Atticisme (slecht of oneigenlijk Atticisme)
Docere en delectare
Sobere ingehouden stijl
Movere
Ingehouden stijl
Ornamenteel Asianisme
Docere, delectare en movere
Ornamentele Aziatische verheven stijl
Energetisch Asianisme
Docere, delectare en movere
Energetische Aziatische verheven stijl
De ideale redenaar is volgens Cicero dus de redenaar die alle drie stijlen volledig beheerst en passend en doelgericht afwisselt, zonder te vervallen in mateloze droogheid of tomeloze overdrijving. Dit ideaal belichaamt voor hem het echte of eigenlijke Atticisme. Cicero ontkent dus dat Attisch spreken neerkomt op sober of schraal spreken. Hij begrijpt het goede Attische spreken als zuiver, natuurlijk en passend, maar tegelijkertijd krachtig, veelzijdig en woordrijk spreken. Het ware Attische ideaal berust op de kracht van de gedachte, het ritme van de zin en de emotionele werking van het bloemrijke woord. Het omvat verschillende stijlen zonder gekunsteld of bombastisch te worden en vraagt telkens inzet van de juiste stijl om kundig te onderwijzen, verbindend te behagen en affectief te bewegen.
Gorgias koppelt een volle bloemrijke stijl aan pathos en daarmee aan het bewegen van de ziel. Hij ziet taal als affectieve kracht die via klank, ritme en vorm direct inwerkt op het gemoed. Cicero verwijst in zijn werk meermaals naar Gorgias en leert dat het genus grande oftewel de woordrijke verheven stijl dient te worden gekoppeld aan precies het doel van movere oftewel het bewegen van de ziel. Bovendien meent Cicero dat hierin de eigenlijke of hoogste taak van de ideale redenaar ligt. Dit wijst wederom op invloed van Gorgias op Cicero's retorica. Gorgias vormt een stilistische voorloper van tendensen die later in het Asianisme worden uitvergroot, terwijl Cicero diezelfde tendensen probeert te beheersen en integreren.
Niemand
"Er was bij hen gewoon niemand die iets aan literatuur leek te hebben gedaan met wat meer zorg en aandacht dan gewone mensen. En literatuur is toch de bron van volmaakte welsprekendheid. Er was bij hen gewoon niemand die de filosofie had omarmd, en filosofie is toch de moeder van alle goeds in woorden en daden. Niemand die civiel recht had geleerd, een absolute vereiste voor private zaken en voor het praktisch inzicht van de redenaar. Niemand met kennis van Romeinse geschiedenis, waarmee je indien nodig betrouwbare getuigen uit de doden kunt opwekken. Niemand die met snelle, slimme kwinkslagen over de tegenstander de rechters even liet ontspannen en hun grote ernst kortstondig liet omslaan in uitgelaten gelach. Niemand die een thema breed trok, die een particuliere discussie over een specifieke persoon of omstandigheid omboog naar een betoog over een algemene, universele kwestie. Niemand die ter vermaak even kort een zijpaadje insloeg, niemand die bij rechters grote kwaadheid opwekte, of tranen, niemand die hen in elke richting kon beïnvloeden, al naar gelang de zaak vereiste. En dat is toch eigenlijk het enige wat bij een redenaar hoort." (Romeinse redenaars, Marcus Tullius Cicero, Vertaald door Vincent Hunink, Noordboek Filosofie, 2023, p. 138 (Brutus 322))
Labels:
Brutus,
Cicero,
Retorica,
Romeinse redenaars
woensdag 23 juli 2025
Cicero’s De Officiis en Kants categorisch imperatief
Cicero introduceert in De Officiis avant la lettre Kants categorisch imperatief als universele regel voor juist of verantwoord handelen: "Om zonder fouten een juiste inschatting te kunnen maken wanneer datgene wat we nut noemen strijdig lijkt te zijn met ons begrip van fatsoen, moet er een vaste regel komen; als je je daaraan houdt bij je afweging, verwaarloos je je verantwoordelijkheden nooit. [… Zo is] iets van een ander afnemen en voordeel behalen ten koste van een medemens onnatuurlijker dan de dood, dan armoede, dan pijn, dan al het andere wat ons lichaam of onze bezittingen kan overkomen, want eerst en vooral is het schadelijk voor de hele maatschappij. Als we het namelijk gewoon zijn gaan vinden om een ander van zijn bezittingen te beroven of hem geweld aan te doen, leidt dat onherroepelijk tot de ontwrichting van datgene wat het meest natuurlijk is: de menselijke samenleving. […] Als je je op die manier laat leiden door het algemeen belang en de menselijke samenleving waar ik het zo vaak over heb, zul je altijd weten wat je verantwoordelijkheden zijn.” (174, 176, 179)
Labels:
categorisch imperatief,
Cicero,
De Officiis,
Kant
zaterdag 19 juli 2025
The Essential ‘De Officiis’
Cicero’s De Officiis behoort ontegenzeggelijk tot de grondgrammatica van de Europese cultuur. Terwijl ik verbleef in Mallorca, noteerde ik tijdens het lezen van Cicero's spirituele testament onderstaande.
1. “Nu zijn alle filosofen het er onderling over eens en heb ik zelf ook meer dan eens betoogd dat iemand die één kwaliteit bezit, ze allemaal bezit, en je zou je erover kunnen verbazen dat ik ze nu uit elkaar haal, alsof iemand rechtvaardig zou kunnen zijn zonder een goed stel hersens.” (Cicero, De Officiis, Athenaeum, p. 132)
2. “De meesten verliezen echter rechtvaardigheid vooral uit het oog wanneer de begeerte naar macht, status en roem de overhand neemt. Ennius zegt: ‘Geen band is heilig, geen trouw bestaat voor een koning op zijn troon.’ […] Het probleem bij deze vorm van onrechtvaardigheid is dat het juist de grootste en briljantste geesten zijn waarin het verlangen naar status, macht, invloed en roem zich openbaart.” (33-34)
3. Het beginsel van rechtvaardigheid is anderen geen schade toebrengen en het algemeen goed dienen, aldus Cicero in De Officiis. Velen eeuwen later zouden klassiek liberalen als Locke en J.S. Mill dit versmallen tot slechts het eerste deel en het tweede deel verwaarlozen. Doorgewinterde - tegen communisme aanleunende - socialisten versmallen Cicero’s beginsel in De Officiis tot slechts het tweede deel en verwaarlozen het eerste deel. Beide politieke stromingen, klassiek liberalisme en communistisch socialisme, veronachtzamen dus elk op hun eigen wijze Cicero’s rechtvaardigheidsbeginsel. Eeuwenlang gold De Officiis als bepalend en toonaangevend in het onderwijs. Pas vanaf de moderne tijd nam de invloed van het werk sterk af om vervolgens geheel uit het onderwijs te verdwijnen. Men zou dit wellicht achteraf kunnen betreuren.
4. “Je moet dan ook goed voor ogen houden dat wat er bij Plato over filosofen staat, de lading maar half dekt. Hij zegt namelijk dat die rechtvaardig zijn vanwege het feit dat ze niets geven om de dingen waarnaar de meeste mensen vurig verlangen en waarvoor ze elkaar naar het leven staan. Ze zijn inderdaad rechtvaardig op de eerste manier omdat ze niemand moedwillig kwaad doen, maar ze slaan daarin door en zijn daardoor juist onrechtvaardig op de tweede manier.” (35)
5. “Stel dat je hebt afgesproken om iemand als advocaat bij te staan en dat ondertussen je zoon ernstig ziek wordt. In dat geval is het niet onverantwoordelijk om terug te komen op je belofte. Sterker nog, als die ander begint te klagen, is hij juist degene die zijn verantwoordelijkheid niet neemt.” (37-38) Cicero ageert avant la lettre tegen Kants absolutistische categorische imperatief.
6. “Wat gepast is, is door zijn aard niet te scheiden van wat fatsoenlijk is: wat gepast is, is ook fatsoenlijk en wat fatsoenlijk is, is ook gepast.” (73) Hieruit volgt dat retorica opgevat als leer van het decorum oftewel leer van het passende als het ware versmolten is met het morele.
7. “Zelfs als andere dingen belangrijker of hoogstaander zijn, moet je wat je wilt toch leggen langs de lat van je eigen natuur; het heeft namelijk geen zin om daartegen te strijden of iets te beginnen wat je toch niet kunt afmaken.” (82)
8. “Voor het spreken tot anderen zijn er allerlei leerboeken, leerboeken in de retorica, maar zoiets bestaat niet voor het spreken met anderen, hoewel ik eigenlijk absoluut niet begrijp waarom niet.” (93)
9. “Net zoals een mooi lichaam door de juiste verhoudingen van de ledematen een lust is voor het oog, omdat alle delen zo mooi bij elkaar passen, zo ontlokt ons gedrag, als dat uitblinkt door gepastheid, de goedkeuring van degenen met wie we omgaan, door de orde, standvastigheid en matiging in al onze woorden en daden.” (76)
10. “Maar omdat de middelen van individuele personen beperkt zijn en de hoeveelheid mensen die iets nodig hebben onbeperkt, moet de vrijgevigheid van gewone mensen voldoen aan het criterium van Ennius dat ‘zijn eigen licht net zo goed blijft branden’, zodat we ook in de toekomst in de gelegenheid zijn om iedereen die ons dierbaar is iets te geven.” (50)
11. “Maar als je beleid maar op een deel van de burgers gericht is en je een ander deel verwaarloost, stel je de burgers bloot aan een levensgroot gevaar: politieke onrust en onenigheid. Het gevolg is dat sommigen worden gezien als trouwe democraten, anderen als trouwe aristocraten, maar slechts een handvol als trouwe Romeinen.” (68)
12. “Maar ook wanneer het goed met je gaat en alles loopt zoals je wilt, moet je je best doen om trots, hoogmoed en eigenwaan te vermijden, want het is net zo goed een teken van zwakte als voorspoed je van je stuk brengt als wanneer tegenspoed dat doet.” (71)
13. “Om dezelfde reden is het ook beter om fraai, maar verstandig te kunnen spreken dan hoe scherp ook te kunnen denken zonder het onder woorden te kunnen brengen, want denken draait alleen om jezelf, terwijl welsprekendheid ook gericht is op de mensen met wie we in de samenleving verbonden zijn.” (106)
14. “Toch is er niets zo gepast als in elke situatie en bij elk besluit standvastigheid te bewaren.” (89) Hierbij is standvastigheid een combinatie van zelfbeheersing en dapperheid. Samen met rechtvaardigheid en wijsheid vormen zelfbeheersing en dapperheid volgens Cicero de vier kardinale verantwoordelijkheden of plichten.
15. “Als je bereid bent om goed na te denken over de superioriteit en waardigheid van de mens, begrijp je hoe kwalijk het is om je te wentelen in luxe en een slap en gemakzuchtig leven te leiden, en hoe goed het is als dat sober, ingetogen, beheerst en eenvoudig is.” (79)
16. “Hieruit blijkt dat ‘structuur’ en ‘de juiste plaats’ dezelfde betekenis hebben, want de definitie die ze geven van structuur luidt: een zodanige organisatie dat alles de juiste, passende plaats heeft. […] Een dergelijke structurering moet je ook aanbrengen in je eigen handelingen, zodat ze in je leven, net als in een evenwichtige redevoering, onderling samenhangen en bij elkaar passen.” (98)
17. “Wie wil er immers zo graag de natuur van het universum doorgronden dat hij niet alles laat vallen als zijn vaderland opeens in gevaar is en hij in staat is om de helpende hand te bieden, ook al is hij midden in een onderzoek naar dingen die absoluut het weten waard zijn […]?” (105)
18. “Grootsheid van geest zonder gemeenschapszin […] is een soort van ongeremde wildheid.” (107)
19. “Een huis moet geroemd worden om zijn eigenaar, niet de eigenaar om zijn huis.” (96)
20. “Een daad is alleen rechtvaardig als het uit vrije wil gebeurt.” (35)
21. “Om die reden zal de combinatie van rechtvaardigheid en intelligentie je zoveel je maar wilt helpen om vertrouwen te winnen, rechtvaardigheid zonder gezond verstand is ook heel handig, maar aan gezond verstand zonder rechtvaardigheid heb je niets.” (131)
22. “Echte roem moet wortel schieten en langzaam uitgroeien; alle verzinsels breken af als tere bloempjes en als je doet alsof, zal dat nooit lang duren.” (137)
23. “De welsprekendheid is ons door de natuur gegeven tot heil en behoud van de mensheid.” (141)
24. “Het onderwerp vraagt van me dat ik ook op deze plek laat merken hoezeer het verval, ja, zelfs het einde van de retorica mij ter harte gaat.” (152)
25. “Toen Themistocles door iemand gevraagd werd of hij zijn dochter moest uithuwelijken aan een goede maar arme man of aan een rijke man met een minder goede reputatie, antwoordde hij: ‘Ik heb liever een man zonder geld dan geld zonder man.’” (154)
26. Cicero verwoordt in De Officiis een politiek principe dat vele eeuwen later centraal zou komen te staan in John Lockes politieke filosofie: “Iemand die deelneemt aan het landsbestuur moet er in de eerste plaats op toezien dat iedereen zijn eigen bezit kan hebben en dat de staat het vermogen van individuele burgers intact laat. […] Staten zijn juist ingericht om te zorgen dat het bezit van eenieder intact blijft.” (155)
27. “Publius Scipio […] zei altijd dat hij nooit minder vrije tijd had dan wanneer hij vrije tijd had en nooit minder alleen was dan wanneer hij alleen was. […] Zo maakten twee zaken die voor anderen een reden zijn om te gaan luieren hem juist scherp. […] Ik zou willen dat ik hetzelfde over mezelf kon zeggen, maar ik ben niet sterk genoeg om zijn geweldige geestkracht te evenaren, al kom ik met mijn verlangen ernaar wel dicht in de buurt.” (167)
28. “De hele filosofie is vruchtbaar en lonend, Marcus, en geen van haar onderdelen is nog onontgonnen of ongerept, maar er is geen onderwerp dat rijker is en meer vruchten draagt dan de bespreking van verantwoordelijkheden, waar de principes voor een goed en gelijkmatig leven van zijn afgeleid.” (169)
29. Cicero introduceert in De Officiis avant la lettre Kants categorisch imperatief als universele regel voor juist of verantwoord handelen: "Om zonder fouten een juiste inschatting te kunnen maken wanneer datgene wat we nut noemen strijdig lijkt te zijn met ons begrip van fatsoen, moet er een vaste regel komen; als je je daaraan houdt bij je afweging, verwaarloos je je verantwoordelijkheden nooit. [… Zo is] iets van een ander afnemen en voordeel behalen ten koste van een medemens onnatuurlijker dan de dood, dan armoede, dan pijn, dan al het andere wat ons lichaam of onze bezittingen kan overkomen, want eerst en vooral is het schadelijk voor de hele maatschappij. Als we het namelijk gewoon zijn gaan vinden om een ander van zijn bezittingen te beroven of hem geweld aan te doen, leidt dat onherroepelijk tot de ontwrichting van datgene wat het meest natuurlijk is: de menselijke samenleving. […] Als je je op die manier laat leiden door het algemeen belang en de menselijke samenleving waar ik het zo vaak over heb, zul je altijd weten wat je verantwoordelijkheden zijn.” (174, 176, 179)
30. “Mensen die een onderscheid aanbrengen tussen wat nuttig en wat fatsoenlijk is, ondermijnen de grondslagen van de natuur.” (222)
31. “Het is niet juist omdat het nuttig is, maar het is nuttig omdat het juist is.” (228)
32. “Iemand die zo denkt: ‘Ik vraag me af of het wel juist is, maar het is in ieder geval nuttig’, waagt het om twee dingen die van nature met elkaar verbonden zijn uit elkaar te rukken, en dat is de bron van alle bedrog, misdaad en slechtheid.” (205)
33. “De natuur is de bron van het recht.” (203)
34. “Er bestaat namelijk een band […] met de grootst mogelijke reikwijdte, een band tussen alle mensen onderling […]” (202)
35. “Quintus Scaevola wilde ooit een stuk land kopen en vroeg de verkoper om in één keer zijn definitieve prijs te noemen. De verkoper deed dat en hij antwoordde dat hij het stuk land meer waard vond en bood hem 100.000 sestertiën boven op de vraagprijs. Niemand zal ontkennen dat dat de daad is van een goed man, maar velen vinden het ook de daad van een onverstandig man […]. Dat is het probleem als je een scheiding aanbrengt tussen goed en verstandig.” (198-199)
36. “Bedrog geeft je uitstel, geen afstel.” (231)
37. “Wat maakt het voor verschil of je van een mens verandert in een beest of het uiterlijk van een mens behoudt, maar je ondertussen wel als een beest gedraagt?” (209)
38. “De stoa betoogt dat alles wat fatsoenlijk is waarschijnlijk ook nuttig is en dat er niets nuttigs bestaat wat niet ook fatsoenlijk is. Dat vind ik beter dan betogen dat er handelingen zijn die nuttig zijn maar niet fatsoenlijk, of omgekeerd.” (174-175)
39. Volgens Cicero is een handeling fatsoenlijk of juist dan en slechts dan als het nuttig is. Laat me de kern van Cicero's inzet beknopt weergeven. Een fatsoenlijke of juiste handeling draagt bij aan het duurzaam bevorderen van zowel het individuele welzijn als het welzijn van de samenleving in zijn geheel, wat werkelijk nuttig is. En wat omgekeerd echt of duurzaam nuttig is, is datgene wat het goede bevordert. Maar het goede is per definitie juist. De utilisten menen ook dat een handeling juist is dan en slechts dan als het nuttig is. Maar bij de utilisten volgt dit omdat zij juistheid eenvoudigweg definiëren als datgene wat nuttig is. Dit doet Cicero niet. Hoewel het juiste en nuttige elkaar naadloos overlappen, gaat het volgens hem om twee verschillende concepten en niet om uiteindelijk een en hetzelfde concept zoals bij de utilisten. Bovendien reduceren de utilisten nut tot slechts een calculus van pijn en genot. Dit doet Cicero evenmin.
1. “Nu zijn alle filosofen het er onderling over eens en heb ik zelf ook meer dan eens betoogd dat iemand die één kwaliteit bezit, ze allemaal bezit, en je zou je erover kunnen verbazen dat ik ze nu uit elkaar haal, alsof iemand rechtvaardig zou kunnen zijn zonder een goed stel hersens.” (Cicero, De Officiis, Athenaeum, p. 132)
2. “De meesten verliezen echter rechtvaardigheid vooral uit het oog wanneer de begeerte naar macht, status en roem de overhand neemt. Ennius zegt: ‘Geen band is heilig, geen trouw bestaat voor een koning op zijn troon.’ […] Het probleem bij deze vorm van onrechtvaardigheid is dat het juist de grootste en briljantste geesten zijn waarin het verlangen naar status, macht, invloed en roem zich openbaart.” (33-34)
3. Het beginsel van rechtvaardigheid is anderen geen schade toebrengen en het algemeen goed dienen, aldus Cicero in De Officiis. Velen eeuwen later zouden klassiek liberalen als Locke en J.S. Mill dit versmallen tot slechts het eerste deel en het tweede deel verwaarlozen. Doorgewinterde - tegen communisme aanleunende - socialisten versmallen Cicero’s beginsel in De Officiis tot slechts het tweede deel en verwaarlozen het eerste deel. Beide politieke stromingen, klassiek liberalisme en communistisch socialisme, veronachtzamen dus elk op hun eigen wijze Cicero’s rechtvaardigheidsbeginsel. Eeuwenlang gold De Officiis als bepalend en toonaangevend in het onderwijs. Pas vanaf de moderne tijd nam de invloed van het werk sterk af om vervolgens geheel uit het onderwijs te verdwijnen. Men zou dit wellicht achteraf kunnen betreuren.
4. “Je moet dan ook goed voor ogen houden dat wat er bij Plato over filosofen staat, de lading maar half dekt. Hij zegt namelijk dat die rechtvaardig zijn vanwege het feit dat ze niets geven om de dingen waarnaar de meeste mensen vurig verlangen en waarvoor ze elkaar naar het leven staan. Ze zijn inderdaad rechtvaardig op de eerste manier omdat ze niemand moedwillig kwaad doen, maar ze slaan daarin door en zijn daardoor juist onrechtvaardig op de tweede manier.” (35)
5. “Stel dat je hebt afgesproken om iemand als advocaat bij te staan en dat ondertussen je zoon ernstig ziek wordt. In dat geval is het niet onverantwoordelijk om terug te komen op je belofte. Sterker nog, als die ander begint te klagen, is hij juist degene die zijn verantwoordelijkheid niet neemt.” (37-38) Cicero ageert avant la lettre tegen Kants absolutistische categorische imperatief.
6. “Wat gepast is, is door zijn aard niet te scheiden van wat fatsoenlijk is: wat gepast is, is ook fatsoenlijk en wat fatsoenlijk is, is ook gepast.” (73) Hieruit volgt dat retorica opgevat als leer van het decorum oftewel leer van het passende als het ware versmolten is met het morele.
7. “Zelfs als andere dingen belangrijker of hoogstaander zijn, moet je wat je wilt toch leggen langs de lat van je eigen natuur; het heeft namelijk geen zin om daartegen te strijden of iets te beginnen wat je toch niet kunt afmaken.” (82)
8. “Voor het spreken tot anderen zijn er allerlei leerboeken, leerboeken in de retorica, maar zoiets bestaat niet voor het spreken met anderen, hoewel ik eigenlijk absoluut niet begrijp waarom niet.” (93)
9. “Net zoals een mooi lichaam door de juiste verhoudingen van de ledematen een lust is voor het oog, omdat alle delen zo mooi bij elkaar passen, zo ontlokt ons gedrag, als dat uitblinkt door gepastheid, de goedkeuring van degenen met wie we omgaan, door de orde, standvastigheid en matiging in al onze woorden en daden.” (76)
10. “Maar omdat de middelen van individuele personen beperkt zijn en de hoeveelheid mensen die iets nodig hebben onbeperkt, moet de vrijgevigheid van gewone mensen voldoen aan het criterium van Ennius dat ‘zijn eigen licht net zo goed blijft branden’, zodat we ook in de toekomst in de gelegenheid zijn om iedereen die ons dierbaar is iets te geven.” (50)
11. “Maar als je beleid maar op een deel van de burgers gericht is en je een ander deel verwaarloost, stel je de burgers bloot aan een levensgroot gevaar: politieke onrust en onenigheid. Het gevolg is dat sommigen worden gezien als trouwe democraten, anderen als trouwe aristocraten, maar slechts een handvol als trouwe Romeinen.” (68)
12. “Maar ook wanneer het goed met je gaat en alles loopt zoals je wilt, moet je je best doen om trots, hoogmoed en eigenwaan te vermijden, want het is net zo goed een teken van zwakte als voorspoed je van je stuk brengt als wanneer tegenspoed dat doet.” (71)
13. “Om dezelfde reden is het ook beter om fraai, maar verstandig te kunnen spreken dan hoe scherp ook te kunnen denken zonder het onder woorden te kunnen brengen, want denken draait alleen om jezelf, terwijl welsprekendheid ook gericht is op de mensen met wie we in de samenleving verbonden zijn.” (106)
14. “Toch is er niets zo gepast als in elke situatie en bij elk besluit standvastigheid te bewaren.” (89) Hierbij is standvastigheid een combinatie van zelfbeheersing en dapperheid. Samen met rechtvaardigheid en wijsheid vormen zelfbeheersing en dapperheid volgens Cicero de vier kardinale verantwoordelijkheden of plichten.
15. “Als je bereid bent om goed na te denken over de superioriteit en waardigheid van de mens, begrijp je hoe kwalijk het is om je te wentelen in luxe en een slap en gemakzuchtig leven te leiden, en hoe goed het is als dat sober, ingetogen, beheerst en eenvoudig is.” (79)
16. “Hieruit blijkt dat ‘structuur’ en ‘de juiste plaats’ dezelfde betekenis hebben, want de definitie die ze geven van structuur luidt: een zodanige organisatie dat alles de juiste, passende plaats heeft. […] Een dergelijke structurering moet je ook aanbrengen in je eigen handelingen, zodat ze in je leven, net als in een evenwichtige redevoering, onderling samenhangen en bij elkaar passen.” (98)
17. “Wie wil er immers zo graag de natuur van het universum doorgronden dat hij niet alles laat vallen als zijn vaderland opeens in gevaar is en hij in staat is om de helpende hand te bieden, ook al is hij midden in een onderzoek naar dingen die absoluut het weten waard zijn […]?” (105)
18. “Grootsheid van geest zonder gemeenschapszin […] is een soort van ongeremde wildheid.” (107)
19. “Een huis moet geroemd worden om zijn eigenaar, niet de eigenaar om zijn huis.” (96)
20. “Een daad is alleen rechtvaardig als het uit vrije wil gebeurt.” (35)
21. “Om die reden zal de combinatie van rechtvaardigheid en intelligentie je zoveel je maar wilt helpen om vertrouwen te winnen, rechtvaardigheid zonder gezond verstand is ook heel handig, maar aan gezond verstand zonder rechtvaardigheid heb je niets.” (131)
22. “Echte roem moet wortel schieten en langzaam uitgroeien; alle verzinsels breken af als tere bloempjes en als je doet alsof, zal dat nooit lang duren.” (137)
23. “De welsprekendheid is ons door de natuur gegeven tot heil en behoud van de mensheid.” (141)
24. “Het onderwerp vraagt van me dat ik ook op deze plek laat merken hoezeer het verval, ja, zelfs het einde van de retorica mij ter harte gaat.” (152)
25. “Toen Themistocles door iemand gevraagd werd of hij zijn dochter moest uithuwelijken aan een goede maar arme man of aan een rijke man met een minder goede reputatie, antwoordde hij: ‘Ik heb liever een man zonder geld dan geld zonder man.’” (154)
26. Cicero verwoordt in De Officiis een politiek principe dat vele eeuwen later centraal zou komen te staan in John Lockes politieke filosofie: “Iemand die deelneemt aan het landsbestuur moet er in de eerste plaats op toezien dat iedereen zijn eigen bezit kan hebben en dat de staat het vermogen van individuele burgers intact laat. […] Staten zijn juist ingericht om te zorgen dat het bezit van eenieder intact blijft.” (155)
27. “Publius Scipio […] zei altijd dat hij nooit minder vrije tijd had dan wanneer hij vrije tijd had en nooit minder alleen was dan wanneer hij alleen was. […] Zo maakten twee zaken die voor anderen een reden zijn om te gaan luieren hem juist scherp. […] Ik zou willen dat ik hetzelfde over mezelf kon zeggen, maar ik ben niet sterk genoeg om zijn geweldige geestkracht te evenaren, al kom ik met mijn verlangen ernaar wel dicht in de buurt.” (167)
28. “De hele filosofie is vruchtbaar en lonend, Marcus, en geen van haar onderdelen is nog onontgonnen of ongerept, maar er is geen onderwerp dat rijker is en meer vruchten draagt dan de bespreking van verantwoordelijkheden, waar de principes voor een goed en gelijkmatig leven van zijn afgeleid.” (169)
29. Cicero introduceert in De Officiis avant la lettre Kants categorisch imperatief als universele regel voor juist of verantwoord handelen: "Om zonder fouten een juiste inschatting te kunnen maken wanneer datgene wat we nut noemen strijdig lijkt te zijn met ons begrip van fatsoen, moet er een vaste regel komen; als je je daaraan houdt bij je afweging, verwaarloos je je verantwoordelijkheden nooit. [… Zo is] iets van een ander afnemen en voordeel behalen ten koste van een medemens onnatuurlijker dan de dood, dan armoede, dan pijn, dan al het andere wat ons lichaam of onze bezittingen kan overkomen, want eerst en vooral is het schadelijk voor de hele maatschappij. Als we het namelijk gewoon zijn gaan vinden om een ander van zijn bezittingen te beroven of hem geweld aan te doen, leidt dat onherroepelijk tot de ontwrichting van datgene wat het meest natuurlijk is: de menselijke samenleving. […] Als je je op die manier laat leiden door het algemeen belang en de menselijke samenleving waar ik het zo vaak over heb, zul je altijd weten wat je verantwoordelijkheden zijn.” (174, 176, 179)
30. “Mensen die een onderscheid aanbrengen tussen wat nuttig en wat fatsoenlijk is, ondermijnen de grondslagen van de natuur.” (222)
31. “Het is niet juist omdat het nuttig is, maar het is nuttig omdat het juist is.” (228)
32. “Iemand die zo denkt: ‘Ik vraag me af of het wel juist is, maar het is in ieder geval nuttig’, waagt het om twee dingen die van nature met elkaar verbonden zijn uit elkaar te rukken, en dat is de bron van alle bedrog, misdaad en slechtheid.” (205)
33. “De natuur is de bron van het recht.” (203)
34. “Er bestaat namelijk een band […] met de grootst mogelijke reikwijdte, een band tussen alle mensen onderling […]” (202)
35. “Quintus Scaevola wilde ooit een stuk land kopen en vroeg de verkoper om in één keer zijn definitieve prijs te noemen. De verkoper deed dat en hij antwoordde dat hij het stuk land meer waard vond en bood hem 100.000 sestertiën boven op de vraagprijs. Niemand zal ontkennen dat dat de daad is van een goed man, maar velen vinden het ook de daad van een onverstandig man […]. Dat is het probleem als je een scheiding aanbrengt tussen goed en verstandig.” (198-199)
36. “Bedrog geeft je uitstel, geen afstel.” (231)
37. “Wat maakt het voor verschil of je van een mens verandert in een beest of het uiterlijk van een mens behoudt, maar je ondertussen wel als een beest gedraagt?” (209)
38. “De stoa betoogt dat alles wat fatsoenlijk is waarschijnlijk ook nuttig is en dat er niets nuttigs bestaat wat niet ook fatsoenlijk is. Dat vind ik beter dan betogen dat er handelingen zijn die nuttig zijn maar niet fatsoenlijk, of omgekeerd.” (174-175)
39. Volgens Cicero is een handeling fatsoenlijk of juist dan en slechts dan als het nuttig is. Laat me de kern van Cicero's inzet beknopt weergeven. Een fatsoenlijke of juiste handeling draagt bij aan het duurzaam bevorderen van zowel het individuele welzijn als het welzijn van de samenleving in zijn geheel, wat werkelijk nuttig is. En wat omgekeerd echt of duurzaam nuttig is, is datgene wat het goede bevordert. Maar het goede is per definitie juist. De utilisten menen ook dat een handeling juist is dan en slechts dan als het nuttig is. Maar bij de utilisten volgt dit omdat zij juistheid eenvoudigweg definiëren als datgene wat nuttig is. Dit doet Cicero niet. Hoewel het juiste en nuttige elkaar naadloos overlappen, gaat het volgens hem om twee verschillende concepten en niet om uiteindelijk een en hetzelfde concept zoals bij de utilisten. Bovendien reduceren de utilisten nut tot slechts een calculus van pijn en genot. Dit doet Cicero evenmin.
donderdag 2 september 2021
Antapodosis
"Want zoals stormen vaak voorspelbaar zijn op grond van een duidelijk herkenbaar weerbeeld, vaak ook echter volstrekt onverwacht en onverklaarbaar door een duistere oorzaak opgezweept worden, zo kan men van deze politieke stormen vaak begrijpen door welke oorzaak ze op gang gebracht zijn, maar is dat vaak ook zo duister, dat het wel lijkt of ze zonder enige oorzaak opgestoken zijn." (Cicero, Pro Murena 17.36)
zondag 3 maart 2019
Crassus over dialectiek in De Oratore
“Het zou me niets verbazen, als je er in je hart heel anders over denkt en hier alleen een staaltje weggeeft van je bijzondere bedrevenheid in tegenargumentatie, waarin je inderdaad onovertroffen bent. Dit is nu precies een vaardigheid die behoort tot het specifieke oefenterrein van de redenaar, al is ze intussen ook onder filosofen in zwang gekomen, vooral onder diegenen die over elke zaak die hun wordt voorgelegd zeer uitvoerig twee tegengestelde standpunten plegen te verdedigen.” (Cicero, De Oratore, p. 146)
Dit is een buitengewoon interessante vindplaats, waarin feitelijk wordt gesteld dat wijsgerige dialectiek (zoals bedreven door Socrates, beschreven door Plato in de Phaedrus en uitgewerkt door Aristoteles in de Topica) is voortgekomen uit de retorische praktijk van het publiekelijk weerleggen van een opponent tijdens openbare volksvergaderingen en rechtzittingen. Hieraan verwant is dan de gedachte dat 'het vraagstuk' in de dialectiek teruggaat op het feitenrelaas of de voorstelling van zaken aan het begin van een redevoering, en 'de oplossing' in de dialectiek teruggaat op het betoog in het midden ervan.
Dit is een buitengewoon interessante vindplaats, waarin feitelijk wordt gesteld dat wijsgerige dialectiek (zoals bedreven door Socrates, beschreven door Plato in de Phaedrus en uitgewerkt door Aristoteles in de Topica) is voortgekomen uit de retorische praktijk van het publiekelijk weerleggen van een opponent tijdens openbare volksvergaderingen en rechtzittingen. Hieraan verwant is dan de gedachte dat 'het vraagstuk' in de dialectiek teruggaat op het feitenrelaas of de voorstelling van zaken aan het begin van een redevoering, en 'de oplossing' in de dialectiek teruggaat op het betoog in het midden ervan.
Labels:
Cicero,
Crassus,
De Oratore,
dialectiek,
Retorica
zaterdag 29 december 2018
Sharon Streets Darwinian Dilemma en Cicero's De natura deorum
De kernintuïtie in Sharon Streets A Darwinian Dilemma for Realist Theories of Value vinden we reeds verwoord in Cicero's De natura deorum. Vervang hiertoe in onderstaande passage het lijken op de goden door het bezitten van kennis van onafhankelijke morele waarheden:
"Wat was dat voor geweldig toeval - want de rede heeft volgens jullie geen rol gespeeld in het ontstaan van de dingen - wat was dat dus voor geweldige samenloop van omstandigheden, vanwaar die gelukkige samenkomst van atomen, dat er plotseling mensen met een goddelijke gedaante werden geboren? Goddelijk zaad is vanaf de hemel op de aarde gestort en daardoor ontstond het mensdom, naar de gelijkenis van zijn verwekkers, moeten we dat misschien geloven? Zeiden jullie dat maar! Ik zou niet ongenegen zijn mijn verwantschap met de goden te erkennen. Maar jullie zeggen niets van dien aard, nee, het berust louter op toeval dat we op de goden lijken. Moet ik nu nog argumenten zoeken om dit te bestrijden? Kon ik maar net zo makkelijk de waarheid vinden als onwaarheid weerleggen." (Cicero, Het bestaan van de goden, vertaling Vincent Hunink, Inleiding Rogier van der Wal, Damon, 2018, p. 53)
"Wat was dat voor geweldig toeval - want de rede heeft volgens jullie geen rol gespeeld in het ontstaan van de dingen - wat was dat dus voor geweldige samenloop van omstandigheden, vanwaar die gelukkige samenkomst van atomen, dat er plotseling mensen met een goddelijke gedaante werden geboren? Goddelijk zaad is vanaf de hemel op de aarde gestort en daardoor ontstond het mensdom, naar de gelijkenis van zijn verwekkers, moeten we dat misschien geloven? Zeiden jullie dat maar! Ik zou niet ongenegen zijn mijn verwantschap met de goden te erkennen. Maar jullie zeggen niets van dien aard, nee, het berust louter op toeval dat we op de goden lijken. Moet ik nu nog argumenten zoeken om dit te bestrijden? Kon ik maar net zo makkelijk de waarheid vinden als onwaarheid weerleggen." (Cicero, Het bestaan van de goden, vertaling Vincent Hunink, Inleiding Rogier van der Wal, Damon, 2018, p. 53)
Labels:
Cicero,
Darwinian Dilemma,
De natura deorum,
Sharon Street
Abonneren op:
Posts (Atom)


