In zijn Brutus en Orator gaat Cicero onder andere in op het stijlgebruik van redenaars. Stijl is volgens Cicero cruciaal voor de redenaar omdat spreekstijl het meest eigen is aan de retorica, meer nog dan de taken van het vinden, ordenen en onthouden van wat gezegd moet worden. Bovendien wordt volgens Cicero iedere redenaar uiteindelijk in meest eigenlijke zin gekenmerkt door zijn eigen specifieke stijl van spreken. Stijl heeft betrekking op de taken verwoording én voordracht, omdat het zowel om woordkeuze en woordvolgorde als om stemgebruik en spreeksnelheid gaat.
Er zijn volgens Cicero welhaast evenveel wijzen van stijlgebruik als redenaars. Toch kunnen we uit wat hij over spreekstijl opmerkt een typologie van redenaars en hun stijlgebruik afleiden. Deze typologie betreft een synthese van wat Cicero in beide bovengenoemde werken over spreekstijl opmerkt. Zij bestaat uit vijf typen stijlgebruik: (1) het ideaal van Cicero zelf of het ware Atticisme, (2) gematigd Atticisme, (3) radicaal Atticisme, (4) ornamenteel Asianisme en (5) energetisch Asianisme. De typologie brengt enige orde aan in de grote variëteit aan stijlgebruik van redenaars, zonder deze verscheidenheid te willen ontkennen.
Cicero maakt, beschouwd vanuit zijn ideaaltype, een onderscheid tussen drie verschillende spreekstijlen of genera dicendi: een gematigde of ingehouden stijl (genus subtile), een middenstijl (genus medium) en een verheven stijl (genus grande). De verheven stijl is vol, groots, gewichtig, bloemrijk, krachtig en imposant, maar dit alles op een gecontroleerde, maatvolle en gebalanseerde wijze. De ingehouden stijl is zakelijk, helder, duidelijk en bondig en niet gericht op vermeerdering of amplificatie. In slechts zeer beperkte mate wordt ingezet op verfraaiing en elegantie. De middenstijl is charmant en ligt tussen de twee voorgaande stijlen in. Verfraaiing in woorden en gedachten wordt aan één stuk door in een soepele spreekstroom met mate toegepast.
Cicero's onderscheid in drie stijlen lijkt een ontwikkeling vanuit Aristoteles. In zijn Retorica onderscheidt Aristoteles twee belangrijke deugden voor een goede stijl. Een goede stijl dient allereerst helder en duidelijk te zijn, zodat het publiek begrijpt wat de redenaar zegt. Daarnaast is een geslaagde stijl eveneens sierlijk of uitheems. Uitheemsheid zorgt ervoor dat het spreken eveneens aangenaam is, waardoor de aandacht van het publiek vastgehouden wordt. Aristoteles stelt dat de optimale stijl het juist midden weet te treffen tussen duidelijkheid en uitheemsheid. Deze Aristotelische deugdenleer met betrekking tot de juiste stijl lijkt Cicero omgezet te hebben in een classificatie van drie afzonderlijke stijlen: de ingehouden stijl zet primair in op de deugd van duidelijkheid, de verheven stijl is vooral gericht op de deugd van uitheemsheid en de middenstijl betreft precies het door Aristoteles voorgeschreven passende en deugdzame midden tussen duidelijkheid en uitheemsheid. Bezien vanuit Cicero's classificatie van stijlen lijkt Aristoteles dus vooral ruimte te geven aan de middenstijl. De ingehouden stijl zou Aristoteles te weinig sierlijk en de verheven stijl zou hij te weinig duidelijk gevonden hebben.
Daarnaast introduceert Cicero het onderscheid tussen docere of het publiek kundig onderwijzen, delectare of het publiek behagend binden en movere of het publiek gevoelsmatig bewegen. Hoewel het gaat om doelen van de redevoering of effecten op het publiek doet deze drieslag denken aan het klassieke Aristotelische, maar in laatste instantie op Gorgias teruggaande onderscheid tussen de overtuigingsmiddelen logos, ethos en pathos.
Volgens het Ciceroniaanse ideaal worden de drie spreekstijlen in een redevoering flexibel afgewisseld, afhankelijk van het doel, het beoogde effect en meer algemeen de situatie. Zo past bijvoorbeeld bij kundig onderwijzen vooral de ingehouden stijl, terwijl voor verbindend behagen de middenstijl en voor affectief bewegen de verheven stijl het meest geschikt is. De te hanteren stijl hangt ook af van de aard van het te bespreken thema. Bij een groots onderwerp hoort de verheven stijl en kleine onderwerpen dienen vooral met de ingehouden stijl besproken te worden. De middenstijl verdient de voorkeur zodra gewicht en rijkdom van het materiaal tussen dat van beide voorgaande soorten onderwerpen in ligt. De stijl past zich dus aan de inhoud aan door er gelijke pas mee te houden. Oog hebben voor wat passend is oftewel decorum is dan ook bij uitstek een kwaliteit van de ideale redenaar.
De door de ideale redenaar te kiezen stijl wordt eveneens bepaald door het onderdeel van de redevoering: inleiding en uiteenzetting van de feiten vragen veelal om een ingehouden stijl, terwijl de verheven stijl meestal goed past bij het slot van de redevoering. Voor de bewijsvoering en het weerleggen van argumenten van de tegenpartij is naast de middenstijl eventueel ook de ingehouden of juist verheven stijl geschikt. Dit hangt dan vooral af van het doel van de redevoering en de aard van de te bespreken zaak. Welke stijl passend is, hangt bovendien af van welk overtuigingsmiddel op een bepaald moment de boventoon voert, zoals volgt uit eerdergenoemde associatie tussen onderwijzen, behagen en bewegen en de overtuigingsmiddelen logos, ethos en pathos.
Gematigd Atticisme past de drie stijlen op dezelfde wijze als het Ciceroniaanse ideaal op flexibele wijze toe, maar zet daarbij iedere stijl meer beperkt of strakker in. Toch betreft het een variant die Cicero's goedkeuring nog wel kan dragen. Radicaal Atticisme en beide vormen van Asianisme wijst Cicero echter resoluut van de hand. Radicaal Atticisme is niet alleen problematisch omdat het zich in alle omstandigheden beperkt tot de ingehouden stijl, maar ook omdat het deze stijl versmalt of verarmt tot een dunne, droge, magere, bloedeloze en dorre stijl. Asianisme faalt niet alleen omdat het in alle omstandigheden verheven wil spreken, maar ook omdat het de verheven stijl vervormt en laat ontsporen tot overdaad in sierlijke ornamentiek dan wel opgejaagde verbale energie. Bombastische overdaad in versiering kan aangeduid worden met ornamenteel Asianisme, terwijl bombastische overdaad in intensiteit energetisch Asianisme kan worden genoemd. Ornamenteel Asianisme wordt meer precies gekenmerkt door fraaie, sierlijke, aangename, mooi opgetuigde, symmetrische en tegelijkertijd vaak overbodige formuleringen. Energetisch Asianisme kan daarentegen nader gekarakteriseerd worden door de nadruk op retorische flow, stroom en intensiteit, snel en opgewonden spreken met een constante woordenvloed en daarbij vaak een gekunsteld idioom. De voorgestelde typologie van redenaars voor wat betreft hun stijlgebruik kan als volgt schematisch worden weergegeven:
Ciceroniaanse ideaal (goed of echt Atticisme)
Kundig onderwijzen [Docere]
Ingehouden stijl [genus subtile]
Verbindend behagen [Delectare]
Middenstijl [genus medium]
Affectief bewegen [Movere]
Verheven stijl [genus grande]
Gematigd Atticisme
Docere
Ingehouden stijl
Delectare
Gematigde middenstijl
Movere
Beheerste verheven stijl
Radicaal Atticisme (slecht of oneigenlijk Atticisme)
Docere en delectare
Sobere ingehouden stijl
Movere
Ingehouden stijl
Ornamenteel Asianisme
Docere, delectare en movere
Ornamentele Aziatische verheven stijl
Energetisch Asianisme
Docere, delectare en movere
Energetische Aziatische verheven stijl
De ideale redenaar is volgens Cicero dus de redenaar die alle drie stijlen volledig beheerst en passend en doelgericht afwisselt, zonder te vervallen in mateloze droogheid of tomeloze overdrijving. Dit ideaal belichaamt voor hem het echte of eigenlijke Atticisme. Cicero ontkent dus dat Attisch spreken neerkomt op sober of schraal spreken. Hij begrijpt het goede Attische spreken als zuiver, natuurlijk en passend, maar tegelijkertijd krachtig, veelzijdig en woordrijk spreken. Het ware Attische ideaal berust op de kracht van de gedachte, het ritme van de zin en de emotionele werking van het bloemrijke woord. Het omvat verschillende stijlen zonder gekunsteld of bombastisch te worden en vraagt telkens inzet van de juiste stijl om kundig te onderwijzen, verbindend te behagen en affectief te bewegen.
Gorgias koppelt een volle bloemrijke stijl aan pathos en daarmee aan het bewegen van de ziel. Hij ziet taal als affectieve kracht die via klank, ritme en vorm direct inwerkt op het gemoed. Cicero verwijst in zijn werk meermaals naar Gorgias en leert dat het genus grande oftewel de woordrijke verheven stijl dient te worden gekoppeld aan precies het doel van movere oftewel het bewegen van de ziel. Bovendien meent Cicero dat hierin de eigenlijke of hoogste taak van de ideale redenaar ligt. Dit wijst wederom op invloed van Gorgias op Cicero's retorica. Gorgias vormt een stilistische voorloper van tendensen die later in het Asianisme worden uitvergroot, terwijl Cicero diezelfde tendensen probeert te beheersen en integreren.
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
In zijn Brutus en Orator gaat Cicero onder andere in op het stijlgebruik van redenaars. Stijl is volgens Cicero cruciaal voor de redenaar omdat spreekstijl het meest eigen is aan de retorica, meer nog dan de taken van het vinden, ordenen en onthouden van wat gezegd moet worden. Bovendien wordt volgens Cicero iedere redenaar uiteindelijk in meest eigenlijke zin gekenmerkt door zijn eigen specifieke stijl van spreken. Stijl heeft betrekking op de taken verwoording én voordracht, omdat het zowel om woordkeuze en woordvolgorde als om stemgebruik en spreeksnelheid gaat.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten