Tonight we are debating the question whether or not God exists. With the added twist: Can science prove that? Twisted indeed! Of course the answer to that last question is simply no: science cannot prove God. And science cannot disprove God. There is simply no way that I can go into my lab and do the definitive ‘God experiment’!
Yet, we can search and find God. I was reminded by what Jesus Christ called the greatest commandment: ‘To love God with all your heart, with all your soul, with all your strength, and with all your mind.’ Interestingly, Jesus emphasizes loving God with both your heart and your mind. Likewise, I think we should search for God with both our heart and with our mind.
‘Mind’ takes center stage tonight. Indeed, we can use our minds to weigh evidence for the existence of God.(*) While ‘absolute proof’ is impossible, we can certainly examine many scientific facts that are pointers to the existence of God. In such pointers, one focuses not so much on the specific scientific results themselves, but one reflects on their wider implications.
Think, for example, of the laws of nature, where do they come from? A Lawgiver is a natural suggestion for the intrinsic order discovered in the natural world. Or take cognitive psychology where research has shown that children have a natural tendency to believe in God. Or take the big bang, the absolute beginning of energy, matter, space and time. What caused that big bang? Clearly this first cause must have been something hugely powerful beyond matter and outside space and time – a description that comes very close to what most people would call ‘God’.
Or take the ‘finetuning’ of the universe(**): I have been impressed by the fact that our cosmos has been found to have exactly those properties that allow for life. It could have been otherwise but the physical constants of nature (like the strength of gravity) and the beginning state of the universe (like its density) need to have extremely precise values to enable life. These values deduce, for example, the expansion speed of the universe. If the expansion would proceed a tiny bit too rapidly, galaxies and stars could not form; if a tiny bit too slow, the universe would collapse before life could evolve. And that ‘tiny bit’ comes ridiculously precise – an estimate for cosmological constant indicates a precision of 1 in 1053! That’s like throwing darts where the dartboard is the size of the universe and you hit the bullseye that is the size of your fingertip! So, what does this all mean? ‘Random chance’ simply is not a rational explanation anymore. In my opinion, this extreme finetuning points towards a provident God who wanted to create a universe with humans.
One could go on and on and discuss many such pointers to the existence of God. But, these ‘questions for the mind’ are not the full story. The God question ultimately is a deep existential question, a question of the heart. Pascal famously said ‘The heart has its reasons which the mind knows nothing of.’ Indeed! All of us know the existential questions of the heart: Who am I? What is the meaning of my life? Is there a God?
Let me tell you my personal story. Since my teenage years, I have experienced a sense of meaning in life. Looking at the staggeringly complex world around me, I simply cannot convince myself that all this chain of being is at bottom utterly senseless. I have pondered the option of becoming an atheist, but I cannot persuade myself. I would have to declare so many things as illusionary: my inner sense of purpose, my experiences of God, dignity of man, altruistic goodwill towards others, even my own free will,... According to atheism, these are all illusions that my brain tricks me with, ultimately all merely spontaneous eruptions of a random chain of atomic collisions. I find this bleak picture of atheism entirely unconvincing.
By contrast, I find faith in God so much more credible. The Christian worldview provides a coherent and robust understanding of reality where all those so-called illusions naturally fall into place: purpose, man’s dignity, free will, and so on – it suddenly all makes sense.
The existential questions of the heart thus point me to God – in a way that far surpasses the pointers of the mind. So, lets search for God. With all of our mind, but surely also with all of our heart.
(*) An excellent book (in Dutch) on this theme is ‘God bewijzen’ by Stefan Paas & Rik Peels.
(**) See e.g. http://biologos.org/questions/fine-tuning
Cees Dekker, ‘column’ spoken at the Veritas Forum, Delft, March 19, 2014
Posts tonen met het label Cees Dekker. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Cees Dekker. Alle posts tonen
maandag 24 maart 2014
zondag 24 februari 2013
Nanotechnologie en de 'Big Questions'
Hoogleraar moleculaire biofysica Cees Dekker gaf afgelopen vrijdag een lezing over nanobiologie tijdens het VU symposium "Science and the Big Questions". Dit symposium werd gehouden ter gelegenheid van de opening van het Abraham Kuyper Centre for Science and Religion. Dekker bood de aanwezigen een fascinerende kijk in de wereld van de nanotechnologie. Aan het eind van zijn presentatie noemde hij eveneens een paar met nano samenhangende 'Big Questions', zoals de vraag wat leven nu eigenlijk is en of wij als mensheid ooit in staat zullen zijn leven te produceren. Na zijn lezing trad ik kort op als respondent. Onderstaande bijdrage is een bewerkte versie van mijn response.
Dekkers verhaal maakt duidelijk dat nanobiologie een zeer grote impact op ons leven zal hebben. Het is dan ook inderdaad van belang om na te denken over de meer fundamentele vragen die deze ontwikkelingen oproepen, zowel op het gebied van de ethiek als op het terrein van de metafysica. Laten we eens een paar relevante fundamentele kwesties bekijken.
Uit Dekkers lezing valt op te maken dat de nanobiologie ons leven definitief en radicaal zal veranderen. Nano zal op termijn zelfs dieper ingrijpen op onszelf en onze leefwereld dan de stoommachine, de elektriciteit en de computer hebben gedaan. De keuzes die nu gemaakt worden zullen dan ook een enorme invloed hebben op de toekomst van onze wereld. Bovendien zijn deze keuzes zeer lastig omdat, zoals Dekker aangaf, de impact van nano op de wereld voor ons vooralsnog heel moeilijk voorspelbaar is. Wij overzien op dit moment niet of nauwelijks hoe nanotechnologie onszelf en onze wereld zal transformeren.
Dit roept de vraag op hoe op zorgvuldige wijze besloten kan worden welke nano onderzoeksvragen wel en niet opgepakt zouden moeten worden. Is de beslissing welke nano projecten opgestart worden een strikt natuurwetenschappelijke aangelegenheid? Kunnen natuurwetenschappers louter op grond van natuurwetenschappelijke criteria deze beslissingen zelf nemen? Of is voor het verantwoord nemen van dit soort beslissingen ook expertise van buiten de natuurwetenschappen vereist? En zo ja, om wat voor een soort expertise gaat het dan? Gaat het alleen om andersoortige wetenschappelijke kennis, zoals de kennis van medici, psychologen, sociologen en economen? Of moeten we gelet op de aard van de problematiek ook denken aan expertise die niet van wetenschappelijke aard is? Maar om wat voor een soort niet-wetenschappelijke expertise zou het dan kunnen gaan? Moeten we vooral denken aan wijsgerige inzichten, zoals inzichten op het gebied van de moraalfilosofie? Of bestaan er ook andere vormen van niet-wetenschappelijke kennis die in dit verband relevant of zelfs cruciaal kunnen zijn? Met deze vraag zijn we aanbeland bij het soort vragen waarop het 'Science beyond Scientism' project binnen het Abraham Kuyper Centre zich zal gaan richten. Dekkers verhaal maakt duidelijk dat dit niet onbelangrijk is.
Daarnaast lijkt het erop dat door nano het al millenia lang voor de mensheid vanzelfsprekende onderscheid tussen natuur en techniek, of wellicht beter, tussen natuur en cultuur, verder zal vervagen en ten slotte zelfs geheel zal verdwijnen. Zodra in bijna alles wat bestaat nanotechnologie aanwezig is, en dus bijna alles deels menselijk artefact is, zal het voor ons steeds moeilijker worden om de dingen in onze leefwereld te herkennen als natuur of als menselijk maaksel. Dit is echter nog niets vergeleken bij wat er gebeurd zodra nanomaaksels en natuurobjecten spontaan en ongecontroleerd onderling allerlei nieuwe verbindingen aangaan die vervolgens ook onderhevig worden aan evolutionaire processen. Vanaf dat moment zal er een totale vervlechting tussen natuurobjecten en menselijke maaksels optreden. We komen dan pas echt, om met de filosoof Bruno Latour te spreken, terecht in een wereld van hybrids, een wereld van quasi-natuurobjecten en quasi-maaksels die onmogelijk nog begrepen kunnen worden als natuur of als menselijk voortbrengsel.
De vraag is wat dit toekomstperspectief ons nu reeds zegt over ons beeld van de werkelijkheid en over ons beeld van onszelf. Wat betekent het anders gezegd voor ons wereldbeeld als er straks geen betekenisvol verschil meer bestaat tussen natuur en maaksel, als straks alles natuur en maaksel tegelijk is, of misschien beter, als straks niets nog natuur of maaksel is? Dit lijken mij intrigerende fundamentele vragen waarop het antwoord volgens mij zeker niet alleen van de wetenschap zelf kan komen.
Ook op meer praktisch niveau zijn hier belangrijke fundamentele vragen te stellen. Er lijkt een groot risico te bestaan dat allerlei in het wild uitgezette nanotechnologie op enig moment om wat voor reden dan ook niet langer wenselijk is. Maar wat dan? Moeten we dan speciale nanotechnologie gaan inzetten om allerlei 'nano vervuilingen' weer ongedaan te maken? Maar belanden we zo niet in een hopeloze regressie? Bovendien lijkt het waarschijnlijk dat tegen die tijd nano schoonmaakoperaties technisch niet langer mogelijk zijn omdat de op te ruimen nanomaaksels zich dan al te diep in de natuur genesteld hebben. Of, wellicht nog veel problematischer, omdat tegen die tijd überhaupt het verschil tussen natuur en menselijk maaksel is verdwenen, zodat de notie van het verwijderen van nanotechnologie uit de natuur eenvoudigweg betekenisloos is geworden.
Verder ging Dekker kort in op de zogenaamde convergentiethese. Er is sprake van een steeds verder toenemende overlap tussen nano, bio (biologie), info (informatie) en cogno (cognitie, bewustzijn). Dekker gaf een aantal mooie voorbeelden van nano/bio en nano/info convergentie. Maar het plaatje dat hij liet zien toonde ook een overlap tussen nano en cogno. Dat vond ik als filosoof verrassend. Hoe zou de sfeer van het denken een overlap kunnen vertonen met de wereld van de nanobiologie? Wordt hier gesuggereerd dat het bewustzijn, het mentale, zich al op nanoniveau kan manifesteren? In dat geval zou nano/cogno convergentie wellicht kunnen wijzen op een bepaalde vorm van panpsychisme. Er zijn hedendaagse filosofen die deze metafysische positie als een serieuze optie beschouwen, zoals bijvoorbeeld Thomas Nagel in zijn nieuwe boek 'Mind and Cosmos'. Maar goed, Dekker zal met genoemde overlap waarschijnlijk iets anders bedoelen. Toch laat dit onverlet dat een wetenschappelijke uitwerking van een mogelijke nano/cogno overlap ons misschien iets kan leren over een van de grootste vragen uit de geschiedenis van de mensheid, namelijk de vraag naar de herkomst van het bewustzijn en haar relatie tot de materie.
Kortom, alle reden om als 'Science beyond Scientism' project op de hoogte te willen blijven van de verdere ontwikkelingen op het gebied van de nanotechnologie. Dekkers interessante voordracht is hiervoor wat mij betreft een uitstekende eerste aanzet geweest.
Dekkers verhaal maakt duidelijk dat nanobiologie een zeer grote impact op ons leven zal hebben. Het is dan ook inderdaad van belang om na te denken over de meer fundamentele vragen die deze ontwikkelingen oproepen, zowel op het gebied van de ethiek als op het terrein van de metafysica. Laten we eens een paar relevante fundamentele kwesties bekijken.
Uit Dekkers lezing valt op te maken dat de nanobiologie ons leven definitief en radicaal zal veranderen. Nano zal op termijn zelfs dieper ingrijpen op onszelf en onze leefwereld dan de stoommachine, de elektriciteit en de computer hebben gedaan. De keuzes die nu gemaakt worden zullen dan ook een enorme invloed hebben op de toekomst van onze wereld. Bovendien zijn deze keuzes zeer lastig omdat, zoals Dekker aangaf, de impact van nano op de wereld voor ons vooralsnog heel moeilijk voorspelbaar is. Wij overzien op dit moment niet of nauwelijks hoe nanotechnologie onszelf en onze wereld zal transformeren.
Dit roept de vraag op hoe op zorgvuldige wijze besloten kan worden welke nano onderzoeksvragen wel en niet opgepakt zouden moeten worden. Is de beslissing welke nano projecten opgestart worden een strikt natuurwetenschappelijke aangelegenheid? Kunnen natuurwetenschappers louter op grond van natuurwetenschappelijke criteria deze beslissingen zelf nemen? Of is voor het verantwoord nemen van dit soort beslissingen ook expertise van buiten de natuurwetenschappen vereist? En zo ja, om wat voor een soort expertise gaat het dan? Gaat het alleen om andersoortige wetenschappelijke kennis, zoals de kennis van medici, psychologen, sociologen en economen? Of moeten we gelet op de aard van de problematiek ook denken aan expertise die niet van wetenschappelijke aard is? Maar om wat voor een soort niet-wetenschappelijke expertise zou het dan kunnen gaan? Moeten we vooral denken aan wijsgerige inzichten, zoals inzichten op het gebied van de moraalfilosofie? Of bestaan er ook andere vormen van niet-wetenschappelijke kennis die in dit verband relevant of zelfs cruciaal kunnen zijn? Met deze vraag zijn we aanbeland bij het soort vragen waarop het 'Science beyond Scientism' project binnen het Abraham Kuyper Centre zich zal gaan richten. Dekkers verhaal maakt duidelijk dat dit niet onbelangrijk is.
Daarnaast lijkt het erop dat door nano het al millenia lang voor de mensheid vanzelfsprekende onderscheid tussen natuur en techniek, of wellicht beter, tussen natuur en cultuur, verder zal vervagen en ten slotte zelfs geheel zal verdwijnen. Zodra in bijna alles wat bestaat nanotechnologie aanwezig is, en dus bijna alles deels menselijk artefact is, zal het voor ons steeds moeilijker worden om de dingen in onze leefwereld te herkennen als natuur of als menselijk maaksel. Dit is echter nog niets vergeleken bij wat er gebeurd zodra nanomaaksels en natuurobjecten spontaan en ongecontroleerd onderling allerlei nieuwe verbindingen aangaan die vervolgens ook onderhevig worden aan evolutionaire processen. Vanaf dat moment zal er een totale vervlechting tussen natuurobjecten en menselijke maaksels optreden. We komen dan pas echt, om met de filosoof Bruno Latour te spreken, terecht in een wereld van hybrids, een wereld van quasi-natuurobjecten en quasi-maaksels die onmogelijk nog begrepen kunnen worden als natuur of als menselijk voortbrengsel.
De vraag is wat dit toekomstperspectief ons nu reeds zegt over ons beeld van de werkelijkheid en over ons beeld van onszelf. Wat betekent het anders gezegd voor ons wereldbeeld als er straks geen betekenisvol verschil meer bestaat tussen natuur en maaksel, als straks alles natuur en maaksel tegelijk is, of misschien beter, als straks niets nog natuur of maaksel is? Dit lijken mij intrigerende fundamentele vragen waarop het antwoord volgens mij zeker niet alleen van de wetenschap zelf kan komen.
Ook op meer praktisch niveau zijn hier belangrijke fundamentele vragen te stellen. Er lijkt een groot risico te bestaan dat allerlei in het wild uitgezette nanotechnologie op enig moment om wat voor reden dan ook niet langer wenselijk is. Maar wat dan? Moeten we dan speciale nanotechnologie gaan inzetten om allerlei 'nano vervuilingen' weer ongedaan te maken? Maar belanden we zo niet in een hopeloze regressie? Bovendien lijkt het waarschijnlijk dat tegen die tijd nano schoonmaakoperaties technisch niet langer mogelijk zijn omdat de op te ruimen nanomaaksels zich dan al te diep in de natuur genesteld hebben. Of, wellicht nog veel problematischer, omdat tegen die tijd überhaupt het verschil tussen natuur en menselijk maaksel is verdwenen, zodat de notie van het verwijderen van nanotechnologie uit de natuur eenvoudigweg betekenisloos is geworden.
Verder ging Dekker kort in op de zogenaamde convergentiethese. Er is sprake van een steeds verder toenemende overlap tussen nano, bio (biologie), info (informatie) en cogno (cognitie, bewustzijn). Dekker gaf een aantal mooie voorbeelden van nano/bio en nano/info convergentie. Maar het plaatje dat hij liet zien toonde ook een overlap tussen nano en cogno. Dat vond ik als filosoof verrassend. Hoe zou de sfeer van het denken een overlap kunnen vertonen met de wereld van de nanobiologie? Wordt hier gesuggereerd dat het bewustzijn, het mentale, zich al op nanoniveau kan manifesteren? In dat geval zou nano/cogno convergentie wellicht kunnen wijzen op een bepaalde vorm van panpsychisme. Er zijn hedendaagse filosofen die deze metafysische positie als een serieuze optie beschouwen, zoals bijvoorbeeld Thomas Nagel in zijn nieuwe boek 'Mind and Cosmos'. Maar goed, Dekker zal met genoemde overlap waarschijnlijk iets anders bedoelen. Toch laat dit onverlet dat een wetenschappelijke uitwerking van een mogelijke nano/cogno overlap ons misschien iets kan leren over een van de grootste vragen uit de geschiedenis van de mensheid, namelijk de vraag naar de herkomst van het bewustzijn en haar relatie tot de materie.
Kortom, alle reden om als 'Science beyond Scientism' project op de hoogte te willen blijven van de verdere ontwikkelingen op het gebied van de nanotechnologie. Dekkers interessante voordracht is hiervoor wat mij betreft een uitstekende eerste aanzet geweest.
Abonneren op:
Posts (Atom)
