In wat volgt laat ik zien hoe Plato Gorgias aanvalt in zijn dialoog Gorgias. De dialoog van Plato begint bij het huis van Callicles. Callicles is een Atheense burger en een leerling van Gorgias. Hij geeft een feest en op dat feest spreekt niemand minder dan Gorgias. Socrates is ook uitgenodigd. Maar zodra hij met zijn vrienden bij het huis van Callicles in Athene arriveert, blijkt dat ze te laat zijn en dat Gorgias al gesproken heeft. Dit betreurt Socrates. Hij had Gorgias graag horen spreken omdat hij graag wil weten wat nu toch die bijzondere gave van Gorgias is waarover zoveel gesproken wordt. Callicles vraagt dan aan Socrates of hij wellicht Gorgias alsnog zou willen horen oreren. Maar dit wijst Socrates af. Hij wil met hem in gesprek. Socrates wil een dialoog en geen monoloog. Hij vraagt vervolgens aan Gorgias om uit te leggen wat precies die kunst is die Gorgias beoefent. Niet Gorgias, maar Pollos, een van de adjudanten van Gorgias, antwoordt en zegt dat het de allermooiste, de schoonste kunst is. Pollos looft de kunst van Gorgias, maar definieert haar niet. Dit bevalt Socrates absoluut niet. Hij wil geen lofprijzing of lofrede. Socrates is niet geïnteresseerd in het ophemelen van de kunst van Gorgias. Hij wil weten wat die kunst is. Dit is typerend voor de filosofische dialectiek van Socrates. Hij vraagt in elke dialoog altijd eerst en vooral naar de definitie van iets. Hij wil dus het wezen van de door Gorgias beoefende kunst begrijpen. Gorgias neemt het dan over en antwoordt heel eenvoudig dat zijn grote gave, zijn schone kunst, de leer der welsprekendheid of de retorica betreft. Gorgias is dus redenaar of orator. Maar ook met dit antwoord is Socrates ontevreden. Het blijft onduidelijk. Wat is dan die retorica? Socrates nodigt Gorgias nu uit om met hem het vraaggesprek verder aan te gaan. Hierbij waarschuwt Socrates Gorgias om in de beantwoording toch vooral beknopt en bondig te zijn. Het gaat immers om een tweegesprek en niet om een redevoering. Ook kan het zijn dat Plato wil suggereren dat Gorgias bekend stond als breedsprakige bloemrijke spreker en dat zijn reputatie hem blijkbaar is vooruitgesneld. Gorgias pakt de handschoen op en antwoordt op de vraag wat retorica is zo bondig mogelijk, namelijk met een antwoord dat slechts uit één woord bestaat: “Woorden”. Hij kan in elk geval niet verweten worden onsportief te zijn. Maar zijn antwoord bevalt Socrates opnieuw niet. Retorica kan niet “woorden” zijn omdat ook gymnastiek en geneeskunst gebruikmaken van woorden. Niemand zal echter willen beweren dat gymnastiek en geneeskunst tot de retorica behoren. Gorgias preciseert vervolgens zijn definitie. Retorica betreft woorden waarbij geen sprake is van handenarbeid. In de geneeskunde en in de gymnastiek hebben we handenarbeid. Daar is het lichaam betrokken, maar in de retorica gaat het louter om woorden. Ook dit antwoord volstaat volgens Socrates niet. Niet omdat hij inziet dat ook in de retorica het lichaam weldegelijk meedoet (denk aan plaatsbepaling in de ruimte, oogopslag, gelaatsuitdrukking en gestiek), maar omdat wiskunde ook woorden zonder handenarbeid betreft. Wiskunde is echter geen retorica. Wederom past Gorgias zijn definitie aan. Hij richt zich nu nadrukkelijk op het onderwerp van de retorica en bepaalt de retorica nader als de kunst waarmee we alles kunnen bereiken. En nog preciezer definieert hij de retorica als de kunst waarmee we alles kunnen bereiken op het gebied van het belangrijkste van alle menselijke aangelegenheden. We zitten inmiddels al bij de derde poging van Gorgias. Hij is duidelijk aan het schipperen en wordt door Plato welhaast neergezet als een schooljongen die geen idee heeft wat retorica eigenlijk is en alleen maar bezig is om door Socrates gecorrigeerd te worden. En inderdaad, ook zijn derde antwoord bevalt Socrates niet. Wat is namelijk het belangrijkste van alle menselijke aangelegenheden? Socrates merkt op dat voor de dokter gezondheid, voor de gymnastiekleraar schoonheid en voor de koopman rijkdom het belangrijkste van de menselijke aangelegenheden is. Kortom, met het definiëren van de retorica als het belangrijkste van de menselijke aangelegenheden hebben we geen adequate definitie in handen. En dan komt Gorgias met zijn vierde poging. De definitie die hij nu geeft, luidt dat retorica het vermogen is om te overreden met woorden voor een groot publiek. Dit klinkt redelijk. Je vraagt je af of de historische Gorgias niet direct dit antwoord zou hebben gegeven. Gorgias vult aan dat je met dit vermogen zowel de dokter, de gymnastiekleraar als de koopman in je zak hebt. Wie beschikt over de macht van het woord heeft zelfs iedereen in zijn zak. Retorica is de gave van het woord en zo zelf het belangrijkste van alle menselijke aangelegenheden.
Socrates blijft echter ontevreden. Hij licht een begrip uit de definitie en richt daarop nu zijn pijlen. Wat wordt in de voorgestelde definitie met overreden bedoeld? Dit is volgens Socrates ambigue omdat er verschillende vormen van overreden bestaan. Socrates maakt dan een onderscheid tussen onderwijzend overreden en gelovend overreden. Onderwijzend overreden is het soort overreden dat bijvoorbeeld plaatsvindt binnen de wiskunde. Het leidt tot kennis. We verkrijgen onbetwijfelbare onfeilbare inzichten in noodzakelijke waarheden. Zo ontstaat een zeker weten. Het gelovend overreden wordt door Socrates verbonden met het overreden in de retorica. Het is het soort overreden waarvan redenaars zich bedienen in hun redevoeringen. Retorisch overreden leidt volgen Socrates slechts tot feilbare, onzekere en voorlopige meningen. Kennis van de waarheid blijft dan ook buiten bereik. Het overreden binnen de retorica leidt slechts tot valse schijn. Zo staat bij Socrates eeuwige ware kennis tegenover tijdelijke ongefundeerde meningen. De retorica heeft alleen het laatste te bieden. Werkelijk inzicht in de werkelijkheid blijft bij de redenaars buiten bereik. Intellectueel gezien is retorica waardeloos. Dit is een hard oordeel dat de toon zet voor de rest van de dialoog. Socrates zal zich uiterst negatief over de retorica blijven uitlaten en hij zal er, zoals we zullen zien, zelfs nog hardere oordelen over vellen. Op dit punt aanbeland in de dialoog zou je verwachten dat Gorgias weerwoord geeft. De status van zijn retorica staat immers op het spel! Hij zou bijvoorbeeld kunnen inbrengen dat geloof en kennis niet per se tegenover elkaar hoeven te staan omdat kennis ook opgevat kan worden als een bepaald soort geloof, namelijk als rationeel of gerechtvaardigd waar geloof. Of Gorgias zou kunnen opmerken dat ook het vormen van meningen nu eenmaal onvermijdelijk is omdat we in dit leven niet alles zeker kunnen weten. Soms moeten we in situaties van onzekerheid toch een mening vormen om in de samenleving überhaupt te kunnen handelen. En zolang een mening maar op een voldoende mate van waarschijnlijkheid of plausibiliteit is gebaseerd, kan ook een mening intellectueel aanvaardbaar zijn. Maar niets van dit alles. Gorgias lijkt de kritiek van Socrates lijdzaam te ondergaan.
Het tweegesprek gaat vervolgens over de vraag hoe de redenaar zich tot de expert verhoudt. Indien retorica gelovend overreden behelst, waarover kan een redenaar ons dan adviseren? Socrates werkt zijn vraag nader uit. Als wij kennis willen hebben over het bouwen van muren of vestingwerken, dan gaan wij toch naar de bouwmeesters? Als wij kennis willen hebben over het bouwen van havens en scheepswerven, dan gaan wij toch naar de havenmeesters? En als wij willen bepalen wie zitting moeten nemen in de senaat of volksvergadering, dan gaan wij toch ook naar de experts op dat terrein? Evenzo gaan we toch naar de geneeskundigen als we kennis willen verkrijgen over de geneeskunde? Steeds zullen wij naar de desbetreffende experts gaan en niet naar de oratoren. Kortom, besluit Socrates, wat hebben we dan eigenlijk aan de redenaars? Gorgias antwoordt dat voor een groot publiek de expert het altijd zal afleggen tegen de redenaar. Er is geen enkel onderwerp waarover een orator niet overtuigender kan spreken dan een expert, zolang beiden zich maar voor een groot publiek bevinden. Gorgias wijst vervolgens op iets dat in de kern op het volgende neerkomt. Kijk om je heen Socrates. Kijk naar alle Atheense gebouwen, muren, vestingwerken, havens en scheepswerven. Alles wat je ziet is tot stand gekomen door de macht van het woord van de oratoren. De gave van het woord lijkt dan ook welhaast iets bovennatuurlijks. Als we in de stad iets gedaan willen krijgen, iets willen bewerkstelligen, als we iets in beweging willen brengen, als we het publiek daadwerkelijk willen meekrijgen, als we die havens, die scheepswerven, die muren, die vestingwerken, ook echt gebouwd willen krijgen, dan hebben we de oratoren nodig. Het zijn de redenaars die als het ware het beginsel van beweging vormen, die ervoor zorgen dat zaken werkelijk in gang worden gezet.
Dit antwoord van Gorgias is opvallend krachtig, zeker gelet op zijn matige optreden tot dusver in de dialoog. Vangen we hier wellicht onbedoeld een glip op van de werkelijke historische Gorgias? Socrates gaat in elk geval onverstoord verder. Sterker nog, terwijl het twistgesprek tussen beiden zich nog in een vroege fase bevindt en nog maar net op gang komt, meent Socrates Gorgias zichzelf nu al te kunnen laten tegenspreken. Hiertoe verlegt hij het vraaggesprek naar het thema van de rechtvaardigheid. Hij vraagt Gorgias of retorica regelmatig over recht en onrecht gaat. Dit bevestigt Gorgias. Maar, zo vraagt Socrates verder, kan de retorica dan ook misbruikt worden? Gorgias erkent dat dit inderdaad mogelijk is. Net zoals bijvoorbeeld de krijgskunst of een broodmes, kan de retorica misbruikt worden. Maar, voegt Gorgias daaraan toe, als de retorica misbruikt wordt, dan is dat nooit de schuld van de leraar. Het is dan altijd de schuld van de leerling. Want als er een leerling bij hem komt die geen kennis bezit van recht en onrecht, dan leert hij het deze leerling. Zo hebben de leerlingen dus altijd kennis van goed en kwaad. Direct nadat Gorgias dit antwoord gegeven heeft, merkt Socrates plotsklaps op dat Gorgias zichzelf heeft tegengesproken en dus reductio ad absurdum gevoerd is. Dit komt voor de lezer van de dialoog nogal uit de lucht vallen. Hoezo zou Gorgias zichzelf ineens tegengesproken hebben? Socrates legt het uit door zijn beroemd geworden Socratisch mechanisme in te brengen. Wie wijs is, is goed. Wie het goede weet, zal ook het goede doen. Kortom, als de leerlingen van Gorgias volgens eigen zeggen kennis hebben van het goede, dan zullen ze ook het goede doen. Maar dan kunnen de leerlingen de retorica dus niet misbruiken. Zo heeft Gorgias zichzelf volgens Socrates tegengesproken. Wederom zou je denken dat Gorgias hier makkelijk iets tegenin kan brengen. Hij zou bijvoorbeeld genoemd mechanisme kunnen ontkennen door erop te wijzen dat er heus ook mensen zijn die het goede kennen, maar toch het slechte doen. Bijvoorbeeld omdat ze hun begeerten eenvoudigweg niet in toom kunnen houden of omdat hun ziel nu eenmaal kwaadaardig is zodat ze, ondanks dat ze het goede kennen en hun begeerten in toom kunnen houden, toch het slechte willen en doen. Maar wederom niets van dit alles. Gorgias ondergaat het allemaal weer bijzonder lijdzaam. Socrates geeft wel een argument voor zijn stelling dat wie het goede weet ook het goede doet. Hij maakt hiertoe gebruik van een inductie of generalisatie. Wie muziek leert wordt musicus. Wie bouwen leert wordt bouwmeester. Wie leert om schoenen te maken, wordt schoenmaker. Wie geneeskunde leert wordt geneesheer. Maar dan mogen we ook zeggen dat wie rechtvaardigheid leert, rechtvaardig wordt. Je zou opnieuw verwachten dat Gorgias wel het nodige tegen dit argument kan inbrengen. Hij zou bijvoorbeeld kunnen opmerken dat helemaal niet volgt dat wie rechtvaardigheid leert rechtvaardig wordt. Het enige dat generaliserend geconcludeerd kan worden is dat wie rechtvaardigheid leert kennis bezit van rechtvaardigheid. Maar kennis bezitten van rechtvaardigheid is nog iets anders dan rechtvaardig zijn. Niet iedereen die een expert is in ethiek of moraalfilosofie is ook een rechtvaardig mens. Bovendien zou Gorgias kunnen opmerken dat de gegeven voorbeelden allemaal voorbeelden van ambachten zijn, terwijl rechtvaardig zijn niet op dezelfde manier als het bezitten van een ambacht begrepen kan worden. Gorgias zou dus kunnen tegenwerpen dat de deugd geen ambacht is, zoals mensen genezen, vestingwerken bouwen en schoenen maken, en dat daarom de generalisatie van Socrates intellectueel niet geoorloofd is. Zo kan Gorgias pogen de generalisatie van Socrates te breken. En zelfs als Gorgias zou accepteren dat hij zich op dit punt inderdaad heeft tegengesproken, dan nog kan hij opmerken dat het niet om een tegenspraak gaat die zijn opvatting over wat retorica is aantast. Het gaat in feite om een bijzaak. Het antwoord op de strijdvraag van hun twistgesprek hangt er niet vanaf.
Maar, we raden het al, wederom is hier geen sprake van. Sterker nog, Gorgias druipt schaamtevol met de staart tussen de benen af om in de dialoog vervolgens nooit meer terug te keren. Als een schooljongen wordt Gorgias door Socrates afgeserveerd. En we bevinden ons hier dan nog maar in het prille begin van Plato’s dialoog die nota bene naar Gorgias is vernoemd. Nadat Gorgias op beschamende wijze abrupt het veld heeft geruimd, en wij ons als lezers afvragen of de historische Gorgias het werkelijk zo beroerd gedaan zou hebben, neemt de eerdergenoemde onervaren adjudant van Gorgias, Pollos, het gesprek met Socrates over. Moet de beginneling Pollos het voor Gorgias opnemen omdat hij dat zelf niet kan? Dit lijkt nog verder bij te dragen aan de roemloze afgang van Gorgias voor het oog van alle aanwezigen. Zo laat Plato uit monde van Socrates in feite bijna niets van Gorgias over. Maar zelfs hiermee is de aanval van Socrates op Gorgias nog niet beëindigd. In het volgende gedeelte van de dialoog laat Plato Socrates betogen dat redenaars als Gorgias passend vergeleken kunnen worden met tirannen omdat zowel redenaars als tirannen het schandelijke en het slechte doen. Oratoren zijn namelijk ordinaire vleiers die met hun handigheidjes in het scheppen van plezier en genoegen mensen ompraten, misleiden en bedriegen. Redenaars begaan dan ook net zoals tirannen een groot onrecht. En precies omdat onrecht begaan volgens Socrates veel schandelijker en slechter is dan onrecht ondergaan, zijn retoren zoals Gorgias erg zeer slecht aan toe. Ze tellen vanuit het perspectief van deugd en rechtvaardigheid in de stad dan ook eigenlijk helemaal niet mee. Socrates acht retoren feitelijk non-existent. Er is echter één ding dat nog slechter is dan onrecht begaan. En dat is onrecht begaan en daarbij je gerechtvaardigde straf ontlopen. Wederom raden we het al. Dit is precies wat er volgens Socrates aan de hand is bij Gorgias en de andere oratoren. Ze begaan niet alleen een groot onrecht, maar ze ontlopen daarbij ook nog eens hun verdiende loon. Door een gerechtvaardigde straf te ondergaan, kan de onrechtpleger zijn ziel nog enigszins verschonen. Zo kan degene die onrecht doet zijn ziel deels zuiveren en het onrecht en de slechtheid als het ware afspoelen en wegwassen. Zo is men beter af. Maar, zo besluit Socrates, daarvan is bij de redenaars geen sprake. En daarom zijn Gorgias en de andere oratoren er in feite het allerslechtst aan toe. Ze verscheuren of vernietigen als het ware hun ziel en daarmee hun persoonlijke identiteit. Socrates eindigt dit gedeelte met de uitspraak dat wat Gorgias en de andere redenaars doen kwaadaardig is. Wij mogen ons dan ook absoluut niet met de retorica inlaten. Ga er niet mee in zee, zo leert Plato ons uit monde van Socrates. De retorica is vals en boosaardig. Een nog meer pejoratieve duiding van de retorica van Gorgias is niet of nauwelijks denkbaar. Retorica is slecht en kwaadaardig. Nam Pollos de plaats van Gorgias ook al in omdat Plato toch wel aanvoelde dat het rechtstreeks in een gesprek uitspreken van dergelijke beschuldigingen aan Gorgias een stap te ver gaat? De duiding van retorica in deze dialoog heeft in elk geval een ongekende invloed gehad op de ontwikkeling van de westerse filosofie sinds Plato. En deze invloed werkt nog altijd door tot op de dag van vandaag.
Posts tonen met het label dialoog. Alle posts tonen
Posts tonen met het label dialoog. Alle posts tonen
vrijdag 7 april 2023
vrijdag 1 maart 2013
Het fine-tuning argument: een dialoog
Deze bijdrage is een bewerking van een dialoog over het fine-tuning argument dat enige tijd geleden op dit blog tussen mij en een bezoeker, Arno, plaatsvond. Een beknopte weergave van het fine-tuning argument is bijvoorbeeld hier op blz 7-9 te vinden.
Sinds het begin van de mensheid heeft een onmetelijke hoeveelheid gebeurtenissen er toe geleid dat ik uiteindelijk werd geboren. De statistische kans hierop is onvoorstelbaar klein. Maar kunnen we dan niet, analoog aan de redenering die in het fine-tuning argument gevolgd wordt, bruut toeval uitsluiten?
Een verwijzing naar bruut toeval lijkt mij een prima verklaring voor jouw geboorte (en natuurlijk ook voor die van mij). Maar zul je zeggen, het is toch extreem onwaarschijnlijk dat evolutie tot jou zou leiden? Natuurlijk is dit extreem onwaarschijnlijk, maar dat is nog geen reden om bruut toeval niet als een verklaring voor jouw geboorte te accepteren. We kunnen immers pas bruut toeval als verklaring afwijzen als er sprake is van gespecificeerde complexiteit, dat wil zeggen, als er sprake is van een extreem lage waarschijnlijkheid in combinatie met een onafhankelijk gegeven patroon. Laat me dit hieronder met een voorbeeld nader toelichten.
Stel je eens voor dat we alle straatstenen in de omgeving van de Domtoren in Utrecht van een nummer voorzien. Stel dat we vervolgens Jan zes muntstukken geven en hem de Domtoren insturen met de opdracht om bovenin de Domtoren geblinddoekt deze munten lukraak naar beneden te gooien. Stel dat vervolgens de eerste munt op steen 1332 terecht komt, de tweede munt op steen 232, de derde munt op steen 5333, de vierde munt op steen 42, de vijfde munt op steen 4545 en de zesde munt op steen 23. Wat is nu de beste verklaring voor het optreden van de combinatie 1332, 232, 5333, 42, 4545 en 23? Welnu, het mag duidelijk zijn dat bruut toeval in dit geval de beste verklaring is voor het optreden van deze combinatie. Het feit dat de combinatie in kwestie extreem onwaarschijnlijk is doet hier niets aan af. Er moest immers hoe dan ook een bepaalde combinatie optreden.
Maar stel je nu eens voor dat we in de omgeving van de Domtoren eerst zes willekeurige stenen groen kleuren. En stel bovendien dat Jan hier helemaal niets vanaf weet. Stel vervolgens dat we Jan met exact dezelfde opdracht de Domtoren insturen en dat vervolgens blijkt dat alle zes door Jan lukraak naar beneden gegooide muntstukken precies op de zes groenen stenen terecht komen! Stel bovendien dat we Jan deze opdracht twintig keer laten uitvoeren en dat iedere keer alle zes door Jan lukraak naar beneden gegooide munten op de zes groene stenen terechtkomen! In dit geval is een beroep op bruut toeval geen redelijke verklaring meer. Er is namelijk sprake van gespecificeerde complexiteit. We worden hier geconfronteerd met extreem lage waarschijnlijkheid in combinatie met een onafhankelijk gegeven patroon. De beste, de meest redelijke, verklaring is hier dan ook het vermoeden dat er sprake is van opzet, van intentionaliteit.
Welnu, het fine-tuning argument is analoog aan het tweede scenario en niet aan het eerste scenario. Jouw en mijn geboorte is daarentegen analoog aan het eerste scenario. Kortom, in het geval van de fine-tuning van de kosmos is een beroep op bruut toeval als verklaring inadequaat, terwijl in het geval van jouw en mijn geboorte een beroep op bruut toeval de beste verklaring betreft.
Ik ben dat met je eens. Dat de evolutie uiteindelijk een wezen heeft geproduceerd met precies mijn DNA code is bruut toeval. En de evolutie had ook net zo goed zodanig kunnen verlopen dat er helemaal geen intelligent leven ontstaan zou zijn. Maar dan was er ook geen intelligent leven geweest om dit te constateren. Dit betekent dus dat intelligent leven automatisch zal constateren dat de evolutie op een zodanige manier is verlopen dat intelligent leven is ontstaan.
Natuurlijk kunnen wij alleen een universum waarnemen dat geschikt is voor intelligent leven. Wij kunnen immers per definitie niet bestaan in een universum dat niet geschikt is voor intelligent leven! Maar dat is nog geen antwoord op de vraag waarom er überhaupt een universum is ontstaan dat geschikt is voor intelligent leven. En het is precies deze waarom-vraag die het uitgangspunt vormt van het fine-tuning argument.
Laat me dit met een voorbeeld toelichten. Stel dat jij op reis bent in een ver en vreemd land. Op een dag wordt je door de politie aldaar opgepakt en geheel onterecht veroordeeld voor drugshandel. Stel dat ze je vervolgens zelfs ter dood veroordelen en voor een vuurpeloton van honderd scherpschutters plaatsen die allemaal hun geweer op jou gericht hebben. Alle honderd schutters schieten vervolgens tegelijkertijd hun geweer op jou leeg. Het lawaai is werkelijk oorverdovend. En als de rook is opgetrokken blijkt... ...dat alle schutters gemist hebben! Je bent volledig ongeschonden! Zou je dan willen beweren dat er in dit geval helemaal niets te verklaren is omdat uit het feit dat jij er nog bent automatisch volgt dat de schutters allemaal gemist moeten hebben? Welnu, natuurlijk moeten alle schutters gemist hebben. Jij bent er immers nog! Maar dat betekent niet dat je geen verklaring voor deze zeer opmerkelijke gebeurtenis zou willen hebben. Je zult immers willen weten waarom alle honderd schutters gemist hebben! En dan is de verklaring dat er sprake is van puur toeval natuurlijk niet redelijk. De meest redelijke verklaring in dit geval is dat er sprake is van opzet, van intentionaliteit.
Welnu, hetzelfde geldt voor het fine-tuning argument. Natuurlijk, als het universum niet geschikt zou zijn voor het ontstaan van intelligent leven, dan zouden wij er niet zijn. Uit het feit dat wij er zijn volgt dus inderdaad automatisch dat het universum geschikt is voor het ontstaan van intelligent leven. Maar ook hier is de vraag vervolgens waarom het universum eigenlijk geschikt is voor het ontstaan van intelligent leven. En dan valt bruut toeval af vanwege de (zoals fysici in de afgelopen decennia ontdekt hebben) extreem kleine waarschijnlijkheid dat de natuurconstanten geheel toevallig precies die waarden hebben die het universum geschikt maakt voor het ontstaan van intelligent leven. Er was namelijk helemaal geen universum ontstaan dat geschikt is voor het ontstaan van intelligent leven indien één van de natuurconstanten een iets andere waarde gehad zou hebben. Daarom is ook hier intentionaliteit de beste verklaring voor het feit dat het universum geschikt is voor het ontstaan van intelligent leven.
Ik zou inderdaad in eerste instantie opzet vermoeden. Bijvoorbeeld een practical joke van de generaal die het hele vuurpeloton losse flodders had gegeven. Aan het begin van de evolutie heeft niemand voorspeld dat er ooit een wezen zou evolueren met het DNA profiel van mij. Derhalve ga ik met je mee dat bruut toeval een goede verklaring is voor mijn geboorte. Bij het begin van onze evolutie heeft ook niemand voorspeld dat er ooit een wezen zou evolueren met het DNA profiel van een fruitvlieg, of van een zeeleeuw, of van een aap, of van een mens. Derhalve vind ik bruut toeval ook een goede verklaring voor het ontstaan van deze wezens. Bij het ontstaan van het universum heeft ook niemand voorspeld dat de constanten zodanig zouden uitvallen dat leven mogelijk zou zijn. Waarom is in dit geval intentie dan wel voor de hand liggend volgens jou?
Uit jouw reactie maak ik op dat het goed is nog eens te wijzen op het verschil tussen enerzijds extreme onwaarschijnlijkheid en anderzijds extreme onwaarschijnlijkheid in combinatie met een onafhankelijk gegeven patroon. Ik geef wederom een voorbeeld. Stel je loopt in de woestijn en vlak voor je ontstaat een enorme zandstorm. Na enige tijd gaat de storm liggen en kun je eindelijk weer iets zien. Tot je grote verbazing blijkt het zand vlak voor je een reusachtig kasteel te hebben gevormd, compleet met ophaalbrug, binnenplaats, waterput, stallen voor de paarden en wachttorens. Wat zul je dan denken? Iedere mogelijke combinatie van de zandkorrels is uiteraard even onwaarschijnlijk als iedere andere combinatie. Maar het zou natuurlijk irrationeel zijn om te beweren dat het redelijk is te geloven dat er in dit geval sprake is van bruut toeval omdat de zandkorrels zich nu eenmaal op een bepaalde manier moeten combineren, en iedere specifieke combinatie even onwaarschijnlijk is als de combinatie die zojuist is ontstaan! En de reden hiervoor is dat er in dit geval sprake is van gespecificeerde complexiteit, oftewel van extreme onwaarschijnlijkheid in combinatie met een onafhankelijk gegeven patroon. In zo'n geval is een beroep op bruut toeval als verklaring eenvoudigweg niet rationeel meer. En dat niemand vooraf heeft voorspeld dat er een zandkasteel uit het zand zou ontstaan doet hier natuurlijk helemaal niets aan af.
Welnu, precies hetzelfde is aan de orde in het geval van de fine-tuning van het universum. Stel je immers een kilometers uitgestrekt plat vlak voor waarvan ieder punt precies één mogelijk universum representeert. Voor iedere combinatie van natuurconstanten is er dus sprake van exact één enkel punt op het enorme uitgestrekte platte vlak in kwestie. Stel je nu eens voor dat we de punten op het vlak die corresponderen met universa waarin geen leven kan ontstaan zwart kleuren, en dat we de punten op het vlak die corresponderen met universa waarin juist wel leven kan ontstaan wit kleuren. In dat geval zal (uitgaande van de moderne kosmologie) het vlak in alle richtingen kilometers lang pikzwart zijn met slechts ergens één enkel zeer klein wit stipje! Stel je nu eens voor dat iemand vanaf kilometers afstand geblinddoekt volstrekt lukraak een pijltje op dit kilometers uitgestrekt zwarte vlak schiet, en dat vervolgens blijkt dat dit pijltje precies in de witte stip terechtkomt! Natuurlijk is het dan niet redelijk meer om te spreken van bruut toeval. En de reden is, net zoals in het geval van het voorbeeld van de zandstorm, dat er sprake is van gespecificeerde complexiteit, oftewel van een extreem kleine kans in combinatie met een onafhankelijk patroon. Als het pijltje namelijk op één van de vele zwarte stippen terechtgekomen was, en er dus geen sprake was geweest van genoemde combinatie, dan had echt niemand aan bruut toeval als verklaring getwijfeld. Ook al is de kans dat het pijltje precies op die zwarte stip terechtkomt net zo klein als de kans dat het pijltje op de witte stip valt. Kortom, het is inderdaad cruciaal voor het fine-tuning argument dat er sprake is van een onafhankelijk patroon.
Ik zou zeer verbaast zijn over het zandkasteel. Des te meer omdat ik kennis heb van hoe zand zich gedraagt onder wind. Dit schikt zich namelijk helemaal niet geheel willekeurig, het schikt zich automatisch in de vorm van golven. Het zandkasteel lijkt dus zelfs natuurwetten te tarten. Aangaande de constanten van het universum weten wij niet of die zich willekeurig schikken, of dat zij zich schikken volgens bepaalde regels of voorkeuren. Maar laten we voor deze discussie aannemen dat de constanten zich willekeurig en onafhankelijk van elkaar zouden kunnen schikken.
Als het zand zich geschikt zou hebben in een vorm die wij niet bijzonder vinden, dan zouden ik en jij dit toeval vinden. Maar een bewoner van de planeet Yaxet zou in zo'n patroon misschien een exacte replica van een beroemd kunstwerk van die planeet herkennen. De aanwezigheid van een patroon is dus "in the eye of the beholder". Elke reeks van 10 worpen met een dobbelsteen is willekeurig en komt in de praktijk even vaak voor. Toch klopt ons hart sneller als we 1234561234 gooien. Omdat wij dan een patroon zien. Maar de statistische kans op dat patroon is net zo groot als op 4235536232. En als je dat gooit dan begint je hart niet sneller te kloppen. Tenzij je werkt voor de Electric Power Board of Chattanooga landline from Chattanooga, want dan heb je precies het telefoonnummer van aldaar gegooid. Maar je laat mijn vraag over de evolutie van de fruitvlieg onbeantwoord. Ik zal hem hieronder iets anders formuleren. Stel je datzelfde kilometers uitgestrekte vlak voor. Elk punt representeert een mogelijk verloop van de evolutie van onze aarde, vanaf het moment dat DNA ontstond tot op heden. We kleuren de punten waarbij er een fruitvlieg bestaat of kan bestaan wit en de rest zwart, en we groeperen de witte punten. Het ontstane vlak is vergelijkbaar met het door jou voorgestelde vlak: een enorm zwart vlak met ergens een wit stipje. Toch vind jij het bruut toeval dat een blinde werper de dartpijl van kilometers afstand precies op dit witte stipje heeft gegooid. Wat is het verschil in die twee situaties?
Het opwellen van een zandkasteel uit een zandstorm is een voorbeeld van gespecificeerde complexiteit. Het is dan voor jou en mij, of welk mens dan ook, niet rationeel om te beweren dat hier slechts sprake is van toeval. Dit willen ontkennen zou onredelijk zijn. Ik weet zeker dat ook jij niet zal willen beweren dat het redelijk is om zo'n gebeurtenis, mocht deze zich voordoen, aan bruut toeval toe te schrijven. En als na afloop van een zandstorm een exacte replica van een kunstwerk op de planeet Yaxet is ontstaan, dan is dat eveneens een voorbeeld van gespecificeerde complexiteit indien we aannemen dat de ratio van het aantal zandkunstwerken in het universum en het aantal mogelijke zandconfiguraties verwaarloosbaar klein is. En de werknemer van de Electric Power Board van Chattanooga dan? Welnu, als hij zelf de dobbelsteen gegooid heeft en vervolgens zijn eigen telefoonnummer gooit, dan is dat natuurlijk opmerkelijk (*) maar nog niet onwaarschijnlijk genoeg voor het vermoeden van intentionaliteit. Het wordt een ander verhaal als hij bijvoorbeeld een miljoen keer die dobbelsteen zou gooien en iedere keer zijn eigen telefoonnummer gooit! Ook in dit geval kun je echt niet beweren dat het rationeel is voor de medewerker in kwestie om zo'n gebeurtenis toe te schrijven aan toeval. Welnu, onze epistemische positie voor wat betreft de fine-tuning van het universum is analoog aan dit soort situaties. Daarom is het voor ons evenmin redelijk om te denken dat de combinatie van natuurconstanten louter een kwestie van toeval is.
(*) Merk op dat het niet opmerkelijk zou zijn als iemand anders in het universum deze reeks zou hebben geworpen. We kunnen bij iedere reeks immers altijd wel ergens iemand vinden die juist die reeks als telefoonnummer heeft.
Het is mij toch nog niet voldoende duidelijk waarom jij bruut toeval wel heel redelijk vindt als verklaring voor bijvoorbeeld het ontstaan van de fruitvlieg, de mens, of jouzelf. Hierop heb jij naar mening nog geen duidelijk antwoord gegeven. Een fruitvlieg is als een zandkasteel. Het is gespecificeerde complexiteit. Het heeft een bepaald DNA patroon. Als je een willekeurig DNA patroon gooit met een dobbelsteen, dan is de kans dat daar het patroon voor een levensvatbaar wezen uit ontstaat nihil. Als ik zo'n patroon zou gooien met een dobbelsteen, dan zou jij volgens jouw argumentatie toeval uitsluiten. En zelfs met zo'n geweldig selecterend systeem als evolutie is de kans dat de evolutie van het DNA uiteindelijk een wezen op zal leveren met het patroon van een fruitvlieg nihil. Dus terug naar die twee enorme grote zwarte vlaktes met dat witte vlekje. In het ene geval staat het witte vlekje voor de kans dat er leven kan bestaan. In het andere geval staat het witte vlakje voor de kans dat er een fruitvlieg kan bestaan. In beide gevallen wordt er blind met een dart pijl gegooid, en in beide gevallen valt de pijl precies op het witte vlakje. Waarom is het bij de fruitvlieg toeval? En als het bij de fruitvlieg toeval is, is het dan ook bij de mens toeval?
Het feit dat het universum het ontstaan van leven mogelijk maakt kan niet worden toegeschreven aan bruut toeval, aldus het fine-tuning argument waarop ik hierboven uitvoerig inging. Maar het feit dat in een universum dat geschikt is voor het evolutionair ontstaan van leven vervolgens een fruitvlieg ontstaat kan wel degelijk aan toeval worden toegeschreven. Het evolutionaire proces zou immers uiteindelijk hoe dan ook op complexe levensvormen uitkomen, welke vorm dan ook. En dan is het ontstaan van een fruitvlieg, of welke andere specifieke levensvorm dan ook, geen voorbeeld van gespecificeerde complexiteit. Kortom, het is, gegeven een universum dat geschikt is voor het evolutionair ontstaan van leven, dus bruut toeval dat de menselijke soort ontstond, dat wezen met een hoofd, twee armen en twee benen. En het is, gegeven een universum dat geschikt is voor het evolutionair ontstaan van leven, ook bruut toeval dat specifieke andere soorten, zoals vlinders en rupsen, ontstonden. Maar het is geen bruut toeval dat er een universum is dat überhaupt het evolutionair ontstaan van leven mogelijk maakt. Het relevante onafhankelijke patroon is dus een universum dat het evolutionair ontstaan van leven mogelijk maakt (ten opzichte van alle overige mogelijke universa waarin dit immers niet het geval is) en niet het ontstaan van een of andere specifieke levensvorm (zoals fruitvliegen, of welke specifieke levensvorm dan ook) in een universum waarvan we reeds weten dat het geschikt is voor het evolutionair ontstaan van leven.
Laat me hetzelfde punt ook nog op een andere manier maken. Er is sprake van een goed argument voor intentionaliteit indien er sprake is van twee verzamelingen A en B van mogelijkheden, zodanig dat
I. De gerealiseerde mogelijkheid een element is van A,
II. Ieder element van A saillant is in vergelijking met alle elementen van B,
III. De ratio #A/#B (waarbij #X het aantal elementen van de verzameling X betreft) verwaarloosbaar klein is.
In dit geval kunnen we namelijk inderdaad redelijkerwijs concluderen dat intentionaliteit de meest redelijke verklaring is voor het feit dat een element van de verzameling A gerealiseerd is. Welnu, het 'fruitvliegjes'-scenario levert geen goed voorbeeld van een geslaagd argument voor intentionaliteit op ('het ontstaan van fruitvliegen als gewilde uitkomst'). In dit geval is A immers de verzameling universa waarin fruitvliegen ontstaan, en geen enkel element van A is saillant ten opzichte van alle elementen van B. Neem als element uit B maar eens een universum waarin geen fruitvliegen maar wel vlinders ontstaan. Het fine-tuning argument kent dit probleem niet ('het bestaan van een universum dat leven mogelijk maakt als gewilde uitkomst'). De verzameling A is in dit geval immers de verzameling van alle universa waarin leven kan ontstaan, zodat ieder element van A saillant is ten opzichte van alle universa waarin geen leven kan ontstaan (i.e., B).
Dat is helder uiteengezet. Begrijp ik goed dat in jouw optiek de mensheid niet intentioneel is, maar wel de evolutie van intelligent leven (middels correcte fine-tuning van het universum), niet noodzakelijkerwijs met twee armen en twee benen, en levend op één of meerdere planeten, maar niet noodzakelijkerwijs de aarde?
Dat heb je goed begrepen. Zie eventueel ook http://goo.gl/Kva8K
Sinds het begin van de mensheid heeft een onmetelijke hoeveelheid gebeurtenissen er toe geleid dat ik uiteindelijk werd geboren. De statistische kans hierop is onvoorstelbaar klein. Maar kunnen we dan niet, analoog aan de redenering die in het fine-tuning argument gevolgd wordt, bruut toeval uitsluiten?
Een verwijzing naar bruut toeval lijkt mij een prima verklaring voor jouw geboorte (en natuurlijk ook voor die van mij). Maar zul je zeggen, het is toch extreem onwaarschijnlijk dat evolutie tot jou zou leiden? Natuurlijk is dit extreem onwaarschijnlijk, maar dat is nog geen reden om bruut toeval niet als een verklaring voor jouw geboorte te accepteren. We kunnen immers pas bruut toeval als verklaring afwijzen als er sprake is van gespecificeerde complexiteit, dat wil zeggen, als er sprake is van een extreem lage waarschijnlijkheid in combinatie met een onafhankelijk gegeven patroon. Laat me dit hieronder met een voorbeeld nader toelichten.
Stel je eens voor dat we alle straatstenen in de omgeving van de Domtoren in Utrecht van een nummer voorzien. Stel dat we vervolgens Jan zes muntstukken geven en hem de Domtoren insturen met de opdracht om bovenin de Domtoren geblinddoekt deze munten lukraak naar beneden te gooien. Stel dat vervolgens de eerste munt op steen 1332 terecht komt, de tweede munt op steen 232, de derde munt op steen 5333, de vierde munt op steen 42, de vijfde munt op steen 4545 en de zesde munt op steen 23. Wat is nu de beste verklaring voor het optreden van de combinatie 1332, 232, 5333, 42, 4545 en 23? Welnu, het mag duidelijk zijn dat bruut toeval in dit geval de beste verklaring is voor het optreden van deze combinatie. Het feit dat de combinatie in kwestie extreem onwaarschijnlijk is doet hier niets aan af. Er moest immers hoe dan ook een bepaalde combinatie optreden.
Maar stel je nu eens voor dat we in de omgeving van de Domtoren eerst zes willekeurige stenen groen kleuren. En stel bovendien dat Jan hier helemaal niets vanaf weet. Stel vervolgens dat we Jan met exact dezelfde opdracht de Domtoren insturen en dat vervolgens blijkt dat alle zes door Jan lukraak naar beneden gegooide muntstukken precies op de zes groenen stenen terecht komen! Stel bovendien dat we Jan deze opdracht twintig keer laten uitvoeren en dat iedere keer alle zes door Jan lukraak naar beneden gegooide munten op de zes groene stenen terechtkomen! In dit geval is een beroep op bruut toeval geen redelijke verklaring meer. Er is namelijk sprake van gespecificeerde complexiteit. We worden hier geconfronteerd met extreem lage waarschijnlijkheid in combinatie met een onafhankelijk gegeven patroon. De beste, de meest redelijke, verklaring is hier dan ook het vermoeden dat er sprake is van opzet, van intentionaliteit.
Welnu, het fine-tuning argument is analoog aan het tweede scenario en niet aan het eerste scenario. Jouw en mijn geboorte is daarentegen analoog aan het eerste scenario. Kortom, in het geval van de fine-tuning van de kosmos is een beroep op bruut toeval als verklaring inadequaat, terwijl in het geval van jouw en mijn geboorte een beroep op bruut toeval de beste verklaring betreft.
Ik ben dat met je eens. Dat de evolutie uiteindelijk een wezen heeft geproduceerd met precies mijn DNA code is bruut toeval. En de evolutie had ook net zo goed zodanig kunnen verlopen dat er helemaal geen intelligent leven ontstaan zou zijn. Maar dan was er ook geen intelligent leven geweest om dit te constateren. Dit betekent dus dat intelligent leven automatisch zal constateren dat de evolutie op een zodanige manier is verlopen dat intelligent leven is ontstaan.
Natuurlijk kunnen wij alleen een universum waarnemen dat geschikt is voor intelligent leven. Wij kunnen immers per definitie niet bestaan in een universum dat niet geschikt is voor intelligent leven! Maar dat is nog geen antwoord op de vraag waarom er überhaupt een universum is ontstaan dat geschikt is voor intelligent leven. En het is precies deze waarom-vraag die het uitgangspunt vormt van het fine-tuning argument.
Laat me dit met een voorbeeld toelichten. Stel dat jij op reis bent in een ver en vreemd land. Op een dag wordt je door de politie aldaar opgepakt en geheel onterecht veroordeeld voor drugshandel. Stel dat ze je vervolgens zelfs ter dood veroordelen en voor een vuurpeloton van honderd scherpschutters plaatsen die allemaal hun geweer op jou gericht hebben. Alle honderd schutters schieten vervolgens tegelijkertijd hun geweer op jou leeg. Het lawaai is werkelijk oorverdovend. En als de rook is opgetrokken blijkt... ...dat alle schutters gemist hebben! Je bent volledig ongeschonden! Zou je dan willen beweren dat er in dit geval helemaal niets te verklaren is omdat uit het feit dat jij er nog bent automatisch volgt dat de schutters allemaal gemist moeten hebben? Welnu, natuurlijk moeten alle schutters gemist hebben. Jij bent er immers nog! Maar dat betekent niet dat je geen verklaring voor deze zeer opmerkelijke gebeurtenis zou willen hebben. Je zult immers willen weten waarom alle honderd schutters gemist hebben! En dan is de verklaring dat er sprake is van puur toeval natuurlijk niet redelijk. De meest redelijke verklaring in dit geval is dat er sprake is van opzet, van intentionaliteit.
Welnu, hetzelfde geldt voor het fine-tuning argument. Natuurlijk, als het universum niet geschikt zou zijn voor het ontstaan van intelligent leven, dan zouden wij er niet zijn. Uit het feit dat wij er zijn volgt dus inderdaad automatisch dat het universum geschikt is voor het ontstaan van intelligent leven. Maar ook hier is de vraag vervolgens waarom het universum eigenlijk geschikt is voor het ontstaan van intelligent leven. En dan valt bruut toeval af vanwege de (zoals fysici in de afgelopen decennia ontdekt hebben) extreem kleine waarschijnlijkheid dat de natuurconstanten geheel toevallig precies die waarden hebben die het universum geschikt maakt voor het ontstaan van intelligent leven. Er was namelijk helemaal geen universum ontstaan dat geschikt is voor het ontstaan van intelligent leven indien één van de natuurconstanten een iets andere waarde gehad zou hebben. Daarom is ook hier intentionaliteit de beste verklaring voor het feit dat het universum geschikt is voor het ontstaan van intelligent leven.
Ik zou inderdaad in eerste instantie opzet vermoeden. Bijvoorbeeld een practical joke van de generaal die het hele vuurpeloton losse flodders had gegeven. Aan het begin van de evolutie heeft niemand voorspeld dat er ooit een wezen zou evolueren met het DNA profiel van mij. Derhalve ga ik met je mee dat bruut toeval een goede verklaring is voor mijn geboorte. Bij het begin van onze evolutie heeft ook niemand voorspeld dat er ooit een wezen zou evolueren met het DNA profiel van een fruitvlieg, of van een zeeleeuw, of van een aap, of van een mens. Derhalve vind ik bruut toeval ook een goede verklaring voor het ontstaan van deze wezens. Bij het ontstaan van het universum heeft ook niemand voorspeld dat de constanten zodanig zouden uitvallen dat leven mogelijk zou zijn. Waarom is in dit geval intentie dan wel voor de hand liggend volgens jou?
Uit jouw reactie maak ik op dat het goed is nog eens te wijzen op het verschil tussen enerzijds extreme onwaarschijnlijkheid en anderzijds extreme onwaarschijnlijkheid in combinatie met een onafhankelijk gegeven patroon. Ik geef wederom een voorbeeld. Stel je loopt in de woestijn en vlak voor je ontstaat een enorme zandstorm. Na enige tijd gaat de storm liggen en kun je eindelijk weer iets zien. Tot je grote verbazing blijkt het zand vlak voor je een reusachtig kasteel te hebben gevormd, compleet met ophaalbrug, binnenplaats, waterput, stallen voor de paarden en wachttorens. Wat zul je dan denken? Iedere mogelijke combinatie van de zandkorrels is uiteraard even onwaarschijnlijk als iedere andere combinatie. Maar het zou natuurlijk irrationeel zijn om te beweren dat het redelijk is te geloven dat er in dit geval sprake is van bruut toeval omdat de zandkorrels zich nu eenmaal op een bepaalde manier moeten combineren, en iedere specifieke combinatie even onwaarschijnlijk is als de combinatie die zojuist is ontstaan! En de reden hiervoor is dat er in dit geval sprake is van gespecificeerde complexiteit, oftewel van extreme onwaarschijnlijkheid in combinatie met een onafhankelijk gegeven patroon. In zo'n geval is een beroep op bruut toeval als verklaring eenvoudigweg niet rationeel meer. En dat niemand vooraf heeft voorspeld dat er een zandkasteel uit het zand zou ontstaan doet hier natuurlijk helemaal niets aan af.
Welnu, precies hetzelfde is aan de orde in het geval van de fine-tuning van het universum. Stel je immers een kilometers uitgestrekt plat vlak voor waarvan ieder punt precies één mogelijk universum representeert. Voor iedere combinatie van natuurconstanten is er dus sprake van exact één enkel punt op het enorme uitgestrekte platte vlak in kwestie. Stel je nu eens voor dat we de punten op het vlak die corresponderen met universa waarin geen leven kan ontstaan zwart kleuren, en dat we de punten op het vlak die corresponderen met universa waarin juist wel leven kan ontstaan wit kleuren. In dat geval zal (uitgaande van de moderne kosmologie) het vlak in alle richtingen kilometers lang pikzwart zijn met slechts ergens één enkel zeer klein wit stipje! Stel je nu eens voor dat iemand vanaf kilometers afstand geblinddoekt volstrekt lukraak een pijltje op dit kilometers uitgestrekt zwarte vlak schiet, en dat vervolgens blijkt dat dit pijltje precies in de witte stip terechtkomt! Natuurlijk is het dan niet redelijk meer om te spreken van bruut toeval. En de reden is, net zoals in het geval van het voorbeeld van de zandstorm, dat er sprake is van gespecificeerde complexiteit, oftewel van een extreem kleine kans in combinatie met een onafhankelijk patroon. Als het pijltje namelijk op één van de vele zwarte stippen terechtgekomen was, en er dus geen sprake was geweest van genoemde combinatie, dan had echt niemand aan bruut toeval als verklaring getwijfeld. Ook al is de kans dat het pijltje precies op die zwarte stip terechtkomt net zo klein als de kans dat het pijltje op de witte stip valt. Kortom, het is inderdaad cruciaal voor het fine-tuning argument dat er sprake is van een onafhankelijk patroon.
Ik zou zeer verbaast zijn over het zandkasteel. Des te meer omdat ik kennis heb van hoe zand zich gedraagt onder wind. Dit schikt zich namelijk helemaal niet geheel willekeurig, het schikt zich automatisch in de vorm van golven. Het zandkasteel lijkt dus zelfs natuurwetten te tarten. Aangaande de constanten van het universum weten wij niet of die zich willekeurig schikken, of dat zij zich schikken volgens bepaalde regels of voorkeuren. Maar laten we voor deze discussie aannemen dat de constanten zich willekeurig en onafhankelijk van elkaar zouden kunnen schikken.
Als het zand zich geschikt zou hebben in een vorm die wij niet bijzonder vinden, dan zouden ik en jij dit toeval vinden. Maar een bewoner van de planeet Yaxet zou in zo'n patroon misschien een exacte replica van een beroemd kunstwerk van die planeet herkennen. De aanwezigheid van een patroon is dus "in the eye of the beholder". Elke reeks van 10 worpen met een dobbelsteen is willekeurig en komt in de praktijk even vaak voor. Toch klopt ons hart sneller als we 1234561234 gooien. Omdat wij dan een patroon zien. Maar de statistische kans op dat patroon is net zo groot als op 4235536232. En als je dat gooit dan begint je hart niet sneller te kloppen. Tenzij je werkt voor de Electric Power Board of Chattanooga landline from Chattanooga, want dan heb je precies het telefoonnummer van aldaar gegooid. Maar je laat mijn vraag over de evolutie van de fruitvlieg onbeantwoord. Ik zal hem hieronder iets anders formuleren. Stel je datzelfde kilometers uitgestrekte vlak voor. Elk punt representeert een mogelijk verloop van de evolutie van onze aarde, vanaf het moment dat DNA ontstond tot op heden. We kleuren de punten waarbij er een fruitvlieg bestaat of kan bestaan wit en de rest zwart, en we groeperen de witte punten. Het ontstane vlak is vergelijkbaar met het door jou voorgestelde vlak: een enorm zwart vlak met ergens een wit stipje. Toch vind jij het bruut toeval dat een blinde werper de dartpijl van kilometers afstand precies op dit witte stipje heeft gegooid. Wat is het verschil in die twee situaties?
Het opwellen van een zandkasteel uit een zandstorm is een voorbeeld van gespecificeerde complexiteit. Het is dan voor jou en mij, of welk mens dan ook, niet rationeel om te beweren dat hier slechts sprake is van toeval. Dit willen ontkennen zou onredelijk zijn. Ik weet zeker dat ook jij niet zal willen beweren dat het redelijk is om zo'n gebeurtenis, mocht deze zich voordoen, aan bruut toeval toe te schrijven. En als na afloop van een zandstorm een exacte replica van een kunstwerk op de planeet Yaxet is ontstaan, dan is dat eveneens een voorbeeld van gespecificeerde complexiteit indien we aannemen dat de ratio van het aantal zandkunstwerken in het universum en het aantal mogelijke zandconfiguraties verwaarloosbaar klein is. En de werknemer van de Electric Power Board van Chattanooga dan? Welnu, als hij zelf de dobbelsteen gegooid heeft en vervolgens zijn eigen telefoonnummer gooit, dan is dat natuurlijk opmerkelijk (*) maar nog niet onwaarschijnlijk genoeg voor het vermoeden van intentionaliteit. Het wordt een ander verhaal als hij bijvoorbeeld een miljoen keer die dobbelsteen zou gooien en iedere keer zijn eigen telefoonnummer gooit! Ook in dit geval kun je echt niet beweren dat het rationeel is voor de medewerker in kwestie om zo'n gebeurtenis toe te schrijven aan toeval. Welnu, onze epistemische positie voor wat betreft de fine-tuning van het universum is analoog aan dit soort situaties. Daarom is het voor ons evenmin redelijk om te denken dat de combinatie van natuurconstanten louter een kwestie van toeval is.
(*) Merk op dat het niet opmerkelijk zou zijn als iemand anders in het universum deze reeks zou hebben geworpen. We kunnen bij iedere reeks immers altijd wel ergens iemand vinden die juist die reeks als telefoonnummer heeft.
Het is mij toch nog niet voldoende duidelijk waarom jij bruut toeval wel heel redelijk vindt als verklaring voor bijvoorbeeld het ontstaan van de fruitvlieg, de mens, of jouzelf. Hierop heb jij naar mening nog geen duidelijk antwoord gegeven. Een fruitvlieg is als een zandkasteel. Het is gespecificeerde complexiteit. Het heeft een bepaald DNA patroon. Als je een willekeurig DNA patroon gooit met een dobbelsteen, dan is de kans dat daar het patroon voor een levensvatbaar wezen uit ontstaat nihil. Als ik zo'n patroon zou gooien met een dobbelsteen, dan zou jij volgens jouw argumentatie toeval uitsluiten. En zelfs met zo'n geweldig selecterend systeem als evolutie is de kans dat de evolutie van het DNA uiteindelijk een wezen op zal leveren met het patroon van een fruitvlieg nihil. Dus terug naar die twee enorme grote zwarte vlaktes met dat witte vlekje. In het ene geval staat het witte vlekje voor de kans dat er leven kan bestaan. In het andere geval staat het witte vlakje voor de kans dat er een fruitvlieg kan bestaan. In beide gevallen wordt er blind met een dart pijl gegooid, en in beide gevallen valt de pijl precies op het witte vlakje. Waarom is het bij de fruitvlieg toeval? En als het bij de fruitvlieg toeval is, is het dan ook bij de mens toeval?
Het feit dat het universum het ontstaan van leven mogelijk maakt kan niet worden toegeschreven aan bruut toeval, aldus het fine-tuning argument waarop ik hierboven uitvoerig inging. Maar het feit dat in een universum dat geschikt is voor het evolutionair ontstaan van leven vervolgens een fruitvlieg ontstaat kan wel degelijk aan toeval worden toegeschreven. Het evolutionaire proces zou immers uiteindelijk hoe dan ook op complexe levensvormen uitkomen, welke vorm dan ook. En dan is het ontstaan van een fruitvlieg, of welke andere specifieke levensvorm dan ook, geen voorbeeld van gespecificeerde complexiteit. Kortom, het is, gegeven een universum dat geschikt is voor het evolutionair ontstaan van leven, dus bruut toeval dat de menselijke soort ontstond, dat wezen met een hoofd, twee armen en twee benen. En het is, gegeven een universum dat geschikt is voor het evolutionair ontstaan van leven, ook bruut toeval dat specifieke andere soorten, zoals vlinders en rupsen, ontstonden. Maar het is geen bruut toeval dat er een universum is dat überhaupt het evolutionair ontstaan van leven mogelijk maakt. Het relevante onafhankelijke patroon is dus een universum dat het evolutionair ontstaan van leven mogelijk maakt (ten opzichte van alle overige mogelijke universa waarin dit immers niet het geval is) en niet het ontstaan van een of andere specifieke levensvorm (zoals fruitvliegen, of welke specifieke levensvorm dan ook) in een universum waarvan we reeds weten dat het geschikt is voor het evolutionair ontstaan van leven.
Laat me hetzelfde punt ook nog op een andere manier maken. Er is sprake van een goed argument voor intentionaliteit indien er sprake is van twee verzamelingen A en B van mogelijkheden, zodanig dat
I. De gerealiseerde mogelijkheid een element is van A,
II. Ieder element van A saillant is in vergelijking met alle elementen van B,
III. De ratio #A/#B (waarbij #X het aantal elementen van de verzameling X betreft) verwaarloosbaar klein is.
In dit geval kunnen we namelijk inderdaad redelijkerwijs concluderen dat intentionaliteit de meest redelijke verklaring is voor het feit dat een element van de verzameling A gerealiseerd is. Welnu, het 'fruitvliegjes'-scenario levert geen goed voorbeeld van een geslaagd argument voor intentionaliteit op ('het ontstaan van fruitvliegen als gewilde uitkomst'). In dit geval is A immers de verzameling universa waarin fruitvliegen ontstaan, en geen enkel element van A is saillant ten opzichte van alle elementen van B. Neem als element uit B maar eens een universum waarin geen fruitvliegen maar wel vlinders ontstaan. Het fine-tuning argument kent dit probleem niet ('het bestaan van een universum dat leven mogelijk maakt als gewilde uitkomst'). De verzameling A is in dit geval immers de verzameling van alle universa waarin leven kan ontstaan, zodat ieder element van A saillant is ten opzichte van alle universa waarin geen leven kan ontstaan (i.e., B).
Dat is helder uiteengezet. Begrijp ik goed dat in jouw optiek de mensheid niet intentioneel is, maar wel de evolutie van intelligent leven (middels correcte fine-tuning van het universum), niet noodzakelijkerwijs met twee armen en twee benen, en levend op één of meerdere planeten, maar niet noodzakelijkerwijs de aarde?
Dat heb je goed begrepen. Zie eventueel ook http://goo.gl/Kva8K
Abonneren op:
Posts (Atom)
In wat volgt laat ik zien hoe Plato Gorgias aanvalt in zijn dialoog Gorgias. De dialoog van Plato begint bij het huis van Callicles. Callicles is een Atheense burger en een leerling van Gorgias. Hij geeft een feest en op dat feest spreekt niemand minder dan Gorgias. Socrates is ook uitgenodigd. Maar zodra hij met zijn vrienden bij het huis van Callicles in Athene arriveert, blijkt dat ze te laat zijn en dat Gorgias al gesproken heeft. Dit betreurt Socrates. Hij had Gorgias graag horen spreken omdat hij graag wil weten wat nu toch die bijzondere gave van Gorgias is waarover zoveel gesproken wordt. Callicles vraagt dan aan Socrates of hij wellicht Gorgias alsnog zou willen horen oreren. Maar dit wijst Socrates af. Hij wil met hem in gesprek. Socrates wil een dialoog en geen monoloog. Hij vraagt vervolgens aan Gorgias om uit te leggen wat precies die kunst is die Gorgias beoefent. Niet Gorgias, maar Pollos, een van de adjudanten van Gorgias, antwoordt en zegt dat het de allermooiste, de schoonste kunst is. Pollos looft de kunst van Gorgias, maar definieert haar niet. Dit bevalt Socrates absoluut niet. Hij wil geen lofprijzing of lofrede. Socrates is niet geïnteresseerd in het ophemelen van de kunst van Gorgias. Hij wil weten wat die kunst is. Dit is typerend voor de filosofische dialectiek van Socrates. Hij vraagt in elke dialoog altijd eerst en vooral naar de definitie van iets. Hij wil dus het wezen van de door Gorgias beoefende kunst begrijpen. Gorgias neemt het dan over en antwoordt heel eenvoudig dat zijn grote gave, zijn schone kunst, de leer der welsprekendheid of de retorica betreft. Gorgias is dus redenaar of orator. Maar ook met dit antwoord is Socrates ontevreden. Het blijft onduidelijk. Wat is dan die retorica? Socrates nodigt Gorgias nu uit om met hem het vraaggesprek verder aan te gaan. Hierbij waarschuwt Socrates Gorgias om in de beantwoording toch vooral beknopt en bondig te zijn. Het gaat immers om een tweegesprek en niet om een redevoering. Ook kan het zijn dat Plato wil suggereren dat Gorgias bekend stond als breedsprakige bloemrijke spreker en dat zijn reputatie hem blijkbaar is vooruitgesneld. Gorgias pakt de handschoen op en antwoordt op de vraag wat retorica is zo bondig mogelijk, namelijk met een antwoord dat slechts uit één woord bestaat: “Woorden”. Hij kan in elk geval niet verweten worden onsportief te zijn. Maar zijn antwoord bevalt Socrates opnieuw niet. Retorica kan niet “woorden” zijn omdat ook gymnastiek en geneeskunst gebruikmaken van woorden. Niemand zal echter willen beweren dat gymnastiek en geneeskunst tot de retorica behoren. Gorgias preciseert vervolgens zijn definitie. Retorica betreft woorden waarbij geen sprake is van handenarbeid. In de geneeskunde en in de gymnastiek hebben we handenarbeid. Daar is het lichaam betrokken, maar in de retorica gaat het louter om woorden. Ook dit antwoord volstaat volgens Socrates niet. Niet omdat hij inziet dat ook in de retorica het lichaam weldegelijk meedoet (denk aan plaatsbepaling in de ruimte, oogopslag, gelaatsuitdrukking en gestiek), maar omdat wiskunde ook woorden zonder handenarbeid betreft. Wiskunde is echter geen retorica. Wederom past Gorgias zijn definitie aan. Hij richt zich nu nadrukkelijk op het onderwerp van de retorica en bepaalt de retorica nader als de kunst waarmee we alles kunnen bereiken. En nog preciezer definieert hij de retorica als de kunst waarmee we alles kunnen bereiken op het gebied van het belangrijkste van alle menselijke aangelegenheden. We zitten inmiddels al bij de derde poging van Gorgias. Hij is duidelijk aan het schipperen en wordt door Plato welhaast neergezet als een schooljongen die geen idee heeft wat retorica eigenlijk is en alleen maar bezig is om door Socrates gecorrigeerd te worden. En inderdaad, ook zijn derde antwoord bevalt Socrates niet. Wat is namelijk het belangrijkste van alle menselijke aangelegenheden? Socrates merkt op dat voor de dokter gezondheid, voor de gymnastiekleraar schoonheid en voor de koopman rijkdom het belangrijkste van de menselijke aangelegenheden is. Kortom, met het definiëren van de retorica als het belangrijkste van de menselijke aangelegenheden hebben we geen adequate definitie in handen. En dan komt Gorgias met zijn vierde poging. De definitie die hij nu geeft, luidt dat retorica het vermogen is om te overreden met woorden voor een groot publiek. Dit klinkt redelijk. Je vraagt je af of de historische Gorgias niet direct dit antwoord zou hebben gegeven. Gorgias vult aan dat je met dit vermogen zowel de dokter, de gymnastiekleraar als de koopman in je zak hebt. Wie beschikt over de macht van het woord heeft zelfs iedereen in zijn zak. Retorica is de gave van het woord en zo zelf het belangrijkste van alle menselijke aangelegenheden.
