Posts tonen met het label Jezus. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Jezus. Alle posts tonen
zondag 8 november 2015
Een ongehoorde uitdaging
"Het feit dat er in een kleine obscure, door de voornamen en geletterden verguisde volksstam, levend in de periferie van het Romeinse Rijk, een godsdiensthervormer is geweest die het bij uitstek geestelijk symbool heeft kunnen worden van de machtigste en meest scheppingsrijke (maar niet per se meest deugdzame) beschaving ter wereld, een hervormer die ook vandaag, tweeduizend jaar later, nog het lichtend voorbeeld van deze beschaving is en, op z'n minst in moreel opzicht, het onderscheidende merkteken ervan - niemand heeft me ervan kunnen overtuigen dat dit alles gemakkelijk te verklaren is, ook al ben ik op de hoogte van heel wat vermeende verklaringen. Dat zijn morele onderricht, een tartende en ongehoorde uitdaging aan de wereld, zich - niet enkel maar in naam - van deze wereld meester heeft gemaakt, is onverklaarbaar. Dat een nieuw universum is voortgekomen uit de weke en sobere handen van een Galilese jood, valt niet te begrijpen als men zich in diens tijd probeert te verplaatsen. De wortel van deze ommekeer - de christenen zijn het daarover altijd eens geweest - is de liefde. Niet de liefdesidee, maar een lering: de liefde als daad, als werkzame kracht die Hij over de wereld heeft uitgestort en waarvan het weinige dat mensen ervan in zich hebben opgenomen een - zwakke, onvolkomen, met kwaad vermengde, maar altijd levende - afspiegeling is." (Leszek Kołakowski, Jezus. Een apologetisch en sceptisch essay, Klement, Zoetermeer 2015, pp. 74-75)
Metanoia
"Maar we weten dat Hij gelijk heeft. We weten dat er voor de belangrijkste bekommernissen van de mensheid geen zuiver technische en organisatorische oplossingen bestaan. Ze vereisen wat Johannes de Doper een metanoia noemde, een verandering van geest. Zo'n verandering laat zich per definitie niet technisch produceren. Ze bestaat in de erkenning dat de wortel van het kwaad in onszelf ligt, in ieder van ons, alvorens het vorm aanneemt in instituties en doctrines. [...] Daar komt nog bij dat het vermogen om zichzelf schuldig te voelen de voorwaarde is van het mens-zijn. Dit vermogen maakt ons tot mensen, zegt het boek Genesis, en daarin heeft het geen ongelijk. Het heeft geen ongelijk omdat wij geen enkele kennis hebben van goed en kwaad als we die niet in onszelf ondervinden. Nu dan, het kwaad ervaren als de eigenlijke toestand van de ziel - dat is zich schuldig voelen." (Leszek Kołakowski, Jezus. Een apologetisch en sceptisch essay, Klement, Zoetermeer 2015, pp. 24-25)
zaterdag 7 januari 2012
Friedrich Schleiermacher over Jezus
"Wanneer al het eindige de bemiddeling van iets hogers behoeft om zich niet steeds verder van het universum te verwijderen en in het lege en nietige verstrooid te worden, en om zijn verbinding met het universum te onderhouden en tot bewustzijn van die verbinding te komen - kan toch de bemiddelende instantie, die zelf geen bemiddeling nodig mag hebben, onmogelijk zelf louter eindig zijn. Ze moet tot beide naturen behoren; ze moet precies zo en in dezelfde zin deelhebben aan de goddelijke natuur, als ze aan de eindige deelheeft. En wat zag hij anders om zich heen dan eindige zaken die bemiddeling behoefden, en wie anders dan hij kon bemiddelen? 'Niemand kent de Vader dan de Zoon, en iedereen aan wie de Zoon het wil openbaren.' Dit bewustzijn van de uniciteit van zijn religiositeit, van de oorspronkelijkheid van zijn inzicht, en van de kracht daarvan om zich mee te delen en religie te wekken, was tegelijk het bewustzijn van zijn middelaarschap en van zijn goddelijkheid. Toen hij - ik wil niet zeggen geconfronteerd werd met het brute geweld van zijn vijanden en de hoop langer te leven had laten varen, want dat is onuitsprekelijk weinig - toen hij dus door iedereen was verlaten, op het punt stond er voor eeuwig het zwijgen toe te doen, en geen enkele instelling opgericht zag voor gemeenschap onder de zijnen, terwijl daartegenover de plechtige praal stond van de oude, bedorven religie, die sterk en machtig leek en omgeven was met alles wat eerbied inboezemt en onderwerping kan afdwingen, met alles wat hij van kindsbeen had leren eren; toen hij, alleen en slechts ondersteund door dit gevoel, zonder te aarzelen dat 'ja' uitsprak, het grootste woord ooit door een sterveling uitgesproken [1], toen was dat de heerlijkste apotheose, en geen godheid kan zekerder godheid zijn dan die zich zo poneert. Gezien dit geloof aan zichzelf: wie zal zich erover verwonderen dat hij er niet alleen zeker van was voor velen de middelaar te zijn, maar ook een grote school na te laten die haar gelijke religie van de zijne zou afleiden; zo zeker dat hij er symbolen voor instelde nog voordat ze bestond, in de overtuiging dat dat zou volstaan om haar tot aanzijn te brengen; en zo zeker dat hij in een nog vroeger stadium met profetisch enthousiasme sprak over de vereeuwiging in die school van zijn persoonlijke gedenkwaardige daden. Nooit echter heeft hij beweerd het enige object te zijn van de toepassing van zijn idee, of de enige middelaar te zijn, en nooit heeft hij zijn school verward met zijn religie - hij duldde dat men zijn middelaarschap liet voor wat het was, zolang de geest, het principe waaruit zijn religie in hem en anderen was ontstaan, maar niet bezoedeld werd - en ook zijn discipelen was deze verwarring verre. Ze beschouwden de leerlingen van Johannes, die immers de basisopvatting van Christus in zeer onvolkomen vorm deelde, zonder meer als christenen, en namen hen op onder de actieve leden van de gemeente. En zo zou het nog steeds moeten zijn: wie dezelfde schouwing in zijn religie als grondslag neemt, is ongeacht de school een christen, of hij nu zijn religie historisch uit zichzelf dan wel van iemand anders afleidt. Nooit heeft Christus de schouwingen en gevoelens die hij zelf kon meedelen, uitgegeven voor de gehele omvang van de religie die van zijn fundamentele schouwing moest uitgaan; hij heeft altijd op de waarheid gewezen die na hem komen zou. Dat geldt ook voor zijn discipelen; die hebben nooit grenzen gesteld aan de heilige geest, en altijd hebben ze zijn onbeperkte vrijheid en de algemene eenheid van zijn openbaringen erkend. En toen later, na de eerste bloeitijd van de heilige geest, en hij leek uit te rusten van zijn werken, die werken, voor zover de heilige schriften ze bevatten, zonder machtiging uitgeroepen werden tot een gesloten codex der religie, gebeurde dat alleen door mensen die de sluimer des geestes als zijn dood beschouwden, mensen voor wie de religie zelf was gestorven; en iedereen die haar leven nog in zich voelde, of in anderen waarnam, heeft zich altijd tegen die onchristelijke onderneming uitgesproken."Friedrich Schleiermacher, Over de religie - Betogen voor de ontwikkelden onder haar verachters, vertaling: Willem Visser, Tekstbezorging: Willem Visser & Herman Westerink, Boom, Amsterdam 2007, pp. 146-147
[1] Dit is een verwijzing naar het antwoord van Jezus op de vraag van Pilatus of hij de Messias, de Zoon van God was: 'U zegt het' (noot van de vertaler)
vrijdag 11 juni 2010
Hoe voor zichzelf te bepalen of men al dan niet christen is? Een louter existentieel criterium
Er zijn mensen die door veel anderen wellicht als christelijk gezien worden, maar die zich toch oprecht afvragen of ze zichzelf eigenlijk wel christen kunnen noemen. Het is zeker niet eenvoudig voor iemand om deze vraag voor zichzelf te beantwoorden. Is christen-zijn bijvoorbeeld hetzelfde als het omarmen van slechts twee geloofsclaims, namelijk de claim dat God bestaat en de claim dat het God was die Jezus uit de dood heeft opgewekt? Of dient iemand nog veel meer claims te geloven om zichzelf christen te kunnen noemen? Moet bijvoorbeeld ook geloofd worden in de mogelijkheid van een postmortaal leven en in de goddelijke status van Jezus? Is wellicht dit nog niet genoeg en zijn er nog meer claims die eveneens geaccepteerd dienen te worden, zoals bijvoorbeeld de algoedheid, almachtigheid en alwetendheid van God, of de algehele zondigheid van de mens?Het probleem van een op geloofsclaims gebaseerd criterium voor christen-zijn is dat er onvoldoende overeenstemming bestaat over welke geloofsclaims voor een dergelijk cognitief criterium als uitgangspunt genomen moeten worden. Er is namelijk geen lijst van geloofsclaims die wereldwijd op voldoende brede instemming kan rekenen. Voor iedere lijst van geloofsovertuigingen geldt dat er altijd voldoende mensen zullen zijn die van mening zijn dat één of meer belangrijke geloofsopvattingen op de lijst ontbreken of juist ten onrechte wel op de lijst voorkomen. Het zoeken naar een doxastisch ofwel op geloofsovertuigingen gebaseerd criterium voor christen-zijn is daarom niet vruchtbaar. De opvattingen over welke claims daadwerkelijk constitutief zijn voor het christendom lopen eenvoudigweg teveel uiteen.
Is het dan wellicht een idee om een criterium te formuleren dat uitgaat van feitelijk waarneembaar (ritueel) gedrag? Kan iemand zichzelf bijvoorbeeld christen noemen indien hij of zij minimaal een bepaald aantal keer per jaar bidt of naar de kerk gaat? Het probleem is hier natuurlijk dat het onbegonnen werk is om te komen tot een algemeen geaccepteerde lijst van waarneembare gedragingen met bijbehorende minimale frequenties. Geen enkele voorgestelde lijst zal wereldwijd op voldoende instemming kunnen rekenen. Voor iedere mogelijke lijst zullen er genoeg mensen zijn die menen dat bepaalde voor het christendom constitutieve handelingen niet op de lijst voorkomen of juist ten onrechte wel op de lijst vermeldt staan. Bovendien zullen de meningen sterk uiteenlopen over de vraag wat de minimale frequenties dienen te zijn voor iedere op zo'n lijst voorkomende handeling. Het zoeken naar een behaviouristisch ofwel een op concreet (ritueel) gedrag gebaseerd criterium voor christen-zijn is dus welbeschouwd nog vruchtelozer dan het zoeken naar een doxastisch criterium.
Er lijkt echter toch een manier te zijn waarop iemand voor zichzelf kan nagaan of hij of zij zichzelf christen zou kunnen noemen. Het criterium dat ik hier wil voorstellen en dat iedereen voor zichzelf kan aanwenden is niet gebaseerd op het al dan niet accepteren van bepaalde geloofsopvattingen en evenmin op het al dan niet verrichten van bepaalde waarneembare (rituele) handelingen. Het voorgestelde criterium is louter existentieël van aard en kan als volgt omschreven worden:
Om bij jezelf na te gaan of je christen bent hoeft je alleen maar de volgende vraag te beantwoorden. Stel je eens voor dat je door iemand die veel sterker is dan jouzelf fysiek zou worden bedreigd. Iemand dreigt je van het leven te beroven en de enige manier om jouw leven te redden is het verloochenen van Jezus. Zou je dat dan doen? Zou je Jezus verloochenen om in een dergelijke situatie jouw eigen leven te redden?
Wanneer je in alle oprechtheid voor jezelf tot de conclusie komt dat je dat niet zou doen, dat je ook in een dergelijke situatie Jezus niet zou verloochenen, dan ben je christen. Je bent echter geen christen indien je in alle eerlijkheid voor jezelf tot de conclusie komt dat je dat wel zou doen, dat je in zo'n situatie Jezus zou verloochenen om je eigen leven te redden.
Door dit criterium wordt inderdaad geen beroep gedaan op het al dan niet aanwezig zijn van bepaalde geloofsovertuigingen of het al dan niet verrichten van bepaalde (rituele) handelingen. Het criterium is gebaseerd op het existentialisme. Het enige waar het om gaat is of iemand al dan niet Jezus zou verloochenen om zijn of haar eigen leven te redden. Dit is een louter existentiële kwestie.
Het is bovendien niet relevant wat iemand daadwerkelijk doet wanneer hij of zij ooit echt in zo'n levensbedreigende situatie terecht komt. Het gaat er alléén maar om wat iemand als reactie op de existentiële vraag in alle oprechtheid denkt dat hij of zij zou doen. Iemand is christen indien hij of zij op dat moment oprecht van mening is in zo'n levensbedreigende situatie, mocht die zich ooit voordoen, Jezus niet te zullen verloochenen om in leven te blijven.
Verder is het criterium niet bedoeld om door iemand gebruikt te worden om te bepalen of iemand anders al dan niet christen is. Het criterium is uitsluitend bedoeld voor hen die willen nagaan of ze zichzelf al dan niet christen kunnen noemen. Elk mens kan immers alléén voor zichzelf bepalen of hij of zij genoemde existentiële vraag oprecht beantwoordt.
Het motief van de verloochening van Jezus vinden we nadrukkelijk terug in het Nieuwe Testament. Jezus laat Petrus weten dat deze Hem zal verloochenen. Het voorgestelde criterium maakt van dit motief van de verloochening van Jezus het ultieme criterium voor het al dan niet christen zijn. Iemand die vurig gelooft dat God bestaat en dat Jezus gelijk is aan God, maar eveneens verwacht Jezus te zullen verloochenen om zijn of haar eigen leven te redden is volgens dit criterium immers geen christen, terwijl iemand die niet gelooft dat God bestaat en evenmin dat Jezus gelijk is aan God, maar toch oprecht meent Jezus nooit te zullen verloochenen om zijn of haar eigen leven te redden dit wel is! De existentiële houding ten opzichte van de verloochening van Jezus verkrijgt hier dus het primaat boven de doxastische cognitieve houding ten aanzien van het bestaan van God en de ontologische statuur van Jezus.
Het voorgestelde criterium biedt daarmee ruimte aan bepaalde postmoderne niet-alethische invullingen van christen-zijn. Toch heeft het criterium nadrukkelijk ook een alethisch element in zich. Hoe zou iemand die claimt dat Jezus geen goddelijke natuur heeft en dat God niet bestaat immers oprecht van mening kunnen zijn Jezus nooit te zullen verloochenen om zijn of haar eigen leven te redden?
Petrus was, toen Jezus hem opeens vertelde dat hij Hem zou verloochenen, oprecht van mening dat hij Jezus nooit zou verloochenen om zichzelf uit een hachelijke situatie te bevrijden. Volgens het hier voorgestelde criterium kon Petrus zich op dat moment dus christen noemen.
Toch zou Petrus nog diezelfde dag Jezus zelfs tot driemaal toe verloochenen. Zo lezen we in het Lucas evangelie het volgende: "En de Heer draaide zich om en keek Petrus aan. Toen herinnerde Petrus zich de woorden van de Heer, hoe hij tegen hem gezegd had: Vandaag nog, vóór de haan kraait, zul je drie keer beweren dat je mij niet kent. En hij ging naar buiten en huilde bitter".
Dat Petrus ondanks zijn oprechte ontkenning Jezus niet lang daarna toch zou verloochenen doet echter niets af aan het gegeven dat hij volgens het hierboven besproken existentiële criterium zichzelf daarvoor met recht christen kon noemen. Het gaat bij het voorgestelde criterium immers om de persoonlijke existentiële intentie en niet om het feitelijke concrete handelen daarna.
Abonneren op:
Posts (Atom)
