Posts tonen met het label Visser. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Visser. Alle posts tonen

zaterdag 12 juli 2025

Heideggers duiding van het ding

Ook de laatste paragraaf van Gerard Vissers monumentale boek Nietzsche en Heidegger: een confrontatie is wijsgerig bijzonder rijk en diepgravend. Visser bespreekt tegen de achtergrond van Heideggers Daseinsanalyse uit Zijn en tijd zijn analyse van het ding als verzamelplaats van het viertal hemel, aarde, mensen en goden. Voor de aardigheid breng ik de centrale gedachtegang van deze paragraaf in een enkele zin samen. Het ding als ding opent de wereld in viervoudige nabijheid door zijn wezenlijke verzamelende aanwezigheid, terwijl deze wereldopenende nabijheid mede wordt bepaald door ‘de stemming’, die als een grondtoon de wereld doortrekt en kleurt en dus veel verder reikt dan wat een enkel ding vermag, en die bovendien ‘het zeggen’ als wezen van de taal mogelijk maakt, zodat vervolgens het menselijk ‘verstaan’ de wereld - en meer specifiek de door het ding ontsloten nabijheid - nader betekenisvol kan ontsluiten. Wat Heideggers duiding van het ding vooral laat zien is dat voor hem de bepaling van het ding als 'gevormde stof' of 'object met eigenschappen' existentiaal tekortschiet.

zaterdag 14 juni 2025

Vissers confrontatie in vogelvlucht

Waar het in de eerste drie hoofdstukken van Gerard Vissers Nietzsche en Heidegger: een confrontatie tussen Nietzsche en Heidegger nog redelijk gelijk opgaat, opent Heidegger in hoofdstuk 4 ijzersterk en neemt overtuigend de koppositie. In paragraaf 4.4 komt Nietzsche echter niet minder krachtig terug, waardoor hij Heideggers voorsprong weer ongedaan maakt. Vanaf paragraaf 4.5, en vooral in hoofdstuk 5, laat Visser Heidegger opnieuw — en ditmaal nog overtuigender — de koppositie pakken. Gedurende hoofdstuk 6 komt Nietzsche echter verrassend sterk terug, waardoor hij in de loop van dat hoofdstuk langszij komt en zelfs de leiding van Heidegger weet over te nemen. Aan het eind van hoofdstuk 6 ontstaan echter diepe problemen voor Nietzsche, en in paragraaf 7.1 laat Visser Heidegger dan ook de koppositie wederom heroveren, om de confrontatie vervolgens te laten uitmonden in de allesbeslissende laatste paragraaf: 7.2.