Posts tonen met het label Haar naam was Sarah. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Haar naam was Sarah. Alle posts tonen

zondag 30 juni 2013

Haar naam was Sarah (II)

Onlangs schreef G. van den Brink een artikel in het ND over zonde en het radicale kwaad. In dit artikel gaat Van den Brink onder andere in op mijn blogbijdrage Haar naam was Sarah.

Van den Brink wijst in zijn interessante artikel op steekhoudende fenomenologische en theologische bezwaren tegen het onderscheiden van zonde en radicaal kwaad. Nu lijken we een onderscheid tussen radicaal kwaad en zonde te kunnen vermijden wanneer we, zoals T. Smit in de discussie onder mijn eerdere blogbijdrage voorstelde, uitgaan van meerdere na elkaar optredende zondevallen. In dat geval kunnen we het radicale kwaad namelijk begrijpen als een vorm van zonde die pas in de wereld komt nadat de mens nogmaals gevallen is. De "gewone" zondigheid is dan een gevolg van de eerste val van de mensheid. Meer "radicale" vormen van zondigheid zijn in dat geval verbonden met het nog dieper vallen van de mens na de eerste oorspronkelijke zondeval. De gedachte van meerdere zondevallen lijkt ook vanuit de Bijbel niet onwaarschijnlijk, zoals ook in de discussie onder mijn eerdere blogbijdrage ter sprake kwam.

Een andere mogelijkheid is om de "gewone" zonde vooral in verband te brengen met het onvermogen van de gebrekkige en zwakke mens, en de "radicale" zonde eerder te begrijpen vanuit het in en door de mens heen werken van buiten de mens gegeven diabolische machten. Zelf heb ik echter grote moeite met het hypostaseren van dergelijke machten buiten ons. Want, bestaan zulke diabolische machten als ontologisch zelfstandige entiteiten daadwerkelijk? En leidt het uitgaan van het bestaan van dergelijke machten, die ons kunnen bevangen en aanzetten tot verschrikkelijke daden, niet tot een deels ontkennen van onze eigen zondigheid, het deels afschuiven van onze eigen verantwoordelijkheid naar deze machten als het gaat om het verklaren van radicale vormen van zondigheid?

Mijn voorkeur ligt dan ook bij de eerste mogelijkheid, dus het uitgaan van een reeks van zondevallen waarin de mens zichzelf steeds verder van God verwijdert en zo uiteindelijk in staat blijkt tot steeds radicale vormen van moreel verwerpelijk gedrag. Alleen zo blijven we als mensen helemaal zelf verantwoordelijk voor onze zondigheid, zelfs in haar meest radicale vormen. En dit lijkt mij van belang voor het, zoals Van den Brink in zijn artikel aangeeft. echt serieus nemen van de verontrustende boodschap van de christelijke zondeleer.

In persoonlijke correspondentie liet Van den Brink mij weten dat om dezelfde redenen de eerste mogelijkheid ook zijn voorkeur heeft. Hij stelt echter een andere invulling van deze eerste mogelijkheid voor. Van den Brink begrijpt niet waarom we over meerdere zondevallen zouden moeten spreken. Dit lijkt vanuit de ervaring niet plausibel. Volgens hem kunnen we uitgaan van één zondeval. Door de zondeval werd iets in gang gezet dat door de tijd heen steeds verder ontaarde. Zo kwam uiteindelijk pas na verloop van tijd het radicale kwaad als radicale zonde in de wereld. De zonde begon dus "subtiel, om zich vervolgens als een computervirus steeds verder te verspreiden, totdat het uiteindelijk, inderdaad, radicaal is geworden: het maakt alles tot in de wortel kapot." We kunnen volgens Van den Brink dus uitgaan van een geleidelijk continuüm in plaats van een reeks van discontinue zondevallen. Deze door Van den Brink voorgestelde invulling van de eerste mogelijkheid spreekt mij aan, en lijkt mij vooralsnog inderdaad de meest verdedigbare positie.

zondag 5 mei 2013

Haar naam was Sarah

Gisteren zag ik de film 'Haar naam was Sarah' van Gilles Paquet-Brenner. Deze hartverscheurende verfilming van het gelijknamige boek van Tatiana de Rosnay bracht me opnieuw op de gedachte dat het kwaad dat mensen elkaar aandoen vaak zo afschuwelijk is dat zelfs een joods-christelijk begrip als zondeval de lading maar nauwelijks lijkt te dekken. Natuurlijk, de betekenis van de zondeval waarover in Genesis gesproken wordt is in essentie dat de mens zich op enig moment van God afkeerde en zo viel in een geringere toestand van gebrekkigheid en onvolkomenheid. Als zodanig speelt de zondeval in de joods-christelijke traditie een cruciale rol in het begrijpelijk maken van de herkomst van het kwaad. Maar verklaart deze val in ontoereikendheid ook in voldoende mate het enorme kwaad, het radicale kwaad, waartoe mensen steeds weer in staat blijken te zijn? Veel door mensen individueel of collectief gepleegde kwaadaardigheden zijn namelijk in feite zo buitengewoon gruwelijk dat men zich kan afvragen of dit louter en alleen het gevolg kan zijn van de gevallen toestand van deze schepselen van God.

Het is deze vraag die mij in het bijzonder interesseert. Kan het joods-christelijke denken volstaan met de zondeval als genealogie van het radicale kwaad? Of vereist dit denken aanvullende concepties om de herkomst van het radicale kwaad te begrijpen? En zo ja, welke? Nu is de zondeval zoals gezegd een joods-christelijke notie. Dit laat echter onverlet dat de vraag of de zondeval als joods-christelijk narratief het radicale kwaad als fenomeen adequaat kan verklaren een algemene hermeneutische vraag betreft. Dat de zondeval een joods-christelijk concept is doet dus niets af aan de objectiviteit van deze vraag.

Bovendien is de vraag niet of een beroep op een zondeval van de mensheid noodzakelijk is om de oorsprong van het radicale kwaad voldoende te duiden. Het gaat mij om de vraag of uitgaande van de zondeval de herkomst van het radicale kwaad überhaupt afdoende inzichtelijk gemaakt kan worden. En natuurlijk is het zo dat het antwoord op de vraag of het joods-christelijke schema van zondeval ons in staat stelt het radicale kwaad adequaat te duiden afhangt van de precieze invulling van dit schema. Wie wil voorkomen dat het joods-christelijke wereldbeeld naast de zondeval additionele elementen vereist voor een afdoende duiding zal dus moeten zoeken naar een specifieke interpretatie van de zondeval die voldoende recht doet aan het verschijnsel van het radicale kwaad, een verschijnsel dat de film 'Haar naam was Sarah' zo aangrijpend in beeld weet te brengen.