Posts tonen met het label moreel realisme. Alle posts tonen
Posts tonen met het label moreel realisme. Alle posts tonen
donderdag 4 juni 2015
C.S.F.R. Debat: Is God nodig voor de moraal?
Gisterenavond ben ik bij C.S.F.R. Groningen in debat gegaan met moraalfilosoof Patrick Loobuyck over de vraag of God noodzakelijk is voor de moraal. Het was een mooie avond waar ik met veel plezier op terugkijk. En het was al weer mijn derde optreden aldaar! Mijn openingsvoordracht van het debat is nu ook hier beschikbaar.
Labels:
atheïsme,
CSFR Groningen,
debat,
Ethiek,
moreel fictionalisme,
moreel realisme,
theïsme
maandag 9 juni 2014
Moreel en esthetisch realisme
Moreel realisme is de opvatting dat er in elk geval bepaalde morele waarden bestaan die objectief geldig zijn. Er zijn moreel realisten die een beroep doen op diepe algemeen menselijke intuïties om moreel realisme te verdedigen. Een bekend voorbeeld van een dergelijke intuïtie is dat zoiets als lustmoord ontegenzeggelijk verwerpelijk is. Dergelijke diepgewortelde innerlijke ervaringen ontlenen dan hun status als kenbron aan het feit dat wij voor onze kennisverwerving veel gebruikmaken van uiterlijke ervaringen, zodat er geen goede reden lijkt te zijn om dan niet eveneens onze universele innerlijke ervaringen in te zetten.
De bewijslast ligt daarom bij moreel nihilisten die beweren dat er geen objectieve morele waarden bestaan, aldus genoemde realisten. Moreel nihilisten gaan immers tegen onze allerdiepste universele menselijke morele intuíties in, en zullen daarvoor dus hele goede argumenten moeten hebben. De situatie is hier niet verschillend van die waarin iemand bijvoorbeeld beweert dat de buitenwereld niet bestaat. Een dergelijke uitspraak gaat zo sterk in tegen onze diepe en algemeen menselijke uiterlijke ervaringen, dat hij of zij daarvoor inderdaad met hele goede argumenten zal moeten komen.
Nu hebben mensen niet alleen diepe universele morele, maar ook diepe universele esthetische intuïties, zoals dat bloemen en vlinders mooi zijn. Dit betekent dat moreel realisten die zich voor hun moreel realisme beroepen op diepe algemeen menselijke ervaringen, ook esthetisch realisten moeten zijn. Want als we univesele morele intuïties toelaten als kennisbron, dan dienen universele esthetische intuïties eveneens ingezet te worden. Genoemde moreel realisten zullen dan op grond van diepgewortelde algemeen menselijke esthetische intuïties moeten erkennen dat er fenomenen bestaan die in objectieve zin schoon zijn, zoals dus die bloemen en vlinders.
De vraag is of deze moreel realisten dit willen accepteren. Is het niet zo dat moreel realisme in een bepaald opzicht plausibeler is dan esthetisch realisme? Veel mensen zullen intuïtief lustmoord immers direct als objectief verwerpelijk ervaren, terwijl dit in mindere mate het geval lijkt te zijn voor schoonheidsoordelen. Is de bewering dat schoonheidsoordelen niet objectief geldig zijn inderdaad niet prima facie aannemelijker dan de bewering dat er helemaal geen objectief geldige morele oordelen bestaan?
Natuurlijk is het ook goed denkbaar dat er moreel realisten zijn die probleemloos, of zelfs graag, accepteren dat hun moreel realisme eveneens een bepaalde vorm van esthetisch realisme tot gevolg heeft. In elk geval staat vast dat zich op morele intuïtie beroepende moreel realisten die geen esthetisch realist willen zijn, een significant verschil moeten benoemen tussen morele en esthetische intuïties. Alleen zo wordt namelijk voorkomen dat moreel realisme gegrond in morele intuïties automatisch esthetisch realisme impliceert.
De bewijslast ligt daarom bij moreel nihilisten die beweren dat er geen objectieve morele waarden bestaan, aldus genoemde realisten. Moreel nihilisten gaan immers tegen onze allerdiepste universele menselijke morele intuíties in, en zullen daarvoor dus hele goede argumenten moeten hebben. De situatie is hier niet verschillend van die waarin iemand bijvoorbeeld beweert dat de buitenwereld niet bestaat. Een dergelijke uitspraak gaat zo sterk in tegen onze diepe en algemeen menselijke uiterlijke ervaringen, dat hij of zij daarvoor inderdaad met hele goede argumenten zal moeten komen.
Nu hebben mensen niet alleen diepe universele morele, maar ook diepe universele esthetische intuïties, zoals dat bloemen en vlinders mooi zijn. Dit betekent dat moreel realisten die zich voor hun moreel realisme beroepen op diepe algemeen menselijke ervaringen, ook esthetisch realisten moeten zijn. Want als we univesele morele intuïties toelaten als kennisbron, dan dienen universele esthetische intuïties eveneens ingezet te worden. Genoemde moreel realisten zullen dan op grond van diepgewortelde algemeen menselijke esthetische intuïties moeten erkennen dat er fenomenen bestaan die in objectieve zin schoon zijn, zoals dus die bloemen en vlinders.
De vraag is of deze moreel realisten dit willen accepteren. Is het niet zo dat moreel realisme in een bepaald opzicht plausibeler is dan esthetisch realisme? Veel mensen zullen intuïtief lustmoord immers direct als objectief verwerpelijk ervaren, terwijl dit in mindere mate het geval lijkt te zijn voor schoonheidsoordelen. Is de bewering dat schoonheidsoordelen niet objectief geldig zijn inderdaad niet prima facie aannemelijker dan de bewering dat er helemaal geen objectief geldige morele oordelen bestaan?
Natuurlijk is het ook goed denkbaar dat er moreel realisten zijn die probleemloos, of zelfs graag, accepteren dat hun moreel realisme eveneens een bepaalde vorm van esthetisch realisme tot gevolg heeft. In elk geval staat vast dat zich op morele intuïtie beroepende moreel realisten die geen esthetisch realist willen zijn, een significant verschil moeten benoemen tussen morele en esthetische intuïties. Alleen zo wordt namelijk voorkomen dat moreel realisme gegrond in morele intuïties automatisch esthetisch realisme impliceert.
zondag 16 december 2012
Over de redelijkheid van moreel realisme
Het is alleszins redelijk om te beweren dat bepaalde zaken in objectieve zin verwerpelijk zijn. In de morele ervaring ervaren wij namelijk een sfeer van waarden die voor ons objectieve geldigheid hebben. Zo is lustmoord of het doodmartelen van een kind eenvoudigweg verwerpelijk, wat wie dan ook daar verder ook van mag vinden. Stel dat Hitler de oorlog zou hebben gewonnen en na verloop van tijd iedereen op aarde zou hebben laten uitroeien die de Holocaust niet verwerpelijk acht, zodat op enig moment de wereld alleen nog maar uit mensen bestaan zou hebben die de Holocaust alles behalve verwerpelijk vinden. Zelfs dan is het redelijkerwijs uiteraard nog steeds waar dat het verwerpelijk is om zes miljoen Joden te vergassen. Bepaalde zaken zijn anders gezegd nu eenmaal verwerpelijk los van onze menselijke, al te menselijke, overtuigingen. En inderdaad, natuurlijk is er een significant betekenisvol objectief verschil tussen het liefdevol verzorgen van een kind en het bewerken van het gezicht van een kind met een mes.
Wij kunnen derhalve een beroep doen op onze innerlijke morele ervaringen om de claim dat bepaalde zaken in objectieve zin verwerpelijk zijn te onderbouwen. Het is immers heel normaal om een beroep op onze ervaringen te doen. In het geval van onze uiterlijke zintuiglijke ervaringen doen we niet anders, dus waarom zou dat in het geval van onze innerlijke ervaringen ineens niet mogen? Wie het lijden in het gelaat van de ander aanschouwt, wie daadwerkelijk een fenomenologie van deze aanschouwing ontwikkelt, zal moreel relativisme afwijzen. Ga maar eens het betekenisvolle verschil na tussen het van mening verschillen over de vraag of chocolade ijs lekkerder is dan aardbeiden ijs en het van mening verschillen over de vraag of het beter is een kind liefdevol te verzorgen dan een kind dood te martelen.
In de morele ervaring ervaren wij dat bepaalde zaken werkelijk in en op zichzelf verwerpelijk zijn. Zulke ervaringen hebben op ons dan ook een overduidelijk appel of arrest karakter. En wie in alle oprechtheid erkent dat hij of zij gelooft dat (bijvoorbeeld) verkrachting verkeerd is, kan niet anders dan erkennen dat hij of zij in feite ook gelooft dat het waar is dat verkrachting verkeerd is ("If subject S believes P, then it seems to be true to S that P"). Als je iets gelooft, dan lijkt datgene wat je gelooft immers in jouw ogen waar, zodat iemand die gelooft dat verkrachting verwerpelijk is in feite al gecommitteerd is aan het geloof in de objectieve verwerpelijkheid van verkrachting.
Gegeven onze universele algemeen menselijke diepgewortelde morele ervaringen is het dan ook alleszins redelijk om te concluderen dat de bewijslast ligt bij moreel nihilisten die het bestaan van objectieve morele waarden proberen te ontkennen. Wij mogen immers in onze oordelen redelijkerwijs van onze algemeen menselijke zintuiglijke én innerlijke ervaringen uitgaan todat het tegendeel van deze ervaringen overtuigend beargumenteerd kan worden. Welnu, tot dusver is er nog geen enkel wijsgerig argument voor moreel nihilisme geformuleerd waarvan de premissen overtuigender zijn dan onze morele ervaringen zelf! Niet voor niets is moreel realisme verreweg de meest plausibele interpretatie van ons feitelijke morele taalgebruik en onze feitelijke morele oordelen.
Wij kunnen derhalve een beroep doen op onze innerlijke morele ervaringen om de claim dat bepaalde zaken in objectieve zin verwerpelijk zijn te onderbouwen. Het is immers heel normaal om een beroep op onze ervaringen te doen. In het geval van onze uiterlijke zintuiglijke ervaringen doen we niet anders, dus waarom zou dat in het geval van onze innerlijke ervaringen ineens niet mogen? Wie het lijden in het gelaat van de ander aanschouwt, wie daadwerkelijk een fenomenologie van deze aanschouwing ontwikkelt, zal moreel relativisme afwijzen. Ga maar eens het betekenisvolle verschil na tussen het van mening verschillen over de vraag of chocolade ijs lekkerder is dan aardbeiden ijs en het van mening verschillen over de vraag of het beter is een kind liefdevol te verzorgen dan een kind dood te martelen.
In de morele ervaring ervaren wij dat bepaalde zaken werkelijk in en op zichzelf verwerpelijk zijn. Zulke ervaringen hebben op ons dan ook een overduidelijk appel of arrest karakter. En wie in alle oprechtheid erkent dat hij of zij gelooft dat (bijvoorbeeld) verkrachting verkeerd is, kan niet anders dan erkennen dat hij of zij in feite ook gelooft dat het waar is dat verkrachting verkeerd is ("If subject S believes P, then it seems to be true to S that P"). Als je iets gelooft, dan lijkt datgene wat je gelooft immers in jouw ogen waar, zodat iemand die gelooft dat verkrachting verwerpelijk is in feite al gecommitteerd is aan het geloof in de objectieve verwerpelijkheid van verkrachting.
Gegeven onze universele algemeen menselijke diepgewortelde morele ervaringen is het dan ook alleszins redelijk om te concluderen dat de bewijslast ligt bij moreel nihilisten die het bestaan van objectieve morele waarden proberen te ontkennen. Wij mogen immers in onze oordelen redelijkerwijs van onze algemeen menselijke zintuiglijke én innerlijke ervaringen uitgaan todat het tegendeel van deze ervaringen overtuigend beargumenteerd kan worden. Welnu, tot dusver is er nog geen enkel wijsgerig argument voor moreel nihilisme geformuleerd waarvan de premissen overtuigender zijn dan onze morele ervaringen zelf! Niet voor niets is moreel realisme verreweg de meest plausibele interpretatie van ons feitelijke morele taalgebruik en onze feitelijke morele oordelen.
Abonneren op:
Posts (Atom)
