Posts tonen met het label VU. Alle posts tonen
Posts tonen met het label VU. Alle posts tonen

dinsdag 7 januari 2025

Aankondiging VU collegereeks: Nietzsche en Heidegger over de nood van de presentie

Inhoud
Nietzsches machtsdenken en Heideggers zijnsdenken bieden twee fundamentele en verschillende antwoorden op de vraag naar de herkomst en de aard van het Europese nihilisme. Deze twee filosofen proberen elk op hun eigen wijze invulling te geven aan wat we met filosoof Gerard Visser de ademnood van het nihilisme of de nood van de presentie kunnen noemen. Het betreft een nood die Nietzsche en Heidegger in hun werk op een verschillende manier trachten te ledigen. In een nieuwe collegereeks die ik ga geven voor de module Symbolisch leven II van de tweejarige master Filosofie van cultuur en bestuur aan de Vrije Universiteit Amsterdam, verdiepen we ons in de eerste twee delen van Vissers monumentale boek Nietzsche en Heidegger: een confrontatie, waarin beide denkers in het spel en met elkaar in gesprek worden gebracht. We onderzoeken aan de hand van Vissers grondige studie hoe affectiviteit, kunst, waarheidskritiek en nihilismeproblematiek in het denken van Heidegger en Nietzsche een centrale rol spelen. De collegereeks biedt een doordenking van enkele cruciale denkbeelden van beide filosofen en hun onderlinge verhouding, en daagt uit tot een kritische reflectie op de betekenis voor onze eigen tijd van hun denken over het nihilisme.

Programma
Eerste college (dinsdag 22 april van 19:00 tot 22:00): Deel I - Het wezen van het affectieve - Hoofdstuk 1 en 2;
Tweede college (dinsdag 6 mei van 19:00 tot 22:00): Deel I - Het wezen van het affectieve - Hoofdstuk 3;
Derde college (dinsdag 13 mei van 19:00 tot 22:00): Deel II - Kunst en waarheid - Hoofdstuk 4;
Vierde college (dinsdag 20 mei van 19:00 tot 22:00): Deel II - Kunst en waarheid - Hoofdstuk 5.

Literatuur
Gerard Visser, Nietzsche en Heidegger: een confrontatie, Boom, Amsterdam, 2022.

vrijdag 14 oktober 2022

Religious, poetic and argumentative persuasion in the Helen of Gorgias

My contribution for the VU conference Inventive Theology: Rhetoric and the Politics of Believing on Wednesday 26 and Thursday 27 October at the Singelkerk in Amsterdam is here available.

maandag 24 december 2018

Opzet Collegereeks Symbolische leven 2

Begin volgend jaar zal ik voor de master Filosofie van Cultuur en Bestuur aan de Vrije Universiteit opnieuw een collegereeks voor het vak Symbolische leven 2 verzorgen. In dit gedeelte staat de vraag naar de relatie tussen mens en wereld centraal. Wat is vanuit ontologisch en existentieel perspectief de plaats van de mens in het zijnsgeheel? Welke levens- en zijnservaringen gaan gepaard met het mens-zijn? We doordenken de mens-wereld relatie allereerst existentieel-ontologisch vanuit het denken van de latere Heidegger en Giorgio Agamben. We gaan daarna in op Kants duiding van de wijze waarop mens en wereld op elkaar betrokken zijn. Vervolgens bespreek ik mijn 'wereld-voor-ons'-kenleer als antwoord op de vraag hoe wij de relatie tussen mens en wereld moeten begrijpen. Ik laat hierbij zien dat genoemde leer schatplichtig is aan Kant maar tegelijkertijd ook radicaal van zijn duiding afwijkt. Tot slot bespreken we hoe mijn 'wereld-voor-ons'-kenleer zich verhoudt tot wat Heidegger aanduidt als de schikking van het zijn.

Literatuur
1. Heidegger, Martin, Het beginsel van grond, Uitgeverij Boom, Amsterdam, 2009
2. Agamben, Giorgio, Avontuur, Uitgeverij Sjibbolet, Amsterdam, 2016
3. Rutten, Emanuel, Het Retorische Weten, Uitgeverij Leesmagazijn, 2018
4. Rutten, Emanuel, "Het kenbare noumenale" en "Addendum op Het kenbare noumenale", gjerutten.nl

woensdag 10 augustus 2016

The University and the Meaning of Life

Next month my new research project will start at VU University. It's part of a broader research program on the epistemic responsibilities of the university within the Abraham Kuyper Centre. My project plan is available here for anyone who is interested.

woensdag 21 januari 2015

Master Course Speculative Realism (reminder)

Master Specialisation Course Theoretical Philosophy (6 ECT): The Contemporary Speculative Turn to Realism
Post-Kantian critical philosophy focused almost exclusively on discourse and consciousness as what constitutes our access to reality. Since reality appears only as the correlate of language or thought, the world as it is in itself is unknowable. Yet, in recent years various philosophers within the existential and phenomenological tradition turned again towards reality 'in itself'. This new school of thought is known as Speculative Realism.

Speculative realists reject the post-Kantian idea that we only have access to the correlation or interplay between thinking and being, and never to one of them considered apart from the other. The adjective ‘speculative’ might suggest a return to pre-Kantian metaphysics. But this is not the case. Speculative realists purport to think the 'in itself' again, but without going back to pre-critical thought.

One also want to overcome the Kantian presumption that our human access to reality is somehow privileged. In this sense the target of philosophical reflection is shifted away from the human-world correlate as well. In the master course we will study texts of leading speculative realists such as Quentin Meillassoux ('speculative materialism'), Graham Harman and Levy Bryant ('object oriented ontology') and Tristan Garcia (‘flat ontology').

Literature
- Quentin Meillassoux, 'After Finitude: An Essay on the Necessity of Contingency',
- Graham Harman, 'The Current State of Speculative Realism' in Speculations, 'Meillassoux’s Virtual Future' in Continent and 'The Road to Objects' in Continent,
- Levi Bryant, Nick Srnicek, and Graham Harman (eds.), 'The Speculative Turn: Continental Materialism and Realism',
- Tristan Garcia, 'Form and Object: A Treatise on Things'.

Logistics
VU Amsterdam, Week 6-11, Tuesday and Thursday, 14:30 - 17:15
Registration: e.rutten@vu.nl

woensdag 16 april 2014

VU lezing over Georges Bataille

Op 15 mei 2014 zal ik op de VU in het kader van project Metamorfoses een lezing geven over Georges Bataille en zijn denken over het Goddelijke. Daarna zal er voldoende ruimte zijn voor discussie. De volledige aankondigingstekst van mijn lezing is inmiddels hier beschikbaar.

vrijdag 21 september 2012

Doctor!

De openbare verdediging van mijn proefschrift 'A Critical Assessment of Contemporary Cosmological Arguments: Towards a Renewed Case for Theism' is gisteren goed verlopen. Ik ben daar natuurlijk erg blij mee! Het was al met al een mooie dag, met 's avonds een bijzonder diner met vele mooie toespraken van collega's, familie en vrienden. Gisterenochtend, vlak voor mijn promotie, verscheen in het Nederlands Dagblad een interview over mijn proefschrift. Zie http://goo.gl/MwHUW

woensdag 12 september 2012

Openbare verdediging proefschrift

Volgende week donderdag, op 20 september, zal ik mijn proefschrift, getiteld "A Critical Assessment of Contemporary Cosmological Arguments: Towards A Renewed Case for Theism", in het openbaar verdedigen. Een digitale versie van mijn proefschrift is beschikbaar op mijn website www.emanuelrutten.nl

Mijn promotoren zijn Prof. dr. René van Woudenberg van de Vrije Universiteit in Amsterdam en Prof. dr. Tim O'Connor van Indiana University. Dr. ir. Jeroen de Ridder, Universitair docent en NWO Veni onderzoeker aan de Vrije Universiteit, is mijn co-promotor.

De verdediging vindt plaats om 11:45 in de aula van het hoofdgebouw van de Vrije Universiteit in Amsterdam en duurt ongeveer anderhalf uur. Aansluitend is er een receptie.

Iedereen is van harte welkom!

vrijdag 25 mei 2012

Swinburne's probabilistische case voor theïsme

Afgelopen week vond aan de Vrije Universiteit een Veritas debat plaats tussen Richard Swinburne en Herman Philipse. Inzet was de vraag of er goede rationele argumenten zijn voor het bestaan van God. Het werk van filosoof en atheïst Philipse is in ons taalgebied natuurlijk redelijk goed bekend. Dit geldt echter in veel mindere mate voor dat van filosoof en theïst Swinburne. Hieronder vat ik de kern van Swinburne's openingsbetoog samen, daarbij onder andere dankbaar gebruikmakend van de 'hand-out' die aan het begin van het debat werd uitgereikt.

Swinburne stelt dat gegeven een collectie empirische observaties E een verklarende hypothese H voor E waarschijnlijk waar is indien aan precies drie voorwaarden is voldaan. In de eerste plaats moet E waarschijnlijk waar zijn indien we aannemen dat H het geval is. In de tweede plaats moet E niet waarschijnlijk waar zijn indien we aannemen dat H niet het geval is. En in de derde plaats moet H eenvoudig zijn, hetgeen wil zeggen dat H zo weinig mogelijk (typen) entiteiten, (typen) eigenschappen en (typen) relaties postuleert. Deze laatste voorwaarde drukt uit dat we altijd naar de meest simpele verklaring zoeken voor een bepaalde gegeven collectie empirische feiten. Uitgaande van dit probabilistische verklaringsmodel neemt Swinburne voor E de volgende collectie empirische observaties:

(E) Er is een fysisch universum dat wordt geregeerd door een relatief beperkt aantal uniforme, stabiele en eenvoudige natuurwetten. Dit fysisch universum is ge-fine-tuned voor het ontstaan van bewuste vrije wezens, die door dit bewustzijn in staat zijn tot het voelen van pijn en plezier, verdriet en geluk, en die dankzij het relatief beperkt aantal universele, betrouwbare en simpele wetten eveneens de onmiddellijke gevolgen van hun concrete handelen in de wereld kunnen voorspellen, zodat zij, omdat ze tevens vrij zijn, in staat zijn tot het maken van moreel significante keuzes tussen het pijn doen of juist gelukkig(er) maken van elkaar.

Met genoemde wezens doelt Swinburne op de mens, zonder daarbij te willen uitsluiten dat er eventueel ook andere wezens bestaan die onder E vallen. Explanandum E betreft dus kort gezegd het feit dat wij als mensen een "moreel universum" bewonen, dat wil zeggen een universum dat erop is ingesteld om ons iedere keer weer, in allerlei verschillende situaties, moreel significante keuzes te laten maken tussen goed en kwaad. Om E te verklaren poneert Swinburne vervolgens de volgende verklaringshypothese H:

(H) Er is een noodzakelijkerwijs eeuwig, almachtig, alwetend en perfect vrij wezen (dat volgens Swinburne om deze redenen niet anders dan algoed kan zijn) dat bovendien enkelvoudig is.

Het in H genoemde wezen is de God van het klassieke theïsme. Swinburne meent nu dat hypothese H de collectie empirische observaties E waarschijnlijk maakt. Om dit te laten zien redeneert hij als volgt. Het vermogen om moreel significante keuzes te kunnen maken tussen goed en kwaad, en zo morele verantwoordelijkheid te dragen, is intrinsiek goed. Een algoed wezen (dat zelf onmogelijk anders dan het goede kan doen) zal dus wezens willen voortbrengen die over dit waardevolle vermogen beschikken. Maar dan dienen deze wezens wel een fysiek lichaam te hebben om moreel significante handelingen te kunnen verrichten, waardoor een fysisch universum noodzakelijk is. Bovendien dienen ze over bewustzijn te beschikken om ook de positieve en negatieve effecten van deze handelingen te kunnen voelen. Daarnaast moeten ze in staat zijn om de directe consequenties van hun handelingen te voorspellen omdat ze anders niet daadwerkelijk de effecten van verschillende mogelijke handelingen tegen elkaar kunnen afwegen. Het kunnen afwegen van alternatieven vereist wederom bewustzijn, terwijl de voor dit afwegingsproces benodigde voorspelbaarheid van consequenties het bestaan van een relatief beperkt aantal uniforme, betrouwbare en eenvoudige natuurwetten vereist. Bovendien moeten ze ook echt in vrijheid kunnen kiezen omdat ze anders helemaal niet moreel verantwoordelijk zijn voor hun daden. Ze moeten dus vrij zijn, hetgeen overigens ook weer impliceert dat ze over bewustzijn moeten beschikken. Hypothese H is dus een uitstekende voorspeller voor E, zodat volgens Swinburne aan de eerste van de drie voorwaarden is voldaan.

Swinburne vervolgt zijn betoog door op te merken dat E daarentegen juist onwaarschijnlijk is indien H niet het geval is. Zonder een algoed wezen dat de intentie en mogelijkheid heeft om wezens te scheppen die moreel significant kunnen kiezen tussen goed en kwaad is het erg onwaarschijnlijk dat er een fysisch universum bestaat dat is ge-fine-tuned voor het ontstaan van dergelijke wezens. Aan de tweede voorwaarde is volgens Swinburne dus eveneens voldaan.

Nu meent Swinburne bovendien dat H een erg eenvoudige verklaringshypothese betreft omdat de in H gepostuleerde God enkelvoudig is oftewel niet uit delen bestaat en bovendien alle eigenschappen van God ongelimiteerd zijn. Dit laatste is volgens Swinburne inderdaad een stuk simpeler dan het stipuleren van allerlei willekeurige eindige gelimiteerde eigenschappen. Zo is het eenvoudiger om in ongelimiteerde zin machtig te zijn dan om ad hoc over een specifieke eindige hoeveelheid macht te beschikken. En hetzelfde geldt voor alle andere gepostuleerde eigenschappen van God. Een enkelvoudig wezen dat over een beperkt aantal ongelimiteerde eigenschappen beschikt is dus al met al zeer eenvoudig. Aan de derde voorwaarde is volgens Swinburne daarom eveneens voldaan, zodat volgt dat de hypothese H waarschijnlijk waar is en dus dat God waarschijnlijk bestaat.