Posts tonen met het label concepten. Alle posts tonen
Posts tonen met het label concepten. Alle posts tonen
vrijdag 6 februari 2026
Ervaren en denken binnen de wereld zoals zij voor ons is
Wanneer we een boom waarnemen - en dus iets voor ‘waar’ nemen, namelijk dat daar een boom staat - zijn we altijd al door het woord ‘boom’ heengegaan. We ervaren altijd iets als iets. Ons ervaren heeft van meet af aan een ‘opvatten als’ structuur. Onze ervaring is dus steeds al conceptueel geladen. Een vermeende zuivere onbemiddelde directe ervaring is dan ook een onhoudbare onthechte abstractie. En precies omdat al onze ervaring altijd al conceptueel geladen is en we zonder concepten geen enkele indruk ‘als iets’ kunnen ervaren, zijn onze concepten - en daarmee de woorden van onze taal - constitutief voor wat we ‘wereld’ noemen. Hier is geen ontsnappen aan. Dit geldt bovendien niet minder voor ons denken dan voor ons ervaren, en het geldt niet minder voor bomen dan voor bommen en voor natuurwetenschappelijke formules zoals E=mc2. We zitten altijd al en voorgoed in het ‘voor ons’. Natuurlijk mogen we wel hopen dat de-wereld-voor-ons hetzelfde is als de wereld-in-zichzelf. Maar meer dan hopen zal het nooit worden omdat we nimmer toegang hebben tot het ‘op zichzelf’ van de-wereld-voor-ons. Kortom, in ons ervaren én in ons denken neemt de wereld noodzakelijk de vorm aan van ons ervaren en denken. Nooit zullen we daarom weten in hoeverre deze vorm de-wereld-in-zichzelf, het absolute, perfect weerspiegelt of juist hopeloos vervormt. Daarnaast vertrekt iedere verwoede poging tot deconstructie of ontmaskering van het menselijk ervaren en denken als onvolledig of vals hoe dan ook noodzakelijkerwijs vanuit onze menselijke, al te menselijke ervaring en ons menselijk, al te menselijke denken. Het ‘voor ons’ houdt zo onvermijdelijk epistemisch het uiteindelijke primaat.
Labels:
concepten,
De-wereld-voor-ons,
denken,
ervaren
zondag 7 oktober 2018
Hebben of zijn concepten intensies?
Men spreekt voortdurend over de intensie (inhoud, betekenis) van een concept en suggereert daarmee dat een concept een intensie heeft. Zo zeggen we dat het concept ‘huis’ een bepaalde intensie heeft of dat het concept ‘vrijgezel’ een bepaalde intensie heeft. Maar waarom zeggen we niet gewoon dat concepten intensies zijn? Als verklaring hiervoor zou ingebracht kunnen worden dat concepten door de tijd heen kunnen veranderen door het verkrijgen van een andere intensie. Dit is echter onmogelijk indien concepten intensies zijn. Want in dat geval zou een andere intensie neerkomen op een ander concept. Er zou dan geen sprake zijn van een verandering van een en hetzelfde concept.
Deze verklaring lijkt op het eerste gezicht misschien plausibel. Toch gaat het hier om een problematische verklaring. Hoe kan een en hetzelfde concept een andere intensie verkrijgen terwijl het toch over hetzelfde concept blijft gaan? Dit kan alleen als er iets in het concept is dat door de verandering van het concept heen hetzelfde blijft. Zoiets constants in het concept moet er zijn omdat we anders niet zouden kunnen spreken over de verandering van een en hetzelfde concept. Dát wat in het concept constant blijft kan uiteraard niet de intensie van het concept zijn. Het concept verkrijgt immers een andere intensie. Maar wat is het dan in het concept dat tijdens de verandering van het concept constant blijft en er dus voor zorgt dat wij nog steeds over hetzelfde concept kunnen spreken nadat het een andere intensie verkregen heeft? Wat is met andere woorden datgene in het concept dat tijdens de verandering ervan gelijk blijft en dus zorgt voor de identiteit van het concept door de tijd heen? Hiervoor lijkt geen redelijke kandidaat te zijn.* Dit maakt genoemde verklaring diep mysterieus en dus problematisch. Het lijkt daarom beter eenvoudigweg te stellen dat concepten intensies zijn.
Door dit te doen worden concepten hardhandig gereduceerd tot intensies oftewel betekenissen. Concepten vallen restloos met betekenissen samen. Het zijn niets meer of minder dan betekenissen. Toch is met bovenstaande eveneens de deur opengezet voor de gedachte dat concepten op mysterieuze wijze wel eens "meer" zouden kunnen zijn dan betekenissen. Wellicht zit er toch iets "in" concepten dat boven de betekenissen uitstijgt. Maar wat kan dit mysterieuze "meer" dan zijn? Zijn betekenissen immers niet alles wat er over concepten qua concepten te vertellen valt?
Misschien niet. Misschien hebben concepten toch iets wat we heel voorzichtig zouden kunnen aanduiden als "een ziel". De ziel van een concept is dan datgene wat de verschillende betekenissen van een concept door de tijd heen vasthoudt en ze allemaal betekenissen van een en hetzelfde concept laat zijn. Kortom, misschien moeten we voor concepten hetzelfde doen als Aristoteles eerder deed voor tafels en stoelen en andere concreet zintuiglijk waarneembare substanties. Misschien moeten we een onderscheid gaan maken tussen de vorm en de materie van een concept. De materie van een concept is dan de betekenis van het concept. Deze materie is door de tijd heen niet constant. Een concept kan materie oftewel betekenissen winnen en verliezen zonder dat het ophoudt te bestaan. De vorm of ziel van een concept is dan datgene wat dit laatste mogelijk maakt. De ziel van een concept is wezensbepalend voor de identiteit ervan. Het is anders gezegd verantwoordelijk voor de identiteit van het concept door de tijd heen. Al met al lijkt zo een Aristotelisch hylemorfisme voor concepten alsnog een alternatief te zijn voor eerdergenoemde al te harde restloze reductie van concepten naar betekenissen.
*) In elk geval is de naam van het concept geen geschikte kandidaat. Een andere naam levert immers niet direct ook een ander concept op. Het concept 'house' is niet een ander concept dan het concept 'huis' of 'haus'. Evenmin is het concept 'vrijgezel' een ander concept dan 'alleengaande'. Dus waarom zou de naam van een concept wezenlijk zijn voor de identiteit ervan? De naam van een concept is niet wezensbepalend. Niet voor niets kan een en hetzelfde concept meerdere namen hebben (synoniemen) en kunnen twee heel verschillende concepten dezelfde naam hebben (homoniemen).
Deze verklaring lijkt op het eerste gezicht misschien plausibel. Toch gaat het hier om een problematische verklaring. Hoe kan een en hetzelfde concept een andere intensie verkrijgen terwijl het toch over hetzelfde concept blijft gaan? Dit kan alleen als er iets in het concept is dat door de verandering van het concept heen hetzelfde blijft. Zoiets constants in het concept moet er zijn omdat we anders niet zouden kunnen spreken over de verandering van een en hetzelfde concept. Dát wat in het concept constant blijft kan uiteraard niet de intensie van het concept zijn. Het concept verkrijgt immers een andere intensie. Maar wat is het dan in het concept dat tijdens de verandering van het concept constant blijft en er dus voor zorgt dat wij nog steeds over hetzelfde concept kunnen spreken nadat het een andere intensie verkregen heeft? Wat is met andere woorden datgene in het concept dat tijdens de verandering ervan gelijk blijft en dus zorgt voor de identiteit van het concept door de tijd heen? Hiervoor lijkt geen redelijke kandidaat te zijn.* Dit maakt genoemde verklaring diep mysterieus en dus problematisch. Het lijkt daarom beter eenvoudigweg te stellen dat concepten intensies zijn.
Door dit te doen worden concepten hardhandig gereduceerd tot intensies oftewel betekenissen. Concepten vallen restloos met betekenissen samen. Het zijn niets meer of minder dan betekenissen. Toch is met bovenstaande eveneens de deur opengezet voor de gedachte dat concepten op mysterieuze wijze wel eens "meer" zouden kunnen zijn dan betekenissen. Wellicht zit er toch iets "in" concepten dat boven de betekenissen uitstijgt. Maar wat kan dit mysterieuze "meer" dan zijn? Zijn betekenissen immers niet alles wat er over concepten qua concepten te vertellen valt?
Misschien niet. Misschien hebben concepten toch iets wat we heel voorzichtig zouden kunnen aanduiden als "een ziel". De ziel van een concept is dan datgene wat de verschillende betekenissen van een concept door de tijd heen vasthoudt en ze allemaal betekenissen van een en hetzelfde concept laat zijn. Kortom, misschien moeten we voor concepten hetzelfde doen als Aristoteles eerder deed voor tafels en stoelen en andere concreet zintuiglijk waarneembare substanties. Misschien moeten we een onderscheid gaan maken tussen de vorm en de materie van een concept. De materie van een concept is dan de betekenis van het concept. Deze materie is door de tijd heen niet constant. Een concept kan materie oftewel betekenissen winnen en verliezen zonder dat het ophoudt te bestaan. De vorm of ziel van een concept is dan datgene wat dit laatste mogelijk maakt. De ziel van een concept is wezensbepalend voor de identiteit ervan. Het is anders gezegd verantwoordelijk voor de identiteit van het concept door de tijd heen. Al met al lijkt zo een Aristotelisch hylemorfisme voor concepten alsnog een alternatief te zijn voor eerdergenoemde al te harde restloze reductie van concepten naar betekenissen.
*) In elk geval is de naam van het concept geen geschikte kandidaat. Een andere naam levert immers niet direct ook een ander concept op. Het concept 'house' is niet een ander concept dan het concept 'huis' of 'haus'. Evenmin is het concept 'vrijgezel' een ander concept dan 'alleengaande'. Dus waarom zou de naam van een concept wezenlijk zijn voor de identiteit ervan? De naam van een concept is niet wezensbepalend. Niet voor niets kan een en hetzelfde concept meerdere namen hebben (synoniemen) en kunnen twee heel verschillende concepten dezelfde naam hebben (homoniemen).
Labels:
betekenis,
concepten,
identiteit,
inhoud,
intensie
Abonneren op:
Posts (Atom)
Wanneer we een boom waarnemen - en dus iets voor ‘waar’ nemen, namelijk dat daar een boom staat - zijn we altijd al door het woord ‘boom’ heengegaan. We ervaren altijd iets als iets. Ons ervaren heeft van meet af aan een ‘opvatten als’ structuur. Onze ervaring is dus steeds al conceptueel geladen. Een vermeende zuivere onbemiddelde directe ervaring is dan ook een onhoudbare onthechte abstractie. En precies omdat al onze ervaring altijd al conceptueel geladen is en we zonder concepten geen enkele indruk ‘als iets’ kunnen ervaren, zijn onze concepten - en daarmee de woorden van onze taal - constitutief voor wat we ‘wereld’ noemen. Hier is geen ontsnappen aan. Dit geldt bovendien niet minder voor ons denken dan voor ons ervaren, en het geldt niet minder voor bomen dan voor bommen en voor natuurwetenschappelijke formules zoals E=mc2. We zitten altijd al en voorgoed in het ‘voor ons’. Natuurlijk mogen we wel hopen dat de-wereld-voor-ons hetzelfde is als de wereld-in-zichzelf. Maar meer dan hopen zal het nooit worden omdat we nimmer toegang hebben tot het ‘op zichzelf’ van de-wereld-voor-ons. Kortom, in ons ervaren én in ons denken neemt de wereld noodzakelijk de vorm aan van ons ervaren en denken. Nooit zullen we daarom weten in hoeverre deze vorm de-wereld-in-zichzelf, het absolute, perfect weerspiegelt of juist hopeloos vervormt. Daarnaast vertrekt iedere verwoede poging tot deconstructie of ontmaskering van het menselijk ervaren en denken als onvolledig of vals hoe dan ook noodzakelijkerwijs vanuit onze menselijke, al te menselijke ervaring en ons menselijk, al te menselijke denken. Het ‘voor ons’ houdt zo onvermijdelijk epistemisch het uiteindelijke primaat.
