maandag 29 januari 2024

Een voorzichtige aanzet tot een Tractariaanse logica

In de Tractatus leert Wittgenstein dat atomaire proposities mogelijke configuraties van voorwerpen afbeelden. Complexe proposities zijn dan logische combinaties van atomaire proposities. De voorwerpen vormen volgens Wittgenstein een configuratie zoals de schakels van een ketting. Dit betekent dat relaties niet bestaan. Er bestaan alleen configuraties van voorwerpen. Toch gebruikt Wittgenstein predicatenlogica in de Tractatus. De atomaire propositie F(a,b,c) drukt bijvoorbeeld uit dat de voorwerpen waar de namen a, b en c naar verwijzen in de F-configuratie staan. In de predikatenlogica wordt volop met relatiesymbolen gewerkt, zoals het voorbeeld F(a,b,c) laat zien. De geest van Wittgensteins Tractatus zou dus eigenlijk gevangen moeten worden in een logica waarin het relatiesymbool geen rol meer speelt. Er zou in een Tractariaanse logica slechts sprake mogen zijn van namen van voorwerpen en van een formele taal zonder relatiesymbolen om configuraties van voorwerpen te modelleren. Wanneer wij nog eens denken aan Wittgensteins beeld van configuraties van voorwerpen als geschakelde kettingen, dan kan ons dat wellicht op het idee brengen van zo'n logica. Neem de drie voorwerpen aangeduidt door de namen a, b en c. Wanneer deze een configuratie aangaan zoals de schakels van een ketting, dan zouden we bijvoorbeeld kunnen zeggen dat de voorwerpen a en b op ab_4 wijze geschakeld zijn, voorwerpen b en c op bc_7 wijze en voorwerpen a en c op ac_5 wijze. Dit zou dan uitgedrukt kunnen worden door de formule (ab_4)(bc_7)(ac_5). Er volgt dan bijvoorbeeld dat ab_4=ba_4 en dat (ab_4)(bc_7)(ac_5)=(bc_7)(ac_5)(ab_4). Het zou niet oninteressant zijn om een syntax en semantiek voor een dergelijke Tractariaanse logica in detail uit te werken.

zaterdag 27 januari 2024

Een duiding van Gods handelen in deze wereld

Het christendom is een theïsme en geen deïsme. God grijpt dus in de wereld in. De vraag is echter hoe en in welke mate. In wat volgt geef ik mijn interpretatie vanuit een christelijk wijsgerig perspectief. Een minimalistische duiding van Gods ingrijpen in de wereld welke mijns inziens ten volle recht doet aan de ziel van het christendom, is die waarbij we moeten zeggen dat God weliswaar handelt in zijn schepping, en dus ingrijpt in individuele levens van individuele mensen, maar dit alleen doet met het oog op het realiseren van Gods algehele heilsplan van schepping, zondeval en verlossing. God grijpt anders gezegd uitsluitend in op het niveau van de mensheid. Zo laat God zich in met het leven van Abraham en Mozes, en later met dat van de discipelen en apostelen, niet om bepaalde persoonlijke doelen van deze personen te helpen verwezenlijken of om hun persoonlijke levensomstandigheden te verbeteren, maar om hen een belangrijke rol te laten spelen in de realisering van Gods heilsplan voor de gehele mensheid. En hetzelfde geldt voor ieder mens. Als God al ingrijpt in het individuele leven van iemand, dan alléén met als doel om dit individuele leven werkzaam te laten zijn voor genoemde realisatie. Gods ingrijpen in persoonlijke levens is dan ook hoogst zeldzaam en mogelijk op slechts enkele handen te tellen. Wat betekent dit echter voor de zin en de functie van het gebed? Het antwoord lijkt te moeten zijn dat bidden niet bedoeld is om God te vragen bepaalde persoonlijke zaken te regelen, maar om als mens voor even relationeel op God betrokken te zijn en God voor het bestaan te danken. Want het allerhoogste wat God de mens in deze eindige wereld had kunnen geven, heeft God de mens reeds gegeven, namelijk de niet te overtreffen verhalen die handelen over Gods heilsgeschiedenis zelf en zijn opgetekend in de teksten van de overgeleverde testamenten. De sublieme grootsheid van deze verhalen en de welhaast onuitputtelijke troost en hoop die erin gelegen zijn, laten zich als ultiem geschenk in deze breekbare wereld met niets anders vergelijken. Wie in en vanuit deze verhalen leeft, kan dit leven aan omdat deze verhalen bestaan. En omdat deze verhalen ons opnemen in de gedachte dat wat er ook gebeurt, God ons in zijn hand houdt. God heeft ons zo beschouwd in dit feilbare leven alles al gegeven wat God ons redelijkerwijs had kunnen geven. Wat meer dan dit had God de mens nog kunnen schenken? Dankbaarheid is dan ook alles wat ons rest, zodat er inderdaad niets verloren gaat in het duiden van bidden als danken. Vooral ook omdat precies in dit danken de mens, al is het maar voor heel even, een relationele betrokkenheid ervaart op de goddelijke grond van de werkelijkheid.

vrijdag 26 januari 2024

Een alsmaar terugkerende misvatting

Tekens weer kom je in filosofische verhandelingen de misvatting tegen dat omdat ons denken en ervaren altijd al menselijk denken en menselijk ervaren betreft, het "dus" zou gaan om ervaringen en denkbeelden die wij op de een of andere manier “produceren”, zodat wat wij ervaren en denken er "dus" op zichzelf helemaal niet is. Dit volgt echter niet. Want wellicht komen onze menselijke ervaringen en menselijke denkbeelden desondanks naadloos overeen met de werkelijke werkelijkheid zelf. Of de-wereld-zoals-deze-voor-ons-is al dan niet samenvalt met de-wereld-in-zichzelf zullen we nooit kunnen vaststellen. Op dit kerninzicht is mijn hele wereld-voor-ons kennisleer gebouwd.

maandag 22 januari 2024

Dobbelstenen en stippen: een tegenvoorbeeld voor het semantisch argument?

Voor mijn semantisch argument introduceer ik de notie van verwijzingsverzameling van een concept. De verwijzingsverzameling van een concept is de vereniging van de verwijzingen van de deelconcepten van dat concept. Zo is de verwijzingsverzameling van het concept blauwe auto de verzameling van alle blauwe dingen en alle auto's. Want blauw en auto zijn de deelconcepten van het concept blauwe auto. Volgens de kernpremisse van mijn semantisch argument zijn concepten verschillend precies wanneer ze verschillende verwijzingsverzamelingen hebben. Neem bijvoorbeeld de concepten zandstrand en strandzand. De verwijzingsverzameling van zandstrand is de verzameling van alle stranden, al het zand en alle landformaties. De deelconcepten van zandstrand zijn immers de concepten zand, strand en landformatie. De verwijzingsverzameling van strandzand daarentegen is de verzameling van alle stranden, al het zand en alle materialen. Want de deelconcepten van strandzand zijn strand, zand en materiaal. De verwijzingsverzamelingen van deze verschillende concepten zijn dus inderdaad verschillend, zoals mijn kernpremisse stelt.

Neem nu de concepten zwarte dobbelsteen met witte stippen en witte dobbelsteen met zware stippen. Dit zijn evident verschillende concepten. De verwijzingsverzamelingen moeten dus eveneens verschillend zijn op grond van de kernpremisse. Is dit inderdaad het geval? Laten we eens kijken naar de deelconcepten van het concept zwarte dobbelsteen met witte stippen. Men zou geneigd kunnen zijn om te denken dat dit concept de concepten zwart, dobbelsteen, wit en stip als deelconcepten heeft, zodat de verwijzingsverzameling ervan gelijk is aan de verzameling van alle zwarte dingen, alle witte dingen, alle dobbelstenen en alle stippen. Het concept witte dobbelsteen met zwarte stippen zou dan dezelfde deelconcepten en dus dezelfde verwijzingsverzameling hebben, zodat we stuiten op een tegenvoorbeeld van mijn kernpremisse.

Dit gaat echter te snel. De conceptuele uitsplitsing wordt hier één stap te ver doorgevoerd. De deelconcepten van het concept zwarte dobbelsteen met witte stippen zijn namelijk de concepten die we verkrijgen bij de eerste stap in een stapsgewijze conceptuele ontleding van dit concept. De deelconcepten betreffen dus het concept zwarte dobbelsteen en het concept witte stippen. Evenzo zijn de deelconcepten van het concept witte dobbelsteen met zwarte stippen de concepten witte dobbelsteen en zwarte stippen. De verwijzingsverzameling van het concept zwarte dobbelsteen met witte stippen is dus de verzameling van alle zwarte dobbelstenen en alle witte stippen. En deze verwijzingsverzameling verschilt inderdaad van de verwijzingsverzameling van het concept witte dobbelsteen met zwarte stippen, welke immers gelijk is aan de verzameling van alle witte dobbelstenen en zwarte stippen. Dit is maar goed ook omdat zoals gezegd beide concepten van elkaar verschillen en dus niet dezelfde verwijzingsverzameling kunnen hebben volgens de kernpremisse van mijn semantisch argument. Van een succesvol tegenvoorbeeld is dus geen sprake.

zaterdag 20 januari 2024

Een Nietzscheaanse aanval

Hoe zou Nietzsche reageren op de conclusie van mijn semantisch argument? Het ligt voor de hand te denken dat hij zich zal richten op bepaalde fundamentele vooronderstellingen. Een niet onbelangrijk op mijn wereld-voor-ons kennisleer teruggaand onderliggend motief, zo zou met een verwijzing naar Het semantisch argument: een inleiding betoogd kunnen worden, betreft het transponeren of overzetten van negaties of opposities vanuit de denkorde naar de zijnsorde. In een fragment van Nietzsche uit 1887 getiteld Bijdrage tot de psychologie van de metafysica vinden we de volgende psychologische reductie van een dergelijk transpositiedenken:

"Deze wereld is schijnbaar - bijgevolg bestaat er een ware wereld. Deze wereld is voorwaardelijk - bijgevolg bestaat er een onvoorwaardelijke wereld. Deze wereld is vol tegenspraak - bijgevolg bestaat er een wereld zonder tegenspraak. Deze wereld is wordend - bijgevolg bestaat er een zijnde wereld. Louter verkeerde gevolgtrekkingen (blind vertrouwen in de rede: als A is, moet ook het daaraan tegengestelde begrip B zijn). Tot deze gevolgtrekkingen inspireert het lijden: eigenlijk zijn het wensen dat er zo'n wereld mocht bestaan; ook komt de haat tegenover een wereld die leed betrokkent tot uitdrukking in het feit dat men zich een andere, waardevollere inbeeldt: het ressentiment van de metafysica tegen het werkelijke is hier scheppend."

Daarnaast schrijft Nietzsche in Menselijk, al te menselijk I:67 het volgende: "Gewoonte van tegenstellingen. — Algemene, onnauwkeurige observatie ziet overal in de natuur tegenstellingen (zoals 'warm en koud'), waar er geen tegenstellingen zijn, maar slechts gradaties. Deze slechte gewoonte heeft ons verleid om ook de innerlijke natuur, de geestelijk-morele wereld, te willen begrijpen en ontleden op basis van dergelijke tegenstellingen. Onzegbaar veel pijn, verwaandheid, hardheid, vervreemding en afkoeling zijn zo in het menselijk gevoel binnengekomen doordat men dacht tegenstellingen te zien in plaats van overgangen."

Ook merkt hij in Vom Nutzen und Nachteil der Historie für das Leben I:329 uit 1874 op: "Verbrokkeld en uiteengevallen, in iets innerlijks en iets uiterlijks half mechanisch ontleed, bezaaid met begrippen als met drakentanden, draken van begrippen verwekkend, daarbij lijdend aan de ziekte der woorden en zonder enig vertrouwen in elk eigen gevoel dat nog niet met woorden is afgestempeld: als zo'n kwijnende en toch onheilspellend werkzame begrips- en woordenfabriek heb ik misschien nog het recht van mijzelf te zeggen cogito, ergo sum, niet echter vivo, ergo cogito. Het lege 'zijn', niet het volle en groene 'leven' is mij vergund; mijn oorspronkelijk gevoel garandeert mij slechts dat ik een denkend, niet dat ik een levend wezen, dat ik geen animal, maar hoogstens een cogital ben."

Uit deze fragmenten komt een drievoudige aanval op bovengenoemd motief naar voren. Het hanteren van begrippen is niets meer dan een onheilspellende ziekte der woorden. En zelfs als het hanteren van begrippen geen woordziekte is, dan nog is het overzetten van negaties of opposities vanuit het denken naar het zijn slechts een vorm van in angst en ressentiment gegrond dwalend wensdenken. En zelfs als een dergelijke overzetting geen dwalend wensdenken is, dan nog betreft het vermeend vernemen van allerlei tegenstellingen in de natuur slechts een ongefundeerde gewoonte omdat er geen tegenstellingen in de natuur zijn, maar slechts gradaties.

donderdag 18 januari 2024

Heideggers viertal: een deductie

Is Heideggers “Geviert” een willekeurige opsplitsing van het zijnsgeheel? Nee. Ik doe een deductievoorstel. Uitgaande van Heideggers fenomenologie van de menselijke bestaanservaring is het eerste contrast dat tussen mens en wereld. Vervolgens is vanuit de mens binnen de wereld het leidende contrast dat tussen immanentie (natuur) en transcendentie (goden). Tenslotte is vanuit de mens binnen de natuur het leidende contrast dat tussen kosmos (hemel) en aarde. Zo volgt noodzakelijk Heideggers viertal: hemel, aarde, mensen en goden.

vrijdag 12 januari 2024

Nieuwe collegereeks voor Symbolische leven I

Binnenkort zal ik voor de master Filosofie van cultuur en bestuur aan de Vrije Universiteit wederom een collegereeks verzorgen voor het vak Symbolische leven 1. Interesse? Benader mij op e.rutten@vu.nl.

Doelstelling en inhoud
Doel van deze reeks is om inzicht te verwerven in de rol en betekenis van wereldbeelden of zinperspectieven. Wat zijn zinperspectieven en hoe beïnvloeden ze onze blik op de wereld? We staan stil bij de verschillende aspecten ervan, zoals een cognitief-theoretisch beeld van de wereld en de plaats van de mens daarin, een normatief-praktische visie op wat voor de mens het goede leven is, en een bepaalde grondstemming die bepaalt hoe de wereld innerlijk gevoelsmatig wordt beleefd. Eveneens richten we ons op de vraag hoe zinperspectieven zich verhouden tot wat ik aanduid als niet-feitelijke waarheid. De relatie tussen wereldbeelden en het sublieme en het sacrale of heilige komt eveneens aan de orde. Daarnaast bespreken we de hiermee verband houdende thematiek van eros en philia en de zin van liefde en lijden.

Literatuur
- Syllabus
- Rutten, E., Het retorische weten, Uitgeverij Leesmagazijn, 2018
- Rutten, E., Het retorische weten II, Uitgeverij Leesmagazijn, 2021

Rooster
Avondcollege dinsdag 23 april (19:00 tot 22:00)
1. Over het verhevene bij Longinus en zijn verhouding tot alternatieve concepties van het sublieme (Het retorische weten, pp. 69-107)
Eerdere versie op gjerutten.nl

2. Toelichting op 'Over het verhevene bij Longinus' (Het retorische weten, pp. 109-113)
Eerdere versie op gjerutten.nl

3. Syllabus Over het sublieme bij Longinus en Burke

Avondcollege dinsdag 7 mei (19:00 tot 22:00)
4. Syllabus Over het heilige bij Rudolf Otto
5. Syllabus Over het Goddelijke bij Georges Bataille

Avondcollege dinsdag 14 mei (19:00 tot 22:00)
6. Syllabus Over de zin van redelijke wereldbeelden
7. Syllabus, een beknopte analytische weergave van (1) toegepast op theïsme A Way of Intellectually Responsibly Trusting Theism
8. Dat wat zich toont - Filosoferen over niet-feitelijke waarheden (Het retorische weten II, pp. 7-16)
Eerdere versie op debezieling.nl/author/emanuel-rutten/

9. Hoe verhoudt niet-feitelijke zich tot niet-epistemische waarheid? (Het retorische weten II, pp. 257-260)
Eerdere versie op gjerutten.blogspot.com/2018/03/hoe-verhoudt-niet-feitelijke-zich-tot.html

Avondcollege dinsdag 21 mei (19:00 tot 22:00)
10. Syllabus Over de relatie tussen eros en philia in Verbrugges Staat van Verwarring: Het offer van liefde
11. De vraag naar het lijden (Het retorische weten, pp. 115-129)
Eerdere versie op gjerutten.nl

12. De amoureuze liefde: een innerlijke explicatie (Het retorische weten, pp. 211-236)
Eerdere versie op gjerutten.nl

13. De vorm van de vormloosheid (Het retorische weten II, pp. 260-262)
Eerdere versie op gjerutten.blogspot.com/2018/01/vormloosheid.html

Toetsing
De collegereeks zal worden afgesloten met een schriftelijke toets.

Schrijfopdracht
De schrijfopdracht dient uit maximaal 1500 woorden te bestaan en uitgeprint te worden ingeleverd. Dit is vereist om aan de toets te kunnen deelnemen. Vermeld op de uitdraai naam, studienummer en het aantal woorden. Ga nadrukkelijk in op één of meerdere van de opgegeven teksten.

woensdag 10 januari 2024

Bijdragen voor deBezieling

In de periode 2013-2019 schreef ik met enige regelmaat filosofische bijdragen voor het online platform deBezieling. Deze bijdragen heb ik hier beschikbaar gemaakt.

maandag 1 januari 2024

Gloed, licht, leven

"En als wij nog leven en licht drinken, schijnbaar zoals we altijd geleefd hebben, is het dan niet als het ware door het oplichten en fonkelen van sterren die zijn uitgedoofd? Nog zien wij onze dood, onze as niet, en dat misleidt ons en doet ons geloven dat we zelf het licht en het leven zijn - maar het is slechts het oude vroegere leven in het licht, de voorbije mensheid en de voorbije God, waarvan de stralen en de gloed ons nog altijd bereiken - ook licht heeft tijd nodig, ook de dood en de as hebben tijd nodig!"

(Nietzsche, Verzameld werk, De Gruyter, 1980, deel 9, pagina 631)