vrijdag 1 mei 2026

Redenaars en hun stijlgebruik

In zijn Brutus en Orator gaat Cicero onder andere in op het stijlgebruik van redenaars. Stijl is volgens Cicero cruciaal voor de redenaar omdat spreekstijl het meest eigen is aan de retorica, meer nog dan de taken van het vinden, ordenen en onthouden van wat gezegd moet worden. Bovendien wordt volgens Cicero iedere redenaar uiteindelijk in meest eigenlijke zin gekenmerkt door zijn eigen specifieke stijl van spreken. Stijl heeft betrekking op de taken verwoording én voordracht, omdat het zowel om woordkeuze en woordvolgorde als om stemgebruik en spreeksnelheid gaat.

Er zijn volgens Cicero welhaast evenveel wijzen van stijlgebruik als redenaars. Toch kunnen we uit wat hij over spreekstijl opmerkt een typologie van redenaars en hun stijlgebruik afleiden. Deze typologie betreft een synthese van wat Cicero in beide bovengenoemde werken over spreekstijl opmerkt. Zij bestaat uit vijf typen stijlgebruik: (1) het ideaal van Cicero zelf of het ware Atticisme, (2) gematigd Atticisme, (3) radicaal Atticisme, (4) ornamenteel Asianisme en (5) energetisch Asianisme. De typologie brengt enige orde aan in de grote variëteit aan stijlgebruik van redenaars, zonder deze verscheidenheid te willen ontkennen.

Cicero maakt, beschouwd vanuit zijn ideaaltype, een onderscheid tussen drie verschillende spreekstijlen of genera dicendi: een gematigde of ingehouden stijl (genus subtile), een middenstijl (genus medium) en een verheven stijl (genus grande). De verheven stijl is vol, groots, gewichtig, bloemrijk, krachtig en imposant, maar dit alles op een gecontroleerde, maatvolle en gebalanseerde wijze. De ingehouden stijl is zakelijk, helder, duidelijk en bondig en niet gericht op vermeerdering of amplificatie. In slechts zeer beperkte mate wordt ingezet op verfraaiing en elegantie. De middenstijl ligt tussen de twee voorgaande stijlen in. Verfraaiing in woorden en gedachten wordt aan één stuk door in een soepele spreekstroom met mate toegepast.

Daarnaast introduceert Cicero het onderscheid tussen docere of het publiek kundig onderwijzen, delectare of het publiek behagend binden en movere of het publiek gevoelsmatig bewegen. Hoewel het gaat om doelen van de redevoering of effecten op het publiek doet deze drieslag denken aan het klassieke Aristotelische, maar in laatste instantie op Gorgias teruggaande onderscheid tussen de overtuigingsmiddelen logos, ethos en pathos.

Volgens het Ciceroniaanse ideaal worden de drie spreekstijlen in een redevoering op flexibele wijze afwisselend ingezet wanneer het doel, het gevraagde effect of meer algemeen de situatie daarom vraagt. Gematigd Atticisme past de drie stijlen op dezelfde wijze flexibel toe, maar zet daarbij iedere stijl meer beperkt of strakker in. Toch betreft het een variant die Cicero's goedkeuring nog wel kan dragen. Radicaal Atticisme en beide vormen van Asianisme wijst Cicero echter resoluut van de hand. Radicaal Atticisme is niet alleen problematisch omdat het zich in alle omstandigheden beperkt tot de ingehouden stijl, maar ook omdat het deze stijl versmalt of verarmt tot een dunne, droge, magere, bloedeloze en dorre stijl. Asianisme faalt niet alleen omdat het in alle omstandigheden verheven wil spreken, maar ook omdat het de verheven stijl vervormt en laat ontsporen tot overdaad in sierlijke ornamentiek dan wel opgejaagde verbale energie. Bombastische overdaad in versiering kan aangeduid worden met ornamenteel Asianisme, terwijl bombastische overdaad in intensiteit energetisch Asianisme kan worden genoemd. Ornamenteel Asianisme wordt meer precies gekenmerkt door spitse, charmante, fraaie, sierlijke, aangename, mooi opgetuigde, symmetrische en vaak overbodige formuleringen. Energetisch Asianisme kan daarentegen nader gekarakteriseerd worden door de nadruk op retorische flow, stroom en intensiteit, snel en opgewonden spreken met een constante woordenvloed en daarbij vaak een gekunsteld idioom. De voorgestelde typologie van redenaars voor wat betreft hun stijlgebruik kan als volgt schematisch worden weergegeven:

Ciceroniaanse ideaal (goed of echt Atticisme)
Kundig onderwijzen [Docere]
Ingehouden stijl [genus subtile]
Verbindend behagen [Delectare]
Middenstijl [genus medium]
Affectief bewegen [Movere]
Verheven stijl [genus grande]

Gematigd Atticisme
Docere
Ingehouden stijl
Delectare
Gematigde middenstijl
Movere
Beheerste verheven stijl

Radicaal Atticisme (slecht of oneigenlijk Atticisme)
Docere en delectare
Sobere ingehouden stijl
Movere
Ingehouden stijl

Ornamenteel Asianisme
Docere, delectare en movere
Ornamentele Aziatische verheven stijl

Energetisch Asianisme
Docere, delectare en movere
Energetische Aziatische verheven stijl

De ideale redenaar is volgens Cicero dus de redenaar die alle drie stijlen volledig beheerst en passend en doelgericht afwisselt, zonder te vervallen in mateloze droogheid of restloze overdrijving. Dit ideaal belichaamt voor hem het echte of eigenlijke Atticisme. Cicero ontkent dus dat Attisch spreken neerkomt op sober of schraal spreken. Hij begrijpt het goede Attische spreken als zuiver, natuurlijk en passend, maar tegelijkertijd krachtig, veelzijdig en woordrijk spreken. Het ware Attische ideaal berust op de kracht van de gedachte, het ritme van de zin en de emotionele werking van het bloemrijke woord. Het omvat verschillende stijlen zonder gekunsteld of bombastisch te worden en vraagt telkens inzet van de juiste stijl om kundig te onderwijzen, verbindend te behagen en affectief te bewegen.

Gorgias koppelt een volle bloemrijke stijl aan pathos en daarmee aan het bewegen van de ziel. Hij ziet taal als affectieve kracht die via klank, ritme en vorm direct inwerkt op het gemoed. Cicero verwijst in zijn werk meermaals naar Gorgias en leert dat het genus grande oftewel de woordrijke verheven stijl dient te worden gekoppeld aan precies het doel van movere oftewel het bewegen van de ziel. Bovendien meent Cicero dat hierin de eigenlijke of hoogste taak van de ideale redenaar ligt. Dit wijst wederom op invloed van Gorgias op Cicero's retorica. Gorgias vormt een stilistische voorloper van tendensen die later in het Asianisme worden uitvergroot, terwijl Cicero diezelfde tendensen probeert te beheersen en integreren.

Niemand

"Er was bij hen gewoon niemand die iets aan literatuur leek te hebben gedaan met wat meer zorg en aandacht dan gewone mensen. En literatuur is toch de bron van volmaakte welsprekendheid. Er was bij hen gewoon niemand die de filosofie had omarmd, en filosofie is toch de moeder van alle goeds in woorden en daden. Niemand die civiel recht had geleerd, een absolute vereiste voor private zaken en voor het praktisch inzicht van de redenaar. Niemand met kennis van Romeinse geschiedenis, waarmee je indien nodig betrouwbare getuigen uit de doden kunt opwekken. Niemand die met snelle, slimme kwinkslagen over de tegenstander de rechters even liet ontspannen en hun grote ernst kortstondig liet omslaan in uitgelaten gelach. Niemand die een thema breed trok, die een particuliere discussie over een specifieke persoon of omstandigheid omboog naar een betoog over een algemene, universele kwestie. Niemand die ter vermaak even kort een zijpaadje insloeg, niemand die bij rechters grote kwaadheid opwekte, of tranen, niemand die hen in elke richting kon beïnvloeden, al naar gelang de zaak vereiste. En dat is toch eigenlijk het enige wat bij een redenaar hoort." (Romeinse redenaars, Marcus Tullius Cicero, Vertaald door Vincent Hunink, Noordboek Filosofie, 2023, p. 138 (Brutus 322))

zondag 19 april 2026

Gadamer VU bijeenkomsten en colleges

Eind 2025 en begin 2026 heb ik op de Vrije Universiteit in Amsterdam drie bijeenkomsten verzorgd voor masterstudenten en promovendi filosofie en theologie over een groot deel van Deel I van Hans-Georg Gadamers monumentale werk ‘Waarheid en Methode. Hoofdlijnen van een filosofische hermeneutiek’. Deze bijeenkomsten zijn inmiddels op youtube beschikbaar. De eerste bijeenkomst hier en dan zo verder tot Bijeenkomst 3 Deel 2. In maart en april 2026 gaf ik vervolgens voor het vak Symbolisch leven I binnen de tweejarige VU master ‘Filosofie van cultuur en bestuur’ vier colleges over dezelfde literatuur. Het betreft in totaal twaalf uur college. Deze colleges zijn eveneens op youtube beschikbaar. Het eerste college hier en dan zo verder tot College 4 Deel 2. Voor deze collegereeks schreef ik aantekeningen die ik hier beschikbaar heb gemaakt.

zondag 12 april 2026

Gebruik, betekenis en begrip: een korte reflectie op ChatGPT en de mens

De manier waarop wij als kind een taal leren, lijkt op de wijze waarop ChatGPT getraind wordt, namelijk door met eindeloos veel voorbeelden van het gebruik ervan geconfronteerd te worden. Maar is het leren van een taal vanuit het gebruik ervan niet reeds het leren spreken en daarmee leren om betekenisvol met betekenissen om te gaan? Zo lijkt de wijze waarop ChatGPT leert betekenisvol met zijn omgeving te communiceren op de manier waarop mensen dit leren. Wat zegt dat over de vraag of ChatGPT tot werkelijk begrip in staat is? Of omgekeerd: wat zegt het over de vraag of de mens tot werkelijk begrip in staat is?

Is het resultaat van beide leerprocessen fundamenteel verschillend omdat het leerproces van de mens is ingebed in concrete geleefde ervaring? En zo ja, is dit vooralsnog fundamentele verschil computationeel te overbruggen door ChatGPT mobiel te maken en beeld- en geluidsensoren te geven, zodat het eveneens rechtstreeks van de concrete leefwereld kan leren? En zo ja, is er daarna geen fundamenteel verschil in resultaat meer? Of blijkt het resultaat alsnog fundamenteel verschillend? En zo ja, zou dit dan verklaard kunnen worden door te stellen dat zelfs dan de mens iets heeft wat ChatGPT mist, namelijk een innerlijk mentaal bewustzijnsleven?

Sommigen zullen wellicht willen beweren dat ChatGPT nu al, in zijn huidige vorm, een krachtige bevestiging is van Wittgensteins these dat betekenis gebruik is. Want zelfs met de momenteel nog beperkte vorm van leren door gebruik blijkt ChatGPT verrassend effectief in het voeren van betekenisvolle dialogen. Laat staan waartoe ChatGPT in staat is zodra het concreet in de leefwereld ingebed wordt. Toch blijft de vraag of er zo daadwerkelijk sprake is van begrip. Vereist werkelijk begrip uiteindelijk niet zoiets als fenomenaal bewustzijn of innerlijke subjectieve ervaring? Vooralsnog is ChatGPT echter vooral een troef in handen van hen die geen licht zien tussen betekenis en begrip, en beide reduceren tot gebruik.

woensdag 8 april 2026

De Gadamer Zittingen

In het tweede semester van dit academisch jaar gaf ik voor de VU-masteropleiding Filosofie van Cultuur en Bestuur een collegereeks over een groot deel van het eerste deel van Gadamers hoofdwerk Waarheid en Methode. De aantekeningen die ik ter voorbereiding op deze collegereeks maakte, zijn inmiddels hier op mijn website beschikbaar. De aantekeningen combineren hoofdlijnen en reconstructies van de tekst met eigen reflecties.

vrijdag 3 april 2026

Victor Gijsbers, Wittgenstein en het vermoeden van Goldbach

Met plezier las ik het recente boek van Victor Gijsbers over oneindigheid, dat is getiteld Oneindigheid. Een filosofische gids en onlangs de short list van de Socratesbeker heeft gehaald. In hoofdstuk zes bespreekt Gijsbers onder andere het beroemde vermoeden van Goldbach: elk even getal groter dan twee kan geschreven worden als de som van twee priemgetallen. Tot dusver is dit vermoeden niet bewezen en ook niet weerlegd. Stel nu eens dat er geen bewijs voor het vermoeden in een eindig aantal stappen geconstrueerd kan worden. En stel eveneens dat een tegenvoorbeeld evenmin in een eindig aantal stappen construeerbaar is. Gijsbers merkt op dat in dit geval volgens Wittgenstein het vermoeden van Goldbach niet waar en niet onwaar is. Gijsbers licht toe: "Als we net zoals Wittgenstein weigeren om getallen te zien als dingen die al bij voorbaat op ons liggen te wachten, hoeven we ook niet meer te denken dat er waarheden over deze getallen bestaan onafhankelijk van wat wij kunnen bewijzen (p.185)."

Wie in het geval waarin bewijs en tegenvoorbeeld niet eindig construeerbaar zijn, toch denkt dat het vermoeden van Goldbach waar of onwaar is, kan dit volgens Gijsbers dus alléén denken omdat men getallen ziet als dingen die op ons liggen te wachten. Men zou zich de even getallen voorstellen als een van ons onafhankelijk bestaande rij die klaarligt om bekeken te worden. Preciezer gezegd zou men uitgaan van een afgeronde of actuele oneindigheid van even getallen. Dit uitgangspunt wijst Wittgenstein inderdaad af. Gijsbert schrijft dan ook terecht: "Deze gedachte is tegen het zere been van Wittgenstein. Het is volgens hem volkomen verkeerd om de getallen te zien als dingen die bestaan onafhankelijk van onze wiskundige activiteiten. De getallen liggen niet te wachten, in al hun oneindigheid, tot wij een keer langskomen (p. 185)."

We hoeven in het desbetreffende geval echter niet uit te gaan van een afgeronde of actuele oneindigheid van even getallen om te beweren dat het vermoeden waar of onwaar is. Beschouw maar eens iemand die begint bij het eerste even getal, namelijk vier, dat hij of zij in eindig veel stappen controleert, vervolgens met een eindige regel het volgende even getal genereert, dat eveneens op dezelfde wijze in eindig veel stappen controleert, daarna met dezelfde eindige regel het volgende even getal genereert, dat ook weer controleert en zo doorgaat. Hij of zij stopt pas zodra bij een controle blijkt dat het even getal niet aan het vermoeden van Goldbach voldoet. Deze procedure blijft steeds eindig. Het is niet zo dat er op een bepaald moment ineens een actueel oneindig aantal even getallen langsgelopen en gecontroleerd zijn.

En omdat we het hier hebben over het specifieke geval waarin een tegenvoorbeeld niet in een eindig aantal stappen geconstrueerd kan worden, kan met genoemde procedure in een eindig aantal stappen geen tegenvoorbeeld gevonden worden. In elke volgende stap van de procedure ontstaat géén tegenvoorbeeld omdat het ontstaan ervan een constructie van een tegenvoorbeeld in een eindig aantal stappen zou betreffen. Elke volgende controle slaagt, zodat in elke volgende stap de procedure niet stopt. Er is dus geen stap waarin de procedure stopt.

Dit niet stoppen rechtvaardigt de uitspraak dat het vermoeden van Goldbach in het onderhavige geval waar is. Er is geen stap in de procedure waarop gestopt wordt en juist dat lijkt mij redelijkerwijs voldoende om te zeggen dat het vermoeden in dit geval klopt. De even getallen hoeven niet gezien te worden als dingen die op ons liggen te wachten en klaarliggen om bekeken te worden.

Wie deze conclusie te ver vindt gaan, kan volhouden dat er hoe dan ook twee mogelijkheden zijn. De regelgeleide procedure stopt na eindig veel stappen of niet. Als de procedure stopt kan redelijkerwijs gezegd worden dat het vermoeden onwaar is en als er geen stap is waarop de procedure stopt kan redelijkerwijs beweerd worden dat het vermoeden waar is. Meer is niet nodig. Er is geen beroep nodig op een afgeronde of actuele oneindigheid van even getallen.

Kortom, een op eindige regels gebaseerde en daarmee eindige procedurele benadering volstaat om in het onderhavige geval te kunnen spreken over waar of onwaar. In tegenstelling tot wat Gijsbers vanuit Wittgenstein betoogt, is dus geen beroep nodig op een afgeronde of actuele oneindigheid. Ook wanneer een bewijs of tegenvoorbeeld voor het vermoeden van Goldbach niet in een eindig aantal stappen geconstrueerd kan worden, kunnen wij, zonder een actueel oneindig aantal getallen te veronderstellen, nog altijd spreken over het waar of onwaar zijn van Goldbach's vermoeden.

zondag 29 maart 2026

Het vijftiende Godsargument

Enige tijd geleden kwam ik tot de conclusie dat ik de afgelopen decennia in totaal dertien nieuwe Godsargumenten heb ontwikkeld. Deze bracht ik vervolgens hier bijeen. Onlangs realiseerde ik mij dat ik er nog één vergeten was, zoals ik hier toelicht. Het aantal kwam daarmee op veertien. Ik voel mij bijna bezwaard om inmiddels te moeten opmerken dat er een vijftiende argument aan de lijst moet worden toegevoegd. In wat volgt leg ik uit waarom.

In mijn boek Het Retorische Weten II (Leesmagazijn 2021, pp. 269-273) ontwikkel ik een argument voor de bewering dat iets niet uit niets kan ontstaan. Een eerdere versie van dit argument is hier te vinden. De gedachte is dat uitgaande van mijn wereld-voor-ons kennisleer, zoals onder andere uiteengezet in mijn tweeluik Het Retorische Weten (Leesmagazijn 2018/2021) en mijn boek Contra Kant: herwonnen ruimte voor transcendentie (KokBoekencentrum 2020), 'zijn' niet alleen conceptueel (als begrip), maar ook ontologisch voorafgaat aan 'niets'. Het zijn gaat dus altijd al aan het niets vooraf, zodat iets inderdaad niet uit niets kan ontstaan.

De kern van mijn argument betreft het inzicht dat wat wij aanduiden als werkelijkheid altijd al een door ons gedachte werkelijkheid is, een werkelijkheid-voor-ons-denken, zodat een structurele parallellie tussen denken en werkelijkheid ontstaat. Hieruit volgt dan dat conceptuele en ontologische prioriteit samenvallen. In de bovengenoemde uitwerking van mijn argument pas ik dit inzicht toe op het begrippenpaar ‘zijn’ en ‘niets’, zodat het zijn niet alleen conceptueel, maar ook ontologisch aan het niets voorafgaat. Hetzelfde doe ik bijvoorbeeld voor de paren ‘orde’ en ‘chaos’ en ‘waarheid’ en ‘leugen’, zodat orde en waarheid eveneens niet alleen conceptueel, maar ook ontologisch voorafgaan aan respectievelijk chaos en leugen.

Wat gebeurt er nu als we mijn argument op overeenkomstige wijze ook toepassen op het begrippenpaar 'perfect' en 'imperfect'? In dat geval volgt analoog dat perfectie niet alleen conceptueel, maar ook ontologisch voorafgaat aan imperfectie, zodat de grond of oorsprong van de ontegenzeggelijk imperfecte wereld niet anders dan perfect kan zijn. Er moet dus een perfect of oneindig wezen zijn dat ontologisch aan de imperfecte of eindige wereld voorafgaat. Als perfect oneindig wezen dat aan de imperfecte eindige wereld als haar grond of oorsprong voorafgaat, kan dit wezen met recht een goddelijk wezen en dus God genoemd worden. Zo kom ik tot mijn vijftiende Godsargument.

We verkrijgen op deze manier een variant van het Godsargument van Descartes die in zijn Meditaties het bestaan van God eveneens afleidt door een bezinning op de wereldse imperfectie om zo redenerend uit te komen bij God als aan de wereld voorafgaande perfectie. In tegenstelling tot het klassieke Godsargument van Descartes hoeft mijn vijftiende Godargument echter geen beroep te doen op allerlei neo-platoonse en scholastieke principes. Dit zou door hen die mijn wereld-voor-ons kennisleer omarmen als winst beschouwd kunnen worden.