vrijdag 14 januari 2022

Het ontologisch Godsargument van Pruss

Vandaag ging ik in Rotterdam bij De Passie in debat met Bart Klink over de vraag of God bestaat. Mijn opening is hier online beschikbaar. Het betreft een zo toegankelijk mogelijke weergave van het ontologisch Godsargument van Alexander Pruss. Pruss ontwikkelde zijn argument door het ontologisch Godsargument van Kurt Gödel aan te scherpen.

maandag 10 januari 2022

Nieuwe collegereeks voor Symbolische leven I

Binnenkort zal ik voor de master Filosofie van cultuur en bestuur aan de Vrije Universiteit wederom een collegereeks verzorgen voor het vak Symbolische leven 1. Interesse? Benader mij op e.rutten@vu.nl.

Doelstelling en inhoud
Doel van deze reeks is om inzicht te verwerven in de rol en betekenis van wereldbeelden of zinperspectieven. Wat zijn zinperspectieven en hoe beïnvloeden ze onze blik op de wereld? We staan stil bij de verschillende aspecten ervan, zoals een cognitief-theoretisch beeld van de wereld en de plaats van de mens daarin, een normatief-praktische visie op wat voor de mens het goede leven is, en een bepaalde grondstemming die bepaalt hoe de wereld innerlijk gevoelsmatig wordt beleefd. Vervolgens richten we ons op de vraag hoe zinperspectieven zich verhouden tot het absolute binnen de metafysica en het sublieme binnen de esthetiek. We ontwikkelen aan de hand van Longinus, Burke en Kant eveneens een adequate fenomenologie van het sublieme als eigenstandig ervaring. Vervolgens doordenken we ook de metafysica als op zichzelf bestaande discipline. Is de metafysica dood of is een vruchtbare metafysica nog altijd mogelijk? En zo ja, hoe? Daarnaast komen eveneens een aantal gerelateerde thema's aan de orde, zoals niet-feitelijke waarheid, het heilige bij Rudolf Otto, Meillassoux's greep naar het absolute, het auratische bij Walter Benjamin, en tenslotte de thematiek van eros en philia en de zin van liefde en lijden.

Literatuur
- Syllabus (beschikbaar op de weblinks hieronder)
- Rutten, E., Het retorische weten, Uitgeverij Leesmagazijn, 2018
- Rutten, E., Het retorische weten II, Uitgeverij Leesmagazijn, 2021

Rooster
Avondcollege 8 maart
1. Syllabus Over de zin van redelijke wereldbeelden
2. Syllabus, een beknopte analytische weergave van (1) toegepast op theïsme A Way of Intellectually Responsibly Trusting Theism
3. Het hervinden van ons authentieke zelf: Charles Taylor over de malaise van de moderniteit (Het retorische weten, pp. 143-151)
4. Dat wat zich toont - Filosoferen over niet-feitelijke waarheden (Het retorische weten II, pp. 7-16)
5. Hoe verhoudt niet-feitelijke zich tot niet-epistemische waarheid? (Het retorische weten II, pp. 257-260)
6. Syllabus Wereldbeelden en de-wereld-voor-ons

Avondcollege 15 maart
7. Over het verhevene bij Longinus en zijn verhouding tot alternatieve concepties van het sublieme (Het retorische weten, pp. 93-107)
8. Toelichting op 'Over het verhevene bij Longinus' (Het retorische weten, pp. 109-113)
9. Syllabus Over het sublieme bij Longinus en Burke
10. Syllabus Stellingen over het sublieme bij Kant
11. Kant over het mathematisch verhevene (Het retorische weten II, pp. 112-118)
12. Syllabus Het Longiniaans sublieme
13. Syllabus Over het heilige bij Rudolf Otto

Avondcollege 22 maart
14. Nader tot de chaos: Meillassoux's greep naar het absolute (Het retorische weten, pp. 153-161)
15. Plato's De Sofist en een daarop geïnspireerd Godsargument (Het retorische weten II, pp. 37-46)
16. Waarom bestaat God? (Het retorische weten II, pp. 47-61)
17. Waarheidsmakers van ware negaties: is het 'niet' een deel van het zijn? (Het retorische weten II, pp. 47-61)
18. Voorbij Kant. Op zoek naar onweerlegbare voorbeelden van a priori synthetische kennis (Het retorische weten II, pp. 77-82)
19. Is de metafysica dood? Een pleidooi voor een substantiële metafysica (Het retorische weten II, pp. 119-130)

Avondcollege 5 april
20. Over het begrip ‘aura’ in Walter Benjamins kunstwerkessay (Het retorische weten, pp. 193-202)
21. Syllabus Over de relatie tussen eros en philia in Ad Verbrugges Staat van Verwarring: Het offer van liefde
22. De vraag naar het lijden (Het retorische weten, pp. 115-129)
23. De amoureuze liefde: een innerlijke explicatie (Het retorische weten, pp. 211-236)
24. De vorm van de vormloosheid (Het retorische weten II, pp. 260-262)

Toetsing
De collegereeks zal worden afgesloten met een schriftelijke toets.

Schrijfopdracht
De schrijfopdracht dient uit maximaal 1500 woorden te bestaan en uitgeprint te worden ingeleverd. Dit is vereist om aan de toets te kunnen deelnemen. Vermeld op de uitdraai naam, studienummer en het aantal woorden. Ga nadrukkelijk in op één of meerdere van de opgegeven teksten.

vrijdag 31 december 2021

Het religieuze als odyssee

Verondersteld dat het religieuze leven de narratieve structuur van een lange zoektocht heeft, welke zijn dan haar levensstadia? Hieronder een suggestie voor een uit zeven stadia bestaande religieuze odyssee.

I Immanentie. De ongereflecteerde bestaanservaring. De niet subjectief gereflecteerde levenshouding. Leven in zijnsvergetelheid. Geestloos bestaan.

II De onverwachte barst, de scheur, de breuk. Het plotseling aangesproken worden. Het appel dat gedaan wordt. Het arrest. Iets breekt door de oppervlakte heen. Iets dringt het bestaan binnen.

III De verwarring, de worsteling. Het rusteloze ongemak. Het verlangen naar duiding, naar richting.

IV Het zoekende. Het aangaan van de uitdaging. Het aandurven van het avontuur, het nieuwe, het ongewisse. Op zoek naar inzicht.

V De bewustwording. Licht breekt door. Lichtung. Het geschenk van inzicht in de menselijke conditie. Het besef in en door het woord te leven. Logos als het stichtende en dragende van mens en wereld. Ontdekken van het wezen van de mens. Leven in zijnsverstaan.

VI De intensivering. Het nader verkennen van het pril ontdekte. Het doorleven en ervaren van wat zijnsverstaan is. Het ondergedompeld worden in het ontsloten zijn. Gaan staan in het samenspel van woord, geest en wereld. Scheppend leven.

VII Transcendentie. De sprong naar het oneindige. Het ontdekken van een alles begrondende transcendente geest buiten onze geest. De sublieme ervaring van het absolute. Het Goddelijke.

donderdag 30 december 2021

A Way of Intellectually Responsibly Trusting Theism

In a short paper I propose a way of trusting theism in an intellectually responsible manner. I do not hold that this way is the only way of having such trust. This paper is a summarized version of a part of my earlier work on worldviews.

maandag 27 december 2021

Conspiracy theories and bad theology

Are conspiracy theories akin to evil deity theories? In the latter it’s not deceiving politicians, capitalists or scientists that have secret evil plans with the world, but a hidden evil deity that has such plans. If so, conspiracy theories are just secular forms of bad theology. Some forms of gnosticism are examples of evil deity theories. There’s a concealed evil deity (demiurge) that entrapped humanity. We need to be liberated by knowledge (gnosis) of the truth by awakened messengers that know the secret. Naturalized, we arrive at conspiracy theories.

zaterdag 25 december 2021

Decorum

Het passende of decorum heeft zich ontwikkeld van een van de vier stijldeugden voor de verwoording tot een centraal allesverbindend retorisch concept. Het optreden van de redenaar is het geheel van inhoud, verwoording en uitvoering. De inhoud betreft primair de zaak en de personen oftewel de omstandigheden en de personages, maar uiteindelijk heeft de inhoud betrekking op de gehele in de redevoering besloten gedachtegang. De inhoud is passend indien deze aansluit bij doel, publiek, plaats van de redevoering, het tijdsmoment of kairos, spreker, rechtzoekende, tegenstander, toespraaktype, toespraakonderdelen en deugd. De verwoording is passend indien deze aansluit bij de inhoud en genoemde tien elementen. De uitvoering is passend indien deze aansluit bij de verwoording, de inhoud en genoemde elementen. Het optreden tenslotte is passend indien de verwoording, de inhoud en de voordracht allen passend zijn. Volgens Quintilianus is het met name de voordracht die bepaalt of men het optreden van de spreker gepast vindt of niet.

Decorum is een interessant concept. Als A passend is, dan is er voor de onderhavige context een relevante B zodanig dat A past bij B. Indien A het geheel is van B en C, dan is A passend dan en slechts dan als B en C passend zijn. Laat A passen bij B en laat B passen bij C. Het lijkt dan redelijk om te stellen dat A ook past bij C. Zo past bijvoorbeeld de verwoording ook bij het publiek indien de verwoording bij de inhoud past en de inhoud bij het publiek. Decorum induceert dus een transitieve relatie op de verzameling van retorische componenten. Deze relatie is eveneens reflexief omdat iets uiteraard altijd bij zichzelf past. En de relatie is symmetrisch. Want als A bij B past, dan past B ook bij A. De relatie is derhalve een equivalentierelatie. Zo verkrijgen we equivalentieklassen van retorische componenten. Laat nu A bij B en C passen. Volgt dan automatisch dat B en C ook bij elkaar passen? Stel bijvoorbeeld dat de verwoording bij de inhoud en het publiek past. Volgt dan ook dat inhoud en publiek bij elkaar passen? Dit lijkt inderdaad het geval te zijn. Want als inhoud en publiek helemaal niet bij elkaar passen, hoe kan er dan een verwoording zijn die bij beide tegelijk past?

Eerdergenoemde transitiviteit is van belang voor de definitie van decorum voor de verschillende retorische componenten. De inhoud is per definitie passend indien ze bij het publiek (en de hierna niet meer genoemde overige eerdergenoemde elementen) past. De verwoording is per definitie passend indien ze bij de inhoud past en indien de inhoud passend is. Er volgt dan onmiddellijk dat de verwoording ook bij het publiek past. De voordracht is per definitie passend indien ze bij de verwoording past en indien de verwoording passend is. Er volgt dan onmiddellijk dat de voordracht ook bij de inhoud en het publiek past. Ook volgt dan dat de inhoud passend is. Het optreden tenslotte is per definitie passend indien voordracht, verwoording en inhoud alle passend zijn. Want het optreden is het geheel van voordracht, verwoording en inhoud. Uit het passend zijn van de voordracht volgt direct dat ook de verwoording en de inhoud passend zijn. We zouden dus kunnen volstaan met opmerken dat het optreden passend is indien de voordracht passend is. Daarom kan Quintilianus opmerken dat het de voordracht is die bepaalt of het optreden gepast is.

Reduceert het recht retorica tot redeneerleer?

Beschouw het volgende argument. Fraaie stijlmiddelen zijn voor kleine onbeduidende rechtszaken zowel lachwekkend als absurd en voor grote gewichtige rechtszaken van leven of dood ongepast en onbeschaamd. Het recht staat daarom geen verfraaiing van de verwoording toe. Recht reduceert dus retorica tot redeneerleer. Is dit argument steekhoudend? Nee. Het suggereert ten onrechte dat retorica slechts zinloze versiering toevoegt aan argumentatieve inhoud. Verfraaing valt als retorische stijldeugd echter geenszins samen met zoiets als louter lege versiering. Bovendien omvat wat retorici stijl, taalgebruik, uitdrukkingswijze of verwoording noemen veel meer dan verfraaiing. En retorica omvat als discipline meer dan verwoording en ordening van argumenten. Hierbij kan gedacht worden aan emotieleer, karakterleer en allerlei non-verbale uitvoeringsaspecten. Retorica is als leer gericht op 'goed spreken' in een bepaald opzicht zelfs prima philosophia oftewel iets waarin alle denken en spreken uiteindelijk gegrond is. In mijn tweeluik Het Retorische Weten werk ik deze laatste gedachte uit, maar zie ook hier voor een iets andere invalshoek. Genoemd argument miskent de retorica dan ook volledig. Wie het geslaagd vindt toont vooral aan niets van haar wezen begrepen te hebben. Retorica is zoveel meer dan ornamentsleer. Dit begrijpen vereist een denkweg die weinigen bereid zijn te gaan.