donderdag 5 december 2019

Contra Kant. Herwonnen ruimte voor transcendentie

Begin volgend jaar verschijnt bij KokBoekencentrum uitgevers mijn vijfde boek, getiteld Contra Kant. Herwonnen ruimte voor transcendentie. Hieronder de bijbehorende aankondigingstekst.

Ruim tweehonderd jaar geleden ontwikkelde de filosoof Kant een kennisleer op grond waarvan kennis over het transcendente onmogelijk is. Wij zouden alleen iets kunnen weten over wat in de zintuiglijke aanschouwing gegeven is. Sindsdien leven we welhaast in een post-Kantiaanse wereld. Kants kennisleer legde mede de basis voor het algemeen geaccepteerd raken van een positivistisch wereldbeeld. Filosoof Emanuel Rutten laat in dit boek zien dat Kant ernaast zat. Het betreft een van de vroegere teksten van de Amsterdamse filosoof. Volgens Rutten blijft Kant onterecht vasthouden aan het empiristische idee dat de mens niets kan weten over datgene wat niet in de zintuiglijke ervaring gegeven is. Rutten ontwikkkelt een allesomvattende alternatieve kennisleer op grond waarvan kennis over het transcendente voor ons weer mogelijk wordt. Zo wordt in onze tijd opnieuw ruimte gemaakt voor kennisclaims over God. Het is precies deze oorspronkelijke inclusieve ‘wereld voor ons’ kennisleer die aan de basis staat van veel van zijn latere wijsgerige werk.

zondag 1 december 2019

Filosofisch Cafe Zwolle 20 januari 2020: Bijeenkomst over mijn semantisch argument

In zijn traktaat Over de kosmos verklaart Aristoteles dat de natuur een voorliefde heeft voor tegendelen of opposities. En Cicero stelt in zijn De Oratore dat volgens Epicurus de natuur zo in elkaar zit dat alles zijn tegendeel heeft. Dit noemde Epicurus volgens hem isonomia. Nu komen we inderdaad overal in de natuur tegendelen tegen. Er is geen licht zonder donker, geen warmte zonder koude, geen liefde zonder haat, geen zwart zonder wit, enzovoort. De lijst van opposities in de wereld lijkt welhaast eindeloos.

Maar waarom is dit zo? Waarom houdt de natuur van tegendelen? Tijdens deze bijeenkomst presenteert filosoof Emanuel Rutten een verrassend strikt filosofisch argument voor de stelling dat er geen universele eigenschappen bestaan. Voor iedere eigenschap is er altijd wel een object te vinden die die eigenschap niet bezit. Kortom, geen enkele uitspraak van de vorm "Alles is X" is waar. De werkelijkheid is radicaal pluriform oftewel rijkgeschakeerd en daarom zien wij overal contrasten. Zo beantwoordt Rutten de vraag waar die voorliefde vandaan komt.

Voor zijn argument combineert hij op geheel vernieuwende wijze twee filosofische disciplines die normaal gesproken elkaar (relatief) ongemoeid laten, namelijk de metafysica en de taalfilosofie. Op het eerste gezicht lijkt Ruttens conclusie dat er geen universele eigenschappen bestaan niet heel erg opzienbarend. So what? zult u misschien denken. Rutten zal echter laten zien dat niets minder waar is. Zijn argument heeft, indien succesvol, buitengewoon verstrekkende consequenties. Om alvast een klein tipje van de sluier op te lichten: Als er inderdaad geen universele eigenschappen bestaan, dan is bijvoorbeeld de eigenschap "materieel zijn" niet universeel. Maar dan moeten er immateriele oftewel onstoffelijke objecten in de wereld zijn. Materialisme als wereldbeeld faalt dan. En zo zijn er nog veel meer "ismen" die omvallen.

Tijdens deze bijeenkomst zal filosoof Emanuel Rutten zijn argument - door hem het semantisch argument genoemd - en de belangrijkste gevolgen ervan uiteenzetten. Specifieke voorkennis van metafysica en taalfilosofie is niet vereist, zo werd ons beloofd. Van harte welkom!

vrijdag 22 november 2019

Uit niets ontstaat niets: een argument

Kan het universum uit het niets ontstaan zijn? Kan de werkelijkheid helemaal niets als oorsprong hebben? Natuurlijk is het onredelijk om te denken dat iets uit absoluut helemaal niets kan voortkomen. Zoveel geloof hebben we in de regel niet. En terecht. Wie daadwerkelijk gelooft dat zoiets absurds mogelijk is, kan alles wel gaan geloven. Het eind is dan zoek. Desalniettemin zal ik in wat volgt een redelijk filosofisch argument geven voor de bewering dat iets inderdaad niet uit niets kan ontstaan. Het argument dat ik uitwerk berust net zoals mijn semantisch argument op een wellicht verrassende combinatie van metafysica en taalfilosofie. Een combinatie die, zoals ik eveneens zal betogen, zeker gerechtvaardigd is wanneer wij uitgaan van mijn wereld-voor-ons kennisleer.

Het argument gaat als volgt. Liegen qua liegen parasiteert op het bestaan van waarheid. Zonder waarheid is liegen onmogelijk. Chaos qua chaos parasiteert op het bestaan van orde. Er kan geen chaos zijn zonder orde. Liegen en chaos gaan dus ontologisch niet aan respectievelijk waarheid en orde vooraf. Waarheid en orde zijn ontologisch primair ten opzichte van liegen en chaos. Evenzo parasiteert het niets qua niets op het zijn. Zonder zijn geen notie van niets. Het niets gaat dus niet aan het zijn vooraf. Zijn is ontologisch primair ten opzichte van niets. Maar dan volgt dat iets niet uit niets kan ontstaan. Uit het niets komt niets voort oftewel ex nihilo nihil fit. De wereld kan dus niet voortgekomen zijn uit het niets.

Zoals uit bovenstaande weergave van het argument blijkt hanteer ik het volgende principe. Als concept x parasiteert op concept y (dus wanneer concept y voor een volledige conceptualisatie van concept x vereist is) dan kan hetgeen door x wordt aangeduid ontologisch niet voorafgaan aan hetgeen door y wordt aangeduid.

Neem ter illustratie het volgende voorbeeld. Het concept bot parasiteert op het concept scherp. Bot qua bot kan dus ontologisch niet voorafgaan aan scherp. Pas nadat het eerste scherpe mes is gemaakt, kunnen andere messen in het licht daarvan bot genoemd worden en als bot verschijnen. Er kunnen wel materiële configuraties zijn die wij op enig moment bot gaan noemen, maar dat kan pas zodra het eerste scherpe mes het levenslicht heeft gezien.

Een manifestatie van een concept gaat dus niet vooraf aan de manifestatie van het concept waarop het parasiteert. Wat eraan voorafgaat geldt nog niet ten volle als een realisatie van het parasiterende concept. Wat aan het eerste scherpe mes voorafgaat kan nog niet bot genoemd worden. Dit alles is ontologisch vrij subtiel. Wat we “daar” zien is iets materieels dat we pas later kunnen aanduiden als bot mes. Maar op dat moment kan dat nog niet. Het mes is op dat moment nog géén bot mes. Ontologisch niet. Het mes verschijnt nog niet als bot zolang er geen scherp mes is.

In mijn analogie argument lopen de conceptuele denkorde en de concrete zijnsorde dus in elkaar over. Ze zijn onontvreemdbaar op elkaar betrokken. Conceptuele prioriteit en ontologische prioriteit liggen in elkaars verlengde. Als het ene concept conceptueel aan het andere concept voorafgaat, dan gaat dat wat door het ene concept wordt aangeduid ook ontologisch vooraf aan dat wat door het andere concept wordt aangeduid. Mijn argument is in die zin een klassiek argument dat uitgaat van een hechte parallellie tussen denken en zijn.

De conceptuele orde en de ontologische orde veronderstellen elkaar. Volgens Heidegger is de hamer er in ontologische zin niet meer qua hamer zodra wij al hamerend de hamer laten vallen en deze vervolgens als een star object voor ons houden en conceptueel aanschouwen. De hamer is er volgens hem alleen als hamer in de hamerende omgang ermee. Misschien is dit zo, maar gelet op bovengenoemde parallellie tussen de denkorde en de zijnsorde is er überhaupt geen hamer qua hamer wanneer we het concept van hamer missen.

De gelijkvormigheid van denken en zijn volgt rechtstreeks uit mijn wereld-voor-ons kennisleer. Volgens deze leer hebben wij alleen toegang tot de wereld zoals wij deze ervaren en denken. Nu is ons ervaren en denken conceptueel geladen. Maar dan veronderstellen de conceptuele orde en ontologische orde elkaar inderdaad. Iets bestaat alleen mét het concept ervan. Het begrip hamer is een vereiste voor het bestaan van “dat daar“ als hamer. Zonder het begrip hamer bestaat de hamer niet qua hamer.

Mijn analogie argument steunt daarnaast zoals we hierboven zagen op twee cruciale aan het zijn en niets analoge voorbeelden, namelijk die van waarheid spreken en liegen en die van orde en chaos. De gedachte is dat liegen en chaos naar hun aard dichtbij het niets staan en dat waarheid en orde naar hun wezen vlak in de buurt komen van het zijn. Naast deze twee voorbeelden zijn er waarschijnlijk andere analoge voorbeelden. Zo zouden we wellicht het voorbeeld van het botte en scherpe mes in de analogieredenering kunnen betrekken om deze nog sterker te maken. Noodzakelijk voor het argument is dit echter niet.

Kunnen beide analoge voorbeelden ook omgedraaid worden? Kunnen we ook zeggen dat waarheid parasiteert op liegen en orde op chaos? Vereist anders gezegd het concept waarheid het concept liegen en het concept orde dat van chaos? In dat geval zouden we net zo goed kunnen concluderen dat zijn qua zijn op het niets parasiteert oftewel dat het niets zowel conceptueel als ontologisch voorafgaat aan zijn. Zonder niets geen zijn. Mijn argument komt dan niet van de grond. Sterker nog, er zou dan volgen dat het zijn voortkomt uit het niets.

Beide voorbeelden kunnen echter niet omgekeerd worden. Neem dat liegen. Als er niet zoiets als waarheid bestaat dan kan er niet eens gelogen worden. Liegen is immers afwijken van de waarheid. Waarheid is dus fundamenteler dan liegen. En net zo is zijn fundamenteler dan de afwezigheid ervan oftewel niets. Nu zou tegengeworpen kunnen worden dat als er geen liegen bestaat, er ook geen waarheid bestaat. Parasiteert waarheid dan niet ook op liegen? Dat volgt echter niet. Want zelfs als liegen onmogelijk is, kan het nog steeds zo zijn dat er sprake is van waarheid. Bijvoorbeeld de waarheid dat liegen onmogelijk is!

Beschouw vervolgens chaos. Chaos kan alleen begrepen worden tegen de achtergrond van vaste structurele patronen, namelijk als het ontbreken van vaste patronen. Het begrip chaos vereist dus het begrip orde. Maar omgekeerd vereist een begrip van structurele patronen geen conceptie van chaos. Elk patroon is immers al een patroon in zijn verschil met andere patronen. Kortom, uitgaande van de parallellie tussen denken en zijn kunnen we inzien dat conceptueel (en dus ook in de zijnsorde) het begrip chaos het begrip orde vereist (als zijnde het ontbreken ervan) terwijl het begrip orde conceptueel gezien alleen een pluraliteit aan specifieke structuren vereist. Orde gaat dus zowel conceptueel als ontologisch aan chaos vooraf.

Chaos wordt dus qua chaos pas manifest wanneer er een concept van orde is. De conceptualisatie van chaos hangt daarvan af. De qua-operator wijst erop dat de focus hier conceptueel is. We beschouwen chaos anders gezegd de dicto oftewel "naar het begrip". En precies vanwege genoemde parallellie tussen denken en zijn volgt dat wat conceptueel voor chaos geldt eveneens concreet oftewel de re ("naar het ding") voor chaos het geval is. Chaos kan dus in de orde van het zijn alleen manifest worden tegen een concreet eraan voorafgaande orde. Orde hangt omgekeerd niet van chaos af. Want orde is qua orde (dus conceptueel oftewel de dicto en dus wederom eveneens concreet oftewel de re) reeds manifest als specifiek patroon dat van andere specifieke patronen verschilt. Een beroep op het concept chaos is hier niet nodig. Orde is dan ook inderdaad fundamenteler dan chaos.

Al met al parasiteert liegen dus onomkeerbaar op de waarheid en chaos onomkeerbaar op orde. Maar dan parasiteert het niets dus eveneens onomkeerbaar op het zijn. De conclusie van mijn argument kan dan ook niet omgekeerd worden. Het enige wat volgt is dat het niets niet aan het zijn voorafgaat. Het zijn is en blijft ontologisch primair. Uit niets kan niets ontstaan.

Naast het argument dat ik hier uitwerk zijn er nog meer metafysische argumenten die een hechte parallellie tussen denken en zijn veronderstellen, zoals bijvoorbeeld het ontologisch argument van Anselmus. Zoals ik hierboven heb aangegeven is een dergelijke veronderstelling zeker niet ongegrond wanneer we uitgaan van mijn wereld-voor-ons kennisleer. Uitgaande van de wereld-voor-ons kenleer is de wereld zoals wij deze denken en ervaren het subject van al onze predicaties. Zodra wij ons realiseren dat de-wereld-voor-ons het allesomvattende onoverschreidbare is waarin wij als mens altijd al geworpen zijn, en daarbij beseffen dat al ons denken en ervaren conceptueel geladen is, kunnen we niet anders dan concluderen dat er in de-wereld-voor-ons sprake moet zijn van een innige intimiteit tussen zijn en denken. Binnen de-wereld-voor-ons is de ordo essendi gelijk aan de ordo cognoscendi. Precies dit samenvallen grondt uiteindelijk het ex nihilo nihil fit. De kosmos kan niet uit het niets ontstaan zijn.

zaterdag 9 november 2019

Mijmering, droom II

Eindelijk zag hij haar weer. Het was jaren geleden dat ze elkaar voor het laatst gesproken hadden. Hij liep de lange oprijlaan op en voor hem verscheen langzaam een reusachtige imposante villa. Hij belde aan en wachtte. Er werd open gedaan. Daar stond ze ineens. De anderen waren er ook. Hij betrad de villa, keek rustig om zich heen en zei oprecht verwonderd: “Whow, wat een reusachtig prachtig huis zeg. Het lijkt wel een kasteel.” Iedereen zweeg. Zij ook. Toen keek ze hem onverwachts indringend aan. “Ik heb jouw boeken gelezen. De afgelopen jaren.” Opnieuw maar nu nog vele malen meer verwonderd zocht hij haar blik. “Daardoor kan ik dingen zeggen zoals dit. Met geen enkele hoeveelheid bakstenen, hoe veel ook, is een huis te bouwen dat groot genoeg is om ruimte te bieden aan de inhoud van jouw geest.”

maandag 4 november 2019

Debat, discussie en voordracht

Strikt genomen valt het debat niet onder de retorica. Een debat houdt het midden tussen dialectiek en retorica. Het staat tussen de dialectische dialoog en de retorische monoloog in. Een debat is retorisch gezien minder dan een redevoering en tegelijkertijd meer dan een louter argumentatieve discussie.

Maar is een debat niet eenvoudigweg een aan regels gebonden argumentatieve discussie? Nee, het is meer dan dat. Zo is er bijvoorbeeld altijd sprake van een publiek bij een debat. Ook de inzet van de deelnemers verschilt.

Het paradigmatisch voorbeeld van een argumentatieve discussie is de Socratische elenchus. Gaat primair om gezamelijk kritisch denken en kennisvermeerdering. Genoemd gezamelijk kritisch denken valt geheel binnen de logos. Men deelt, weegt en vergelijkt louter inhoudelijke argumenten.

In het geval van een debat is het typische voorbeeld het elkaar en vooral het publiek willen overtuigen in de volksvergadering. Ethos en pathos spelen naast logos een grote rol.

maandag 28 oktober 2019

Retorica in deze tijd

Er wordt vaak gesteld dat we in een post truth tijdperk leven. We zouden voorbij de waarheid zijn. De waarheid doet er echter nog steeds toe. Er is geen waarheidscrisis. Er is eerder sprake van een autoriteitscrisis. Door het toegenomen aantal autoriteiten en de retoriek is de vraag vooral welke autoriteiten wij nog kunnen vertrouwen. Naar welke stemmen moeten wij luisteren?1

Door globalisering en digitalisering leven we bovendien in een onoverzichtelijke wereld van onzekerheden waarin alles met elkaar samenhangt. Kleine veranderingen elders kunnen grote gevolgen hebben hier. Het bekende vlindereffect speelt in onze tijd een grotere rol dan ooit. Er komt bovendien dagelijks een enorm grote hoeveelheid feitenmateriaal op ons af. We zien door de bomen het bos niet meer. Er is sprake van een informatie overflow. De feiten spreken voor ons daarnaast ook niet meer voor zich. Ze zijn vaak meerduidig en voor meerdere interpretaties vatbaar.2

Hoe wapenen we ons in deze onzekere tijden tegen valse autoriteiten? Hoe geven wij beleid betekenisvol vorm? En hoe kunnen wij op geloofwaardige wijze invulling gegeven aan zinvol leiderschap?

Het is de retorica die ons hierbij kan helpen. Retorica geeft ons inzicht in de kracht van het woord en leert ons dat wij feiten in een bezielde context moeten plaatsen. Alleen zo kunnen wij in deze tijd van autoriteitsinflatie en informatie overflow de ziel van anderen raken. Alleen zo kunnen wij tot bezield beleid komen.

Dit doen we allereerst door ons beleid te verbinden met waarden. En dan het liefst met warme oftewel menselijke waarden. Zo brengen we het gevoel en de ziel van betrokkenen in beweging.

We moeten ook het persoonlijke in het spel brengen. We dienen de stap te maken van het koude ‘wat’ van ons beleid naar het menselijke ‘wie’. Om wie gaat het eigenlijk? Wie zijn de betrokkenen en belanghebbenden? Wiens belangen en behoeften zijn in het geding?

En dan gaat het niet om het ‘wie’ van het “wij tegen zij”, niet om het uitsluitende ‘wie’ van de voorvechters van tunnelvisies, maar om het inclusieve ‘wie’ van hen die oog hebben voor alle betrokkenen en belanghebbenden en daarbij niemand willen uitsluiten.3

Ook moeten we steeds op zoek gaan naar de dieperliggende geestelijke oorzaken van de problemen waarmee we geconfronteerd worden. We dienen geen genoegen te nemen met wat de koude feiten van het systeem ons op het eerste gezicht vertellen. Door op zoek te gaan naar grote geestrijke gedachten komen we uit bij de werkelijke onderliggende oorzaken van het falen van systemen.

Door te verbinden met waarden, door het persoonlijke in het spel te brengen, door op zoek te gaan naar grote geestrijke gedachten, raakt ons beleid bezield. Op deze manier kunnen we werkelijk een verbinding tot stand brengen.

Maar ook omgekeerd geldt dat wie bijvoorbeeld bevangen is door woede en gevangen zit in een taal van woede en ressentiment een taal spreekt die geen tegenspraak duldt, die op geen enkele manier gevoelig is voor argumenten en weerlegging.4 Alleen oprechte bezieling kan hen nog raken.

Het is de retorica die ons bij dit alles kan helpen. Zo leert retorica ons zoals gezegd ook over de geestkracht van de taal. Woorden scheppen daadwerkelijk werkelijkheden. We zien daarvan dagelijks voorbeelden in de media. Spreken we over ‘autonomie’ of ‘radicale isolatie’? Over ‘migranten’ of ‘vluchtelingen’? Over ‘zzp-er’ of ‘dagloner’? Over ‘onzeker werk’ of ‘flex werk’? Over ‘werkenden in de zorgsector’ of ‘verpleegsters’?5

De woorden die we kiezen bepalen en vormen de geestelijke wereld waarin we leven. Woorden doen ertoe en moeten zorgvuldig gekozen worden. De taal gaat ons aan. Het is dan ook van groot belang om ons juist in deze turbulente tijden met retorica bezig te houden.

1. Aldus Coen Simon in De handen van Cicero, Historische Uitgeverij Groningen, 2019.
2. Aldus Hans de Bruijn in De handen van Cicero.
3. Hier en in de vorige twee alineas volg ik de drieslag policy, principle, person zoals uiteengezet door Hans de Bruijn in De handen van Cicero.
4. Aldus Bas Heijne in De handen van Cicero.
5. Een aantal van deze voorbeelden ontleen ik aan Jan Kuitenbrouwer in De handen van Cicero.

dinsdag 22 oktober 2019

On pantheism

If pantheists claim that world and God are identical, then pantheism fails. For dust and spirit just aren’t identical. Yet, if the claim is that God as spirit permeates every part of the world, then pantheism doesn’t conflict with theism. For in this case pantheism is just a way of understanding God’s omnipresence.

A third way to cash out pantheism would be to say that everything has the property of being divine. But then again, there are many things that aren’t plausibly divine. Just pick your favorite examples. Moreover, my semantic argument entails that there are no universal properties. So also in this case pantheism doesn’t pose a problem for theism.