Een bekend probleem van natuurlijke selectie voor het christendom is dat dit mechanisme onbarmhartig zou zijn en dus moeilijk te rijmen valt met een liefdevolle barmhartige God. Maar is hier werkelijk sprake van een probleem? Het beginsel dat organismen die het meest aan hun omgeving zijn aangepast de grootste kans hebben om te overleven en dus eerder nakomelingen zullen krijgen dan organismen die minder of niet aangepast zijn, lijkt bij nader inzien een tautologie. Het lijkt anders gezegd een analytische bewering te betreffen. Maar als het gaat om een conceptuele waarheid, dan is dit selectieprincipe a priori noodzakelijk waar. Het kan niet anders dan waar zijn. Want in elke mogelijke wereld zal uiteraard degene die het meest aan zijn omgeving is aangepast de grootste overlevings- en dus voortplantingskans hebben. Het beginsel van natuurlijke selectie is daarmee vergelijkbaar met andere conceptuele en dus a priori noodzakelijke waarheden, zoals dat een gegeven oppervlak niet tegelijkertijd geheel rood en geheel groen kan zijn of dat niets een ondoordringbaar oppervlak kan doordringen. Zelfs God is aan dergelijke analytische waarheden gehouden, daar is niets onbarmhartigs aan.
Hetzelfde is wellicht het geval voor het evolutionaire principe van overeenkomstige nakomelingen. Overeenkomst bij nakomelingen lijkt immers eveneens conceptueel onvermijdelijk. Nakomelingen moeten voldoende op hun ouders lijken om überhaupt over voortzetting van dezelfde levensvorm te kunnen spreken. Tenslotte is misschien iets soortgelijks het geval bij het derde en laatste principle van evolutie, namelijk variatie. Variatie in nakomelingen mag dan geen conceptuele waarheid zijn, maar het is mogelijk wel metafysisch onvermijdelijk indien bij iedere reproductie in de materiële werkelijkheid hoe dan ook onvermijdelijk zo nu en dan kopieerfouten optreden.
zaterdag 26 september 2026
donderdag 24 september 2026
Goed handelen als ontologisch handelen
In zijn boek Horror metaphysicus (Kok Agora 1989) schetst Kolakowski een interessante gedachte die ik hier nader uitwerk. Volgens Thomas vallen het goede en het zijn samen, zodat het kwade, zoals Augustinus leert, de afwezigheid is van het goede. Maar dan levert een vrije creatieve menselijke handeling waarin een nieuw goed tot stand wordt gebracht een zijnsvermeerdering op. En als God de grond en volheid van het zijn is, dan vermeerdert zo'n goede handeling zelfs Gods zijnsuitdrukking. Hier volstaat elk voorbeeld van een goede handeling. Zijn en God worden geïmpliceerd in iedere goede handeling. De gedachte is dan ook dat ethisch handelen niet alleen ethische gevolgen heeft voor de betrokkenen, maar ook ontologische gevolgen heeft voor het zijn als zodanig en daarmee zelfs voor God zelf. De overweging die ik inbreng is logisch conditioneel. Als het goede en het zijn convertibel zijn, zoals de Thomistische transcendentalialeer veronderstelt, en als God de diepte is van het zijn, ongeveer op de wijze zoals Paul Tillich God en zijn verbindt, dan zal een goede handeling invloed hebben op het zijn en daarmee op God als uitdrukking daarvan. Dienen we beide premissen te accepteren? Dat is een andere vraag.
Labels:
Augustinus,
Ethiek,
god,
goede,
Kolakowski,
ontologie,
Thomas,
Zijn
zaterdag 29 augustus 2026
Nogmaals AI
Iedereen die in staat is tot begrip kan inzien dat AI in staat is tot het genereren van begrijpelijke volzinnen. Deze volzinnen zijn betekenisvol omdat ze door ons begrepen kunnen worden. Het produceren van betekenisvolle volzinnen door AI is, hoe indrukwekkend ook, echter nog niet hetzelfde als het produceren van begrip. AI begrijpt zelf niet en ik denk niet dat AI ooit zal begrijpen. Maar het verbijsterende is wel dat het betekenisvol taalgebruik van AI slechts voortkomt uit enorme aantallen matrixvermenigvuldigingen. Betekenis ontstaat uit louter wiskundige bewerkingen. Taal blijkt hier wiskunde. Het voortbrengen van betekenis vereist dus niet noodzakelijk begrip. Wat zegt dat over de mens? De gevolgen voor ons zelfbeeld kunnen groter zijn dan die van Darwin.Het hierboven gemaakte onderscheid tussen enerzijds het genereren van betekenisvolle volzinnen en anderzijds het in staat zijn tot begrip is van fundamenteel belang. Van begrijpen of verstaan is bij AI geen sprake. Er is echter wel sprake van het voortbrengen van betekenisvolle volzinnen. En dat is verbijsterend genoeg zodra je je realiseert dat tijdens het gebruik van AI die betekenisvolle volzinnen worden geproduceerd door louter elementaire wiskundige operaties.
We zijn eraan gewend geraakt dat wiskundige structuren gebruikt kunnen worden om Cantors paradijs van eindige en oneindige verzamelingen te representeren, om de meest complexe geometrische en topologische ruimten te beschrijven en om allerlei zeer geavanceerde algebraïsche systemen te representeren. AI leert ons nu iets onvoorstelbaars. Hoewel AI geen bewustzijn heeft en niets daadwerkelijk begrijpt of verstaat, laat AI ons inmiddels zien dat wiskundige structuren zelfs rijk genoeg zijn om het gehele veld aan betekenisvolle menselijke taaluitingen te coderen en vervolgens aan te wenden voor het genereren van betekenisvolle dialogen. Zou de oude Pythagoras dan alsnog gelijk krijgen?
Leibniz reduceerde in de zeventiende eeuw betekenisvol syllogistisch redeneren tot rekenkunde. AI mag dan niets begrijpen of verstaan, maar reduceert in onze tijd het voortbrengen van betekenisvolle taal als zodanig tot wiskunde. Natuurlijk worden de modellen van AI vooraf getraind op allerlei teksten die uit menselijke auteursintenties zijn voortgekomen. Zodra die getrainde modellen echter gebruikt worden voor het voeren van een dialoog, produceren ze betekenisvolle taaluitingen zonder dat er op dat moment sprake is van auteursintenties. Want de output komt tijdens het genereren causaal voort uit uitsluitend elementaire matrixvermenigvuldigingen. Eerdere menselijke auteursintenties zijn dus weliswaar nodig voor het trainen van de AI modellen. Maar tijdens het gebruik van het model zijn bij de AI geen actuele auteursintenties meer aanwezig.
En precies daarin ligt het verbijsterende. Voor het voortbrengen van betekenisvolle volzinnen blijken actuele intenties en begrip helemaal niet nodig. Gödel heeft met zijn eerste onvolledigheidsstelling in de vorige eeuw aangetoond dat waarheid niet tot bewijsbaarheid en daarmee semantiek niet tot syntax kan worden herleid. Maar dit laat onverlet dat AI in onze tijd lijkt aan te tonen dat het voeren van betekenisvolle dialogen in elementaire wiskundige bewerkingen te vangen is. En dat is opmerkelijk genoeg.
Labels:
AI,
aristoteles,
begrip,
betekenis,
Gödel,
Leibniz,
Pythagoras,
verstaan
donderdag 13 augustus 2026
Voor Mourinho
Na afloop van de wedstrijd liep de coach op hem af, de coach die al zoveel gewonnen had en zeker op dat moment bekendstond als de beste voetbalmanager ter wereld, en zei tegen hem: “Goed gedaan.”De jonge, bij het grote publiek nog vrij onbekende speler keek hem aan en stond stil.
“Doe dat nooit meer, baas. Geef me nooit meer een compliment. Negeer me. Ontwijk me. Laat me links liggen. Op het veld zal ik alles geven. Ik ga nog liever dood dan een wedstrijd verliezen. Alles wat ik in mij heb zal ik voor je doen om te winnen. Maar doe dit nooit meer. Geef me nooit meer een compliment. Elk compliment is een mes in mijn rug.”
De speler draaide zich weer om en liep naar de kleedkamer.
De coach was verbluft. Hij stond bekend als een absolute winner. Een killer. Hard en meedogenloos. Maar wat deze speler zojuist tegen hem had gezegd, had hij nog nooit meegemaakt.
vrijdag 7 augustus 2026
Wereldtheorie
In een nieuw kort essay dat hier beschikbaar is, betoog ik dat de metafysica niet behoort aan te vangen met de vraag naar het zijn, maar met de vraag naar wereld. Indien het begrip bestaan slechts betekenis heeft binnen een wereld en niet van een wereld gezegd kan worden, vormt niet ontologie, maar wat ik wereldtheorie noem, de eigenlijke prima philosophia. Dit impliceert een herwaardering van de verhouding tussen de kosmos, virtuele werelden, droomwerelden, literaire werelden, mathematische werelden en mogelijke werelden. De vraag welke wereld werkelijk is verliest haar betekenis. De vraag naar het zijn maakt zo plaats voor de vraag naar de voorwaarden voor het optreden van wereld.
donderdag 6 augustus 2026
VU colleges over Nietzsche, Heidegger en Gadamer
Mijn VU colleges over Nietzsche, Heidegger en Gadamer zijn nu als overzichtelijke afspeellijsten op mijn YouTube-kanaal beschikbaar.
Labels:
Gadamer,
Heidegger,
Nietzsche,
VU colleges
zaterdag 20 juni 2026
Enkele aanvullende overwegingen bij Wittgensteins Tractatus
Volgende week geef ik voor de zomerschool van de VU master Filosofie van cultuur en bestuur weer een college over Logicomix en Wittgensteins Tractatus. Tijdens het voorbereiden van dit college vielen mij een paar dingen op die ik nog niet eerder gezien had.1. Mereologisch nihilisme en Kripkeaanse namen
Allereerst is Wittgenstein in de Tractatus een mereologisch nihilist. Er zijn alleen enkelvoudige objecten en combinaties van enkelvoudige objecten. Deze combinaties zijn standen van zaken en geen samengestelde objecten. Er vindt dus geen mereologische compositie plaats omdat er geen objecten zijn die gezamenlijk een object kunnen vormen.
Daarnaast lijkt het centrale idee van Kripkes Naming and Necessity al aanwezig in Wittgensteins Tractatus. De betekenis van een Tractariaanse naam is het object waarnaar het verwijst. En de objecten vormen de onveranderlijke substantie van de mogelijke feiten. De referentie van een naam blijft dus dezelfde, ongeacht welke mogelijke feiten actueel zijn. In iedere mogelijke wereld verwijzen de Tractariaanse namen naar dezelfde objecten. Maar dan gedragen Tractariaanse namen zich als Kripkeaanse rigid designators.
2. Negatieve en universele feiten, totaliteit en het mystieke
Het lijkt er bovendien op dat Wittgensteins behandeling van Russells negatieve en universele feiten nauw samenhangt met Wittgensteins denken over het mystieke. Russell meent dat negatieve waarheden negatieve feiten vereisen en universele waarheden universele feiten. Stel dat Fab, Za, Zb en Hb alle ware atomaire proposities zijn. Waarom is de propositie niet-Ba dan waar? De actuele atomaire feiten lijken hoogstens compatibel met de waarheid van niet-Ba, maar maken deze propositie niet waar. En waarom zou (Voor alle x)Zx waar zijn? Daarvoor moeten niet alleen Za en Zb waar zijn, maar moeten er bovendien geen objecten x bestaan waarvoor Zx onwaar is. En dat laatste volgt niet uit de genoemde ware atomaire proposities. Volgens Russell wijst dit erop dat de werkelijkheid meer moet bevatten dan alleen atomaire feiten en hun eindige positieve samenstellingen, namelijk negatieve en universele feiten.
Volgens Wittgenstein is de wereld de totaliteit van de feiten. Met het gegeven zijn van de wereld is de totaliteit van de wereld dus al gegeven. Daarom zijn er geen negatieve of universele feiten nodig. Russell vraagt in feite welk feit het waar maakt dat de gegeven feiten alle actuele feiten zijn. Er is echter geen feit dat het waar maakt dat de wereld de wereld is. De wereld als totaliteit is geen feit in de wereld. De totaliteit van de wereld behoort als grens van de wereld tot de logische vorm van de wereld. En net zoals de logische vorm kan deze totaliteit niet gezegd worden. Zij toont zich. Niet hoe, maar dat de wereld is, de wereld als begrensd geheel, behoort tot het mystieke.
Wittgensteins behandeling van Russells negatieve en universele feiten lijkt daarmee inderdaad niet los te staan van zijn latere opmerkingen over het mystieke, maar er juist een vroege toepassing van te zijn. Vanuit dit perspectief verschijnt het mystieke niet als een afzonderlijk thema aan het einde van de Tractatus, maar als een consequentie van dezelfde gedachte die Wittgenstein reeds bij zijn kritiek op negatieve en universele feiten inzet.
3. Zijn Tractariaanse werelden onmogelijk?
En dan dit. Laat a een object zijn en laat p(1), …, p(n) alle atomaire proposities zijn waarin (de naam van) object a voorkomt. Wittgenstein eist dat alle atomaire feiten logisch onafhankelijk van elkaar zijn (1.21). Maar dan moet de propositie niet(p(1)) en niet(p(2)) en ….. niet(p(n)) mogelijk waar zijn. Er is dan dus een mogelijke wereld waarin object a in geen enkel atomair feit in die wereld voorkomt. Wanneer die wereld actueel zou zijn, zou a dus in geen enkel actueel atomair feit voorkomen, wat in tegenspraak is met Wittgensteins eis dat elk object in tenminste één atomair feit in de actuele wereld voorkomt. Is hiermee de Tractariaanse ontologie reductio ad absurdum gevoerd, zodat een Tractariaanse wereld onmogelijk kan bestaan?
Het dilemma voor Wittgenstein kan ook nog wat preciezer als volgt worden weergegeven. Laten we zeggen dat een object geïnstantieerd is in een mogelijke wereld dan en slechts dan als het een constituent is van ten minste één bestaand atomair feit in die wereld. Neem nu een object a en een mogelijke wereld w. Het lijkt mij dat stelling 2.0131 en 2.0122 sterk suggereren dat objecten noodzakelijk geïnstantieerd zijn. Er moet dus ten minste één atomair feit in w bestaan die a (in w) instantieert. Laat F(1), … , F(n) alle atomaire feiten in w zijn die a (in w) instantiëren. Volgens stelling 1.21 geldt dat iets het geval kan zijn of niet het geval kan zijn, terwijl al het overige hetzelfde blijft. Daaruit volgt dat er een mogelijke wereld w(2) bestaat waarin F(1) niet bestaat, terwijl F(2), … , F(n) wel bestaan en de enige atomaire feiten in w(2) zijn die a instantiëren. Door stelling 1.21 opnieuw toe te passen, bestaat er een mogelijke wereld w(3) waarin noch F(1) noch F(2) bestaat, terwijl F(3), … , F(n) wel bestaan en de enige atomaire feiten in w(3) zijn die a instantiëren. Door stelling 1.21 recursief toe te passen, komen we uiteindelijk uit bij een mogelijke wereld w(n+1) waarin geen van F(1), … , F(n) bestaat. Aangezien er geen andere atomaire feiten in w(n+1) zijn die a instantiëren, volgt daaruit dat a niet geïnstantieerd is in w(n+1). Maar dit is in tegenspraak met de these dat objecten noodzakelijk geïnstantieerd zijn. Het lijkt mij daarom dat Wittgenstein óf stelling 1.21 moet opgeven, óf de these dat objecten noodzakelijk geïnstantieerd zijn.
4. Een mogelijke tegenwerping
Nu zou tegengeworpen kunnen worden dat Wittgenstein niet van mening is dat elk object in tenminste één actueel feit voorkomt. Uit stelling 2.0131 blijkt echter dat Wittgenstein in de Tractatus wel degelijk meent dat elk object in een actueel feit voorkomt. Want hij stelt daar bijvoorbeeld dat een kleurwaarneming niet rood hoeft te zijn, maar wel een bepaalde kleur moet hebben. Evenzo moet een tastindruk een bepaalde hardheid hebben en moet een toon een bepaalde toonhoogte hebben.
Dat alle objecten in een of meerdere actuele feiten voorkomen blijkt eveneens uit stelling 2.0122. Wittgenstein maakt daar een vergelijking met woorden. Woorden kunnen niet zowel in zinnen als los voorkomen. Het is evident dat woorden in zinnen voorkomen. Dus woorden kunnen niet los voorkomen. En dit geldt dan ook voor objecten. Ze komen niet los voor. Wittgenstein spreekt in genoemde stelling ook duidelijk over de verbinding van een object met een atomair feit als een vorm van afhankelijkheid. Dat het hier gaat om een actueel atomair feit volgt uit het gegeven dat het desbetreffende zinsdeel contrasteert met het zinsdeel daarvoor dat gaat over mogelijke feiten.
Naast deze twee overwegingen zijn er nog twee aanvullende overwegingen voor de opvatting dat Wittgenstein eist dat elk object in een actueel feit voorkomt. Zo is de wereld volgens Wittgenstein de totaliteit van de feiten (1.1) en de objecten vormen de substantie van de wereld (2.021). Alle objecten behoren dus tot de totaliteit van de feiten, en dit kan, zo lijkt het, alleen worden begrepen als de bewering dat alle objecten door ten minste één feit moeten worden geïnstantieerd. Inderdaad lijkt het toelaten van objecten als “vrij zwevende possibilia” naast de wereld niet te passen bij Wittgensteins aan de Tractatus ten grondslag liggende motivatie. Het lijkt onwaarschijnlijk dat Wittgenstein dergelijke possibilia in zijn ontologie zou willen toelaten.
Stel tenslotte dat er een object a is dat in geen enkel actueel atomair feit voorkomt. Hoe kan de wereld als geheel van de actuele feiten dan bepalen of de atomaire propositie Fa onwaar of betekenisloos is? De propositie Fa is onwaar als Fa een mogelijk atomair feit afbeeldt en de propositie Fa is betekenisloos als het geen mogelijk atomair feit afbeeldt. Maar omdat object a niet in de actuele atomaire feiten van de wereld zit, kan vanuit de wereld via de vorm van object a niet vastgesteld worden wat de niet-actuele atomaire feiten zijn waarin object a voorkomt. En dus kan vanuit de wereld niet bepaald worden of Fa onwaar of betekenisloos is. Dit probleem kan alleen vermeden worden door inderdaad te eisen dat alle objecten tot tenminste één actueel feit behoren.
Labels:
Tractatus,
VU zomerschool,
Wittgenstein
Abonneren op:
Posts (Atom)
