vrijdag 6 februari 2026

Ervaren en denken binnen de wereld zoals zij voor ons is

Wanneer we een boom waarnemen - en dus iets voor ‘waar’ nemen, namelijk dat daar een boom staat - zijn we altijd al door het woord ‘boom’ heengegaan. We ervaren altijd iets als iets. Ons ervaren heeft van meet af aan een ‘opvatten als’ structuur. Onze ervaring is dus steeds al conceptueel geladen. Een vermeende zuivere onbemiddelde directe ervaring is dan ook een onhoudbare onthechte abstractie. En precies omdat al onze ervaring altijd al conceptueel geladen is en we zonder concepten geen enkele indruk ‘als iets’ kunnen ervaren, zijn onze concepten - en daarmee de woorden van onze taal - constitutief voor wat we ‘wereld’ noemen. Hier is geen ontsnappen aan. Dit geldt bovendien niet minder voor ons denken dan voor ons ervaren, en het geldt niet minder voor bomen dan voor bommen en voor natuurwetenschappelijke formules zoals E=mc2. We zitten altijd al en voorgoed in het ‘voor ons’. Natuurlijk mogen we wel hopen dat de-wereld-voor-ons hetzelfde is als de wereld-in-zichzelf. Maar meer dan hopen zal het nooit worden omdat we nimmer toegang hebben tot het ‘op zichzelf’ van de-wereld-voor-ons. Kortom, in ons ervaren én in ons denken neemt de wereld noodzakelijk de vorm aan van ons ervaren en denken. Nooit zullen we daarom weten in hoeverre deze vorm de-wereld-in-zichzelf, het absolute, perfect weerspiegelt of juist hopeloos vervormt. Daarnaast vertrekt iedere verwoede poging tot deconstructie of ontmaskering van het menselijk ervaren en denken als onvolledig of vals hoe dan ook noodzakelijkerwijs vanuit onze menselijke, al te menselijke ervaring en ons menselijk, al te menselijke denken. Het ‘voor ons’ houdt zo onvermijdelijk epistemisch het uiteindelijke primaat.

maandag 2 februari 2026

Het Kantiaanse schoonheidsoordeel: niet ontisch, maar daarom nog niet ontologisch

Het Kantiaanse schoonheidsoordeel is geen ontisch oordeel. Ten eerste wordt de schoon bevonden zaak niet onder begrippen gesubsumeerd. Een begripsmatige fixatie ontbreekt. Het oordeel is reflecterend en niet constitutief. De door het verstand aangereikte begrippen dansen slechts mee in het vrije spel van verstand en verbeelding. Maar ondanks dit niet-ontische karakter is het schoonheidsoordeel nog niet ontologisch. Kant blijft het schoonheidsoordeel vanuit de subjectiviteit begrijpen door het te funderen in de structuur van het menselijk kenvermogen. Er is bovendien geen sprake van een waarheidsgebeuren waarbij het zijn zich toont. Daarnaast ontbreekt elke rol voor taal en geschiedenis. Zo blijft het schoonheidsoordeel, hoewel het het ontische denken overwint, toch binnen de horizon van het ahistorisch subjectivisme en bereikt het niet het ontologische zijnsverstaan dat Heidegger voor ogen staat.

dinsdag 27 januari 2026

De steen des aanstoots: het ontische of het absolute?

Heidegger plaatst het ontologisch zijnsverstaan tussen enerzijds de klassieke dogmatische metafysica en anderzijds het subjectivistische, nihilistische relativisme. Hij ontsluit zo een nieuwe zowel niet-ontische als niet-relativistische wijze van waar-zijn door de notie van cognitief verstaan te verruimen.

Ook ik vermijd met mijn wereld-voor-ons kennisleer zowel klassiek dogmatisch metafysisch denken als subjectivistisch nihilistisch relativisme, maar zonder het begrip van cognitief verstaan zelf te verruimen. In plaats daarvan transponeer ik het waarheidsbegrip naar een andere, niet minder ontische wereld: de wereld-voor-ons in plaats van de-wereld-in-zichzelf. Zo wordt een nieuw niet-relativistisch waarheidsbegrip mogelijk zonder verruiming van de notie van cognitief verstaan.

Voor Heidegger ligt de steen des aanstoots van de klassieke dogmatische metafysica dan ook primair in haar ontisch karakter en niet zozeer in haar absolutistische pretenties: de klassieke dogmatische metafysica blijft volgens Heidegger steken bij door starre begrippen gedefinieerde zijnden.

Voor mij daarentegen ligt de steen des aanstoots van de klassieke dogmatische metafysica juist in haar absolutisme, en niet zozeer in haar ontisch karakter. Ook een niet-ontisch ontologisch zijnsverstaan blijft problematisch zodra zij pretendeert inzicht te verschaffen in het absolute in-zichzelf van de werkelijkheid.

zondag 18 januari 2026

Een probleem voor materialisme

Neem de concepten ‘ding’ en ‘materieel’. Beide zijn enkelvoudig en dus volgt uit de kernpremisse van mijn semantisch argument dat als beide concepten in de actuele wereld overlappen oftewel dezelfde extensie hebben, ze in alle mogelijke werelden overlappen. Maar ‘ding’ en ‘materieel” overlappen niet in alle mogelijke werelden. Een immaterieel zijnde is immers redelijkerwijs metafysisch mogelijk, zodat er tenminste één mogelijke wereld is waarin een ding bestaat dat niet materieel is. Maar dan volgt dat beide concepten, ‘ding’ en ‘materieel’, in de actuele wereld niet overlappen. Er moeten dus in de actuele wereld immateriële dingen zijn, zodat materialisme onwaar is. Hoe kan een materialist op dit argument tegen materialisme reageren? Men zou de argumentatie kunnen accepteren, maar opmerken dat de materialist niet beweert dat alle dingen in de actuele wereld materieel zijn. Materialisme zou daarentegen begrepen moeten worden als de claim dat alle concrete dingen in de actuele wereld materieel zijn en dat er in de actuele wereld naast concrete ook abstracte dingen bestaan die niet materieel zijn. Een materialist die een dergelijke zwakkere duiding van materialisme als een knieval beschouwt en daarom wil volhouden dat daadwerkelijk alle dingen in de actuele wereld materieel zijn, zou de kernpremisse kunnen accepteren en eveneens kunnen accepteren wat daar gegeven materialisme logischerwijs uit volgt, namelijk dat materialisme waar is in alle mogelijke werelden en dus metafysisch noodzakelijk waar. Het bestaan van een immaterieel ding is dan dus metafysisch onmogelijk. Een materialist die wil volhouden dat in de actuele wereld alles wat bestaat materieel is en bovendien redelijkerwijs wil erkennen dat het bestaan van een immaterieel ding niet metafysisch onmogelijk is, heeft geen keus en moet de kernpremisse verwerpen. Hij of zij zou bijvoorbeeld kunnen beweren dat de kernpremisse in het geval van enkelvoudige concepten neerkomt op de bewering dat twee in de actuele wereld overlappende concepten in alle mogelijke werelden overlappen, om daaraan toe te voegen dat er geen enkele reden is om te denken dat dit waar is. Het probleem is echter dat er wel degelijk een goede reden is om te denken dat genoemde bewering waar is. Want als twee concepten geen conceptuele structuur hebben en precies op dezelfde dingen van toepassing zijn, dan is het methodologisch ongerechtvaardigd om een bruut, onherleidbaar betekenisverschil tussen hen aan te nemen. Er ontbreekt dan een epistemische grond om te veronderstellen dat zij betekenisvol van elkaar verschillen, zodat het intuïtief plausibel is dat beide concepten dezelfde betekenis hebben en dus in alle mogelijke werelden overlappen.

vrijdag 16 januari 2026

Ulysses

“Though much is taken, much abides; and though
We are not now that strength which in old days
Moved earth and heaven, that which we are, we are,
One equal temper of heroic hearts,
Made weak by time and fate, but strong in will
To strive, to seek, to find, and not to yield.”

Alfred, Lord Tennyson, Ulysses (1842)

woensdag 14 januari 2026

Volwaardig leven

Leven vanuit een betekenisvol wereldbeeld dat zinvolle oriëntatie in de wereld mogelijk maakt, is noodzakelijk om een volwaardig leven te kunnen leiden. De mate waarin een wereldbeeld daarin slaagt, bepaalt dan ook de redelijkheid ervan. Hierbij gaat het om meer dan de vraag of het wereldbeeld waar is. Het dient eveneens voldoende zeggingskracht te hebben en recht te doen aan onze menselijke, al te menselijke existentiële noden en uitdagingen. Volwaardig leven zonder deel uit te maken van een samenleving is echter ook onmogelijk. Het is voor een volwaardig leven zelfs essentieel om te behoren tot een maatschappij die het gekozen redelijke wereldbeeld praktisch ondersteunt, erkent en institutioneel mogelijk maakt. Zonder een samenleving waarin de uitgangspunten en waarden van het wereldbeeld gedeeld, bevestigd en geoefend worden, blijft het gekozen wereldbeeld louter abstract en verliest het zijn existentiële kracht en concrete navigatievermogen. Een volwaardig leven veronderstelt dus niet alleen een redelijk wereldbeeld vanwaaruit geleefd wordt, maar tevens een sociaal-maatschappelijke context waarin mensen elkaar wederzijds erkennen als pleitbezorgers van met dat wereldbeeld samenhangende betekenis, waarden en verantwoordelijkheden. De redelijkheid van een samenleving of maatschappij wordt daarom mede en zelfs vooral bepaald door de mate waarin zij het gekozen redelijke wereldbeeld kan dragen door een gedeeld leven vanuit dit wereldbeeld concreet mogelijk te maken. De maatschappij is anders gezegd het hypokeimenon of de onderliggende van het wereldbeeld. Zo kunnen normatieve criteria voor het onderling vergelijken van maatschappijvormen worden afgeleid op basis van reeds gegeven normatieve criteria voor het onderling evalueren van wereldbeelden.

zondag 11 januari 2026

De sterkste versie van de kernpremisse van het semantisch argument (II)

In deze bijdrage sprak ik over de epistemisch sterkste versie van de kernpremisse van mijn semantisch argument. Maar de versie die ik daar presenteerde is in feite niet daadwerkelijk de epistemisch allersterkste versie van de kernpremisse. De epistemisch werkelijk sterkste versie luidt als volgt: Als in de actuele wereld twee begrippen ad infinitum extensioneel samenvallen op alle betekenisconstitutieve conceptuele decompositieniveaus, dan vallen de extensies van beide begrippen noodzakelijk samen. De extensies van beide begrippen vallen dan dus in alle metafysisch mogelijke werelden samen. Deze versie van de kernpremisse is inderdaad epistemisch sterker. Want de consequent ervan is logisch zwakker dan de consequent van de premisse zoals gepresenteerd in genoemde bijdrage, zodat bovenstaande versie meer waarschijnlijk waar is. En de consequent is logisch zwakker omdat de extensies van identieke begrippen noodzakelijk in alle mogelijke werelden samenvallen, terwijl omgekeerd twee begrippen waarvan de extensies in alle mogelijke werelden samenvallen niet noodzakelijk identiek hoeven te zijn.