zaterdag 20 juni 2026

Enkele aanvullende overwegingen bij Wittgensteins Tractatus

Volgende week geef ik voor de zomerschool van de VU master Filosofie van cultuur en bestuur weer een college over Logicomix en Wittgensteins Tractatus. Tijdens het voorbereiden van dit college vielen mij een paar dingen op die ik nog niet eerder gezien had.

1. Mereologisch nihilisme en Kripkeaanse namen
Allereerst is Wittgenstein in de Tractatus een mereologisch nihilist. Er zijn alleen enkelvoudige objecten en combinaties van enkelvoudige objecten. Deze combinaties zijn standen van zaken en geen samengestelde objecten. Er vindt dus geen mereologische compositie plaats omdat er geen objecten zijn die gezamenlijk een object kunnen vormen.

Daarnaast lijkt het centrale idee van Kripkes Naming and Necessity al aanwezig in Wittgensteins Tractatus. De betekenis van een Tractariaanse naam is het object waarnaar het verwijst. En de objecten vormen de onveranderlijke substantie van de mogelijke feiten. De referentie van een naam blijft dus dezelfde, ongeacht welke mogelijke feiten actueel zijn. In iedere mogelijke wereld verwijzen de Tractariaanse namen naar dezelfde objecten. Maar dan gedragen Tractariaanse namen zich als Kripkeaanse rigid designators.

2. Negatieve en universele feiten, totaliteit en het mystieke
Het lijkt er bovendien op dat Wittgensteins behandeling van Russells negatieve en universele feiten nauw samenhangt met Wittgensteins denken over het mystieke. Russell meent dat negatieve waarheden negatieve feiten vereisen en universele waarheden universele feiten. Stel dat Fab, Za, Zb en Hb alle ware atomaire proposities zijn. Waarom is de propositie niet-Ba dan waar? De actuele atomaire feiten lijken hoogstens compatibel met de waarheid van niet-Ba, maar maken deze propositie niet waar. En waarom zou (Voor alle x)Zx waar zijn? Daarvoor moeten niet alleen Za en Zb waar zijn, maar moeten er bovendien geen objecten x bestaan waarvoor Zx onwaar is. En dat laatste volgt niet uit de genoemde ware atomaire proposities. Volgens Russell wijst dit erop dat de werkelijkheid meer moet bevatten dan alleen atomaire feiten en hun eindige positieve samenstellingen, namelijk negatieve en universele feiten.

Volgens Wittgenstein is de wereld de totaliteit van de feiten. Met het gegeven zijn van de wereld is de totaliteit van de wereld dus al gegeven. Daarom zijn er geen negatieve of universele feiten nodig. Russell vraagt welk feit het waar maakt dat de gegeven feiten alle actuele feiten zijn. Er is echter geen feit dat het waar maakt dat de wereld de wereld is. De wereld als totaliteit is geen feit in de wereld. De totaliteit van de wereld behoort als grens van de wereld tot de logische vorm van de wereld. En net zoals de logische vorm kan deze totaliteit niet gezegd worden. Zij toont zich. Niet hoe, maar dat de wereld is, de wereld als begrensd geheel, behoort tot het mystieke.

Wittgensteins behandeling van Russells negatieve en universele feiten lijkt daarmee inderdaad niet los te staan van zijn latere opmerkingen over het mystieke, maar er juist een vroege toepassing van te zijn. Vanuit dit perspectief verschijnt het mystieke niet als een afzonderlijk thema aan het einde van de Tractatus, maar als een consequentie van dezelfde gedachte die Wittgenstein reeds bij zijn kritiek op negatieve en universele feiten inzet.

3. Zijn Tractariaanse werelden onmogelijk?
En dan dit. Laat a een object zijn en laat p(1), …, p(n) alle atomaire proposities zijn waarin (de naam van) object a voorkomt. Wittgenstein eist dat alle atomaire feiten logisch onafhankelijk van elkaar zijn (1.21). Maar dan moet de propositie niet(p(1)) en niet(p(2)) en ….. niet(p(n)) mogelijk waar zijn. Er is dan dus een mogelijke wereld waarin object a in geen enkel atomair feit in die wereld voorkomt. Wanneer die wereld actueel zou zijn, zou a dus in geen enkel actueel atomair feit voorkomen, wat in tegenspraak is met Wittgensteins eis dat elk object in tenminste één atomair feit in de actuele wereld voorkomt. Is hiermee de Tractariaanse ontologie reductio ad absurdum gevoerd, zodat een Tractariaanse wereld onmogelijk kan bestaan?

4. Een mogelijke tegenwerping
Nu zou tegengeworpen kunnen worden dat Wittgenstein niet van mening is dat elk object in tenminste één actueel feit voorkomt. Uit stelling 2.0131 blijkt echter dat Wittgenstein in de Tractatus wel degelijk meent dat elk object in een actueel feit voorkomt. Want hij stelt daar bijvoorbeeld dat iets niet rood hoeft te zijn, maar wel een kleur moet hebben. En hij geeft in die stelling nog meer soortgelijke voorbeelden.

Dat alle objecten in een of meerdere actuele feiten voorkomen blijkt eveneens uit stelling 2.0122. Wittgenstein maakt daar een vergelijking met woorden. Woorden kunnen niet zowel in zinnen als los voorkomen. Het is evident dat woorden in zinnen voorkomen. Dus woorden kunnen niet los voorkomen. En dit geldt dan ook voor objecten. Ze komen niet los voor. Wittgenstein spreekt in genoemde stelling ook duidelijk over de verbinding van een object met een atomair feit als een vorm van afhankelijkheid. Dat het hier gaat om een actueel atomair feit volgt uit het gegeven dat het desbetreffende zinsdeel contrasteert met het zinsdeel daarvoor dat gaat over mogelijke feiten.

Naast deze twee overwegingen zijn er nog twee aanvullende overwegingen voor de opvatting dat Wittgenstein eist dat elk object in een actueel feit voorkomt. Zo is de wereld volgens Wittgenstein de totaliteit van de feiten (1.1) en de objecten vormen de substantie van de wereld (2.021). Maar behoort een object dat in geen enkel actueel feit voorkomt dan nog wel tot de wereld? Dit lijkt problematisch.

Stel tenslotte dat er een object a is dat in geen enkel actueel atomair feit voorkomt. Hoe kan de wereld als geheel van de actuele feiten dan bepalen of de atomaire propositie Fa onwaar of betekenisloos is? De propositie Fa is onwaar als Fa een mogelijk atomair feit afbeeldt en de propositie Fa is betekenisloos als het geen mogelijk atomair feit afbeeldt. Maar omdat object a niet in de actuele atomaire feiten van de wereld zit, kan vanuit de wereld (via de vorm van object a) niet vastgesteld worden wat de niet-actuele atomaire feiten zijn waarin object a voorkomt. En dus kan vanuit de wereld niet bepaald worden of Fa onwaar of betekenisloos is. Dit probleem kan alleen vermeden worden door inderdaad te eisen dat alle objecten tot tenminste één actueel feit behoren.

dinsdag 2 juni 2026

The Essential Oratore

Tijdens het lezen van de Nederlandse vertaling van Cicero's OratoreRomeinse redenaars, van Marcus Tullius Cicero, vertaald door Vincent Hunink (Noordboek Filosofie, 2023), noteerde ik belangwekkende passages en voorzag ik sommige van commentaar. Zo ontstond wat ik aanduid als The Essential Oratore. Het volgt hieronder.

1. In Brutus introduceert Cicero een nieuw retorisch drietal: beraad, inzicht en gezag. Het is de taak van de retorica om de “wapens” of het instrumentarium voor dit drietal aan te leveren.

2. In Brutus stelt Cicero dat de nieuwe op Socrates teruggaande filosofie ontstond als verzet tegen de retorica en in die zin dus een zijpad is van de geschiedenis van de welsprekendheid.

3. “Want goed spreken kan alleen met helder denken en inzicht. Wie dus inzet op ware welsprekendheid doet dat ook op helder denken. Zelfs in de grootste oorlogen kan een mens niet zomaar zonder.” (Brutus 23, Cicero)

4. Cicero noemt Homerus een redenaar vanwege zijn rijke stijl en het vele lof dat hij toezwaait aan Odysseus en Nestor. (Brutus 40)

5. Volgens Gorgias is iets door aanprijzing vergroten en door kritiek verkleinen de eigenlijke taak van de redenaar (Brutus 47). Alles wat een redenaar doet, komt blijkbaar neer op ‘schalen’ oftewel het versterken of verzwakken van een positie.

6. “Zoals de roem van een mens zijn geest is, zo is het licht van zijn geest de welsprekendheid. En wie daarin uitblonk noemden de mensen van toen heel fraai “bloemen van het volk”” (Brutus 59, Cicero)

7. In Brutus 170 introduceert Cicero het coloriet. Het coloriet van een redenaar is een moeilijk te definiëren maar direct herkenbare eigenheid in woordkeus, woordvolgorde, toon, ritme en smaak die zijn spreken een authentiek karakter geeft. Coloriet is transversaal omdat het zowel stijl als inhoud doordringt.

8. In onze grote, oude politieke gemeenschap, waar op welsprekendheid de hoogste beloningen stonden, had iedereen de ambitie om in het openbaar te spreken, een minderheid de durf daartoe en maar een klein groepje het vermogen.” (Brutus 182) Cicero breidt het klassieke ‘willen en kunnen’-topos van Gorgias hier uit tot een drieslag: ‘willen, durven en kunnen’.

9. Een redevoering van een redenaar kent “één grondtoon, één stijl.” (Brutus 100, Cicero)

10. “De school van Epicurus levert de minst goede sprekers op.” (Brutus 131, Cicero)

11. “The school of Epicurus produces the least accomplished orators.” (Brutus 131, Cicero)

12. “De Stoïcijnen steken al hun tijd en aandacht in logica. Het soort spreken dat niet zo precies bepaald is, dat breder uitwaaiert en meerdere lagen kent, passen ze niet toe.” (Brutus 119, Cicero)

13. “De Peripatetici en Academici hebben in het algemeen wel een bepaalde kijk op retorica: een volmaakte redenaar krijg je niet van retorica alleen, en zonder retorica geen volmaakte redenaar.” (Brutus 119, Cicero)

14. “Schemata (figuren) vormen de grootste sieraden voor een redenaar. Ze kleuren niet zozeer de woorden, maar geven glans aan de inhoud.” (Brutus 141, Cicero)

15. “Zien wat gezegd moet worden helpt niet wanneer je dat niet vloeiend en aangenaam kunt uitdrukken. En ook dat is niet voldoende als de woorden niet worden ondersteund door stemgeluid, gezichtsuitdrukking en lichaamstaal.” (Brutus 110, Cicero)

16. Geslaagde retorische teksten “vertonen de natuurlijke teint van de waarheid, geheel zonder make-up.” (Brutus 162, Cicero)

17. "Het zijn namelijk drie dingen, althans naar mijn idee, die je met spreken moet zien te bereiken bij degene tot wie je spreekt: hij moet er iets van leren, zich amuseren en krachtig in zijn emotie worden geraakt.” (Brutus 185). Cicero introduceert hier het onderscheid tussen ‘docere’ of het publiek kundig onderwijzen, ‘delectare’ of het publiek behagend binden en ‘movere’ of het publiek gevoelsmatig bewegen. Hoewel het gaat om doelen van de speech, taken van de redenaar of effecten op het publiek doet deze drieslag denken aan het klassieke onderscheid tussen de overtuigingsmiddelen logos, ethos en pathos.

18. Er bestaat volgens Cicero blijkbaar niet zoiets als het verschil tussen hoge en lage kunst in de retorica: “Wie als spreker succes heeft bij de massa heeft dat ook bij de experts. […] Wat voor redenaar iemand is kun je opmaken uit het effect van zijn woorden.” (Brutus 184) “En zo is er dus nooit verschil van mening geweest tussen deskundigen en gewone mensen over de vraag of een redenaar wel of niet goed is.” (185) “Wat juist dit hoort bij een topredenaar: dat het gewone volk hem een topredenaar vindt.” (186). Kortom, Cicero ontkent het verschil tussen hoge en lage retorica.

19. “Antonius en Crassus […] zijn naar mijn mening onze grootste redenaars: bij hen evenaart de Latijnse retorische rijkdom voor het eerst de glorie van de Grieken.” (Brutus 137, Cicero)

20. In Brutus 152 stelt Cicero dat de dialectiek “de grootste van alle kunsten” is. Hier spreekt de redenaar: dit is geen categorisch oordeel, maar een retorische hyperbool. Cicero verhoogt retorisch de dialectiek om met kracht het punt te maken dat zonder helder denken elke inhoud uiteenvalt.

21. "Krachtens de Lex Pompeia hadden we maar drie uur spreektijd per keer. […]” (Brutus 324, Cicero)

22. "[Dialectiek leert] een groter geheel splitsen in onderdelen, het niet evidente naar boven halen middels definitie, wat duister is verhelderen door uitleg, ambiguïteit eerst doorzien en vervolgens verwoorden, kortom, een richtsnoer hanteren waarmee je kunt beoordelen wat waar en onwaar is en welke conclusies er al dan niet volgen op bepaalde premissen.” (# Brutus 152, Cicero)

23. Cicero ontkent dat Attisch spreken neerkomt op sober of schraal spreken. Hij definieert het als zuiver, natuurlijk en passend, maar tegelijk krachtig en veelzijdig spreken. Het Attische ideaal berust op de kracht van de gedachte, het ritme van de zin, en de emotionele werking van het woord. Het omvat verschillende stijlniveaus zonder gekunsteld of bombastisch te worden en vraagt telkens inzet van de juiste middelen om te onderwijzen, te behagen en te bewegen. (Brutus 284-291)

24. “Per periode, zo kunnen we constateren, waren er amper twee redenaars die echt waardering verdienden.” (Brutus 333, Cicero)

25. “In elke zaak heb je één natuurlijk begin en één afronding. De overige onderdelen zijn als ledematen, die elk op hun plek moeten zitten en daar hun kracht en waarde hebben.” (Brutus 209) Cicero meent dat iedere zaak een natuurlijke orde heeft die wordt ontsloten door de redevoering. Daarom is iedere geslaagde speech een organisch geheel. Retorica krijgt hier een welhaast ontologisch-epistemische functie.

26. “Bij een lier kun je aan de klank van de snaren meestal horen hoe kundig ze zijn beroerd. Zo ook kun je aan de emoties aflezen hoe goed een redenaar die bespeelt.” (Brutus 199, Cicero)

27. “Van alle loflijke punten voor een redenaar is dat ene toch verreweg het grootste: de toehoorders in vuur en vlam zetten, hun emoties ombuigen al naar gelang zijn zaak het vereist. Dus wie die kwaliteit niet heeft mist werkelijk het allergrootste.” (Brutus 279, Cicero)

28. “Dialectiek kun je zien als een soort retorica in verkorte en beknopte vorm: een absolute voorwaarde voor de echte retorica, die wel wordt beschouwd als dialectiek in uitgebreide vorm.” (Brutus 309) Volgens Cicero is dialectiek een soort retorica en is tevens retorica een soort dialectiek. Het zijn dan ook geen aparte domeinen, maar twee verschijningsvormen van hetzelfde: de ene beknopt en analytisch, de andere uitgebreid en op het publiek gericht.

29. "Voor een redenaar zijn de oren van het publiek een soort fluit. Als die oren niet opnemen wat je erin blaast of als de luisteraar compleet blokkeert zoals een paard, kun je er het beste mee ophouden.” (Brutus 192, Cicero)

30. “Daarbij is hij bovenal te prijzen omdat hij juist in deze tijd – voor zover mogelijk bij alle ellende die nu zogezegd ons gezamenlijk lot is – de ware troost zoekt. Namelijk in het bewustzijn dat hij politiek aan de juiste kant staat en in het streven naar geleerdheid.” (Brutus 250, Cicero)

31. Gorgias koppelt een volle bloemrijke stijl aan pathos en daarmee aan het bewegen van de ziel. Hij ziet taal als een affectieve kracht die via klank, ritme en vorm direct inwerkt op het gemoed. Cicero verwijst in zijn werk meermaals naar Gorgias en koppelt de genus grande of woordrijke verheven stijl aan precies het doel van bewegen van de ziel. Bovendien meent Cicero dat hierin de eigenlijke taak van de ideale redenaar ligt. Dit wijst op invloed van Gorgias op Cicero's retorica.

32. "Wie luistert naar een echte redenaar gelooft zijn woorden, houdt ze voor waar, stemt ermee in, keurt ze goed. Zijn speech wekt vertrouwen.” (Brutus 188, Cicero)

33. “Als er één ding is wat spreekt voor een redenaar, dan de pracht van zijn woordenschat.” (Brutus 216, Cicero)

34. De vijf “welbekende onderdelen” of “taken van de redenaar” zijn volgens Cicero: de vereiste inhoud vinden, ordenen, verwoorden, memoriseren en voordragen. (Brutus 214)

35. “Maar Athene was ook meer gediend met huizen met stevige daken dan met een schitterend Minervabeeld van ivoor, en toch zou ik liever Phidias zijn dan zelfs de beste timmerman.” (Brutus 257, Cicero)

36. Door het aandachtig lezen van Brutus en Orator besef ik pas hoe vergaand Cicero is beïnvloed door Gorgias. Ik wist dit niet en als ik het had geweten, dan had ik daar zeker aandacht aan besteed in mijn meest recente boek over Gorgias.

37. "De deskundige retorische criticus […] oordeelt vaak over een redenaar met één blik, in het voorbijgaan.” (Brutus 200, Cicero)

38. "Waarin is de kenner dus beter dan de leek? […] Weten door welke factoren je met spreken bereikt, of juist verliest, wat je met spreken moet bereiken of niet mag verliezen.” (Brutus 199, Cicero)

39. "Wat is hier dus de taak van de vakkundige docent? Goed kijken wat ieder van nature in zich heeft en dat als leidraad gebruiken bij het onderwijs.” (Brutus 204, Cicero)

40. “Het is geen speciale prestatie goed Latijn te kennen, maar een schande het niet te kennen.” (Brutus 140, Cicero)

41. "Wanneer hij dus zijn verzorgde Latijnse idioom […] combineert met retorische stijlverfraaiing, is het alsof hij fraai gemaakte schilderijen in een goed licht plaatst.” (Brutus 261, Cicero)

42. “Het fundament van de retorica is foutloos en zuiver Latijn.” (Brutus 111, Cicero)

43. "Hij kwam uit de school van Hermagoras, waar ze weinig doen aan stilistische verfraaiing maar efficiënt zijn in het vinden van inhoud.” (Brutus 263). Cicero lijkt hier te zinspelen op Hermagoras’ bijzonder fijnmazige uitwerking van de statusleer.

44. “Bovendien was hij geschoold in de leer van Hermagoras, die een redenaar weliswaar niet voorziet van genoeg stilistische versiering maar hem wel uitrust met kant-en-klare argumenten voor verschillende typen zaken. Zoiets als lansen mét slingerriem ten behoeve van lichtgewapenden.” (Brutus 271, Cicero)

45. "Naast begrippen in hun letterlijke betekenis ook veel beeldspraak, maar zonder dat het opdringerig of geforceerd overkwam: het was of de metaforen hun natuurlijke plaats innamen.” (Brutus 274) Cicero beschrijft hier een toespraak waarin stijlmiddelen zo natuurlijk worden toegepast dat ze niet opvallen, maar een vanzelfsprekend onderdeel van de gedachte vormen.

46. “Een abstruus gedicht mikt op bijval van een kleine groep, een publieksredevoering op applaus van het volk. Had Demosthenes die ene Plato als gehoor gehad terwijl de rest was weggelopen, dan had hij geen woord kunnen uitbrengen.” (Brutus 191, Cicero)

47. “‘De ironie die Socrates moet hebben gehad,’ begon hij, ‘en die hij in de werken van Plato, Xenophon en Aeschines ook daadwerkelijk hanteert, vind ik humoristisch en geraffineerd. Want je moet zowel handig zijn als gevoel voor humor hebben om in een discussie over wijsheid jezelf die wijsheid te ontzeggen en die plagierig toe te dichten aan anderen.’” (Brutus 292, Cicero)

48. De politieke welsprekendheid is volgens Cicero niet de hoogste vorm van welsprekendheid. (Brutus 108, 178, 268)

49. Power en charme zijn volgens Cicero twee van de belangrijkste eigenschappen van een redenaar. (Brutus 203, 204)

50. “De redenaar dient de rechter mild te stemmen.” (Brutus 246, Cicero)

51. De spreekstijl van een orator dient niet alleen aan te sluiten bij het ethos van het publiek, zoals met name Aristoteles leert, maar ook bij het ethos van de orator zelf. Althans, dat meen ik op te kunnen maken uit wat Cicero stelt in Brutus 135.

52. “Demosthenes navolgen […] is precies ons eigen doel, precies ons eigen ideaal. Maar wij bereiken dat niet. […] Er is nog iets anders wat ze niet begrijpen. Als Demosthenes zou gaan spreken dromde men vanuit heel Griekenland samen om te komen luisteren.” (Brutus 289, Cicero)

53. “Als mensen bezig zijn met de organisatie van een staat of met oorlog, of als ze niet vrij zijn en klemzitten onder een bewind van koningen, komt het verlangen naar goed spreken niet op. Welsprekendheid is de metgezel van vrede, de vriendin van vrije tijd, de telg van een al goed ingerichte staat.” (Brutus 45, Cicero)

54. "Maar bij het spreken is het als bij andere dingen: lof gaat altijd naar iets waar niets bovenuit gaat, ongeacht de eigenlijke waarde.” (Brutus 296, Cicero)

55. "[E]en toestroom van mensen, het gedruis van het Forum, dat vraagt nu eenmaal om een intens soort redenaar, een man met een klinkende stem, van wie de vonken en de energie afspringen.” (Brutus 317, Cicero)

56. "Daarbij kwam [Hortensius] met een allerminst gangbare stijl, inclusief twee unieke elementen: vooruitblikken op te bespreken punten, en korte samenvattingen van het door hemzelf betoogde én de tegenwerpingen.” (Brutus 302, Cicero)

57. “Er zijn dus twee typen goede redenaars […]: sprekers die het eenvoudig en beknopt houden of die zich juist verheven en groots uitdrukken. […] De beknopte redenaar moet oppassen voor armoe en schraalheid, de grootse juist voor bombast en overladen taal.” (Brutus 201, Cicero)

58. "Fijnproevers en aandachtige luisteraars vonden het allemaal wel fraai, maar de grote massa en het forum, de eigenlijke bestemming van retorica, slokten alles in één keer weg.” (Brutus 283, Cicero)

59. Er was bij hen gewoon niemand die iets aan literatuur leek te hebben gedaan met wat meer zorg en aandacht dan gewone mensen. En literatuur is toch de bron van volmaakte welsprekendheid. Er was bij hen gewoon niemand die de filosofie had omarmd, en filosofie is toch de moeder van alle goeds in woorden en daden. Niemand die civiel recht had geleerd, een absolute vereiste voor private zaken en voor het praktisch inzicht van de redenaar. Niemand met kennis van Romeinse geschiedenis, waarmee je indien nodig betrouwbare getuigen uit de doden kunt opwekken. Niemand die met snelle, slimme kwinkslagen over de tegenstander de rechters even liet ontspannen en hun grote ernst kortstondig liet omslaan in uitgelaten gelach. Niemand die een thema breed trok, die een particuliere discussie over een specifieke persoon of omstandigheid omboog naar een betoog over een algemene, universele kwestie. Niemand die ter vermaak even kort een zijpaadje insloeg, niemand die bij rechters grote kwaadheid opwekte, of tranen, niemand die hen in elke richting kon beïnvloeden, al naar gelang de zaak vereiste. En dat is toch eigenlijk het enige wat bij een redenaar hoort." (Brutus 322, Cicero)

60. “Wat is de rechtste weg om roem te oogsten? De weg die zijn voorouders hem hebben gebaand en zijn voorgegaan: dát prentte ik hem in met alle kracht.” (Brutus 281, Cicero)

61. Misschien werd retorica ooit als aparte discipline erkend omdat er toen nog een zichtbare innovatie in spreekstijlen plaatsvond. Toen alle mogelijke spreekstijlen ontsloten waren, verdween retorica als separate discipline. Hetzelfde kan de filosofie gebeuren. Zodra, los van de inhoud van het denken, alle mogelijke denkvormen ontsloten zijn, wat overigens inmiddels het geval lijkt, zou ook zij wellicht als aparte discipline kunnen verdwijnen.

62. "De retorica is wees geworden en nu heb ik zogezegd de voogdij over haar. Laten we haar in huis houden, goed afgeschermd zoals past bij haar vrije status, en al die vreemde schaamteloze vrijers afwijzen. We willen haar behoeden en laten uitgroeien tot een jonge vrouw, in zuiverheid, en alle avances van minnaars bij haar weghouden zoveel we kunnen.” (Brutus 330, Cicero)"

63. “Zo is dan de stem van Quintus Hortensius weggestorven door zijn eigen eind, de mijne door dat van ons land.” (Brutus 328, Cicero)

zondag 31 mei 2026

Een nieuw argument voor atheïsme?

Dit jaar verscheen een belangwekkend artikel van Fritz, Lo en Schmid in Noûs. Zij laten zien dat in minder sterke modale logica’s Plantinga’s ontologisch Godsargument logisch ongeldig is, terwijl het omgekeerde ontologisch argument voor atheïsme logisch geldig blijft.

Dit leek mij aanvankelijk het eerste argument voor atheïsme op te leveren dat wij niet onmiddellijk kunnen weerleggen. Inmiddels betoog ik in een nieuw paper dat van een geslaagd argument voor atheïsme geen sprake is. Sterker nog, in minder sterke modale logica's lijkt het voordeel eerder uit te vallen ten gunste van theïsme.

Geïnteresseerd? Mijn paper is hier beschikbaar.

vrijdag 1 mei 2026

Redenaars en hun stijlgebruik

In zijn Brutus en Orator gaat Cicero onder andere in op het stijlgebruik van redenaars. Stijl is volgens Cicero cruciaal voor de redenaar omdat spreekstijl het meest eigen is aan de retorica, meer nog dan de taken van het vinden, ordenen en onthouden van wat gezegd moet worden. Bovendien wordt volgens Cicero iedere redenaar uiteindelijk in meest eigenlijke zin gekenmerkt door zijn eigen specifieke stijl van spreken. Stijl heeft betrekking op de taken verwoording én voordracht, omdat het zowel om woordkeuze en woordvolgorde als om stemgebruik en spreeksnelheid gaat.

Er zijn volgens Cicero welhaast evenveel wijzen van stijlgebruik als redenaars. Toch kunnen we uit wat hij over spreekstijl opmerkt een typologie van redenaars en hun stijlgebruik afleiden. Deze typologie betreft een synthese van wat Cicero in beide bovengenoemde werken over spreekstijl opmerkt. Zij bestaat uit vijf typen stijlgebruik: (1) het ideaal van Cicero zelf of het ware Atticisme, (2) gematigd Atticisme, (3) radicaal Atticisme, (4) ornamenteel Asianisme en (5) energetisch Asianisme. De typologie brengt enige orde aan in de grote variëteit aan stijlgebruik van redenaars, zonder deze verscheidenheid te willen ontkennen.

Cicero maakt, beschouwd vanuit zijn ideaaltype, een onderscheid tussen drie verschillende spreekstijlen of genera dicendi: een gematigde of ingehouden stijl (genus subtile), een middenstijl (genus medium) en een verheven stijl (genus grande). De verheven stijl is vol, groots, gewichtig, bloemrijk, krachtig en imposant, maar dit alles op een gecontroleerde, maatvolle en gebalanseerde wijze. De ingehouden stijl is zakelijk, helder, duidelijk en bondig en niet gericht op vermeerdering of amplificatie. In slechts zeer beperkte mate wordt ingezet op verfraaiing en elegantie. De middenstijl is charmant en ligt tussen de twee voorgaande stijlen in. Verfraaiing in woorden en gedachten wordt aan één stuk door in een soepele spreekstroom met mate toegepast.

Cicero's onderscheid in drie stijlen lijkt een ontwikkeling vanuit Aristoteles. In zijn Retorica onderscheidt Aristoteles twee belangrijke deugden voor een goede stijl. Een goede stijl dient allereerst helder en duidelijk te zijn, zodat het publiek begrijpt wat de redenaar zegt. Daarnaast is een geslaagde stijl eveneens sierlijk of uitheems. Uitheemsheid zorgt ervoor dat het spreken eveneens aangenaam is, waardoor de aandacht van het publiek vastgehouden wordt. Aristoteles stelt dat de optimale stijl het juist midden weet te treffen tussen duidelijkheid en uitheemsheid. Deze Aristotelische deugdenleer met betrekking tot de juiste stijl lijkt Cicero omgezet te hebben in een classificatie van drie afzonderlijke stijlen: de ingehouden stijl zet primair in op de deugd van duidelijkheid, de verheven stijl is vooral gericht op de deugd van uitheemsheid en de middenstijl betreft precies het door Aristoteles voorgeschreven passende en deugdzame midden tussen duidelijkheid en uitheemsheid. Bezien vanuit Cicero's classificatie van stijlen lijkt Aristoteles dus vooral ruimte te geven aan de middenstijl. De ingehouden stijl zou Aristoteles te weinig sierlijk en de verheven stijl zou hij te weinig duidelijk gevonden hebben.

Daarnaast introduceert Cicero het onderscheid tussen docere of het publiek kundig onderwijzen, delectare of het publiek behagend binden en movere of het publiek gevoelsmatig bewegen. Hoewel het gaat om doelen van de redevoering of effecten op het publiek doet deze drieslag denken aan het klassieke Aristotelische, maar in laatste instantie op Gorgias teruggaande onderscheid tussen de overtuigingsmiddelen logos, ethos en pathos.

Volgens het Ciceroniaanse ideaal worden de drie spreekstijlen in een redevoering flexibel afgewisseld, afhankelijk van het doel, het beoogde effect en meer algemeen de situatie. Zo past bijvoorbeeld bij kundig onderwijzen vooral de ingehouden stijl, terwijl voor verbindend behagen de middenstijl en voor affectief bewegen de verheven stijl het meest geschikt is. De te hanteren stijl hangt ook af van de aard van het te bespreken thema. Bij een groots onderwerp hoort de verheven stijl en kleine onderwerpen dienen vooral met de ingehouden stijl besproken te worden. De middenstijl verdient de voorkeur zodra gewicht en rijkdom van het materiaal tussen dat van beide voorgaande soorten onderwerpen in ligt. De stijl past zich dus aan de inhoud aan door er gelijke pas mee te houden. Oog hebben voor wat passend is oftewel decorum is dan ook bij uitstek een kwaliteit van de ideale redenaar.

De door de ideale redenaar te kiezen stijl wordt eveneens bepaald door het onderdeel van de redevoering: inleiding en uiteenzetting van de feiten vragen veelal om een ingehouden stijl, terwijl de verheven stijl meestal goed past bij het slot van de redevoering. Voor de bewijsvoering en het weerleggen van argumenten van de tegenpartij is naast de middenstijl eventueel ook de ingehouden of juist verheven stijl geschikt. Dit hangt dan vooral af van het doel van de redevoering en de aard van de te bespreken zaak. Welke stijl passend is, hangt bovendien af van welk overtuigingsmiddel op een bepaald moment de boventoon voert, zoals volgt uit eerdergenoemde associatie tussen onderwijzen, behagen en bewegen en de overtuigingsmiddelen logos, ethos en pathos.

Gematigd Atticisme past de drie stijlen op dezelfde wijze als het Ciceroniaanse ideaal op flexibele wijze toe, maar zet daarbij iedere stijl meer beperkt of strakker in. Toch betreft het een variant die Cicero's goedkeuring nog wel kan dragen. Radicaal Atticisme en beide vormen van Asianisme wijst Cicero echter resoluut van de hand. Radicaal Atticisme is niet alleen problematisch omdat het zich in alle omstandigheden beperkt tot de ingehouden stijl, maar ook omdat het deze stijl versmalt of verarmt tot een dunne, droge, magere, bloedeloze en dorre stijl. Asianisme faalt niet alleen omdat het in alle omstandigheden verheven wil spreken, maar ook omdat het de verheven stijl vervormt en laat ontsporen tot overdaad in sierlijke ornamentiek dan wel opgejaagde verbale energie. Bombastische overdaad in versiering kan aangeduid worden met ornamenteel Asianisme, terwijl bombastische overdaad in intensiteit energetisch Asianisme kan worden genoemd. Ornamenteel Asianisme wordt meer precies gekenmerkt door fraaie, sierlijke, aangename, mooi opgetuigde, symmetrische en tegelijkertijd vaak overbodige formuleringen. Energetisch Asianisme kan daarentegen nader gekarakteriseerd worden door de nadruk op retorische flow, stroom en intensiteit, snel en opgewonden spreken met een constante woordenvloed en daarbij vaak een gekunsteld idioom. De voorgestelde typologie van redenaars voor wat betreft hun stijlgebruik kan als volgt schematisch worden weergegeven:

Ciceroniaanse ideaal (goed of echt Atticisme)
Kundig onderwijzen [Docere]
Ingehouden stijl [genus subtile]
Verbindend behagen [Delectare]
Middenstijl [genus medium]
Affectief bewegen [Movere]
Verheven stijl [genus grande]

Gematigd Atticisme
Docere
Ingehouden stijl
Delectare
Gematigde middenstijl
Movere
Beheerste verheven stijl

Radicaal Atticisme (slecht of oneigenlijk Atticisme)
Docere en delectare
Sobere ingehouden stijl
Movere
Ingehouden stijl

Ornamenteel Asianisme
Docere, delectare en movere
Ornamentele Aziatische verheven stijl

Energetisch Asianisme
Docere, delectare en movere
Energetische Aziatische verheven stijl

De ideale redenaar is volgens Cicero dus de redenaar die alle drie stijlen volledig beheerst en passend en doelgericht afwisselt, zonder te vervallen in mateloze droogheid of tomeloze overdrijving. Dit ideaal belichaamt voor hem het echte of eigenlijke Atticisme. Cicero ontkent dus dat Attisch spreken neerkomt op sober of schraal spreken. Hij begrijpt het goede Attische spreken als zuiver, natuurlijk en passend, maar tegelijkertijd krachtig, veelzijdig en woordrijk spreken. Het ware Attische ideaal berust op de kracht van de gedachte, het ritme van de zin en de emotionele werking van het bloemrijke woord. Het omvat verschillende stijlen zonder gekunsteld of bombastisch te worden en vraagt telkens inzet van de juiste stijl om kundig te onderwijzen, verbindend te behagen en affectief te bewegen.

Gorgias koppelt een volle bloemrijke stijl aan pathos en daarmee aan het bewegen van de ziel. Hij ziet taal als affectieve kracht die via klank, ritme en vorm direct inwerkt op het gemoed. Cicero verwijst in zijn werk meermaals naar Gorgias en leert dat het genus grande oftewel de woordrijke verheven stijl dient te worden gekoppeld aan precies het doel van movere oftewel het bewegen van de ziel. Bovendien meent Cicero dat hierin de eigenlijke of hoogste taak van de ideale redenaar ligt. Dit wijst wederom op invloed van Gorgias op Cicero's retorica. Gorgias vormt een stilistische voorloper van tendensen die later in het Asianisme worden uitvergroot, terwijl Cicero diezelfde tendensen probeert te beheersen en integreren.

Niemand

"Er was bij hen gewoon niemand die iets aan literatuur leek te hebben gedaan met wat meer zorg en aandacht dan gewone mensen. En literatuur is toch de bron van volmaakte welsprekendheid. Er was bij hen gewoon niemand die de filosofie had omarmd, en filosofie is toch de moeder van alle goeds in woorden en daden. Niemand die civiel recht had geleerd, een absolute vereiste voor private zaken en voor het praktisch inzicht van de redenaar. Niemand met kennis van Romeinse geschiedenis, waarmee je indien nodig betrouwbare getuigen uit de doden kunt opwekken. Niemand die met snelle, slimme kwinkslagen over de tegenstander de rechters even liet ontspannen en hun grote ernst kortstondig liet omslaan in uitgelaten gelach. Niemand die een thema breed trok, die een particuliere discussie over een specifieke persoon of omstandigheid omboog naar een betoog over een algemene, universele kwestie. Niemand die ter vermaak even kort een zijpaadje insloeg, niemand die bij rechters grote kwaadheid opwekte, of tranen, niemand die hen in elke richting kon beïnvloeden, al naar gelang de zaak vereiste. En dat is toch eigenlijk het enige wat bij een redenaar hoort." (Romeinse redenaars, Marcus Tullius Cicero, Vertaald door Vincent Hunink, Noordboek Filosofie, 2023, p. 138 (Brutus 322))

zondag 19 april 2026

Gadamer VU bijeenkomsten en colleges

Eind 2025 en begin 2026 heb ik op de Vrije Universiteit in Amsterdam drie bijeenkomsten verzorgd voor masterstudenten en promovendi filosofie en theologie over een groot deel van Deel I van Hans-Georg Gadamers monumentale werk ‘Waarheid en Methode. Hoofdlijnen van een filosofische hermeneutiek’. Deze bijeenkomsten zijn inmiddels op youtube beschikbaar. De eerste bijeenkomst hier en dan zo verder tot Bijeenkomst 3 Deel 2. In maart en april 2026 gaf ik vervolgens voor het vak Symbolisch leven I binnen de tweejarige VU master ‘Filosofie van cultuur en bestuur’ vier colleges over dezelfde literatuur. Het betreft in totaal twaalf uur college. Deze colleges zijn eveneens op youtube beschikbaar. Het eerste college hier en dan zo verder tot College 4 Deel 2. Voor deze collegereeks schreef ik aantekeningen die ik hier beschikbaar heb gemaakt.

zondag 12 april 2026

Gebruik, betekenis en begrip: een korte reflectie op ChatGPT en de mens

De manier waarop wij als kind een taal leren, lijkt op de wijze waarop ChatGPT getraind wordt, namelijk door met eindeloos veel voorbeelden van het gebruik ervan geconfronteerd te worden. Maar is het leren van een taal vanuit het gebruik ervan niet reeds het leren spreken en daarmee leren om betekenisvol met betekenissen om te gaan? Zo lijkt de wijze waarop ChatGPT leert betekenisvol met zijn omgeving te communiceren op de manier waarop mensen dit leren. Wat zegt dat over de vraag of ChatGPT tot werkelijk begrip in staat is? Of omgekeerd: wat zegt het over de vraag of de mens tot werkelijk begrip in staat is?

Is het resultaat van beide leerprocessen fundamenteel verschillend omdat het leerproces van de mens is ingebed in concrete geleefde ervaring? En zo ja, is dit vooralsnog fundamentele verschil computationeel te overbruggen door ChatGPT mobiel te maken en beeld- en geluidsensoren te geven, zodat het eveneens rechtstreeks van de concrete leefwereld kan leren? En zo ja, is er daarna geen fundamenteel verschil in resultaat meer? Of blijkt het resultaat alsnog fundamenteel verschillend? En zo ja, zou dit dan verklaard kunnen worden door te stellen dat zelfs dan de mens iets heeft wat ChatGPT mist, namelijk een innerlijk mentaal bewustzijnsleven?

Sommigen zullen wellicht willen beweren dat ChatGPT nu al, in zijn huidige vorm, een krachtige bevestiging is van Wittgensteins these dat betekenis gebruik is. Want zelfs met de momenteel nog beperkte vorm van leren door gebruik blijkt ChatGPT verrassend effectief in het voeren van betekenisvolle dialogen. Laat staan waartoe ChatGPT in staat is zodra het concreet in de leefwereld ingebed wordt. Toch blijft de vraag of er zo daadwerkelijk sprake is van begrip. Vereist werkelijk begrip uiteindelijk niet zoiets als fenomenaal bewustzijn of innerlijke subjectieve ervaring? Vooralsnog is ChatGPT echter vooral een troef in handen van hen die geen licht zien tussen betekenis en begrip, en beide reduceren tot gebruik.