zaterdag 4 december 2021

God’s necessary existence, the even weaker principle of sufficient reason and origin essentialism

Let God be defined as personal first cause. The even weaker principle of sufficient reason merely asserts that the existence of all actual beings is explainable. That is to say, for each being in the actual world there is a possible world in which that being exists and is explained.

In what follows I show that (i) if God exists and (ii) if the even weaker principle of sufficient reason holds, God exists necessarily.

For suppose God exists. So God exists in the actual world. Consider a possible world in which the being referred to as 'God' in the actual world exists and is explained. Since it's God and thus uncaused in the actual world, it's also uncaused in the possible world in which its existence is explained. Therefore this explanation cannot be a causal explanation. But then the only explanatory option left is a sound ontological argument for its existence. This being thus exists necessarily. Hence God exists necessarily.

My argument actually needs origin essentialism as an additional premise. For the claim that the being referred to as ‘God’ in the actual world is also uncaused in the possible world in which it exists and is explained, follows if we accept the further premise that beings have their causes essentially. That is to say, if a being is caused in some possible world, then it has that cause in all possible worlds in which it exists.

Indeed, suppose for reductio ad absurdum that the being referred to as 'God' in the actual world is caused in the possible world in which it exists and is explainded. Since on origin essentialism this being has that cause essentially, it also has that cause in the actual world. But the being is uncaused in the actual world. After all, it's God in the actual world. We thus arrive at a contradiction. Hence the being is not caused in the possible world in which it is explained.

zondag 21 november 2021

Zes soorten strijdvragen

De status van een geschil is de fundamentele vraag die aan de strijdvraag van het geschil ten grondslag ligt. De klassieke statusleer onderscheidt drie logische statussen. Dit zijn achtereenvolgens de conjecturale- of feitelijkheidsstatus (of iets het geval is), de definitiestatus (wat het geval is) en de hoedanigheidsstatus (van welke morele of andere normatieve aard het is). Zo kunnen er drie typen strijdvragen onderscheiden worden. Er zijn daarnaast algemene of onbepaalde en bijzondere of bepaalde strijdvragen. Bepaalde strijdvragen betreffen in tegenstelling tot onbepaalde strijdvragen concrete personen, plaatsen en tijden. Een geschil in meest eigenlijke zin wordt een zaak genoemd en een zaak betreft altijd een bepaalde strijdvraag. Toch behoren ook de onbepaalde strijdvragen, ook wel de abstracte algemene wijsgerige kwesties genoemd, tot de retorica. Zo ontstaan er zes soorten strijdvragen. De vraag of Milo Clodius heeft gedood is een bijzondere conjecturale strijdvraag, de vraag of het moord was een bijzondere definitievraag, en de vraag of de moord van Milo op Clodius rechtvaardig was een bijzondere hoedanigheidsvraag. De vraag of er rechtvaardige oorlogen kunnen dan wel geweest zijn betreft een algemene conjecturale vraag, de vraag wat moord is een algemene definitievraag, en de vraag of nut eervol is een algemene hoedanigheidsvraag.

zondag 24 oktober 2021

Ritmische patronen

De vijf taken van de redenaar zijn vinden, ordenen, verwoorden, onthouden en voordragen. Het verwoorden betreft de stijl en valt uiteen in foutloos, helder, fraai en gepast taalgebruik. Quintilianus bespreekt in het kader van de verfaaiing een groot aantal verschillende methoden en technieken. Nadat hij is ingegaan op verfraaiing op het niveau van afzonderlijke woorden en zinsniveau, bespreekt hij achtereenvolgens sententiën, tropen en figuren. De figuren vallen uiteen in denk- en woordfiguren. Nog altijd in het kader van de fraaiheid gaat hij aan het eind van boek IX in op de woordschikking.

De redenaar dient ervoor te zorgen dat de woorden op de juiste plaats staan en zo een hecht geheel vormen. Woordschikking is van belang om te komen tot een samenhangende manier van spreken. Een oratie moet soepel verlopen. De woorden moeten vloeiend in elkaar grijpen. Door woorden soepel op elkaar te laten aansluiten ontstaat continuïteit en vormt de oratie een vervlochten structuur en heeft zij een hechte textuur. Zinsbouw draagt zo bij aan genoegen, kracht en vaart van de rede. De woordschikking maakt daarmee eveneens het oproepen van verschillende stemmingen mogelijk. Zinsbouw valt vervolgens uiteen in volgorde, verbinding en ritmische patronen.

De ritmische patronen betreffen de muzikale woordschikking. De muzikale rangschikking van de woorden vormt het belangrijkste onderdeel van de zinsbouw. Cicero meent volgens Quintilianus zelfs dat de gehele woordschikking een kwestie van ritmische patronen is. We dienen als redenaar te streven naar een ritmische samenhang en deze samenhang betreft het retorisch ritme van een rede. In de retorica dienen we op specifiek retorische wijze met ritme om te gaan. Retorica is immers geen dichtkunst. De ritmische schikking moet afwisselend zijn en Quintilianus werkt een groot aantal overwegingen van ritmische aard uit om tot een geslaagde muzikale woordschikking te komen.

zaterdag 16 oktober 2021

Climax

In boek IX van zijn Institutio Oratoria behandelt Quintilianus de gedachte- en woordfiguren. De woordfiguren vallen uiteen in grammaticale en retorische woordfiguren. Deze laatste splitst hij vervolgens uit in die welke op toevoeging, op weglating, op klank- en woordspel, en op antithese gebaseerd zijn. De climax betreft een retorische woordfiguur gebaseerd op toevoeging. Quintilianus geeft als eerste voorbeeld een claim van Demosthenes uit zijn Kransrede: "Want het is niet zo dat ik het wel gezegd, maar niet opgeschreven heb, niet dat ik het wel opgeschreven, maar het gezantschap niet op me genomen heb, niet dat ik wel het gezantschap op me genomen, maar de Thebanen niet heb kunnen overtuigen." Wat claimt Demosthenes hier eigenlijk? Laten we dit eens logisch analyseren. Beschouw de proposities 'Ik heb het gezegd', 'Ik heb het opgeschreven', 'Ik heb het gezantschap op mij genomen', en 'Ik heb de Thebanen kunnen overtuigen'. Laten we deze proposities achtereenvolgens aanduiden met P, Q, R en S. De claim van Demosthenes luidt dan als volgt: ~(P en ~Q) en ~(Q en ~R) en ~(R en ~S). Aangenomen dat wat hij claimt waar is, zijn elk van de conjuncten van zijn claim waar. We krijgen zo dus ~(P en ~Q)=1, ~(Q en ~R)=1, en ~(R en ~S)=1. Hieruit volgt dat (P en ~Q)=0, (Q en ~R)=0, en (R en ~S)=0. We mogen redelijkerwijs aannemen dat hij het op z'n minst gezegd heeft, zodat P waar is. Kortom, P=1. Uit (P en ~Q)=0 volgt dan ~Q=0 en dus dat Q=1. De propositie Q is dus eveneens waar. Evenzo volgt dan dat ~R=0 en dus dat R=1. En net zo dat S=1. Demosthenes claimt dus dat hij het gezegd heeft, opgeschreven heeft, het gezantschap op zich genomen heeft, en de Thebanen heeft kunnen overtuigen. Wel dienen we aan te nemen dat hij het inderdaad gezegd heeft. Want zo niet, dan is P onwaar. Uit (P en ~Q)=0 valt de waarheidswaarde van Q dan niet af te leiden. Met P=0 is de conjunctie immers ongeacht de waarheidswaarde van Q onwaar. Evenmin kunnen we dan de waarheidswaarde van R en S bepalen. De presuppositie dat hij het gezegd heeft is dus essentieel.

Na het mooie aan de Ad Herennium ontleende voorbeeld "Zijn energieke instelling bereidde Africanus moed, zijn moed roem, en zijn roem rivalen" geeft Quintilianus een voorbeeld van Calvus: "De processen wegens knevelarij zijn dus niet erger verstoord dan die wegens hoogverraad, die wegens hoogverraad niet erger dan die op grond van de wet van Plautius, die op grond van de wet van Plautius niet erger dan die wegens corruptie, en die wegens corruptie niet erger dan die op grond van welke wet dan ook." Ook hier is logisch iets aardigs aan de hand. Laat V(p) de mate zijn waarin processen van type p verstoord zijn. Er volgt dan voor alle p dat V(knevelarij) <= V(hoogverraad) <= V(Plautius) <= V(corruptie) <= V(p). Neem nu p=knevelarij. We krijgen dan V(knevelarij) <= V(hoogverraad) <= V(Plautius) <= V(corruptie) <= V(knevelarij). De processen wegens knevelarij, hoogverraad, de wet van Plautius, en corruptie zijn allemaal even erg verstoord. De climax betreft dus wel het woord, maar niet de gedachte, wat goed past bij een woordfiguur.

zaterdag 9 oktober 2021

Wat is het subject van het predicaat 'overtuigend'?

We prediceren het overtuigende niet van de inhoud, niet van de stijl, niet van de structuur en ook niet van de voordracht van de redevoering. Maar waarvan prediceren we het dan wel? De vraag lijkt wellicht vreemd. Prediceren we niet gewoon het overtuigende van de inhoud? Met het stellen van de vraag wil echter een diepe retorische waarheid uitgedrukt zijn. Wat is het dat overtuigt? Waarvan zeggen we dat het overtuigend is? Zeggen we het van de inhoud van de redevoering? Nee. Van de vorm ervan? Nee. Van de structuur? Nee. Van de voordracht? Nee. In wat volgt zal ik toelichten waarvan we het dan wel zeggen.

De inhoud van een redevoering is op zichzelf beschouwd niet datgene wat overtuigt. Hetzelfde geldt bijvoorbeeld voor de stijl. Het is het geheel van inhoud, opbouw, verwoording en voordracht tezamen dat al dan niet overtuigt. Alleen van dat geheel prediceren we het overtuigende. De inhoud van een redevoering draagt, net zoals bijvoorbeeld de voordracht of vorm ervan, uiteraard wel bij aan het overtuigende. Want het maakt deel uit van genoemd geheel. Maar het is niet de drager van het overtuigende. Het is niet datgene waarvan we zeggen dat het overtuigt. Dat zeggen we alleen van het geheel.

Vergelijk de genera. Aristoteles leert dat elk zijnde, elke substantie een eenheid is van vorm en materie. Neem nu een zijnde. Bijvoorbeeld Jan. Jan behoort tot het genus, tot het geslacht ‘mens’. We prediceren ‘mens’ van Jan. We prediceren dus ‘mens’ van het gehele zijnde en niet van Jans materie of vorm. Waarvan prediceren we dus het genus? Van de materie? Nee. Van de vorm? Nee. We prediceren het genus van het gehele uit vorm en stof bestaande zijnde. In het geval van de genera prediceren we het genus van het gehele zijnde en dus niet alleen van de vorm of materie. Zo ook hier. We kunnen een formeel onderscheid maken tussen inhoud en andere aspecten zoals vorm en voordracht. Maar het is uiteindelijk het geheel dat overtuigt. Of niet natuurlijk.

Uiteraard dient iedere inhoud altijd al in een bepaalde vorm gegoten te zijn om mededeelbaar te zijn. Maar de retorische vorm is meer dan deze noodzakelijke vorm. De retorische vorm omvat stijlmiddelen en opbouw. Binnen een retorische context wordt met ‘vorm’ dan ook altijd zowel uitdrukkingswijze of taalgebruik en structuur of ordening bedoeld. Beide behoren tot de vorm oftewel de schikking in taal. Dat is inherent aan de retorische beschouwingswijze. Het gaat steeds om een retorisch rijke vorm vervat in genoemd geheel. En dat geheel omvat zoals gezegd zelfs nog meer, zoals de voordracht. Alleen dát geheel overtuigt. Alleen daarvan prediceren we het overtuigende. Alleen dat geheel is het subject van het predicaat 'overtuigend'.

donderdag 2 september 2021

Antapodosis

"Want zoals stormen vaak voorspelbaar zijn op grond van een duidelijk herkenbaar weerbeeld, vaak ook echter volstrekt onverwacht en onverklaarbaar door een duistere oorzaak opgezweept worden, zo kan men van deze politieke stormen vaak begrijpen door welke oorzaak ze op gang gebracht zijn, maar is dat vaak ook zo duister, dat het wel lijkt of ze zonder enige oorzaak opgestoken zijn." (Cicero, Pro Murena 17.36)

maandag 30 augustus 2021

Boek VIII-XII van de Institutio Oratoria van Quintilianus: overwegingen en citaten

Wat Aristoteles met zijn Organon niet lukte is Quintilianus met zijn Institutio Oratoria wel gelukt: een eind maken aan een heel vakgebied door het zo goed als volledig te voltooien. Hieronder volgt een overzicht van overwegingen en opvallende citaten bij het lezen van de laatste vijf boeken van de Institutio. Dit overzicht wordt steeds bijgewerkt zolang mijn Quintilianus werkgroep loopt. Overwegingen en citaten bij de eerste zeven boeken zijn hier bijeengebracht.

Overwegingen
1. De verwoording raakt bij Quintilianus aan de vinding. Constructen als enthymeem, analogie, amplificatie, afzwakking, aanschouwelijkheid, tautologie en sententie vinden we bij beide. Vorm en inhoud lopen zo in elkaar over en worden uiteindelijk zelfs één. De orator ontsluit beide tegelijkertijd. Vorm is inhoud. Inhoud vorm.

2. Een “omgekeerde copernicaanse wending” avant la lettre bij Quintilianus: men dient de woorden aan zijn onderwerp aan te passen in plaats van een onderwerp te zoeken bij zijn woorden. (p. 405)

3. De oorspronkelijke betekenis van enthymeem is uit tegengestelden bestaande gemoedsoverweging. Als gevoelsantithese is ze zowel middel tot verfraaiing als oorsprong van het argumenteren. Verfraaiing en argumentatie gaan immers beide terug op het aanwijzen van treffende contrasten.

4. Door twitter heeft de ‘sententia’ een onvoorziene comeback gemaakt. De klassieke sententiënleer zoals beknopt beschreven in boek VIII van Quintilianus kan zo op twitter worden toegepast.

5. Quintilianus maakt onderscheid tussen drie soorten woordgebruik. Wanneer wij woorden gebruiken om te verwijzen naar dingen waar deze woorden normaal gesproken naar verwijzen, dus wanneer wij eigennamen van dingen gebruiken, is sprake van eigenlijk woordgebruik. In het geval van eigenlijk woordgebruik wordt uiteraard de eigenlijke betekenis van de gebruikte woorden gehanteerd. Eigenlijk woordgebruik veroorzaakt helderheid. Oneigenlijk woordgebruik betreft woordgebruik dat niet eigenlijk is. Quintilianus onderkent twee vormen van oneigenlijk woordgebruik. Het kan gaan om overdrachtelijk woordgebruik waarbij treffende, passende of noodzakelijke metaforen ingezet worden. Hoewel in dit geval woorden gebruikt worden om naar dingen te verwijzen waar deze woorden normaal gesproken niet naar verwijzen, dus hoewel in dit geval geen eigennamen van dingen gebruikt worden, is de gehanteerde betekenis van de woorden niet oneigenlijk. Quintilianus spreekt in dit verband zelfs van het hanteren van de eigenlijke betekenis van de gebruikte woorden. Deze vorm van oneigenlijk woordgebruik veroorzaakt fraaiheid. Daarnaast is er oneigenlijk woordgebruik waarbij oneigenlijke betekenissen gehanteerd worden. Deze vorm van oneigenlijk woordgebruik is volgens Quintilianus ongepast, misplaats en zelfs een vorm van misbruik. Eigenlijk woordgebruik heeft overigens altijd betrekking op gangbare woorden. Gebruik van een niet gangbare eigennaam voor een ding is dus geen eigenlijk woordgebruik.

6. Bij zijn bespreking van stijlmiddelen tot verfraaiing noemt Quintilianus op enig moment het middel van de bondigheid. Het is mooi indien we meer in minder woorden weten te vervatten. Direct hierna noemt hij de emfase. De emfase ligt in het verlengde van de bondigheid omdat in het geval van de emfase een woord wordt gebruikt dat meer zegt dan het woord normaal gesproken zegt. Denk aan "De Grieken zijn in het paard afgedaald" (daarmee aangevend hoe groot het paard wel niet is), "Hij is een mens", "Wees een man!" of "Er moet geleefd worden". De bondige uitdrukking en de emfase zijn voorafschaduwingen of zelfs proto-vormen van het stijlmiddel van de amplificatie omdat ze vermeerderen, vergroten dan wel versterken. In amplificatie en afzwakking is volgens Quintilianus zelfs de kracht van de redenaar gelegen. Vrijwel direct na de introductie van de stijlmiddelen van de bondigheid en emfase behandelt hij dan ook de verschillende manieren waarop een redenaar door stijl kan amplificeren. Een van deze manieren is amplificatie door deductie. Door bijvoorbeeld te zeggen dat twee mannen met moeite het pantser van Demoleos op hun schouders konden dragen, wordt voor de toehoorder direct duidelijk dat Demoleos erg groot geweest moet zijn. Quintilianus merkt in dit verband terecht op dat dit lijkt op de emfase. Maar, zo stelt hij, emfase geeft te denken op grond van een woord, terwijl amplificatie door deductie dat doet op grond van feiten.

7. Oorspronkelijk betekende 'sententia' innerlijke gewaarwording. Een sententia betrof een zaak van het hart, een hartstocht, en had dan ook betrekking op de lichamelijke- of beter de gemoedskant van de mens. Deze innerlijke gewaarwordingen werden na verloop van tijd meer geestelijk begrepen als mentale voorstellingen. Sententiën werden zo een zaak van de geest. Ze werden dan ook vanaf een bepaald moment begrepen als meningen of inzichten. Een sententie kwam bekend te staan als een kernachtige gedachte gebaseerd op een gevoel of gewaarwording. En waar geest is, is woord. De betekenis van ‘sententia’ verschoof zo naar het woordelijk uitspreken van de kernachtige gedachte. Sententiën werden anders gezegd verwoorde gemoedsoverwegingen. Het enthymeem is dan ook de sententie bij uitstek. De nadruk kwam vervolgens te liggen op het uitgesprokene, op het verwoorde, en in het verlengde daarvan werden sententiën vooral ook begrepen als aforismen, briljante uitspraken of pakkende spreuken.

8. De retorica van Quintilianus steunt op Cicero die grotendeels is gevormd door de retorica die Isocrates van zijn leraar Gorgias overnam. Ook Aristoteles is met zijn op pathos, stijl en ethos gebaseerde waarschijnlijkheidsretorica schatplichtig aan Gorgias. Meer dan hij toegeeft.

9. Quintilianus spreekt in Boek VIII tussen neus en lippen door over “sprekers die in een niet al te grijs verleden nog ‘voorwaar’ zeiden” en even daarvoor over “het vallen van de woorden van het kruis”. Zou hij hier een bepaalde spreker op het oog hebben zonder hem te noemen?

10. Tot de verwoording behoren ook de gedachtefiguren zoals ironie, de retorische vraag en de apostrofe. Maar volgens Quintilianus rekenen sommigen ook de vergelijking en het syllogisme tot de gedachtefiguren, hetgeen nogal radicaal is omdat zo bewijsmiddelen stijlmiddelen worden.

11. In boek IX van zijn Institutio Oratoria behandelt Quintilianus de gedachte- en woordfiguren. De woordfiguren vallen uiteen in grammaticale en retorische woordfiguren. Deze laatste splitst hij vervolgens uit in die welke op toevoeging, op weglating, op klank- en woordspel, en op antithese gebaseerd zijn. De climax betreft een retorische woordfiguur gebaseerd op toevoeging. Quintilianus geeft als eerste voorbeeld een claim van Demosthenes uit zijn Kransrede: "Want het is niet zo dat ik het wel gezegd, maar niet opgeschreven heb, niet dat ik het wel opgeschreven, maar het gezantschap niet op me genomen heb, niet dat ik wel het gezantschap op me genomen, maar de Thebanen niet heb kunnen overtuigen." Wat claimt Demosthenes hier eigenlijk? Laten we dit eens logisch analyseren. Beschouw de proposities 'Ik heb het gezegd', 'Ik heb het opgeschreven', 'Ik heb het gezantschap op mij genomen', en 'Ik heb de Thebanen kunnen overtuigen'. Laten we deze proposities achtereenvolgens aanduiden met P, Q, R en S. De claim van Demosthenes luidt dan als volgt: ~(P en ~Q) en ~(Q en ~R) en ~(R en ~S). Aangenomen dat wat hij claimt waar is, zijn elk van de conjuncten van zijn claim waar. We krijgen zo dus ~(P en ~Q)=1, ~(Q en ~R)=1, en ~(R en ~S)=1. Hieruit volgt dat (P en ~Q)=0, (Q en ~R)=0, en (R en ~S)=0. We mogen redelijkerwijs aannemen dat hij het op z'n minst gezegd heeft, zodat P waar is. Kortom, P=1. Uit (P en ~Q)=0 volgt dan ~Q=0 en dus dat Q=1. De propositie Q is dus eveneens waar. Evenzo volgt dan dat ~R=0 en dus dat R=1. En net zo dat S=1. Demosthenes claimt dus dat hij het gezegd heeft, opgeschreven heeft, het gezantschap op zich genomen heeft, en de Thebanen heeft kunnen overtuigen. Wel dienen we aan te nemen dat hij het inderdaad gezegd heeft. Want zo niet, dan is P onwaar. Uit (P en ~Q)=0 valt de waarheidswaarde van Q dan niet af te leiden. Met P=0 is de conjunctie immers ongeacht de waarheidswaarde van Q onwaar. Evenmin kunnen we dan de waarheidswaarde van R en S bepalen. De presuppositie dat hij het gezegd heeft is dus essentieel.

12. Na het mooie aan de Ad Herennium ontleende voorbeeld "Zijn energieke instelling bereidde Africanus moed, zijn moed roem, en zijn roem rivalen" van een climax, geeft Quintilianus een voorbeeld van een climax van Calvus: "De processen wegens knevelarij zijn dus niet erger verstoord dan die wegens hoogverraad, die wegens hoogverraad niet erger dan die op grond van de wet van Plautius, die op grond van de wet van Plautius niet erger dan die wegens corruptie, en die wegens corruptie niet erger dan die op grond van welke wet dan ook." Ook hier is logisch iets aardigs aan de hand. Laat V(p) de mate zijn waarin processen van type p verstoord zijn. Er volgt dan voor alle p dat V(knevelarij) <= V(hoogverraad) <= V(Plautius) <= V(corruptie) <= V(p). Neem nu p=knevelarij. We krijgen dan V(knevelarij) <= V(hoogverraad) <= V(Plautius) <= V(corruptie) <= V(knevelarij). De processen wegens knevelarij, hoogverraad, de wet van Plautius, en corruptie zijn allemaal even erg verstoord. De climax betreft dus wel het woord, maar niet de gedachte, wat goed past bij een woordfiguur.

13. De verwoording draagt naast haar bijdrage aan het uitdrukken van ethos en pathos ook rechtstreeks bij aan het overtuigen. Er zijn drie wijzen waarop de stijl direct het overreden dient. Allereerst zorgt een geschikte stijl voor duidelijkheid en transparantie. Dit is van groot belang omdat helder en begrijpelijk taalgebruik een noodzakelijke voorwaarde is voor het overtuigen. Bovendien draagt duidelijkheid hoe dan ook in zichzelf bij aan het overtuigend zijn. In de tweede plaats leidt een passende uitdrukkingswijze tot fraaiheid. Dit is eveneens van belang. Mooi, schoon, aantrekkelijk en enigzins dichterlijk taalgebruik is immers aangenaam en het aangename ondersteunt het overtuigende. Een fraaie verwoording leidt ook tot een charmante, levendige, kleurrijke en sprankelende stijl, en tot een verrassende, opmerkelijke, enigszins ongewone en spannende uitdrukkingswijze. Beide scheppen genoegen en dragen dus eveneens bij aan het overreden. Een fraaie stijl is ook afwisselend en dus wederom prettig en zo overtuigend. Ten derde maakt een goede stijl betekenisvol, nadrukkelijk, indringend, intens en krachtig taalgebruik mogelijk, wat versterkt en zo ook het overtuigende ten goede komt. Tenslotte moet het middels woordkeuze en woordschikking zorgdragen voor een aangename vaart, vloeiende stroming, muzikale ritmiek, aansprekende melodie, en hechte continuïteit genoemd worden. Uiteindelijk zijn er dus zes manieren waarop de verwoording bijdraagt aan het overtuigen. Voor een aantal van deze manieren geldt dat de verwoording dit mede doet door het scheppen van genoegen. Naast het aangename dient in een aantal gevallen toch ook het trekken en vasthouden van de aandacht van de toehoorder genoemd te worden. Wie geen aandacht meer heeft raakt immers hoe dan ook niet overtuigd.

14. De redenaar dient ook kennis te bezitten van het volledige systeem van dichterlijke metra en muzikale ritmen. Houdt het dan nooit op?

15. Zoals het enthymeem een retorisch syllogisme is, en het paradeigma een retorische inductie, zo moet volgens Quintilianus het ritmisch patroon van een redevoering een retorisch ritme zijn.

16. De vijf taken van de redenaar zijn vinden, ordenen, verwoorden, onthouden en voordragen. Het verwoorden betreft de stijl en valt uiteen in foutloos, helder, fraai en gepast taalgebruik. Quintilianus bespreekt in het kader van de verfaaiing een groot aantal verschillende methoden en technieken. Nadat hij is ingegaan op verfraaiing op het niveau van afzonderlijke woorden en zinsniveau, bespreekt hij achtereenvolgens sententiën, tropen en figuren. De figuren vallen uiteen in denk- en woordfiguren. Nog altijd in het kader van de fraaiheid gaat hij aan het eind van boek IX in op de woordschikking. De redenaar dient ervoor te zorgen dat de woorden op de juiste plaats staan en zo een hecht geheel vormen. Woordschikking is van belang om te komen tot een samenhangende manier van spreken. Een oratie moet soepel verlopen. De woorden moeten vloeiend in elkaar grijpen. Door woorden soepel op elkaar te laten aansluiten ontstaat continuïteit en vormt de oratie een vervlochten structuur en heeft zij een hechte gebonden textuur. Zinsbouw draagt zo bij aan genoegen, kracht en vaart van de rede. De woordschikking maakt daarmee eveneens het oproepen van verschillende stemmingen mogelijk. Zinsbouw valt vervolgens uiteen in volgorde, verbinding en ritmische patronen. De ritmische patronen betreffen de muzikale woordschikking. De muzikale rangschikking van de woorden vormt het belangrijkste onderdeel van de zinsbouw. Cicero meent volgens Quintilianus zelfs dat de gehele woordschikking een kwestie van ritmische patronen is. We dienen als redenaar te streven naar een ritmische samenhang en deze samenhang betreft het retorisch ritme van een rede. In de retorica dienen we op specifiek retorische wijze met ritme om te gaan. Retorica is immers geen dichtkunst. De ritmische schikking moet afwisselend zijn en Quintilianus werkt een groot aantal overwegingen van ritmische aard uit om tot een geslaagde muzikale woordschikking te komen.

17. Korte en lange lettergrepen zijn onvermijdelijk. Ze zijn noodzakelijk voor het spreken. Lettergrepen vormen het materiaal van versvoeten. Een versvoet bestaat volgens Quintilianus uit maximaal drie lettergrepen. In de traditie wordt echter ook uitgegaan van versvoeten die uit meer dan drie lettergrepen bestaan. Een versvoet wordt gekenmerkt door een geordend patroon van korte (.) en lange (-) lettergrepen. Voorbeelden zijn de spondee (--), choreus of trochee (-.), pyrrichius (..), jambe (.-), amfibrachys (.-.), dactylus (-..), anapest (..-), amfimacron of creticus (-.-), molossus (---), bacchius (.--), palimbacchius (--.), trochee of tribrachys (...), paeon (-... of ...-), dochmius (.--.-) en dichoreus (...... of -.-.). De paeon is een samenstelling van choreus en pyrrichius, de dochmius van bacchius en jambe, en de dichoreus betreft een dubbele trochee. Een korte lettergreep betreft één tijdseenheid en een lange lettergreep twee. Iedere versvoet heeft een tijdsverhouding. De tijdsverhouding van een versvoet betreft de verhouding tussen de tijdsduren van de twee helften van de versvoet. Dactylus (-..) heeft 1:1, anapest (..-) heeft 1:1, spondee (--) heeft 1:1, paeon (-...) heeft 1:1.5, jambe (.-) heeft 1:2, en choreus (-.) heeft 1:2 als tijdsverhouding. Twee versvoeten zijn ritmisch equivalent als de tijdsverhoudingen van beide gelijk zijn. Een ritmisch patroon bestaat uit een variabel aantal ritmisch equivalente versvoeten. De verhouding tussen de tijdsduur van de twee elementen van elke versvoet blijft in het ritmisch patroon constant, terwijl het er voor een ritmisch patroon niet toe doet indien in de ene versvoet de korte lettergrepen aan de lange voorafgaan en in een andere de lange juist op de korte volgen. Evenmin kent een ritmisch patroon een vaste lengte. Een ritmisch patroon is dan ook geen poëtisch metrum. Een metrum bestaat uit een vast aantal versvoeten van hetzelfde type. Ritmische patronen kennen slechts een vaste tijdsverhouding en daarmee tijdsduur van de versvoeten, terwijl in een metrum ook het type versvoet en het aantal versvoeten vastligt. Kortom, ieder metrum is een ritmisch patroon, maar een ritmisch patroon hoeft nog geen metrum te zijn. Een versregel van een gedicht wordt ook wel een vers genoemd. Elk vers van een gedicht beantwoordt aan hetzelfde metrum. Alle versen van een gedicht bestaan dus uit hetzelfde aantal versvoeten van hetzelfde type. Een hexameter is een versregel met zes versvoeten en een trimeter betreft een versregel met drie versvoeten. Een jambische trimeter wordt dan gecodeerd als .-.-.- en een jambische hexameter als zes elkaar opvolgende jamben. Hoewel iedere redevoering een duidelijk, herkenbaar en afwisselend retorisch ritme dient te hebben, is het zeker niet de bedoeling de redevoering in een metrisch keurslijf te wringen. Zoiets is zelfs afschuwelijk volgens Quintilianus. Retorica is geen dichtkunst.

18. De vervlochten samenhangende verwoordingsstructuur bestaat enerzijds uit lettergrepen en versvoeten, en anderzijds uit de grotere gehelen die uit versvoeten gevormd worden. Deze grotere gehelen betreffen achtereenvolgens woorden, zinsneden, leden en volzinnen. Een zinsnede (komma met als meervoud 'kommata') is een korte samenhangende groep van woorden. Een zinsnede is een gedachte die wordt afgesloten zonder dat een ritmisch patroon geheel gevuld is. Een zinsnede is dus geen ritmische eenheid. Een lid (kolon met als meervoud 'kola') wordt ook wel geleding genoemd en bestaat uit meerdere zinsneden. Een lid is een gedachte die wordt afgesloten als ritmische eenheid. Toch vormt een lid een brokstuk van een groter geheel. Ze heeft op zichzelf geen volwaardige betekenis. Zinsneden en leden zijn dus incompleet. Ze behoeven een afronding. Deze afronding vindt plaats in de periode. Een periode is een afgeronde samengestelde volzin en bestaat uit meerdere leden. Quintilianus geeft aan dat een periode tenminste twee leden bevat en gemiddeld vier leden telt. De periode rondt een gedachte geheel af. Ze voltooit de gedachte. Een volzin mag volgens Quintilianus niet onmatig lang zijn. Het geheugen moet haar immers kunnen vasthouden.

19. Quintilianus geeft een groot aantal regels voor het retorisch ritme. Sommigen staan min of meer op zichzelf en andere maken onderdeel uit van een groep gelijksoortige ritmische regels. Een eerste groep ritmische regels betreft de relatie tussen enerzijds (het begin en eind van) een vers en anderzijds (het begin en eind van) een volzin. Een complete versregel in een redevoering is niet ritmisch. Het begin van een vers aan het begin van een volzin en het eind van een vers aan het eind van een volzin (clausula) is evenmin ritmisch. Het begin van een vers aan het eind van een volzin (clausula) en het eind van een vers aan het begin van een volzin is juist wel ritmisch. Een tweede groep ritmische regels gaat over de vraag welke versvoeten al dan niet ritmisch zijn dan wel, eventueel in combinatie met andere versvoeten, al dan niet in een bepaalde volgorde ritmisch samengaan. Laat R staan voor ritmisch geslaagd, R# voor ritmisch slecht, B voor een geslaagd ritmisch begin van een zin, B# voor een slecht ritmisch begin van een zin, E voor een geslaagd ritmisch einde van een zin, en E# voor een slecht ritmisch einde van een zin. Laat (v, w, z) een geordende reeks versvoeten zijn. Laat tenslotte v* en w* constanten zijn die verwijzen naar bepaalde versvoeten, zoals bijvoorbeeld jambe, choreus of creticus. Quintilianus geeft dan regels van onder andere de volgende typen: R(v*), R#(v*), R(v*,w*), R#(v*,w*), B(v*), B#(v*), E(v*) en E#(v*). Maar ook complexere regels zoals 'Voor alle v, als R(v*,v) dan R(w*,v)' of 'Voor alle v, als R#(v,v*) dan R#(v,w*)'. En, wanneer we R, R#, B, B#, E en E# opvatten als maten, ritmische regels zoals R(v*)>R(w*), R#(v*)>R#(w*), B(v*)>B(w*), B#(v*)>B#(w*), E(v*)>E(w*), E#(v*)>E#(w*), R(v*,w*)>R(v*,z*), R#(v*,w*)>R#(v*,z*) en bijvoorbeeld 'Voor alle v, R(v,v*)>R(v,w*)'.

20. Quintilianus geeft eveneens een groep ritmische regels die lange en korte lettergrepen, en in het verlengde daarvan bepaalde versvoeten, koppelen aan manieren van spreken en bestanddelen van een rede. Korte lettergrepen maken een redevoering vlug en beweeglijk. Dit sluit goed aan bij een partitie omdat deze gebaat is bij vaart. Alledaags taalgebruik en felle en flitsende argumentaties lenen zich ook voor korte lettergrepen. Dit laatste mede omdat het felle snelt. In het geval van argumentaties gaat het beter gezegd om een combinatie van korte en lange lettergrepen waarbij de korte lettergrepen in de meerderheid zijn. Argumenten moeten namelijk eveneens kracht uitstralen. Een voortdurende aaneenrijging van korte lettergrepen leidt tot teveel vaart en een jachtig springerig spreken. Dit dient vermeden te worden. Lange lettergrepen zijn vergeleken bij korte voller van tijdsduur, vergroten de stabiliteit en verlenen gewicht en zwaarte aan de rede. Lange lettergrepen zijn dan ook geschikt voor ernstige en verheven redegedeelten. Dit laatste mede omdat het verhevene schrijdt. Ook gedempte passages vragen om langzame versvoeten en dus lange lettergrepen. De uiteenzetting vereist doorgaans tragere versvoeten en dus eveneens lange lettergrepen. Een feitenrelaas moet immers de feiten inprenten en daarbij past geen haast. We moeten indringend spreken en daarvoor zijn lange lettergrepen beter geschikt. Bij indringend praten past overigens ook dat we onze gedachten per lid en per zinsnede presenteren, zodat de toedracht uit langere leden moet bestaan. Teveel lange lettergrepen maken een rede traag en loom. Al met al hebben lange lettergrepen het meeste gezag en korte de meeste vaart. Wat ons spreken aan snelheid wint, verliest het aan waardigheid. Een spondee (--) is risicovol omdat overdadig gebruik ervan een rede overmatig traag kan maken, terwijl inzet van de trochee (...) juist tot een te snelle en jachtige rede kan leiden. Het ritme van de paeon (-...) en dactylus (-..) wordt daarentegen getemperd door het naast elkaar voorkomen van lange en korte lettergrepen. Quintilianus vult aan dat een stijging van korte naar lange lettergrepen indringend is. Een daling van lange naar korte is luchtiger. Zware passages in tragedies worden door spondee (--) en jambe (.-) gekenmerkt, terwijl in komedies de choreus (-.) meer voorkomt. Harde en kwaadaardige passages bevatten meestal jamben vanwege de stijging van korte naar lange lettergrepen.

21. Figuren en dan met name gedachtefiguren lijken iets heimelijks te hebben. Ze hebben iets bedekts of onopgemerkts dat impliciet wil blijven. Zo geeft Quintilianus aan dat volgens veel moderne auteurs de term 'figuur' uitsluitend wordt gereserveerd voor taalgebruik of verschijnselen waarbij we de toehoorders iets anders willen laten denken dan we zeggen. Iets is volgens deze auteurs pas een figuur indien de spreker voorwendt iets anders te zeggen dan hij zegt. Een figuur bevat dan sluiks een verborgen betekenis die de toehoorders zelf moeten ontdekken. Wanneer wij ons beperken tot de gedachtefiguren, dan geldt dit inderdaad voor de emfase. Dit is volgens Quintilianus een vorm van indirect spreken. De orator spreekt in bedekte termen in plaats van vrijuit en legt daarbij allerlei "zijpaadjes en omwegen" af. (p. 463). De redenaar zegt iets anders dan bedoeld wordt. Hoewel sommigen menen dat de tegenpartij deze figuren moet "ontmaskeren, zoals verborgen kwetsuren opengesneden worden." (p. 465) merkt Quintilianus op dat "men er vaak beter aan doet om, als teken van rein geweten, net te doen of men ze niet eens heeft opgemerkt." (p. 465) Maar "als het aantal figuren echter zo groot is dat we er niet meer omheen kunnen, dan moeten we eisen dat de tegenpartij, als ze durft, openlijk op tafel legt wat ze met al die insinuaties nu eigenlijk bedoelt; en dat ze onmogelijk kan verlangen dat de rechters niet alleen begrijpen, maar ook geloven wat ze zelf niet eens hardop durft te zeggen." (p. 465). Of neem de ironie. Men zegt hierbij precies het tegenovergestelde van wat men bedoelt. De ironie als gedachtefiguur verschilt volgens Quintilianus zelfs van de ironie als troop omdat "de troop doorzichtiger is: hoewel de troop iets anders zegt dan hij denkt, is het toch niet zo dat hij werkelijk iets veinst." (p. 457) De gedachtefiguur is een doen alsof. Het is verborgen veinzen. Dit geldt tot op zekere hoogte ook voor bijvoorbeeld de retorische vraag, de aarzeling, de onderbreking, het overleg, de prosopopoeia en de simulatie. Zo stelt Quintilianus met betrekking tot de simulatie het volgende: "We doen dan immers net alsof we boos of blij, bang of verwonderd, bedroefd, verontwaardigd of verlangend zijn". (p. 453) Na enkele voorbeelden van gesimuleerde uitroepen gegeven te hebben, vervolgt hij: "Wanneer die uitroepen echt zijn, behoren ze niet tot die vorm van taalgebruik waarover we nu spreken. Maar gespeelde en vakkundig in scène gezette uitroepen dienen zonder enige twijfel tot de figuren gerekend te worden." (p. 453) Kortom, gedachtefiguren houden verband met veinzen. En eerder al beweert hij om aan te geven dat een reeks van zojuist besproken middelen geen gedachtefiguren zijn: "Doch dit alles wordt onomwonden gepresenteerd, niet geveinsd maar openlijk. Niettemin laat het, zoals gezegd, figuren toe [...]". (pp. 449-450) Die middelen laten figuren toe en zijn dus zelf geen figuren precies omdat ze onomwonden en openlijk zijn. Kortom, figuren en dan vooral gedachtefiguren hebben blijkbaar altijd iets ondergronds of onderhands. Iets dat geniepig verborgen blijft.

22. Figuren zijn "gevormd" en worden "veranderingen" genoemd omdat ze het normale taalgebruik veranderen. Alle definities van figuur delen beide kenmerken. Quintilianus onderscheidt drie definities. Volgens de eerste is een figuur "de vorm waarin een gedachte is gegoten". Iedere taaluiting heeft dan een "figuratie". Niets is zonder figuur. Wie eentonig schrijft dient dus zijn figuren af te wisselen. Volgens de tweede definitie is een figuur een opvallende vorm van taalgebruik die afwijkt van het gewone en meest voor de hand liggende. Het is anders gezegd een opmerkelijke en weloverwogen afwijking van het directe en eenvoudige taalgebruik. Alleen specifieke vormen zijn dan figuren. Slechts een vorm die retorisch of poëtisch afwijkt van het normale spreken mag figuur genoemd worden. Maar dan is er zowel taalgebruik met als taalgebruik zonder figuren. Quintilianus kiest voor deze tweede definitie. Een figuur is voor hem "een vakkundig vernieuwde manier om iets te zeggen". De derde definitie houdt het midden tussen de ruime eerste en smalle tweede definitie. Volgens de derde definitie zijn "alle lichtende fraaiheden" van de rede een figuur. Figuren zijn "de schitterendste ogenblikken" van de redevoering. Het zijn de "lichteffecten", de "glanzende onderdelen", de "pronkstukken" van de oratie. Het zijn de figuren die de gedachten glans verlenen. Cicero kiest voor deze middenweg. Niet iedere taaluiting is volgens hem een figuur, maar "ook niet alleen die wendingen die duidelijk anders gevormd zijn dan in de gangbare spraak".

23. We gaan van gedachten, naar het ordenen van gedachten, naar het verwoorden ervan, en binnen het verwoorden van gedachtefiguren naar woordfiguren, en binnen de woordfiguren van retorische woordfiguren naar grammaticale woordfiguren. De laatste hebben louter nog betrekking op vorm.

24. Waarom ritmisch taalgebruik in de retorica van groot belang is? De redenaarskunst gaat terug op de dichtkunst en de dichtkunst gaat terug op de muziek. De muziek is de oudste van alle studiën en is gegrond in melodie en ritmiek.

25. We prediceren het overtuigende niet van de inhoud, niet van de stijl, niet van de structuur en ook niet van de voordracht van de redevoering. Maar waarvan prediceren we het dan wel? De vraag lijkt wellicht vreemd. Prediceren we niet gewoon het overtuigende van de inhoud? Met het stellen van de vraag wil echter een diepe retorische waarheid uitgedrukt zijn. Wat is het dat overtuigt? Waarvan zeggen we dat het overtuigend is? Zeggen we het van de inhoud van de redevoering? Nee. Van de vorm ervan? Nee. Van de structuur? Nee. Van de voordracht? Nee. In wat volgt zal ik toelichten waarvan we het dan wel zeggen. De inhoud van een redevoering is op zichzelf beschouwd niet datgene wat overtuigt. Hetzelfde geldt bijvoorbeeld voor de stijl. Het is het geheel van inhoud, opbouw, verwoording en voordracht tezamen dat al dan niet overtuigt. Alleen van dat geheel prediceren we het overtuigende. De inhoud van een redevoering draagt, net zoals bijvoorbeeld de voordracht of vorm ervan, uiteraard wel bij aan het overtuigende. Want het maakt deel uit van genoemd geheel. Maar het is niet de drager van het overtuigende. Het is niet datgene waarvan we zeggen dat het overtuigt. Dat zeggen we alleen van het geheel. Vergelijk de genera. Aristoteles leert dat elk zijnde, elke substantie een eenheid is van vorm en materie. Neem nu een zijnde. Bijvoorbeeld Jan. Jan behoort tot het genus, tot het geslacht ‘mens’. We prediceren ‘mens’ van Jan. We prediceren dus ‘mens’ van het gehele zijnde en niet van Jans materie of vorm. Waarvan prediceren we dus het genus? Van de materie? Nee. Van de vorm? Nee. We prediceren het genus van het gehele uit vorm en stof bestaande zijnde. In het geval van de genera prediceren we het genus van het gehele zijnde en dus niet alleen van de vorm of materie. Zo ook hier. We kunnen een formeel onderscheid maken tussen inhoud en andere aspecten zoals vorm en voordracht. Maar het is uiteindelijk het geheel dat overtuigt. Of niet natuurlijk. Uiteraard dient iedere inhoud altijd al in een bepaalde vorm gegoten te zijn om mededeelbaar te zijn. Maar de retorische vorm is meer dan deze noodzakelijke vorm. De retorische vorm omvat stijlmiddelen en opbouw. Binnen een retorische context wordt met ‘vorm’ dan ook altijd zowel uitdrukkingswijze of taalgebruik en structuur of ordening bedoeld. Beide behoren tot de vorm oftewel de schikking in taal. Dat is inherent aan de retorische beschouwingswijze. Het gaat steeds om een retorisch rijke vorm vervat in genoemd geheel. En dat geheel omvat zoals gezegd zelfs nog meer, zoals de voordracht. Alleen dát geheel overtuigt. Alleen daarvan prediceren we het overtuigende. Alleen dat geheel is het subject van het predicaat 'overtuigend'.

26. De ideale redenaar - wellevend, weldenkend en welluidend, actief in de polis, en zowel geleerd, wijs als deugdzaam - zoals Cicero en Quintilianus voor ogen stond, bestaat niet en heeft waarschijnlijk nooit bestaan. Maar het blijft een prachtig ideaal dat zin en richting geeft.

27. Quintilianus stelt op p. 547 dat alle filosofische kwesties een bepaald type retorische strijdvragen zijn, namelijk algemene retorische strijdvragen, en dat redenaars hiermee oefenen als voorbereiding voor de concrete retorische strijdvragen van juridische geschillen op het Forum.

Citaten
1. “Daarom moet men er niet op toezien dat hij het begrijpt, maar dat het absoluut onmogelijk is dat hij het niet begrijpt.” (Quintilianus 401)

2. “Wie slechts correct en helder spreekt, wordt vaak mager beloond, omdat hij eerder de indruk wekt fouten te vermijden dan iets bijzonders te hebben bereikt.” (Quintilianus 401)

3. “Alle welsprekendheid betreft het leven zelf, ieder betrekt wat hij hoort op zichzelf, en de geest is het meest ontvankelijk voor wat hij herkent.” (Quintilianus 413)

4. “Zoals men zegt dat onder Griekse muzikanten diegenen rietblazer worden, die er niet in slagen de cither te leren bespelen, zo zien wij degenen die er niet in slagen tot redenaars uit te groeien, terechtkomen in de rechtenstudie.” (Cicero, Pro Murena 13.29)

5. “Volgzaamheid baart vrienden, waarheid haat.” (Terentius, Andria 68)

6. “Een redevoering waarvan men de woorden prijst, werkt inhoudelijk niet. Laat dus de aandacht voor de stijl zo groot mogelijk zijn, zolang we maar beseffen dat we het niet voor de woorden doen, maar dat die woorden juist bedacht zijn terwille van de inhoud.” (Quintilianus 396)

7. "Al te bloemrijke sprekers ontbreekt het aan orde en maatbesef, al te schrale sprekers aan kracht." (Quintilianus)

8. "De kracht van een redenaar is toch geheel gelegen in versterking en afzwakking. Beide effecten berusten of op de inhoud, of op de woorden." (Quintilianus 416)

9. "Want zoals stormen vaak voorspelbaar zijn op grond van een duidelijk herkenbaar weerbeeld, vaak ook echter volstrekt onverwacht en onverklaarbaar door een duistere oorzaak opgezweept worden, zo kan men van deze politieke stormen vaak begrijpen door welke oorzaak ze op gang gebracht zijn, maar is dat vaak ook zo duister, dat het wel lijkt of ze zonder enige oorzaak opgestoken zijn." (Cicero, Pro Murena 17.36)

10. “Sommigen […] ontvluchten en deinzen terug voor al die dingen die het luisteren naar een redevoering tot een genoegen maken, en waarderen slechts wat vlak, aards en pretentieloos is. Zo komen zij, in hun angst een keertje te vallen, helemaal niet van de grond.” (Quintilianus 426)

11. “Dat er van ironie sprake is, blijkt uit de voordracht, uit het karakter of uit de aard van de zaak: als een daarvan in tegenspraak is met de woorden, is het duidelijk dat deze het tegenovergestelde betekenen.” (Quintilianus 436)

12. “En dan is er ook nog het overbodig gedoe: dit is het, waarin nauwgezetheid zich van pietluttigheid, en religiositeit zich van dweperij onderscheidt.” (Quintilianus 410)

13. “Een hyperbool is een smaakvolle overdrijving van de waarheid. […] Maar ook hier is maat houden geboden. Want hoewel iedere hyperbool verder gaat dan geloofwaardig is, wil dat nog niet zeggen dat zij ook verder moet gaan dan aanvaardbaar is.” (Quintilianus 438-9)

14. “Zelfs een geheel leven kan ironisch worden, zoals dat het geval schijnt te zijn met Socrates.” (Quintilianus 457)

15. “Het kan niet anders of wat van nature onwaar en ongeloofwaardig is, maakt een diepere indruk omdat het de waarheid overstijgt, of het wordt als loos gepraat opgevat omdat het niet waar is.” (Quintilianus 454)

16. “Door te sterven verwierf hij onsterfelijkheid.” (Quintilianus 480)

17. "Een mens mag een vijand zijn, hij blijft een mens.” (Quintilianus 480)

18. "Zowel wat hij bezit als wat hij niet bezit, ontbreekt de vrek.” (Publilius Syrus, Sententia 694 Loeb.)

19. "Want terwijl hij als kunstenaar zoveel waardigheid heeft, dat hij de enige is die zijn plaats op het toneel verdient, heeft hij tevens als mens zoveel waardigheid, dat hij de enige acteur is die een betere plaats dan het toneel verdient." (Cicero, Pro Quinctio 25.78)

20. "Ook de redevoering heeft als het ware een normaal gezicht, dat natuurlijk niet in een bewegingloze starheid mag verstijven, maar toch voor het grootste deel van de tijd die uitdrukking moet behouden die de natuur het gegeven heeft." (Quintilianus 486)

21. "Een al te grote aandacht voor woorden doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van de emoties, en overal waar de techniek de boventoon voert, lijkt waarachtigheid te ontbreken." (Quintilianus 486)

22. "De functie die versificatie voor poëzie heeft, heeft woordschikking voor welsprekendheid." (Quintilianus 506)

23. "Ja, hoe gelikter het klinkt, des te meer doet de man die zich zo in de kaart laat kijken, afbreuk aan zijn geloofwaardigheid en aan de stemming en emoties die hij bij het publiek heeft gewekt; een rechter die vermoedt dat de spreker met dat soort beuzelarijen zijn tijd verdoet, kan hem onmogelijk vertrouwen of meegaan met zijn verdriet of woede." (Quintilianus 511)

24. "Zoveel onstuimiger als een rivier in een glooiende bedding zonder obstakels voortstormt, dan wanneer de stroom door in de weg liggende rotsblokken gebroken wordt en zich moeizaam een weg baant, zoveel beter is een samenhangende manier van spreken die op volle kracht voortvloeit, dan een haperend gehakkel." (Quintilianus 487)

25. “Een gemoedsbeweging is een bepaalde hoedanigheid van het denken.” (Quintilianus 445)

26. "Figuren bezitten een charme die wel lijkt voort te komen uit hun verwantschap met iets verkeerds, zoals bij voedsel zelfs iets erg zuurs soms heel verfrissend is." (Quintilianus 472)

27. "De stijl is het lichaam der welsprekendheid." (Quintilianus 529)

28. "Esthetiek om de esthetiek is het doel van de dichtkunst." (Quintilianus 520)

29. “Filosofen spreken vooral over wat rechtvaardig, eerzaam, nuttig en het tegendeel daarvan is, en over het goddelijke; hun bewijsvoering is scherp, en hun debatten en ondervragingen vormen een uitstekende voorbereiding voor de toekomstige redenaar.” (Quintilianus 521)

30. "Bij Demosthenes kun je geen woord weghalen, bij Cicero geen woord toevoegen." (Quintilianus 532)

31. "In mijn ogen heeft Cicero, door zich geheel aan de navolging der Grieken te wijden, de kracht van Demosthenes, de rijkdom van Plato en de charme van Isocrates tot uitdrukking weten te brengen." (Quintilianus 533)

32. "Daarom zeiden zijn tijdgenoten niet zonder reden dat hij regeerde in de gerechtshoven, en heeft hij bij het nageslacht bewerkstelligd dat 'Cicero' niet zozeer de naam van een man is, als wel die van de welsprekendheid zelf." (Quintilianus 533)

33. "Wie zonder ordening, verfraaiing en een rijke woordenschat spreekt, is volgens mij helemaal geen spreker, maar een herrieschopper." (Quintilianus 552)

34. "Zij die op dwazen een geletterde indruk willen maken, maken een dwaze indruk op geletterden." (Quintilianus 554)

35. "Als een dwaling in een van beide richtingen dan onvermijdelijk is, heb ik liever dat de lezer alles van de grootste auteurs goed vindt, dan dat hij het slecht vindt." (Quintilianus 520)