maandag 15 maart 2021

Institutio Oratoria: overwegingen en citaten

Wat Aristoteles met zijn Organon niet lukte is Quintilianus met zijn Institutio Oratoria wel gelukt: een eind maken aan een heel vakgebied door het zo goed als volledig te voltooien. Hieronder volgt een overzicht van korte overwegingen bij het lezen van de Institutio. Dit overzicht wordt met enige regelmaat bijgewerkt naarmate de Quintilianus werkgroep vordert. Hetzelfde geldt voor de citatenlijst aan het eind.

Overwegingen
1. Uit wat Quintilianus in III.8 opmerkt over de inleiding van het ceremoniële genre, valt op te maken dat de bekende richtlijn van Aristoteles om de inleiding van het ceremoniële genre vrij te laten en los te laten staan van de rest van de toespraak mede is geïnspireerd op Gorgias.

2. Quintilianus werkt met een buitengewoon subtiele linguïstiek. Woorden hebben naast een syntaxtische vorm, een verwijzing en een semantische betekenis ook nog een ‘waarde’. Zo kunnen bijvoorbeeld synoniemen volgens hem een tegengestelde waarde hebben.

3. Een vraagstuk bij het lezen van Quintilianus is hoe hij tegelijkertijd kan menen dat een orator een goed en rechtvaardig mens moet zijn en onder bepaalde voorwaarden gebruik mag maken van leugens om zijn doel te bereiken. Hoe kunnen beide opvattingen in één ziel verenigd zijn?

4. Quintilianus stelt dat ruwe, ongepolijste, op sensatie beluste, breedsprakige, schreeuwerige, driftig heen en weer lopende en heftige gebaren makende sprekers vaak bij het grote publiek in de smaak vallen, terwijl ze juist géén enkele retorische vakkennis in de praktijk brengen.

5. Vrij zijn is de rede volgen. Wie luistert naar de rede is pas werkelijk vrij. Een gedachte van Kant? Jazeker. Uiteraard. Maar ook van Quintilianus (108).

6. Dat de dialectiek en retorica met topoi (systematische vindplaatsen voor standaard gedachtevormen) werkt is bekend. Het aardige is dat we bij Quintilianus (38) ineens lezen dat zelfs dichters topoi gebruiken.

7. Volgens Quintilianus (131) behoort retorica als vak zowel tot het beschouwen, het handelen als het vervaardigen. Hierin neemt hij afstand van Aristoteles die retorica net zoals bijvoorbeeld de poëzie of schilderkunst uitsluitend tot de tot stand brengende disciplines rekent.

8. Een jurdisch geschil waarbij de aanklacht luidt dat beklaagde daad D verrichtte met strafbaar kenmerk k, staat in de conjecturale status indien de beklaagde ontkent D gedaan te hebben, in de definitiestatus indien beklaagde erkent D verricht te hebben met niet strafbaar kenmerk k', en in de hoedanigheidsstatus indien de beklaagde erkent D verricht te hebben met kenmerk k maar eveneens betoogt dat D en k samen in dit geval te rechtvaardigen zijn.

9. Waarom heet de definitiestatus eigenlijk definitiestatus? In het geval van de conjecturale status dienen we toch ook de definitie van D te kennen om te kunnen twisten over de vraag of de beklaagde daad D vericht heeft? En in het geval van de hoedanigheidsstatus moeten we toch ook weten wat rechtvaardigheid is om te kunnen beoordelen of D samen met strafbaar kenmerk k te rechtvaardigen is? Dat mag zo zijn, maar in het geval van de definitiestatus betreft het geschil de vraag of de daad D van de beklaagde gepaard ging met k of k'. Moet D (e.g. het ombrengen van iemand) gekenmerkt worden als D+k (e.g. moord) of D+k' (e.g. zelfverdediging)? We dienen dus de definitie van D+k te vergelijken met die van D+k' om te bepalen hoe D gekarakteriseerd moet worden. Daarom spreken we hier specifiek over definitiestatus. De relevante definities vinden we in de regel in wetteksten. Dit betekent niet dat we hier ineens met de wettelijke status te maken hebben. Dat is pas het geval indien er een geschil ontstaat over of we een wet naar de letter of naar de geest moeten lezen, welke implicaties bepaalde wetten hebben, wat te doen als wetten elkaar tegenspreken en hoe we wetten moeten interpreteren.

10. De statustheorie is gebaseerd op het Aristotelische hylemorfisme. De conjecturale status betreft de vraag of iets het geval is. Dit dient hylemorfistisch begrepen te worden als de vraag of er een substantie van soort D aanwezig is. Er is in de onderhavige context wel of geen substantie van soort D gegeven. Uiteraard dienen we de definitie van D te kennen om deze vraag te kunnen beantwoorden. Sommigen hebben hierin aanleiding gezien om de conjecturale status te beschouwen als een species van de definitiestatus, maar zo ver hoeven we niet te gaan. De definitiestatus vertrekt daarentegen vanuit het gegeven zijn van een substantie van soort D en vraagt wat het is. Hier gaat het dus om de vraag naar de wezensvorm of vorm van de substantie. Kwalitatieve bepaling D vormt ontegenzeggelijk een bestanddeel van deze vorm, maar nu gaat het ook om de vraag naar de overige kwalitatieve bestanddelen ervan. Is de vorm van de substantie gelijk aan D+k of aan D+k'? Hier zijn k en k' aanvullende kwalitatieve bepalingen. Daarom wordt deze status de definitiestatus genoemd. Een minder natuurlijke duiding van de definitiestatus is om te zeggen dat de vorm van de substantie gelijk is aan D en dat k en k' kwalitatieve attributen betreffen van de gehele substantie als samenstel van vorm en stof. Maar ook dan spreken we van de definitiestatus. Tenslotte betreft de hoedanigheidsstatus de vraag of gelet op de specifieke omstandigheden de substantie al dan niet rechtvaardig genoemd kan worden. Hier hebben we het over een attributieve kwaliteit van de substantie en dus niet over een kwalitatief bestanddeel van de vorm ervan.

11. De conjecturale status kan ook als een genus van de definitiestatus beschouwd worden. De vraag of er een substantie van soort D aanwezig is, kan namelijk begrepen worden als de vraag of er een substantie is waarvan de wezensvorm het kwalitatieve bestanddeel D bevat. We dienen dan van alle aanwezige substanties te vragen wat het is. Want alleen zo kunnen we de wezensvorm van die substanties achterhalen en vaststellen of deze al dan niet D bevatten. Wanneer we een substantie treffen met wezensvorm E+a zodanig dat E+a bestanddeel D omvat, dan hebben we dus een substantie van soort D te pakken. Maar als het een substantie betreft met wezensvorm E+b zodanig dat E+b bestanddeel D niet omvat, dan volgt dat we geen substantie van de gezochte soort in het vizier hebben. Deze structuur komt inderdaad sterk overeen met die van de definitiestatus. De conjecturale status met betrekking tot D is dus conjecturaal relatief aan een hogere definitiestatus (Is het D+k of D+k'?). Ten opzichte van een fundamentelere conjecturale status (Is E het geval?) heeft zij echter eerder het karakter van een definitiestatus. Statussen zijn relatief.

12. De retorenscholen hebben het altijd gedaan. Cicero zet zich af tegen de argumentatieve formele retorica van Hermagoras en verwijt de scholen dat ze de emoties verwaarlozen, terwijl Quintilianus voor Hermagoras kiest en vindt dat de scholen teveel aandacht voor de emoties hebben.

13. Het bekende onderscheid van David Hume tussen feiten en waarden vind men al in de beruchte statusleer van de klassieke retorica. Een geschil over feiten gaat terug op de conjecturale status, terwijl een twist over waarden teruggaat op de hoedanigheidsstatus.

14. David Hume's bekende leerstuk dat al onze kennis uiteenvalt in enerzijds betwijfelbare empirische matters of fact en anderzijds onbetwijfelbare a priori relations of ideas vinden we al bij de Griekse redenaar Apollodorus van Pergamum uit de eerste eeuw voor christus. Apollodorus stelt immers dat iedere strijdvraag ofwel gaat over aan twijfel onderhevige feitelijke zaken buiten onszelf ofwel over a priori als vaststaand aan te nemen zaken die louter betrekking hebben op ons denken.

15. Paulus stelt: “De letter doodt, maar de geest maakt levend.” Zonder de geest is de wet enkel letter. Dit komt exact overeen met één van de vier bekende wettelijke strijdvragen die we in bijna alle klassieke retorica leerboeken vinden, namelijk de strijdvraag van letter en geest.

16. De ene retorische status kan een species zijn van de andere retorische status. We zeggen dan dat de species-status wordt gereduceerd tot de genus-status. Reductie is transitief. Volgens Archedemus is de hoedanigheidsstatus een species van de definitiestatus omdat bijvoorbeeld de hoedanigheidsvraag 'Is de toegegeven moord rechtvaardig?' uiteindelijk altijd neerkomt op de vraag 'Wat is rechtvaardig?'. De definitiestatus wordt vaak gezien als een species van de wettelijke status omdat de relevante definities vaak in wetsteksten te vinden zijn. De definitiestatus is volgens Celsus ook een species van de conjecturale status omdat bijvoorbeeld de vraag of een toegeven geldroof uit een tempel een roof van privégeld dan wel een tempelroof betreft kan worden begrepen als de conjecturale vraag of een tempelroof het geval is. De hoedanigheidsstatus beschouwt Celcus ook als species van de conjecturale status. Zo kan de vraag of de toegegeven moord rechtvaardig is begrepen worden als de conjecturale vraag of een rechtvaardige moord het geval is.

17. Wie als redenaar goed wil leren spreken moet goed leren schrijven. Waarom? Omdat de ousia van het spreken het schrijven is. Omgekeerd is het spreken niet de ousia van het schrijven. Want je hoeft geen redenaar te zijn om goed te kunnen schrijven. Veel schrijvers en filosofen zijn geen redenaars. Maar grote redenaars kunnen altijd ook goed schrijven. Het hoeft ons dan ook niet te verbazen dat niet alleen het houden van een redevoering als een ander, maar zelfs al het schrijven van een redevoering voor een ander, door Quintilianus prosopopoeia genoemd wordt. De logograaf Lysias mocht als zoon van een immigrant geen redevoeringen houden. Hij mocht ze alleen schrijven voor een ander. Toch behoort hij tot de tien grootste Attische oratoren. Inderdaad. Schrijven is de ousia van het spreken. Niet voor niets stelt Quintilianus eveneens dat een redevoering altijd moet worden geschreven in de volgorde van uitspreken en dat men op de retorenscholen als oefening vaak en veel moet schrijven.

18. Quintilianus merkt bij zijn bespreking van de retorische regels voor de uiteenzetting van een betoog in IV.2.103 op dat wij in verreweg de meeste gevallen het merendeel van deze regels dienen te volgen en er alleen van mogen afwijken indien de logica van het individuele geval dat vereist. Een dergelijke manier van omgaan met regels wordt in de filosofische logica defeasible reasoning genoemd. Deze wijze van redeneren is gegrond in zogenaamde defeasible, default of exception permitting rules van de vorm: Normally, P. Filosofen lijken dit redeneermodel ontleend te hebben aan de retorica. Want leraren in de retorica behandelen van oudher hun regels op precies deze wijze.

19. In boek IV van zijn Institutio Oratoria bespreekt Quintilianus onder andere de partitie. De partitie betreft de ordening van de argumenten in de bewijsvoering van een betoog en is als zodanig een onderdeel van de bewijsvoering. Wat zijn goede retorische regels voor de partitie? Quintilianus gaat onder meer in op wat we het partitieprobleem kunnen noemen. Ik zal dit probleem hieronder formeel weergeven. Stel dat de orator voor zijn bewijsvoering de argumenten A1, ..., An tot zijn beschikking heeft. Laat verder R(A1), ..., R(An) de retorische overtuigingskrachten zijn van elk van deze argumenten op zichzelf beschouwd. Een partitie is dan een geordende deelverzameling van {A1, ..., An}. Zo zijn bijvoorbeeld <A1, An, A2> en <An, A2, A4> partities. En uiteraard zijn ook <A1, ..., An> en de lege verzameling ∅ partities. Indien de orator voor een bepaalde partitie kiest, dan geeft hij in de bewijsvoering de argumenten in de volgorde van de gekozen partitie. In het eerste voorbeeld geeft de redenaar dus eerst A1, dan An en tenslotte A2. Eventuele andere beschikbare argumenten geeft hij niet. Iedere partitie P heeft zelf ook een retorische overtuigingskracht R(P). Uiteraard wil de orator die partitie selecteren met de grootste retorische overtuigingskracht. Het partitieprobleem betreft dan de vraag welke partitie de orator moet kiezen voor zijn bewijsvoering. Dit is een lastig vraagstuk omdat de retorische overtuigingskracht van een partitie niet eenvoudigweg gelijk is aan de som van de retorische overtuigingskrachten van de erin voorkomende argumenten. Zo doet de volgorde van de argumenten ertoe. Moeten de sterkste argumenten aan het begin, in het midden of aan het eind van de partitie geplaatst worden? Lastig. Ook kan een partitie retorisch overtuigender gemaakt worden door de wat minder overtuigende argumenten erin weg te laten. Moeten dus alle argumenten gegeven worden of alleen de sterkste? Wederom lastig. Het is geen triviaal vraagstuk. Maar het is wel een retorisch vraagstuk. De epistemologie schiet hier tekort. Strikt epistemisch beschouwd is de sterkste partitie gewoon die partitie die alle argumenten bevat. De volgorde van de argumenten in de partitie doet er epistemisch niet toe. Daarnaast is de epistemische overtuigingskracht van een partitie, dus ook van de sterkste partitie, gelijk aan de som van de epistemische overtuigingskrachten van de erin voorkomende argumenten. Iedereen voelt echter aan dat met deze benadering iets verloren gaat. Want de volgorde van de argumenten doet er wel degelijk toe als het gaat om de overtuigingskracht van de bewijsvoering in zijn geheel. En het weglaten van de zwakkere argumenten kan leiden tot een meer overtuigende bewijsvoering. Het partitieprobleem laat dan ook zien dat we naast epistemologie retorica nodig hebben. Eens in de zoveel tijd komt er een epistemoloog langs die beweert dat retorica onzin is en dat we ons gewoon dienen te beperken tot epistemologie. Wat te doen? Uitgebreid ingaan op het belang van de overtuigingsmiddelen ethos en pathos in aanvulling op het overtuigingsmiddel logos? Kan. Maar doeltreffender lijkt om hem of haar de realiteit van het partitieprobleem voor te leggen. Het vereist voor haar oplossing retorica. Het ademt retorica.

Citaten
1. “Wie zich met niemand meet, kent zichzelf noodzakelijkerwijs teveel toe.” (Quintilianus)

2. “Beschouw uw leermeesters als ouders, niet van uw lichaam, maar van uw verstand.” (Quintilianus 110)

3. “Morele geboden, ook al zijn ze van nature eerzaam, hebben meer kracht om het karakter te vormen als een helder spreker zijn licht doet schijnen op de schoonheid van de zaak.” (Quintilianus 124)

4. “Degenen die op het gebied van welsprekendheid alles al geprobeerd hebben, zullen namelijk bemerken dat niets moeilijker is dan dingen te zeggen, na het horen waarvan iedereen denkt dat hij het zelf ook gezegd zou hebben.” (Quintilianus 209)

5. “De moderne redenaars denken dat hun vakkundigheid teniet gedaan wordt als zij onzichtbaar is, terwijl zij juist ophoudt te bestaan als zij zichtbaar is.” (Quintilianus 222)

6. “We weten immers dat Pythagoras een aantal opgewonden jongelui, die op het punt stonden een achtbaar huis te schenden, tot kalmte heeft gebracht door een aulosspeelster opdracht te geven lange noten te blazen.” (Quintilianus 81)

7. “Meestal doet men er goed aan zo te spreken, dat het verhaal eenvoudig lijkt, alsof men er nog niet zo lang over nagedacht heeft. Een schijnbaar achteloos en niet opzichtig optreden dringt dikwijls ongemerkt dieper naar binnen.” (Quintilianus 200)

Geen opmerkingen: