Some time ago I proposed the below mentioned aesthetic argument for the existence of God. Revisiting my argument it seems to me that the only controversial premise is [4]. If one accepts this article as a proper defense of it, the argument goes through.
1. The sublime experience is a well-established type of experience (premise)
2. There is a phenomenologically maximally adequate account of each well-established type of experience (premise)
3. There is a phenomenologically maximally adequate account of the sublime experience (from 1, 2)
4. If there is a phenomenologically maximally adequate account of the sublime experience, then that account is the experience of God (premise)
5. The phenomenologically maximally adequate account of the sublime experience is the experience of God (from 3, 4)
6. For any well-established type of experience, in the absence of defeaters, the phenomenologically maximally adequate account of that type of experience is veridical (premise)
7. In the absence of defeaters, the phenomenologically maximally adequate account of the sublime experience is veridical (from 1, 6)
8. There are no defeaters in the case of the sublime experience (premise)
9. The phenomenologically maximally adequate account of the sublime experience is veridical (from 7, 8)
10. The experience of God is veridical (from 5, 9)
11. God exists (from 10)
maandag 30 november 2015
zondag 29 november 2015
A calculus for possible worlds
Many metaphysicians deploy the apparatus of possible worlds. Possible worlds are in principle complete descriptions of how the world is or could have been. So, there are many, perhaps infinitely many, possible worlds. One of them is the actual world. It reflects reality as it actually is. How do metaphysicians decide whether something may count as a possible world? In most, if not all cases, the only criterion used for deciding whether a proposed candidate may be considered a possible world is the criterion of conceivability. If we can conceive the sketched situation, then we may infer that it is indeed possible and therefore part of at least one possible world. Conceivability though is a rather vague notion. It seems to convey the idea that there must be a clear and comprehensible narrative that outlines how the situation in question could obtain. So what is needed is an reasonable recognizable account of how the situation could be actual. It is thus not enough to just stipulate a situation as being possible. Now, what I would like to propose is to develop a calculus for the generation of new possible worlds out of given ones. The conceivability criterion may become one of the rules of this calculus, but this is not necessary. Perhaps we are able to identify a set of rules for said calculus that together make the conceivability criterion superfluous. What sort of rules do I have in mind? Well, we need rules for the generation of new possible worlds out of existing ones. For example rules like the following one. If W1 is a possible world, and W2 can be construed by a finite, coherent and unproblematic pathway from W1 to W2, then W2 is a possible world as well. So, the actual world without the chair I'm sitting on is a possible world. And the same holds for the actual world without the planets Mars and Venus. Or a possible world in which there are twenty planets orbiting around the sun. And so on. We also need rules to ground an initial set of possible worlds. An example of such a grounding rule would be the rule that a world in which only God exists is possible. From these possible worlds we may construct many other possible worlds by using generation rules such as the aforementioned one. In this way we get for example a possible world in which God exists and brings a universe into being. Or a possible world in which God exists and creates a multiverse. And so on. It seems to me that we need a quite large number of generation and grounding rules in order to arrive at an adequate possible worlds calculus. It would be interesting to see how such a calculus looks like.
zaterdag 28 november 2015
Een filosofisch spel
Er zijn twee spelers. Speler 1 kiest een genus, zeg g1. Speler 2 kiest vervolgens een genus g2 zodanig dat g1 een species is van g2. Speler 1 wint als hij of zij daarna in staat is een genus g3 te kiezen zodanig dat g1 een species is van g3 en g3 een species is van g2. In het andere geval dient speler 1 een genus g4 te kiezen zodanig dat g2 een species is van g4. Mocht speler 1 zo'n g4 niet kunnen vinden, dan wint speler 2. In het andere geval gaat de buurt weer naar speler 2. Mocht speler 2 een genus g5 kunnen vinden zodanig dat g2 een species is van g5 en g5 een species is van g4, dan wint speler 2. In het andere geval dient speler 2 een species g6 te noemen zodanig dat g4 een species is van g6. Lukt dit niet, dan wint speler 1. Als het wel lukt is de buurt weer aan speler 1. Dit gaat zo door totdat er een winnaar is. Veel plezier!
vrijdag 27 november 2015
Deducing the four sources of knowledge
My defense of the second premise of my modal-epistemic argument relies amongst others on the claim that (on the specific conception of knowledge used for the argument) there are no more than four sources of knowledge: logical proof, self-evident intuition, experience and testimony. Here is an interesting suggestion from L. Newton to deduce that these four sources of knowledge are indeed exhaustive. Knowledge is either from oneself or another. If it is from another, then it is from 1) testimony. If it is from oneself, it is either from 2) experience or from the intellect. If it is from the intellect, it is either 3) self-evident or 4) logically proven.
donderdag 26 november 2015
Lezing voor Newman Society
Gistenavond heb ik voor de Newman Society aan de KU Leuven een lezing gegeven over mijn modaal-epistemisch argument voor het bestaan van God. Het was een prachtige avond, zowel tijdens de lezing als daarna. De tekst van mijn voordracht is hier beschikbaar.
Labels:
KU Leuven,
lezing,
modaal-epistemisch argument,
Newman society
vrijdag 20 november 2015
Ik ben Alice
Robots zullen nooit de status van subject bereiken omdat existentiële oorspronkelijkheid en spontaniteit niet kunstmatig te construeren zijn. Wel kunnen robots op een enig moment een nieuwe zijnswijze gaan vertegenwoordigen, namelijk een manier van zijn die het midden houdt tussen object en subject. Zo kan het ontologische landschap waarin wij ons bevinden verrijkt worden.
Labels:
artificial intelligence,
documentaire,
Ik ben Alice,
ontologie,
robots
Modaal-epistemisch argument 2.0
Velen hebben de afgelopen jaren tevergeefs geprobeerd om een geslaagde objectie tegen mijn modaal-epistemisch argument voor het bestaan van God in te brengen. Hoewel geen van deze talloze objecties succesvol is, hebben ze er wel voor gezorgd dat veel, zo niet bijna alle, aandacht uitging naar het adequaat weerleggen ervan. Nu er zich niet of nauwelijks meer nieuwe te weerleggen objecties aandienen, kan langzamerhand de aandacht verlegd worden van het netjes weerleggen van objecties naar het nóg sterker maken van mijn argument. In deze bijdrage wil ik hiermee een begin maken.
De eerste premisse van het argument luidt zoals bekend dat alles wat mogelijk waar is ook gekend kan worden. Formeler uitgedrukt: Voor iedere propositie P die waar is in tenminste één mogelijke wereld, is er ook een mogelijke wereld (dezelfde of een andere) waarin P zowel waar is als gekend wordt. Tezamen met de tweede premisse van mijn argument, namelijk dat het onmogelijk is om te weten dat God niet bestaat, volgt dan logisch dat God bestaat. Want als God niet bestaat, dan is "God bestaat niet" waar en dus ook mogelijk waar. Maar dan is op grond van de eerste premisse "God bestaat niet" kenbaar, wat in tegenspraak is met de tweede premisse. De tweede premisse stelt immers dat de propositie "God bestaat niet" onkenbaar is.
Nu kunnen we ons afvragen of we de eerste premisse eigenlijk wel nodig hebben om de conclusie af te leiden dat God bestaat. Is de eerste premisse niet te zwaar? Kunnen we met behoud van de conclusie dat God bestaat de premisse dat al het mogelijk ware kenbaar is niet vervangen door een zuinigere, bescheidenere en daarmee dus nóg plausibelere premisse?
Welnu, dat kan inderdaad. We kunnen als eerste premisse iets spaarzamers kiezen: Voor iedere propositie P die waar is in tenminste één mogelijke wereld waarin zich bewuste kennende wezens bevinden, is er ook een mogelijke wereld (dezelfde of een andere) waarin P zowel waar is als gekend wordt. Deze premisse is zuiniger dan de originele eerste premisse. Er wordt nu namelijk niet langer beweerd dat iets wat waar is in tenminste één mogelijke wereld kenbaar is. Er wordt alléén nog maar beweerd dat iets wat waar is in tenminste één mogelijke wereld waarin zich kennende wezens bevinden kenbaar is. En dat is uiteraard een minder vergaande, meer bescheiden en dus nóg plausibelere bewering.
Uit deze spaarzamere eerste premisse volgt tezamen met de ongewijzigde tweede premisse nog steeds dat God bestaat. Want als God niet bestaat, dan is "God bestaat niet" waar in een mogelijke wereld met kennende wezens. Onze wereld is immers ontegenzeggelijk een mogelijke wereld met kennende wezens. Wij bestaan immers in deze wereld en wij zijn kennende wezens! Uit de zuinigere eerste premisse volgt dan dat "God bestaat niet" kenbaar is, wat opnieuw in tegenspraak is met de tweede premisse. Kortom, God bestaat.
Op deze manier krijgen we dus een modaal-epistemisch argument voor het bestaan van God waarvan de eerste premisse nóg plausibeler is dan die van de oorspronkelijke versie van mijn argument. We krijgen met andere woorden een nóg sterkere versie van het modaal-epistemisch argument.
Voor de aardigheid zouden we deze versie modaal-epistemisch argument 2.0 kunnen noemen. De hier geschetste aanscherping van mijn argument laat verder zien hoe het argument nog verder versterkt kan worden. We kunnen immers nog meer aanvullende condities in het antecedent van de eerste premisse opnemen, om zo een nog bescheidenere en daarmee nog plausibelere eerste premisse te verkrijgen dan die van versie 2.0 van het argument. Suggesties voor dergelijke aanvullende condities zijn meer dan welkom. Ik ben benieuwd!
De eerste premisse van het argument luidt zoals bekend dat alles wat mogelijk waar is ook gekend kan worden. Formeler uitgedrukt: Voor iedere propositie P die waar is in tenminste één mogelijke wereld, is er ook een mogelijke wereld (dezelfde of een andere) waarin P zowel waar is als gekend wordt. Tezamen met de tweede premisse van mijn argument, namelijk dat het onmogelijk is om te weten dat God niet bestaat, volgt dan logisch dat God bestaat. Want als God niet bestaat, dan is "God bestaat niet" waar en dus ook mogelijk waar. Maar dan is op grond van de eerste premisse "God bestaat niet" kenbaar, wat in tegenspraak is met de tweede premisse. De tweede premisse stelt immers dat de propositie "God bestaat niet" onkenbaar is.
Nu kunnen we ons afvragen of we de eerste premisse eigenlijk wel nodig hebben om de conclusie af te leiden dat God bestaat. Is de eerste premisse niet te zwaar? Kunnen we met behoud van de conclusie dat God bestaat de premisse dat al het mogelijk ware kenbaar is niet vervangen door een zuinigere, bescheidenere en daarmee dus nóg plausibelere premisse?
Welnu, dat kan inderdaad. We kunnen als eerste premisse iets spaarzamers kiezen: Voor iedere propositie P die waar is in tenminste één mogelijke wereld waarin zich bewuste kennende wezens bevinden, is er ook een mogelijke wereld (dezelfde of een andere) waarin P zowel waar is als gekend wordt. Deze premisse is zuiniger dan de originele eerste premisse. Er wordt nu namelijk niet langer beweerd dat iets wat waar is in tenminste één mogelijke wereld kenbaar is. Er wordt alléén nog maar beweerd dat iets wat waar is in tenminste één mogelijke wereld waarin zich kennende wezens bevinden kenbaar is. En dat is uiteraard een minder vergaande, meer bescheiden en dus nóg plausibelere bewering.
Uit deze spaarzamere eerste premisse volgt tezamen met de ongewijzigde tweede premisse nog steeds dat God bestaat. Want als God niet bestaat, dan is "God bestaat niet" waar in een mogelijke wereld met kennende wezens. Onze wereld is immers ontegenzeggelijk een mogelijke wereld met kennende wezens. Wij bestaan immers in deze wereld en wij zijn kennende wezens! Uit de zuinigere eerste premisse volgt dan dat "God bestaat niet" kenbaar is, wat opnieuw in tegenspraak is met de tweede premisse. Kortom, God bestaat.
Op deze manier krijgen we dus een modaal-epistemisch argument voor het bestaan van God waarvan de eerste premisse nóg plausibeler is dan die van de oorspronkelijke versie van mijn argument. We krijgen met andere woorden een nóg sterkere versie van het modaal-epistemisch argument.
Voor de aardigheid zouden we deze versie modaal-epistemisch argument 2.0 kunnen noemen. De hier geschetste aanscherping van mijn argument laat verder zien hoe het argument nog verder versterkt kan worden. We kunnen immers nog meer aanvullende condities in het antecedent van de eerste premisse opnemen, om zo een nog bescheidenere en daarmee nog plausibelere eerste premisse te verkrijgen dan die van versie 2.0 van het argument. Suggesties voor dergelijke aanvullende condities zijn meer dan welkom. Ik ben benieuwd!
Labels:
god,
metafysica,
modaal-epistemisch argument,
theïsme
Abonneren op:
Posts (Atom)
