dinsdag 24 februari 2026

VU-bijeenkomsten over Gadamers Waarheid en Methode: Opnamen (Deel I)

In de afgelopen periode heb ik op de Vrije Universiteit drie zittingen verzorgd voor masterstudenten en promovendi filosofie en theologie over een groot deel van Deel I van Hans-Georg Gadamers monumentale werk Waarheid en Methode. Hoofdlijnen van een filosofische hermeneutiek. De opnamen van deze bijeenkomsten heb ik hieronder beschikbaar gemaakt.

Eerste zitting: Het transcenderen van de esthetische dimensie (tot en met “De interesse in het natuurschoon en het kunstschoon”)
Opname 1
Opname 2

Tweede zitting: De relatie tussen smaak en genie (tot en met “Het dubieuze van de esthetische vorming”)
Opname 3
Opname 4

Derde zitting: Kritiek op de abstractie van het esthetisch bewustzijn (tot “De temporaliteit van het esthetische”)
Opname 5
Opname 6

dinsdag 17 februari 2026

Ontisch denken is abstract denken

Ontisch denken bestaat erin het bijzondere geval onder een vast en vooraf bepaald begrip te subsumeren. Daarbij wordt het bijzondere slechts gezien als instantie van het bepaalde begrip en verliest het elke eigen concreetheid. Het begrip is dan allesbepalend: het bijzondere geldt alleen nog als voorbeeld ervan en is daarin volledig geabstraheerd. Zou het bijzondere méér zijn dan een instantie van het gegeven begrip, dan zou het een eigen concreetheid meebrengen en zou het begrip zelf niet langer gesloten zijn en vaststaan, maar door het geval mede worden bepaald en veranderd. Het begrip waaronder het concrete geval wordt gesubsumeerd is dan onbepaald. In dat geval verlaten we het ontische denken en de loutere abstractie. Ontisch denken is dus abstract denken. Concreet denken daarentegen is een stap voorbij het ontische, in de richting van het ontologische, omdat het het bijzondere niet volledig in het begrip laat opgaan, maar het laat meewegen in wat het begrip zelf betekent.

vrijdag 6 februari 2026

Ervaren en denken binnen de wereld zoals zij voor ons is

Wanneer we een boom waarnemen - en dus iets voor ‘waar’ nemen, namelijk dat daar een boom staat - zijn we altijd al door het woord ‘boom’ heengegaan. We ervaren altijd iets als iets. Ons ervaren heeft van meet af aan een ‘opvatten als’ structuur. Onze ervaring is dus steeds al conceptueel geladen. Een vermeende zuivere onbemiddelde directe ervaring is dan ook een onhoudbare onthechte abstractie. En precies omdat al onze ervaring altijd al conceptueel geladen is en we zonder concepten geen enkele indruk ‘als iets’ kunnen ervaren, zijn onze concepten - en daarmee de woorden van onze taal - constitutief voor wat we ‘wereld’ noemen. Hier is geen ontsnappen aan. Dit geldt bovendien niet minder voor ons denken dan voor ons ervaren, en het geldt niet minder voor bomen dan voor bommen en voor natuurwetenschappelijke formules zoals E=mc2. We zitten altijd al en voorgoed in het ‘voor ons’. Natuurlijk mogen we wel hopen dat de-wereld-voor-ons hetzelfde is als de wereld-in-zichzelf. Maar meer dan hopen zal het nooit worden omdat we nimmer toegang hebben tot het ‘op zichzelf’ van de-wereld-voor-ons. Kortom, in ons ervaren én in ons denken neemt de wereld noodzakelijk de vorm aan van ons ervaren en denken. Nooit zullen we daarom weten in hoeverre deze vorm de-wereld-in-zichzelf, het absolute, perfect weerspiegelt of juist hopeloos vervormt. Daarnaast vertrekt iedere verwoede poging tot deconstructie of ontmaskering van het menselijk ervaren en denken als onvolledig of vals hoe dan ook noodzakelijkerwijs vanuit onze menselijke, al te menselijke ervaring en ons menselijk, al te menselijke denken. Het ‘voor ons’ houdt zo onvermijdelijk epistemisch het uiteindelijke primaat.

maandag 2 februari 2026

Het Kantiaanse schoonheidsoordeel: niet ontisch, maar daarom nog niet ontologisch

Het Kantiaanse schoonheidsoordeel is geen ontisch oordeel. Ten eerste wordt de schoon bevonden zaak niet onder begrippen gesubsumeerd. Een begripsmatige fixatie ontbreekt. Het oordeel is reflecterend en niet constitutief. De door het verstand aangereikte begrippen dansen slechts mee in het vrije spel van verstand en verbeelding. Maar ondanks dit niet-ontische karakter is het schoonheidsoordeel nog niet ontologisch. Kant blijft het schoonheidsoordeel vanuit de subjectiviteit begrijpen door het te funderen in de structuur van het menselijk kenvermogen. Er is bovendien geen sprake van een waarheidsgebeuren waarbij het zijn zich toont. Daarnaast ontbreekt elke rol voor taal en geschiedenis. Zo blijft het schoonheidsoordeel, hoewel het het ontische denken overwint, toch binnen de horizon van het ahistorisch subjectivisme en bereikt het niet het ontologische zijnsverstaan dat Heidegger voor ogen staat.